Oorlog in Duitschland.
Napoleons geduchte krijgstoerustingen aan 't Kanaal hadden de onrust
in Engeland sterk doen toenemen, doch Pitt was weder in het kabinet
getreden. De partij van den vrede had het onderspit gedolven.
Den 5en October had een Engelsch eskader weder het bewijs geleverd,
dat zeeroof nog altoos een zijner geliefkoosde middelen was tot
vermeerdering van zijn gezag op den oceaan. Vier Spaansche fregatten
met een lading van circa zeven millioen gulden aan boord waren
zonder oorlogsverklaring buit gemaakt en prijs verklaard, omdat
Spanje geweigerd had aan de Fransche schepen den toegang tot zijn
havens te verbieden. Uit niets was dus af te leiden, dat Engeland
naar vrede verlangde.
Voor de grondvesting zijner dynastie dezen vrede vóór alles wenschende,
deed Napoleon in de eerste dagen van Januari 1805 toch nog een
poging om tot dezen te geraken. Voor de tweede maal schreef hij een
brief aan Engelands koning en bezwoer hem hierin "zelf aan de wereld
vrede te schenken en deze zoete voldoening niet over te laten aan
een volgend geslacht." Bovendien wees Napoleon op het hooge punt van
welvaart en voorspoed, waarop Engeland stond; een oorlog was zonder
nut en "de wereld is toch groot genoeg, dat onze beide volken er
kunnen leven." Het antwoord was koel en ontwijkend. Verschillende
teekenen wezen zelfs er op, dat het Pitt was gelukt den Frankrijk
vijandigen geest op Europa's vastland weder tot oorlogswoede te
prikkelen. Inmiddels verliep de gunstige periode voor een landing;
alles werkte tegen en machteloos tegenover de elementen, die hij niet
voor zijn wil kon doen bukken, moest Napoleon toezien, dat het leger
aan 't Kanaal wederom een tijd tot werkeloosheid was gedoemd. Een
oogenblik rees in zijn machtig brein het plan op, een legermacht van
dertigduizend man om de Kaap de Goede Hoop heen naar Britsch-Indië
te voeren, met de Mahratten tot bondgenoot dit land te veroveren
en Albion op die wijze te treffen, doch de hierbij te overwinnen
bezwaren waren te groot. Ten slotte bedacht hij een middel, dat wel
uitvoerbaar was en waar hij terstond een begin mee deed maken.
Bij zijn plan voor een landing op de Engelsche kust hing alles af van
tweemaal vier en twintig uur goed weer en van de aanwezigheid eener
Fransche vloot in 't Kanaal, sterk genoeg om het daar onafgebroken
kruisende Engelsche eskader van vijftien schepen in toom te houden. Dus
ontving de admiraal de Villeneuve, opperbevelhebber over de circa
zestig Fransche en andere schepen, in de havens van Brest, van
Rochefort, van Le Ferrol en van Cadix verspreid, den last met die vloot
in zee te steken en den steven te wenden naar Martinique in West Indië.
Natuurlijk zouden de Engelsche eskaders in den Atlantischen Oceaan
hem dan derwaarts volgen.--Hun komst aldaar moest hij echter niet
afwachten doch, Martinique verlatende, naar Europa terugkeeren,
noordwaarts om Schotland heen naar het Nauw van Calais stevenen en het
Kanaal-eskader vernietigen. Dan kon de landing geschieden. Voordat de
Engelsche vloot, van Martinique terugkeerende, zijn spoor had gevonden,
zou het pleit zijn beslist.--
Aanvankelijk liep alles naar wensch. Alleen had Villeneuve slechts
ruim dertig schepen kunnen bijeen brengen; de Spaansche waren niet
gereed. Martinique werd bereikt, ook vroegtijdig genoeg weder verlaten,
maar nu richtte de admiraal den steven niet naar 't noorden, naar
Schotland, doch naar 't zuiden, naar Cadix, om hier de bij de uitreis
nog niet slagvaardige bodems af te halen. Een kort gevecht voor Ferrol
volgde. De vloot leed schade en nu bleef de admiraal te Cadix liggen
"timmeren," zoodat de vijand al den tijd had om eveneens naar Europa
terug te keeren. Toen kwam het slechte weder, dat uitzeilen belette
en ten slotte werd de vloot in de haven van Cadix geblokkeerd.
Voorloopig zag Napoleon van verdere landingsplannen af.
Opnieuw wijdde hij zijn aandacht aan de stoffelijke en zedelijke
belangen van zijn volk. Het Burgerlijk Wetboek kwam gereed,
terwijl ook voor het onderwijs maatregelen werden genomen om dit
te verbeteren. In zijn jeugd had hij de ondervinding opgedaan van
hoe luttele waarde het onderwijs van pastoors en geestelijken op de
scholen was; ook had hij de onverdraagzaamheid dier mannen tegenover
andersdenkenden leeren kennen. Hierin moest een radicale verandering
komen en de eerste schreden hiertoe had hij al gedaan. Het Concordaat
had de positie geregeld van de Fransche geestelijken tegenover den
staat; zij waren door het land bezoldigde, doch door den paus in hun
geestelijk ambt bevestigde dienaren geworden. Staatskerk was die van
Rome niet geworden. Aan Pius gaf hij onomwonden te kennen, dat hij
van de Roomsch-Katholieke kerk als staatskerk niet wilde weten; ieder
geestelijke zou bij schending van de wetten van den staat evenals ieder
Fransch burger aan de bestaande rechtbank worden overgegeven; bovendien
deelde hij den paus mede, dat er in de rijksscholen wel geestelijken
zouden worden toegelaten tot het geven van godsdienstonderricht,
maar dat alleen de staat op de scholen gezag moest uitoefenen,
terwijl het onderwijs alleen door mannen van het vak mocht gegeven
worden. Als een balsem op deze wond beloofde hij den kerkvorst op diens
vraag of hij niets zou terugkrijgen van 't geen hij in grondgebied,
o.a. de legatiën en inkomsten had verloren, dat hij in den materieelen
toestand van den Heiligen Stoel langzamerhand verbetering zou brengen;
ook wilde Napoleon zelfs terstond geldelijke steun verleenen, maar
hij gaf daarbij te kennen, dat hij geen verraad kon plegen tegenover
een staat, die hem gekozen had tot hoofd.
Dit laatste doelde op het nieuwe koninkrijk, dat uit de Italiaansche
republiek was voortgekomen en waarvan hem de kroon in het midden van
Maart 1805 was aangeboden. Napoleon had pogingen aangewend om deze
kroon aan Jozef te geven, dit zou dan een soort compensatie zijn
geweest voor zijn afstand van het erfrecht in Frankrijk, waarvan
Napoleon dan hoopte een bepaalde afstandsacte in handen te krijgen;
na eerst zoo goed als aangenomen te hebben, had Jozef ten slotte toch
bedankt tot groote ontstemming van zijn broeder, die daarna nog een
vergeefsche poging had aangewend om de Italiaansche kroon voor een
kind van Louis te bestemmen, terwijl het regentschap gedurende de
minderjarigheid aan Napoleons beslissing zou zijn gebleven.
Dat de geheele intrige van de aanbieding van dit koningschap over
Italië door Napoleon en Talleyrand was op touw gezet en uitgewerkt,
vordert zeker geen nader betoog. Europa had deze gedaantewisseling
van Noord-Italië verwacht; daar was men hem met plannen maken zelfs
reeds voor. Zoo heette het in die dagen reeds, dat hij aan Louis in
Holland, aan Jozef in Napels een kroon wilde geven, dat hij zijn oom
Fesch tot Paus zou verheffen en Zwitserland en Genua met Frankrijk
wilde vereenigen; Spanje heette al bestemd voor een derden broer. Zoo
werd de publieke opinie vaak reeds voor hem bewerkt, zonder dat hij
hiertoe aanleiding gaf.
Toen alle toebereidselen gemaakt waren en de ijzeren kroon der
Lombardische koningen uit de schatkamer van Monza te voorschijn was
gebracht, ging Napoleon, vergezeld van Joséphine en een groot deel
der hofhouding, den laatsten April op reis naar Italië en gaf ook nu
weder een bewijs van zijn belangstelling in al wat de bevolking zelve
of het algemeen belang ten goede kon komen. Zoo liet hij o.a. te
Lyon den last achter een bewaarplaats te bouwen voor niet verboden
handelsartikelen van vreemden oorsprong, een brug over de Saône te
hernieuwen, een graanhal te stichten benevens een teekenschool. Acht
dagen later hield hij zijn plechtigen intocht in Milaan.
"God geeft ze mij. Wee hem die ze aanraakt!" werd het devies der orde
van de IJzeren Kroon. 't Waren de woorden, door hem met luider stem
gesproken, terwijl hij zich in de hoofdkerk te Milaan de kroon der
Longobarden op de slapen drukte en zich tooide met den koninklijken
ring, den mantel en het zwaard. (26 Mei 1805.) Italië werd geschoeid
op de leest van het keizerrijk. Beslist was echter nog niet, wat met
Italië zou geschieden, wie n.l. Napoleon aldaar zou vervangen.
Terwijl hij zich te Milaan bevond werd er een geregelde correspondentie
met Pesaro gevoerd, waar Lucien vertoefde. Reeds vroeger had deze
broer een soort poging gewaagd met Napoleon op beteren voet te komen
en de gansche familie was in de weer om Lucien weder in genade te
doen aannemen, maar Napoleon bleef bij zijn vroegeren eisch, dat Mme
Jouberthon niet den naam van Bonaparte mocht dragen, terwijl Lucien
wel wilde beloven, dat zijn vrouw niet aan 't hof zou komen en het ook
goedkeurde, dat zij geen titel zou ontvangen, maar de twee dochters
uit het eerste huwelijk moesten deel uitmaken van de keizerlijke
familie. Hierover loopt in die dagen de briefwisseling van de broers,
welke echter het gewenschte resultaat niet heeft.
Vlijmend scherp is Napoleons antwoord aan de familieleden, waarin
hij in krasse bewoordingen Luciens gedrag afkeurt en hem verwijt
de eer van zijn naam en van zijn familie op te offeren aan een
"oneervolle" vrouw. Toch valt de beslissing over Italië nog niet. Nog
hoopt hij op onderwerping en dan, zoo had Napoleon beloofd, wachten
hem schitterende vooruitzichten. Lucien volhardt en den 7en Juni
valt de beslissing over Italië, waar Eugenius de Beauharnais tot
onderkoning wordt aangewezen. Ofschoon pas vier en twintig jaar oud,
in administratief werk niet thuis en van de politiek nog niet op de
hoogte, benoemt Napoleon zijn stiefzoon tot dit belangrijk ambt, maar
waar broers renonceeren blijft hem niet veel anders over en Eugenius,
die het volkomen vertrouwen van zijn stiefvader genoot en bekend
stond als een ridderlijk, trouw soldaat, een der nobelste figuren
uit die dagen van intrige en onbetrouwbaarheid, zou onder leiding van
Napoleon spoedig de bewijzen geven, dat de keuze van zijn stiefvader
niet zoo verkeerd was geweest.
De republiek Genua verzocht nog vóór Napoleons vertrek uit Milaan
bij het koninkrijk Italië te worden gevoegd.
De regeling der Italiaansche zaken had tusschen Napoleon en Jozef
een groote verkoeling doen ontstaan, terwijl de breuk met Lucien
nu volkomen was geworden. Tevergeefs had Jozef bij zijn plannen op
zijn zuster Caroline gerekend, deze had zich geheel van de broers
afgescheiden, daar er met hen niets was te verkrijgen en zij beter
alleen, gesteund door haar man, Murat, die als gouverneur van Parijs
in de nabijheid van Napoleon vertoefde, van de goede gelegenheid kon
gebruik maken om van broerlief een en ander gedaan te krijgen. Het
gevolg was dan ook, dat aan Murat steeds meer waardigheden werden
opgedragen en hij o. a. tot prins van het keizerrijk benoemd werd. Ook
Caroline ondervond in stoffelijke dingen de groote voordeelen met
Napoleon op goeden voet te wezen, zooals bleek uit de groote toelagen,
die haar en Murat ten deel vielen en het kostbare geschenk van bijna
een millioen francs na de geboorte van een kind aan Caroline bij haar
eersten kerkgang gegeven.
Had Elisa reeds vroeger Piombino, in Toskane, van Napoleon gekregen,
thans werd haar de kleine republiek Lucca als een prinsdom nog
toegewezen, terwijl haar gemaal Bacciochi den titel van prins van
Lucca en Piombino ontving. Dat Napoleon zijn zuster, die zich ook
aan de politiek begon te geven daardoor uit Parijs verwijderde was
zeker ook een hoofdmotief van deze benoeming. Elisa kon nu in haar
gebied met de 130.000 inwoners naar hartelust aan de politiek doen
en ze liet zich ook niet onbetuigd, terwijl ze wel zorgde, dat haar
onbeduidende man tevreden bleef met den titel te voeren, zonder ook
maar iets in het bestuur te zeggen te hebben.
Dat de verhouding van Napoleon weer hersteld was en aan Borghese het
Fransch burgerrecht was verleend, had Pauline in hoofdzaak te danken
aan haar moeder, die nooit ophield in de bres te springen voor die
kinderen, welke in ongenade waren gevallen of die naar haar meening
door Napoleon niet werden behandeld zooals dat behoorde.
In de eerste maanden na de kroning vinden we de moeder in Parijs,
eigenlijk in afwachting van hetgeen Napoleon aan haar zou geven,
want zij had noch een titel, noch een of andere bezitting ontvangen
en hierover had ze meermalen haar ongenoegen te kennen gegeven en oom
Fesch had er vroeger reeds met Napoleon over gecorrespondeerd. Niet
alleen kostte het dezen nog al hoofdbreken welken titel aan haar te
geven, maar het wekte Napoleons ontstemming ook op, dat zij voor Lucien
telkens opnieuw opkwam in plaats van er voor te zorgen, dat Lucien zich
onderwierp en het huwelijk verbrak. Ook tegenover Jérome moest zij voor
Napoleon partij kiezen. Aan haar wensch werd echter voldaan en behalve
den titel van Madame-Mère werd haar een groot jaargeld toegewezen,
terwijl ze een mooi kasteel aan de Seine ter bewoning ontving, en
haar zoon nog een aardige som voor de meubileering verstrekte. Toch
was het er verre van af dat mama zich bijzonder dankbaar toonde;
haar wenschen en begeeren reikten veel verder. Ze was te veel
Corsicaansche om niet te pogen, dat de Corsicanen in Frankrijk in
betrekkingen werden geplaatst, maar zooals we vroeger reeds zeiden,
Napoleon dacht er niet over Frankrijk aan de clan over te leveren;
zorgvuldig waakte hij ervoor dat de verspreiding der Corsicanen over
Frankrijk werd voorkomen en bij de inrichting van de hofhouding van
het huis zijner moeder werden wel tal van personen van het oude en
nieuwe regime daaraan verbonden, maar aan de enkele Corsicanen in
de omgeving van zijn moeder, werden zelfs geen officieele functies
gegeven. Het was, vond Napoleon, al mooi genoeg, dat hij zijn broers
en zusters zoo bedacht; nog verder te gaan, daar dacht hij niet over
en de tijd zou hem leeren, dat hij zelfs met dit te doen, al veel te
ver was gegaan en het woord van Stendhal: "Het was gelukkiger voor
Napoleon geweest geen familie te hebben gehad" waarheid zou bevatten.
Intusschen meende Oostenrijk, dat zich bij den vrede van Lunéville
zooveel van zijn invloed op het lot van Europa had zien ontnemen, in
Frankrijks krijgstoerustingen tegen Engeland een geschikte gelegenheid
te vinden om weder de tanden te laten zien.
Reeds in Januari was de verhouding tusschen Napoleon en Frans II een
korte poos zeer gespannen geweest. Nu de eerste voor het kroningsfeest
te Milaan Fransche afdeelingen hierheen had samengetrokken, achtte
de laatste dit een aanleiding om zijn leger in Carinthië en Venetië
op 40.000 man te brengen. In Juli d. a. v. sloot Frans met Alexander
van Rusland een bondgenootschap. Deze zou twee legers, samen 100.000
man, vormen; het eene zou den 20en October bij Braunau aan de Inn
staan het andere naar Bohemen marcheeren. Voorts zouden twee sterke
landingskorpsen worden gevormd, bestemd zoowel voor Napels als voor
Pommeren om hier samen te werken met de Zweden. Ook Engeland en
Rusland waren vroeger reeds tot een overeenkomst gekomen om Frankrijk
tot zijn oude grenzen terug te brengen. Napoleon was van dit alles
wel op de hoogte en schreef o.a. aan Cambacérès in Augustus, dat als
Oostenrijk met de ontwapening geen begin maakte Napoleon haar met
200.000 man een duchtig bezoek zou brengen, dat haar lang zou heugen;
door Talleyrands bemiddeling werden aan den Oostenrijkschen gezant
alle brieven ter inzage gegeven over de geheime bewapening en Napoleon
gaf duidelijk te verstaan alles terug te brengen tot op den voet van
drie maanden te voren, anders binnen een maand oorlog. "Indien uw
meester den oorlog wil, mij best, maar zeg hem dat hij Kerstmis niet
te Weenen zal vieren," zei Napoleon aan den Oostenrijkschen gezant.
Door Engelands millioenen gesteund, stonden in het najaar van 1805 met
uitzondering van Turkije weer dezelfde mogendheden tegenover Napoleon
als vroeger; hun doel was aan de steeds toenemende veroveringszucht
van den Franschen Keizer, getuige Italië en Genua, paal en perk
te stellen. Dit verbond, de 3e coalitie genoemd, was de kroon op
het werk van Engelands regeering, die niets onbeproefd had gelaten
de mogendheden voor het verbond te winnen. Alleen Pruisen, waar de
koning binnen twee dagen na mededeeling omtrent het instellen van het
keizerrijk reeds antwoord had gezonden aan zijn, "bon frère et ami"
bleef voorloopig nog onzijdig. Geheel alleen stond Frankrijk ditmaal
niet; in Beieren, Wurtemberg en Baden vond het steun.
Het plan van aartshertog Karel, den opperbevelhebber der Oostenrijkers,
was eenvoudig. Terwijl een leger van circa 60.000 man in naam onder
aartshertog Ferdinand, feitelijk onder den veldmaarschalk Mack, in
Duitschland de komst der Russen afwachtte, wilde hij met een macht van
de dubbele sterkte in Tyrol, doch hoofdzakelijk in Italië, aanvallend
te werk gaan en hier een beslissende overwinning trachten te behalen.
Napoleon bevond zich sedert den 3en Augustus weder in het kamp van
Boulogne, toen hij de tijding ontving, dat de Oostenrijkers, de Inn, de
grens van Beieren, den 16en waren overgetrokken. Een korte poos hoopte
hij nog, dat het eskader van Villeneuve het Kanaal zou binnenstevenen,
de Engelsche vloot vernietigen en hem zoodoende gelegenheid geven
zou zijn grootsche landingsplannen toch nog te verwezenlijken.--In
de voornemens der bondgenooten zou dit dan natuurlijk een geduchte
verandering hebben teweeg gebracht.--Eenmaal echter de zekerheid
verkregen hebbende, dat de Villeneuve niet naar 't noorden maar naar
Cadix was gezeild om te "repareeren," was zijn besluit genomen.
"Ik hef mijn kamp op, laat mijn veldbataljons door mijn derde bataljons
vervangen, houd aldus bij Boulogne nog een sterke macht over, sta den
23en September met 200.000 man in Duitschland, met 25000 in Napels,
marcheer naar Weenen en steek het zwaard niet op, voordat ik Napels en
Venetië in mijn macht en Beierens grondgebied zoodanig vergroot heb,
dat er van Oostenrijk niets meer is te vreezen," zeide hij.
Murat, Bertrand en Savary kregen in opdracht een verkenningsreis
te maken langs den Neckar en den linkeroever van den Donau, de
dwarswegen tusschen de rivieren onderling en den Rijn hieronder
begrepen. In enkele uren dicteerde Napoleon aan Daru het gansche
marschbevel van de geweldige macht, die onder den naam van het
"Groote Leger" nog verspreid stond langs de kust over een frontlijn
van tweehonderd uren gaans en welke den 23en September moest staan
in het vak Mannheim--Straatsburg.
De verschillende korpsen wel eens "de zeven stroomen" genoemd, onder
bekwame aanvoerders als Davoust, Soult, Lannes, Ney e. a. begaven zich
op marsch om het tot in onderdeelen vastgestelde plan van den Keizer
na te komen met als einddoel Weenen, waar men den Oostenrijkschen
keizer het beloofde bezoek zou brengen.
Zoolang Napoleon niet zelf het commando op zich had genomen zou Murat
hem vervangen.
Ten einde de aandacht van het buitenland uitsluitend op Boulogne
gevestigd te houden, bleef hij hier nog vertoeven en veranderde
oogenschijnlijk niets aan den toestand, doch verbood de dagbladen
langs den linker Rijnoever over de troepenbewegingen aldaar te spreken.
Het geheele leger met inbegrip van de hulpkorpsen der bondgenooten
(te zamen nog geen 30.000 man) telde ongeveer 219.000 krijgers. "Zeker
bestaat er in gansch Europa geen mooiere armee dan die, welke ik
thans bezit," zei Napoleon en hij had gelijk. Een keur van oudgediende
soldaten vormde de minderheid ervan; het meerendeel behoorde tot de
conscriptie van 1804. Anderhalf jaar lang waren die mannen dus reeds
onder de wapenen, uitstekend geoefend, goed georganiseerd en nog niet
door de ontberingen, de gevaren en de uitputtende diensten van den
oorlog verzwakt.
Jonge uitmuntende generaals voerden hen aan. Van de zeven
korpscommandanten waren alleen Augereau en Bernadotte de veertig
gepasseerd.
Drie er van, Lannes, Soult en Ney waren zoo oud als de Keizer
zelf. Davoust was nog één, Marmont zelfs nog vijf jaar jonger. Van
de divisiegeneraals had de helft den veertigjarigen leeftijd nog
niet bereikt. Al die mannen, in de volle kracht van het leven, zagen
een toekomst vol grootheid en roem tegemoet, waren vol energie en
krijgsvuur, kenden den oorlog en Napoleons wijze van aanvoering en
waren gewoon zijn bevelen onvoorwaardelijk te gehoorzamen.
Een enkel woord over het ontstaan dezer bevelen, ontleend aan Jomini,
den grooten strateeg, die langen tijd Ney's chef van den staf was,
vinde hier zijn plaats.--De eigenlijke chef van zijn generalen
staf was Napoleon zelf. Gebogen of liggende over een kaart, waarop
de standplaatsen zijner korpsen en de vermoedelijke stellingen der
tegenpartij door spelden met koppen van verschillende kleur,--rood en
zwart--waren aangegeven, gewapend met een passer, die steeds openstond
voor een afstand van zeven of acht uur gaans in rechte lijn, dus,
rekening houdende met de krommingen der wegen, voor een marschdag van
negen of tien uur, beoordeelde hij in een oogwenk het aantal dagen,
voor ieder korps vereischt om op een bepaald tijdstip een zeker
punt te bereiken. Terwijl hij spelden in die nieuwe punten stak en
de voor elke colonne gevorderde snelheid in verband bracht met het
hiervoor zoo mogelijk te stellen uur van afmarsch, dicteerde hij zijn
"aanwijzingen."
Een algemeen legerbevel vaardigde hij zelden uit, want het kon
den vijand in handen vallen.--Zijn onderbevelhebbers lichtte hij
betreffende zijn operatieplannen meestal niet in, uit vrees, dat
het geheim er van in het leger niet zou bewaard blijven.--"Den
vijand verrassen in ruimte en tijd" was zijn stelregel.--Iedere
korpscommandant kreeg dus meestal alleen kennis van 't geen hij
zelf in verband met den algemeenen toestand had te verrichten en van
't geen zijn nevenkorpsen zouden doen.
Ongeëvenaard zijn de kracht en de oorspronkelijkheid, door hem hierbij
in zijn woorden gelegd. Men voelt als 't ware de onmogelijkheid om aan
zulk een bevel niet te gehoorzamen.--"Niet naar bed, voordat u mij al
die détails hebt gemeld," schrijft hij aan Bernadotte.--"Ik wensch u
geluk met uw succes. Maar geen rust nemen nu; den vijand achterna met
het staal in de ribben en hem van al zijn verbindingen afgesneden,"
krijgt Murat van hem in last.--"Is de vijand niet te Memmingen,
dan als de bl... terug tot op onze hoogte," kan Soult in zijn order
lezen, daarna in een tweede: "Ik geef u in overweging uw adjudanten
en ordonnansen hun paarden desnoods te laten doodrijden. Verdeel ze
in relaisposten langs den weg naar Weissenhorn, maar bericht moet ik
zoo snel mogelijk van u krijgen."
De uitwerking van de bevelen, het regelen van de bijzonderheden en
de zorg, dat de orders aan de armee werden bekend gemaakt, dit alles
was het werk van den Chef van den Generalen Staf Berthier. Gedurende
tal van jaren heeft deze werkzame man onschatbare diensten in deze
functie aan Napoleon verleend, daarbij altijd zorgende nooit in
de plaats van zijn meester te treden, maar stipt zijn bevelen uit
te voeren. Niets was den Chef van den Generalen Staf ooit te veel,
geen werk was hem te zwaar en toen Napoleon eens tegen Daru zei, dat
hij een werkezel was, gaf deze ten antwoord, dat hij in negen dagen
en nachten niet had geslapen, maar dat Berthier hem ver overtrof,
want deze had in dertien dagen en nachten geen oog dicht gedaan.
Den 21en September vernam de Senaat door Talleyrand in tegenwoordigheid
des Keizers de grieven, welke deze tegen het Kabinet van Weenen
had. De Senaat beantwoordde deze mededeeling met het beschikbaar
stellen van 30.000 conscrits der lichting van 1806 en met een plan tot
reorganisatie der nationale garde. Zoolang het leger zich op vreemd
grondgebied bevond, zou deze zorgen voor de handhaving der orde en
voor de verdediging van de grenzen en de versterkte plaatsen.
Vergezeld van Joséphine, die hem tot Straatsburg uitgeleide zou doen,
vertrok Napoleon den volgenden dag naar den Rijn, terwijl Jozef, die
ook naar het leger moest vertrekken, ten slotte, geheel naar zijn zin
in Parijs bleef, om tijdens Napoleons afwezigheid in zijn plaats te
treden, meer echter in naam, dan in werkelijkheid.
In den loop van September had Mack de rivier de Iller en de positie
van Ulm verkend en besloten de komst der Russen niet af te wachten,
doch achter die rivier en bij Ulm een verdedigende stelling in te
nemen, terwijl hij zijn onderbevelhebbers order had gegeven in die
lijn bij hem aan te sluiten.
Deze order zou nimmer tot uitvoering komen. Den 5en October stond
zijn leger nog verspreid langs de Iller in Vorarlberg, in Tyrol en
bij het meer van Constanz. Van het plan zijner tegenpartij had hij
nog geen flauw begrip.
Uit het bevel tot samentrekken tusschen Mannheim en Straatsburg
viel reeds af te leiden, wat het plan des Keizers was. Terwijl zijn
cavalerie Mack in den waan bracht, dat hij, den Rijn gepasseerd, door
de passen van het Schwarzwald vooruitrukte, moest de hoofdmacht de
passen van dat zware bergterrein rechts laten liggen, in oostelijke
richting marcheeren en daar een rechtsche zwenking verrichten, front
naar den Boven-Donau. Bleef Mack dan achter de Iller staan, trok hij
niet terug naar Tyrol dan moest die hoofdmacht hem insluiten en tot
capitulatie dwingen.
"Wee den Oostenrijkers, als ze mij eenige dagmarschen op hen laten
winnen! Dan kom ik met mijn geheele leger tusschen de Lech en de Isar,"
zei de Keizer een der laatste dagen van September, toen zijn cavalerie
reeds lang op marsch was. En de volgens Napoleon, "zeer middelmatige"
Mack liet zijn tegenpartij, onbewust van het dreigende gevaar, dien
voorsprong krijgen; steeds nauwer werd de kring, waarin Ney, Lannes
en Soult hem sloten; den 15en October vermeesterde Ney de Michelberg
ten noorden van Ulm en vijf dagen later capituleerde Mack met het
overschot van zijn leger. Zoo had Napoleon in vijftien dagen met een
verlies van nog geen 2000 man een leger van bijna 100,000 strijders
uiteengeslagen of gevangen genomen.
Onmenschelijk zwaar was de taak van de infanterie geweest. Van den 8en
af had het onophoudelijk zoo geweldig geregend, dat de wegen grondeloos
waren geworden, de paarden stervende neervielen voor de voertuigen
en alleen maraude op groote schaal en een gestadige jacht op het in
die streken zeer talrijke wild de soldaten in 't leven deden blijven.
Napoleon had zich door dit hondenweer niet laten weerhouden en was
zelf overal in het dichtste gedrang geweest. Den 15en bij de brug van
Elchingen een zwaar gewonden artillerist ziende, die hem niettemin
nog salueerde, schonk hij hem zijn eigen kruis van het Legioen van
Eer. Een grenadier uit Egypte, die met doorschoten lichaam en naar
boven gewend gelaat in den slagregen lag en toch nog: En avant! riep,
dekte hij toe met zijn eigen overjas: "Breng mij die terug en het
kruis en pensioen zijn je deel," voegde hij er bij. Een kleine gewonde
tamboer, die half bewusteloos in een boerenwoning naast den brandenden
kachel lag en begon te mopperen, toen men hem wilde wegjagen, omdat
men daar voor den Keizer een onderkomen had gemaakt moest op zijn
last met rust worden gelaten. Dus sliepen Napoleon en een tamboer
bij één vuur, terwijl een drom van generaals over dien slaap waakten.
Zoo leefde de veldheer met zijn krijgers. Wie zou hem niet hebben
gevolgd, overal waar hij voorging?
Dat de Keizer voldaan was over dit begin van den veldtocht laat zich
begrijpen. Aan Joséphine schrijft hij den 19en: "Ik heb mijn doel
bereikt, ik heb het Oostenrijksche leger vernietigd eenvoudig door
marschen. Ik heb 60,000 gevangenen gemaakt, waaronder 30 generaals, 120
kanonnen genomen, terwijl 90 vaandels in onze handen zijn gevallen. Ik
ga mij nu op de Russen werpen, ze zijn verloren. Ik ben tevreden over
mijn leger..." Dat mocht hij zijn en wat zijn infanterie vermocht
zou weldra nog krachtiger blijken, want de veldtocht was niet ten
einde; deze begon nu eerst.--"De Russische armee, die door Engelsch
goud van de uiterste grenzen der wereld herwaarts is gevoerd, moet
hetzelfde lot ondergaan," had Napoleon in zijn proclamatie aan de
troepen gezegd. Een gedeelte van die armee onder Kutusof stond reeds
bij Braunau aan de Inn.
Terwijl Massena met zijn kleine macht in Italië den strijd aanbindt
met aartshertog Karel, dezen, nu Mack geslagen is, op zijn terugtocht
over de Etsch, de Brenta en de Tagliamento nazet en hem eindelijk bij
Castel Franco het zwaarste verlies toebrengt, terwijl Marmont eerlang
door het bezitten van Leoben het leger van den aartshertog belet iets
van belang tegen Napoleons rechterflank te ondernemen, breekt deze van
Ulm op. Van de Lech wordt een tijdelijke nieuwe operatiebasis gemaakt
en nu begint hij in een zoo breed mogelijk front,--om aan den kost te
komen, want magazijnen had hij niet--den zwaren tocht naar het Oosten,
dwars door Beieren en Oostenrijk heen, niet langs goede, harde wegen,
maar langs zandwegen, mul en slecht, of, zooals de rechtervleugel onder
Ney en Marmont langs bergpaden, steil en ongelijk. Het doel is Weenen.
Ging de veldtocht voor de Franschen zeer voorspoedig, ter zee was op
den dag na de capitulatie van Ulm een nederlaag geleden zóó groot,
dat daarmee voorloopig over de heerschappij ter zee ten voordeele van
de Engelschen was beslist. Den 21en October was het admiraal Nelson
gelukt de vereenigde Fransche en Spaansche vloot onder de Villeneuve
bij Kaap Trafalgar, niet ver van de haven van Cadix, een nederlaag toe
te brengen, zoo geducht, dat Frankrijk de gevolgen ervan in jaren niet
zou te boven komen. Een zware storm had het overschot der ontredderde
schepen ten slotte overvallen. De Villeneuve had zich moeten gevangen
geven. Alleen de wetenschap, dat Engelands grootste vlootvoogd te
midden van de zegepraal was gesneuveld, kon den Keizer eenigen troost
schenken. Aan zijn grootsche plannen tegen Engeland was nu met één
slag een einde gemaakt; zijn reusachtige toebereidselen te Boulogne
en langs de kust waren vergeefsch geweest.
Dat de Keizer ontstemd was over den geleden nederlaag laat zich
begrijpen, maar hij ging in zijn verbittering over dit verlies
veel te ver. Aan de couranten liet hij verbieden over Trafalgar te
schrijven. Niet aan het beleid van Nelson, aan den storm na den slag
was de ondergang van zooveel schepen te wijten, beweerde hij. Tegen
de scheepskapiteins, die het gevecht ontweken of door hun verkeerde
manoeuvres tot de ramp hadden bijgedragen, deed hij geen vervolging
instellen, maar ook weigerde hij halsstarrig eenige belooning toe
te kennen aan die honderden andere officieren en schepelingen, die
zich als helden hadden gedragen, die de eer der vlag hoog gehouden en
hun totaal ontredderde schepen ten slotte nog in een der Spaansche
havens gebracht hadden. Een pijnlijk contrast maakte hij zoodoende
met de manier, waarop de koning van Spanje aan zijn zeemacht niettemin
bewijzen van achting en erkentelijkheid schonk.
Den 13en November wordt Oostenrijks hoofdstad bereikt. Nergens heeft
Kutusofs achterhoede ernstigen wederstand geboden; zelfs Braunau met
zijn magazijnen vol buskruit en schietvoorraad is zonder slag of stoot
door hem ontruimd; alleen zijn de bruggen overal vernield. "De menschen
hier hebben geen aanvoerders meer. Een panische schrik heeft zich
van hen meester gemaakt," zei Napoleon terecht. De Russische generaal
was in vollen aftocht naar het noorden de Donaubrug bij Krems over,
naar Brünn en Olmütz, naar het tweede Russische leger in Moravië.
Den 1en November hadden Lannes en Soult de boorden van de Inn verlaten;
in dertien dagen had hun infanterie 32 Duitsche mijlen, in rechte
lijn gemeten, afgelegd en Davoust in zestien dagen, dwars door het
gebergte, 40 mijlen.
Slechts één verlies was onderweg geleden. Door een minder juist
inzicht in den toestand had Napoleon aan Mortier bevel gegeven van
af Passau den linker Donauoever te volgen. Den 11en door Kutusof bij
Dürrenstein aangegrepen, had dat korps, dat van den rechteroever niet
kon worden ondersteund, zwaar geleden; een der divisiën was zoo goed
als vernietigd.
Maar Weenen was bereikt!
Dit succes was Napoleon echter niet voldoende. Het Russische leger
moest worden verslagen!--Hiertoe moesten de bruggen ten oosten
van Weenen over den Donau, die door de Oostenrijkers bezet en wel
tot vernieling voorbereid doch niet vernield waren, in zijn bezit
komen. Aan Murat, die de voorhoede commandeerde, en aan Lannes had hij
hiertoe bevel gegeven. Een zooal niet bloedig, in elk geval langdurig
gevecht om 't bezit er van was dus te verwachten, toen een krijgslist
van deze maarschalken--een ongeoorloofde zet--hun dien overgang zonder
slag of stoot in handen speelde.
Een paar dagen te voren had keizer Frans, die het overschot van
zijn leger onder Kienmayer aan Kutusof had toegevoegd, een adjudant
naar Napoleon gezonden om te onderhandelen. Wel was er van deze
onderhandelingen niets gekomen, doch het praatje van een wapenstilstand
had bij beide partijen toch reeds de ronde gedaan.
Van dit losse gerucht maken Murat en Lannes thans gebruik.
Door slechts enkele Duitsch sprekende officieren vergezeld, hun
infanterie een weinig achter zich latende, wandelen zij de voorste
Donaubrug op. Wel vallen er enkele schoten, maar op hun roepen, dat
er wapenstilstand is, wordt dit vuur gestaakt. Bedaard blijven zij
voortgaan, praten met den sergeant, die tijdelijk aan 't begin van
de langste brug het bevel voert en niet durft handelen, bereiken de
overzijde, rukken een onderofficier, die de zaak toch niet vertrouwt
en de brug in brand wil steken, de lont uit de handen, gaan op een
der vuurmonden zitten, welke den overgang in de lengte bestrijken,
en maken ten slotte generaal Auersperg, die daar commandeert en in
allerijl is gewaarschuwd, zelfs wijs, dat de bruggen aan hen moeten
worden overgegeven.
Intusschen zijn Oudinots grenadiers vooruitgegaan; zij beginnen de
kanonnen in te sluiten; en als Auersperg ten slotte aan al die mooie
praatjes van Murat geloof slaat, zijn troepen verzamelt en afmarcheert,
is Napoleon meester van 't terrein.
Cassatie met eerloosverklaring, gevolgd door sleuren op een horde naar
't schavot om hier te worden onthoofd, was de straf die de krijgsraad
over Auersperg uitsprak. Keizer Frans veranderde ze in levenslange
gevangenisstraf.
Een paar dagen later liet Murat zich op zijn beurt door den sluwen
Kutusof verschalken. Deze zond n. l. prins Bagration als parlementair
naar Hollabrünn deed Murat hier de stellige verzekering geven, dat er
te Weenen tusschen de twee keizers een wapenstilstand was gesloten,
en deed hem voorstellen het zwaard voorloopig nu ook in de scheede
te steken.
Murat stemde toe en onder achterlating eener sterke achterhoede
tegenover Hollabrünn trok Kutusof, van 't terrein gebruik makende,
nu met zijn uitgeputte mannen zoover weg in de richting van Znaim,
dat van inhalen geen sprake meer was, en hij zich vereenigen kon met
het tweede Russische leger, dat hem was te gemoet getrokken en Olmütz
reeds naderde.
Toen Napoleon hoorde hoe leelijk zijn zwager zich had laten beetnemen,
werd hij boos.--"Hij doet mij de vruchten van den ganschen veldtocht
verliezen," zeide hij. Oogenblikkelijk moest Kutusof met alle kracht
worden nagezet.
Thans begon die bij Hollabrünn staan gebleven Russische achterhoede
echter een woord mede te spreken. Verwoed werd daar den ganschen
dag gevochten; in het geheele stadje bleef geen enkel huis overeind;
alles verbrandde, ook honderden zwaar gekwetsten, die dezen helschen
oven niet hadden kunnen ontvlieden.
Eenmaal Brünn met geforceerde marschen bereikt, altoos Kutusof
achterna, deed Napoleon zijn uitgeputte soldaten halt houden. Door die
onafgebroken zware marschen was het aantal achterblijvers en maraudeurs
bij de verschillende korpsen reusachtig toegenomen. Van het regiment
gardejagers te paard alleen mankeerden niet minder dan vierhonderd
ruiters, ruim een derde van de sterkte. Wel sloten die achterblijvers
zich in de eerstvolgende dagen grootendeels weder bij hun regimenten
aan, doch in de sterktestaten, welke Napoleon ontving, was het
cijfer "present onder de wapens" veel te hoog, dus onbetrouwbaar. De
regimentscommandanten wisten dit; alleen de omstandigheden, waarin zij
verkeerden, vergoelijkten dit misbruik eenigermate. Door de snelle
marschen zonder magazijnen of voertuigen kon lang niet altijd in
het onderhoud van man en paard worden voorzien; dan moest vaak ver
van den marschweg gefourageerd worden op een manier, die vrijwel met
stroopen gelijk stond. Oogluikend werd zelfs toegelaten, dat geheele
detachementen, in strijd met 's Keizers bevelen, in den omtrek gingen
maraudeeren.--De menschen en paarden moesten toch eten, werd gezegd;
maar de krijgstucht leed er onder.--Dit euvel heeft Napoleon nooit
kunnen meester worden. Zijn wijze van oorlogvoeren zonder magazijnen
of nasleep had les défauts de ses qualités.