Austerlitz. Vrede van Presburg.
Elf dagen verliepen, voordat de wapenen opnieuw beslisten, een
betrekkelijk lange tijd, welken Napoleon gebruikte om alle korpsen bij
zich aan te trekken, die niet ten zuiden van den Donau noodig waren
om aartshertog Karel in het oog te houden en voor de veiligheid der
verbinding met Weenen te zorgen.
Toen hij zijn hoofdkwartier te Brünn vestigde, stond zijn leger, front
naar het noordoosten, over een breedte van circa 50 Duitsche mijlen
verspreid. In vier dagen kon hij echter ongeveer 85.000 man bij Brünn
bijeenbrengen. Ongeveer dezelfde sterkte had het Oostenrijksch-Russisch
leger onder keizer Alexander bij Olmütz.
Den 28en zond hij Savary met een onbeduidend schrijven naar dezen om
te weten te komen, wat er ginds voorviel. Ditzelfde wilde de Russische
keizer op zijn beurt ook doen; terwijl Savary werd ontvangen in 't
midden van het leger, dus een indruk ontving van 't geheel en zien kon,
dat de opmarsch in de richting van Brünn was begonnen, ging Napoleon
den adjudant zijner tegenpartij tegemoet tot aan de uiterste lijn
der voorposten en trachtte hem zelfs een ongunstigen indruk te doen
krijgen van de tenue, de uitrusting en de houding zijner soldaten.
De bondgenooten rukten dus voorwaarts. Zij wilden blijkbaar aanvallen
op hèm en niet--wat in hun geval veel verstandiger zou zijn geweest--in
hun sterke stelling bij Olmütz afwachten, tot hij afkwam op hèn.
Onder die omstandigheden besloot Napoleon om niet een "gewonen"
veldslag te leveren maar een, die, bracht hij de overwinning, voor de
tegenpartij met vernietiging zou gelijk staan. De prachtige stelling,
die de hoogten van Pratzen ten westen van het dorp Austerlitz hem
aanboden, bezette hij dus niet, wel het meer westelijk en lager gelegen
terrein hiervan achter de Goldbach, een beek, die van het noorden naar
het zuiden tusschen tamelijk steile oevers doorloopt, in het meer
van Menitz valt en o.a. bij Sokolnitz en bij Telnitz nabij dit meer
verscheiden overgangen heeft. Het terrein was daar wel zeer moerassig,
het meer van Satschan, dicht bij dat van Menitz gelegen, vrij diep,
maar 't was winter; de laatste dagen had het hard gevroren, en het ijs
was sterk genoeg om menschen en paarden, zelfs voertuigen te dragen.
Napoleons rechtervleugel bij Telnitz en Sokolnitz nu vertoonde den
vijand slechts de divisie Legrand, maar kreeg het korps van Davoust,
opgesteld achter heuvels en houtgewas, op grooten afstand rechts
achter zich. Soult, Oudinot, Murat en de garde zouden 't centrum
recht tegenover de hoogten van Pratzen vormen. Suchet zou op den
linkervleugel komen en ten noorden van den straatweg Brünn--Olmütz
een hoogte bezetten, die de soldaten, denkende aan een dergelijke
positie, indertijd in Egypte door hen ingenomen, met den naam van
Santon betitelden. Hier was het steunpunt van den linkervleugel.
Had Napoleon bij den marsch naar Brünn front gemaakt naar het noorden,
thans was dit gericht naar het oosten. Zijn rechtervleugel had hij ver
achteruitgebracht en schijnbaar zwak bezet met slechts één divisie;
dit hadden de Russen kunnen waarnemen.
In den krijgsraad der verbondenen, waar eenige jonge, onervaren
generaals den boventoon voerden tegenover Kutusof en allerlei onzinnige
praatjes verkochten over het Fransche leger, zijn gebrek aan voedsel,
kleeding en discipline, was dagen tevoren besloten het hooge terrein
van Pratzen te bezetten, den Franschen rechtervleugel van daar uit met
overmacht aan te grijpen, en Napoleon aldus van Weenen af te snijden.
Slecht was dit plan in geenen deele, maar het moest worden uitgevoerd
en Napoleon, de tegenpartij, was geen gewoon veldheer.--Hij had
eveneens een plan, grootsch en vermetel als hij zelf, alleen door
hem uitvoerbaar. Het luidde: "Terwijl de Rus naar Telnitz marcheert
en mij daar tracht te omvatten biedt hij mij zijn rechterflank;
op dezen val ik."
Met onuitsprekelijke vreugde ziet hij dus, dat zijn tegenpartij in
den loop van den 1en December in bovenbedoelden zin zijn maatregelen
treft. Zóó innig overtuigd is hij nu reeds van het succes, dat hij
zijn soldaten de "manoeuvre" voor den volgenden dag vooraf mededeelt
en hen allen zoodoende bezielt met hetzelfde vertrouwen, dat hem
vervult. Den dag besteedt hij aan de zorg voor de te verwachten
gekwetsten. Ambulances, verbandmiddelen, alles ziet hij zelf na,
vult aan, verbetert nog wat te verbeteren is en toont ook nu weder
hoe hij als altijd met zijn troepen medeleeft.
't Wordt avond, een donkere, koude avond zonder maan of sneeuw.
Aan tafel in een kleine boerenwoning met Murat, Caulaincourt, Rapp,
Junot, de Ségur en nog eenige andere officieren, op houten banken
gezeten om zich heen, begon hij met Junot een gesprek over dramatische
poëzie en over Egypte; daarna sliep hij een paar uur en begaf zich door
een adjudant gewekt, in 't holst van den nacht op weg naar de hoogten
van Pratzen, omdat hij uit de richting van Telnitz heftig hoorde vuren.
Weinig had het gescheeld of hij was door een kozakkenpost, waarop
hij in 't donker stiet, gevangen genomen of gedood. IJlings langs
de wachtvuren terug loopende naar zijn eigen bivak, struikelde hij
over een boomwortel, waarop een grenadier een bos stroo greep, die
ineendraaide en er een fakkel van maakte om hem voor te lichten.
't Is 2 December, de verjaardag zijner kroning.
"Lang leve de Keizer!" roept eensklaps een stem, terstond door
tienduizenden kelen herhaald. De regimentsmuziek begint te
spelen. Duizenden fakkels van het ligstroo gemaakt, verlichten
plotseling den omtrek. De grenadiers zijner garde dringen om hun
afgod heen. "U zelf behoeft morgen niets te doen, Majesteit," roepen
zij hem toe. "De vaandels en de gevangenen zullen wij u wel hier
komen brengen."
Wat moeten de Russen, die juichtoonen hoorende, toen hebben gedacht?
Nog is het den volgenden morgen half duister; nog onttrekt een dichte
nevel de troepen in de laagte aan de Goldbach aan het oog, als Napoleon
reeds te paard zit op een heuvel achter 't midden der slaglinie,
Oudinots grenadiers vóór, de garde achter hem. De aanval op Telnitz
en Sokolnitz in den nacht begonnen, wordt doorgezet. Voortdurend
schuift Kutusof zijn macht verder naar links, naar de overgangen bij
de meren en ontbloot hij de hoogten van Pratzen van troepen. Alleen
de Russische afdeelingen van den rechtervleugel met haar talrijke
cavalerie blijven voorloopig nog bij den straatweg naar Brünn om,
eenmaal de overwinning op den linkervleugel behaald, daar eveneens in
't gevecht te treden, de Franschen bij en op den Santon te omvatten
en de zegepraal te voltooien.
Napoleon zag Kutusofs bewegingen. 't Was alles volkomen naar zijn zin;
de vijand wil de overgangen van Telnitz en Sokolnitz vermeesteren
en dan de Franschen overvleugelen, terwijl Napoleon juist zooals hij
wenscht dan de hoogten van Pratzen, het centrum van de gecombineerde
legers, wil nemen. "Zij loopen in de val!" roept hij van vreugde uit.
't Was half acht, in de dalen hangt nog een nevel.
"Hoeveel tijd heb je noodig om met je divisiën de hoogten van Pratzen
te bereiken?" vraagt hij aan Soult.
"Geen twintig minuten," antwoordt hij.
"Dan wachten we nog een kwartier."
Omstreeks acht uur hebben de Russen Telnitz en Sokolnitz
vermeesterd. De Franschen onder Legrand zijn teruggeworpen. Maar
thans nadert Davoust met zijn divisiën, deze hebben den vorigen dag
een geforceerden marsch van achttien uur afgelegd en tellen dus nog
veel achterblijvers, die echter langzamerhand aansluiten als zij
't kanon in de verte hooren dreunen.
Van de zijde der Russen dringen de afdeelingen voortdurend verder
de laagte in, naar de defilé's tusschen de meren en Telnitz. Om 9
uur staat hier het halve leger der bondgenooten in dichte drommen in
't gevecht, maar Davoust wijkt niet.
Om 8 uur is Soult den marsch naar de hoogten begonnen. Ook aan den
straatweg is beweging gekomen. Daar grijpt Lannes reeds aan. Als
een levende muur beweegt zich zijn macht: gedeploieerde bataljons
voorop, in de intervallen er achter gesloten massa's. Op het golvende
terrein ten zuiden er van stooten de ruiterdrommen van Murat op die
van Lichtenstein.--Thans breekt de zon door de wolken, de zon van
Austerlitz! Kutusof, bij zijn centrum gebleven, ziet het gevaar,
dat hem bedreigt, indien het Soult gelukt de hoogten van Pratzen te
nemen. Daar komen ze al met hun lichten, vluggen pas, de Fransche
tirailleurs!--IJlings werpt hij twee bataljons infanterie in Pratzen
zelf, maar reeds is het te laat. De bajonet drijft ze uiteen. Ook de
Russische garde, die in 't centrum bij Austerlitz in reserve stond
en nu oprukt, kan den onwederstaanbaren aanval der grenadiers niet
afweren. Tegen het middaguur is hier het lot der Russen beslist. Hun
centrum is doorgebroken; ook de afdeelingen onder Bagration en
Lichtenstein hebben het reeds afgelegd tegen Lannes en Murat; hier
vlucht reeds alles in wanorde naar het oosten. De beide keizers worden
medegesleurd. De troepen in de laagten bij Telnitz en Sokolnitz zien
zich afgesneden van hun terugtochtsweg, want op de hoogten van Pratzen
staat thans Napoleon en grijpt hen in den rug!
Om twee uur is de slag gevallen, ook in de lage terreinen, die door de
zonnestralen van een ijsvloer is veranderd in een dikke, taaie pap,
waarin man en paard blijven steken. Zich bijna omsingeld ziende,
trachten de Russen zich in massa te redden over de meren, over het
ijs. Dit kan dezen zwaren last niet torsen; het breekt. De volkogels
der Fransche garde vernielen het; geheele colonnes met paarden,
voertuigen en bagage zinken onder een hartverscheurend gegil in de
diepte weg. Slechts enkelen ontkomen.
Keizer Frans verzoekt een wapenstilstand, maar Napoleon wil er
niet van hooren.--Over twee dagen zal hij den vorst ontvangen aan
de voorposten; tot zoolang zal hij den vijand met het staal in de
ribben doen vervolgen. Niet hij heeft den oorlog gezocht; hij is er
toe gedwongen.--Aan Soult schrijft hij van het kasteel Austerlitz,
zijn hoofdkwartier: "Zooals de zaken thans staan, heb ik slechts
één algemeene order: Breng den vijand zooveel mogelijk nadeel toe
en trek partij van de zege."--Hij zelf wijdt het overige deel van
den dag aan de gewonden; hij zoekt ze op, spreekt ze toe, beurt ze
op en doet ze naar de ambulances vervoeren. Reeds dienzelfden nacht
zijn allen verbonden.
Inmiddels zocht de cavalerie de richting, waarin de hoofdmacht
der bondgenooten was teruggegaan en die door Murat met zijn gewone
onbesuisdheid aanvankelijk verkeerd--naar Olmütz was aangegeven. Ten
slotte bleek, dat men den weg naar Hongarije was ingeslagen.
Den 4en had bij de voorposten de ontmoeting plaats tusschen Napoleon
en Frans II.
"Ik hoop dat u dezen stap van mij om den vrede te bespoedigen zult op
prijs stellen," zei deze en vervolgde toen met een gedwongen lachje:
"U heeft toch, hoop ik, geen plan mij van mijn staten te berooven?"
Het onderhoud duurde een uur en werd staande gevoerd. Alleen de prins
van Lichtenstein was er bij tegenwoordig.
"Dus heb ik uw woord, dat u den oorlog niet opnieuw begint?" vroeg
Napoleon ten slotte. "Dit zweer ik en mijn woord zal ik houden."
Toen omarmden de monarchen elkaar en scheidden. Bij zijn staf
teruggekeerd zei Napoleon: "De vrede is gesloten. We zullen Parijs
weerzien." In een kernachtige proclamatie had hij zijn leger dank
gezegd voor 't geen het had gedaan: "Soldaten! ik ben tevreden over
U!" luidde de aanhef en aan het slot: "Mijn volk zal U met vreugde
terugzien en wanneer een van u zal zeggen: "Ik ben bij Austerlitz
geweest," zal hij direct ten antwoord krijgen: "Dat is een dappere
kerel.""
Met den slag bij Austerlitz kwam aan den veldtocht een einde. Een
wapenstilstand werd gesloten, waarbij Napoleons eerste voorwaarde
was, dat de Russen naar hun land zouden terugkeeren. Hieraan voldeed
Alexander terstond; voorloopig had hij genoeg van den oorlog. Binnen
weinige dagen volgde de vrede van Presburg. Het tractaat behelsde
o. a. dat Oostenrijk veertig millioen oorlogskosten zou betalen,
Venetië afstaan aan Italië, Tyrol aan Beieren en een groote strook
grondgebied aan Baden en Wurtemburg, voorts zou aan den voormaligen
keurvorst van dit laatste land en aan dien van Beieren de koningstitel
worden verleend. Baden werd een groothertogdom. Guastalla kwam
aan Pauline Borghèse; Kleef en Berg aan Murat; Berthier werd prins
van Neufchâtel. Van een poging om ten gunste van het trouwelooze
Napels iets van Napoleon gedaan te krijgen, hadden de Oostenrijksche
onderhandelaars moeten afzien. Over het lot van dit land had hij
reeds beslist.
Voor de vierde maal had de koningin daar verraad gepleegd; voortdurend
had zij met den vijand geheuld; een Engelsch-Russisch leger was er
geland en volkomen welkom geheeten, ofschoon men zich bij verdrag
verbonden had neutraal te blijven en de havens voor Engeland te
sluiten. Het huis der Bourbons hield in Napels op te regeeren,
zoo luidde het decreet, reeds den dag na den vrede door Napoleon
geteekend. Was Jozef daartoe genegen, dan zou hij daar gaan regeeren
en einde Maart 1806 zien we Jozef Napels binnenrukken.
Terwijl Napoleon zich nog op Schönbrunn buiten Weenen bevond, het
prachtige kasteel, waar hij na Austerlitz zijn hoofdkwartier gevestigd
had en zijn leger zich in de omstreken verzamelde, kwam Napoleon ook
tot een verklaring met Pruisen.
Dat Frederik Willem III in den laatsten tijd een zeer dubbelzinnige
rol had gespeeld was hem niet onbekend; dat de koning en keizer
Alexander in tegenwoordigheid der koningin bij de graftombe van
Frederik den Groote een eed van trouw en vriendschap hadden gezworen,
evenmin; ook wist Napoleon wel, dat Pruisen zich in het geheim bij
de coalitie had aangesloten en het leger gemobiliseerd was, maar dat
het land een maand tijd had gevraagd om te beslissen of het aan den
oorlog zou deelnemen of niet. Vier dagen voor den slag bij Austerlitz
was de Pruisische minister graaf von Haugwitz in het hoofdkwartier
te Brünn aangekomen tot groote verbazing van Napoleon. Deze had hem
ijskoud ontvangen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, dat deze
aanbieding tot bemiddeling van de zijde van een land, dat nog wel een
tractaat had geteekend tot levering van 80.000 man, al zeer vreemd
was. Von Haugwitz vertrok naar Weenen, liep hier met het groote lint
van 't Legioen van Eer rond, totdat het oogenblik zou zijn gekomen
om het masker af te werpen.
Toen kwam 2 December, "de dag der drie keizers" maar die men,
zegt Levy, wel "de dag der vier souvereinen" kon noemen, want ook
Pruisen was door Austerlitz verslagen en Haugwitz, die Napoleon zijn
gelukwenschen kwam aanbieden, kreeg het bijtende antwoord: "Dat is een
compliment, waarvan de fortuin het adres heeft veranderd." Napoleon
wist nu van het gunstige oogenblik gebruik te maken en stelde von
Haugwitz eenvoudig de keuze: oorlog en dan terstond of--vrede en een
verbond met Frankrijk. In het laatste geval zou het keurvorstendom
Hannover aan Pruisen worden afgestaan in ruil voor het hertogdom Kleef.
Wel wist de gezant, dat Pruisen Hannover altijd had geweigerd tegen
een verbond met Frankrijk, maar hij had den tijd gehad Napoleon met
zijn leger aan het werk te zien, hij had kunnen opmerken hoe gedrukt
de stemming te Weenen was, zoodat het resultaat was, dat hij den vrede
verkoos boven den oorlog, een politiek, die hij zijn koning tot nog
toe telkens had aanbevolen; het gevaarlijke geschenk werd aanvaard
voorloopig en von Haugwitz keerde naar Berlijn terug, zijn vorst nog de
keus latende tusschen de bekrachtiging van het verdrag of den oorlog.
Steeds bedacht op middelen om zijn relatiën met de Duitsche hoven
een vasteren vorm te geven, had Napoleon tegelijk met den vrede de
toestemming verkregen tot een huwelijk tusschen zijn stiefzoon Eugène
en een dochter van den nieuwen koning van Beieren.
Reeds vóór Austerlitz had hij zijn verlangen naar deze echtvereeniging
te kennen gegeven; toen had men te München weinig ooren hier naar
gehad, ook omdat prinses Augusta reeds was verloofd met den zoon van
den keurvorst van Baden. Thans werden er geen bezwaren gemaakt en
kreeg Beauharnais een gemalin, die hij alleen kende van een portret
op een porseleinen theekopje! maar Napoleon wilde en dat was genoeg,
terwijl Augusta op de smeekbede van haar vader toestemming verleende
mits de vrede was gesloten en Eugène koning van Italië zou worden. Het
onderhoud van den Keizer met de aanstaande bruid had tot uitwerking,
dat Napoleon aan zijn stiefzoon kon melden, dat alles in orde was.
Den 14en Januari 1806 op zijn doorreis naar Parijs woonde de Keizer
de huwelijksplechtigheid te München bij en kon hij zich verheugen,
dat hij door dit huwelijk zich verbonden had met een der oudste
geslachten uit Europa. Deze verbintenis met de bevallige, schrandere
Augusta-Emilie is voor Eugène een geluk geweest; toen geheel Europa in
woede was ontstoken tegen al wat Bonaparte heette of met het geslacht
was verwant, heeft hij aan het hof van zijn schoonvader een ontvangst
gevonden, zijn edele hoedanigheden als mensch en echtgenoot waardig.
Den 26en Januari was Napoleon in Parijs terug. Drie dagen te voren
was zijn doodsvijand William Pitt, slechts zeven en veertig jaar oud,
op zijn landgoed bij Londen overleden. Een familiekwaal, verergerd
door de miskenning en de verguizing, in de laatste jaren zijns
levens van de zijde der Engelsche natie bij herhaling ondervonden,
had zijn gestel ondermijnd. Een tijdlang was hij, schoon niet in naam,
feitelijk koning van Engeland geweest. Fox, de leider der vredespartij
in Engeland, volgde hem op.
De hoofdstad huldigde haar Keizer ook nu weder op de glansrijkste
wijze. Het Groote Leger, dat met kleine dagmarschen naar het vaderland
op weg was en inmiddels leefde op kosten van de landstreken, die het
passeerde, een voor Frankrijk zeer goedkoope manier van voeden, stond
de veroverde vuurmonden af--eenige honderden--om daarvan op de place
Vendôme een zuil te doen verrijzen met in brons gegoten voorstellingen
uit de laatste oorlogen versierd en met het standbeeld van den Keizer
op den top.
Waren de gevolgen van den vrede van Presburg vooral voor Oostenrijk
van belang, Napoleon meende nu ook het oogenblik gekomen om zich
te omringen met een gordel van rijken met zijn naaste familieleden,
zijn broers op den troon en achter hen een heele reeks van prinsen,
hertogen, graven, allen voortgekomen uit zijn leger of uit de
diplomatie. Bovendien wilde de Keizer in de staatkundige verhoudingen
van het Duitsche Rijk groote verandering brengen en het groote aantal
kleine staten tot een geringer getal terug brengen. Zijn plannen gingen
ver, hij droomde van de vorming van één groot rijk in het Westen met
Frankrijk als middelpunt, een rijk waarover eens een Karel de Groote en
een Karel V hun schepter hadden gevoerd. Zoo ooit, dan deed zich thans
het geschikte oogenblik voor tot het vestigen van een dergelijk gebied,
maar de tijd zou leeren, dat ook dit groote plan zou mislukken en het
duidelijk zou blijken, dat de Galliër en de Germaan te veel in karakter
zouden verschillen om samen te gaan. Zeker, de omstandigheden waren den
man, die alles meende te kunnen, gunstig en dit blijkt reeds uit een
opsomming van de voornaamste gekroonde hoofden, zijn tijdgenooten,
wier tegenstand hij had te overwinnen. In Zweden was Gustaaf IV
Adolf reeds jarenlang door zinsverbijstering niet bij machte zelf
te regeeren; Christiaan VII van Denemarken was "zwak van geest"; de
koning van Pruisen Frederik Willem III besluiteloos en toegevend. In
Napels regeerde Ferdinand IV, die geheel onder de heerschappij van
zijn vrouw stond; zijn neef Karel IV van Spanje maakte het nog erger;
slaaf van de luimen zijner gemalin duldde hij zelfs Godoy, haar amant,
een voormalig soldaat van de garde, als eersten minister. Eindelijk
was Maria van Portugal niet toerekenbaar.
De eenige, die op al deze erfelijk of niet erfelijk belasten een
gunstige uitzondering maakte was de Duitsche keizer Frans II, maar de
laatste veldtocht had hem dermate verzwakt, dat verzet van zijn kant
voorloopig althans niet was te duchten. Bijna overal zag Napoleon
dus zwakheid, halfheid of volslagen onbekwaamheid bij de hoofden,
overal verdrukking, knevelarij en misbruik van gezag aan de zijde
der ambtenaren. Hier verkocht een Hessisch vorst zijn onderdanen voor
klinkende munt aan de Engelschen, daar ontzag zich een ander gekroond
hoofd niet de vette baantjes aan den meestbiedende te verpachten;
ginds in Pruisen speelden de ronselaar en de werfsergeant op de dorpen
de afschuwelijkste comedies en maakten honderden gezinnen ongelukkig.
Voor een man als Napoleon, zoo wars van al wat geleek op knevelarij,
dus een reusachtig arbeidsveld; wat had hij een afkeer van elke poging
om zich door ongeoorloofde middelen te verrijken; nog altijd was hij
bedacht op het welzijn van zijn onderdanen, nog werd hij niet geheel
beheerscht door dien machtigen drang, dien toomeloozen hartstocht
naar veroveringen, die ten slotte zijn ongeluk werd en die zijn naaste
omgeving, zijn trouwste aanhangers half wanhopig deed uitroepen, dat
hij niet alleen zich zelf maar ook hen en met hen geheel Frankrijk in
't verderf zou storten.
Toen hij aan eenige zijner oude krijgsmakkers den titel schonk van
prins of hertog was zijn doel hierbij niet alleen hen te beloonen voor
hun aandeel aan zijn verheffing, maar ook om hen de handen te doen
houden uit de zakken der overwonnenen. Van de gestrenge, eerlijke
gedragslijn van de eerste generaals der republiek als Pichegru,
Hoche, Dumouriez en anderen was bij hun opvolgers als o.a. Massena,
Augereau en Solignac, die in Italië overwinningen hadden behaald,
niets te bespeuren geweest. Die hadden hun hebzucht den vrijen
teugel gevierd en vaak "genomen," wat niet terstond goedschiks werd
"gegeven." Vooral in Venetië was gruwelijk door hen gestolen. Met
ongeloofelijke wakkerheid had Napoleon het geheim dier knevelarijen
nagegaan en ontdekt en te beginnen met den opperbevelhebber de
onverwijlde teruggave van al de geroofde millioenen geëischt.
Thans onder Eugène en Jozef, bevonden veel van die heeren zich daar
wederom bij het leger.
"Zegt hun, dat ik hun allen veel meer zal geven dan zij ooit
zouden kunnen nemen," schreef hij aan die beiden; "voegt er bij,
dat 't geen zij "nemen" hun tot schande, dat 't geen ik hun "geef"
hun tot eer strekt en de onsterfelijke getuigenis van hun roem zal
wezen. Steken zij zelven de handen uit, dan treft Frankrijk de vloek
der overwonnenen; geef ik hun rijkdommen en vermeerder ik die zelfs,
dan knevel ik niemand."
Geen titels alleen toch waren 't, die hij schonk; ook de daaraan
verbonden rijke inkomsten, niet echter het grondgebied. Zoo werd
Soult hertog van Dalmatië, Bessières van Istrië, Duroc van Frioul,
Victor van Belluno, Moncey van Colegniano, de Caulaincourt van
Vicensa, Savary van Rovigo, alle onderdeelen van het grondgebied van
Venetië. Het prachtige prinsdom Benevento, vroeger een deel van den
Kerkelijken Staat, kwam aan Talleyrand, die nog altoos gevoelig was,
omdat zijn heer hem geen plaats onder de grootwaardigheidsbekleeders
had gegeven. Eindelijk zag zich verheven tot prins van Ponte-Corvo
de generaal Bernadotte. Hoe was 't mogelijk! Bernadotte, die den
18en Brumaire geweigerd had zich aan zijn zijde te scharen, die als
opperbevelhebber van het leger in het Westen een complot tegen hem had
gesmeed en die letterlijk voortdurend zijn vijand was geweest. Maar
die man was de zwager van Jozef en gehuwd met dezelfde Désirée Clary,
naar wier hand Napoleon indertijd had gedongen, die kort daarna te
Parijs door hem was losgelaten, die hem bij zijn huwelijk met Joséphine
een brief had geschreven, waaruit haar blijvende genegenheid voor hem
duidelijk bleek. Désirée was voor hem een vrouw om nimmer te vergeten
en telkens werd zij door Napoleon met gunstbewijzen overladen.
Aan het hof kwam zij bijna nooit, want ze had een afschuw van
de Beauharnais, maar de Keizer schreef haar en zond haar allerlei
kostbare geschenken o.a. een van de drie kostbare pelzen, die keizer
Alexander hem na Erfurt ten geschenke gaf en toen zij kroonprinses van
Zweden werd regelde hij zelf in bijzonderheden haar voorstelling aan
't hof, schonk Bernadotte een millioen uit zijn eigen kas, kocht hem
zijn prinsdom af, terwijl Napoleon hem reeds vroeger een hotel ter
waarde van 400.000 francs had gegeven.
De middelen voor het doen van al deze schenkingen, die in de volgende
jaren ook aan de laagste rangen zijner legers werden verleend,
vond hij o.a. in Venetië uit de inkomsten van 30 millioen waarde
aan nationaal domein, in Parma en Piacensa eveneens, benevens 1.2
millioen francs rente van een inschrijving op 't grootboek van
Italië enz. gezamenlijk makende een bedrag van 34 millioen rente
van rijksdomeinen, 2.4 millioen rente van kapitalen en eindelijk de
opbrengst van de krijgskas, die na de eerste oorlogsschatting reeds
70 millioen francs groot was en voortdurend grooter werd.
De persoonlijke schatkist van den Keizer de z.g. groote cassette,
die op enkele tijdstippen meer dan 250 millioen, voor 't grootste
gedeelte in goud bevatte, vormde bovendien een kapitaal, door hem zelf
in den loop der jaren samengebracht, hoofdzakelijk door bezuinigingen
op zijn civiele lijst van 40 à 50 millioen francs. Reusachtig is het
cijfer der millioenen door hem in die jaren besteed aan werken van
openbaar nut. Hij vond dit uit de oorlogsbelastingen aan de veroverde
landen opgelegd. Nooit werd voor zijn oorlogen een leening door hem
uitgeschreven.
Bij dit alles was hij in zijn eigen huishouden een zuinig,
bijna krenterig huisvader, die zelf van alles boek hield, die geen
verkwisting kon dulden, die op zijn jaarlijksch budget zelf het postje
bracht van 1200 francs, zijn tractement als lid van 't Instituut.
Als in zooveel andere zaken was hij hierin volslagen een
burgerman. Verkwisting in welken vorm ook kon hij niet uitstaan; die
eigenschap was hem als 't ware ingeschapen evenals gevoelloosheid voor
alle uiterlijk vertoon. Evenals rangen en titels behoorde dit laatste
volgens hem bij het stelsel zooals Sire en Majesteit. Geen vorst
heeft de holheid en de leegte dezer vormen zoo diep gevoeld als hij
en dat nog wel, terwijl beroemde mannen als Monge, Chaptal, La Place,
Séguier om van tientallen anderen als Fontanes en aanzienlijke prelaten
niet eens te spreken, zijn lof op allerlei wijzen hebben bezongen.
"Ik ben geen operaheld. De toejuichingen der Parijzenaars heb ik
nooit gezocht," heeft hij (1814) gerust mogen schrijven. "Ik heb een
leven als een galeislaaf. Liever tien veldtochten dan mijn bestaan
in de laatste vier weken," kreeg de Caulaincourt tijdens zijn reis
door België en Holland in 1811 van hem te lezen. Als men hem in 1807
de teekening van de nieuwe munt voor Italië met het devies "Napoleon
bescherme Italië" laat zien, schrijft hij er zelf naast: "Dit devies
in plaats van het vroegere "God bescherme" is onbetamelijk."
"Keizer der Franschen" is mijn titel, geen bijvoeging van Augustus,
Germanicus of zelfs van Cesar verkies ik," geeft hij het Instituut
te verstaan, als de inschriften voor den triomfboog aan de orde zijn
(1809).
Doch genoeg om aan te toonen, dat, al tooide hij het "stelsel"
tegenover de wereld en het buitenland met luister en pracht, hij
ook in deze zaken een eenvoudig en burgerman bleef, die het liefste
was op Malmaison of later te Compiègne om daar vrij van alle banden
zichzelf te wezen en als een schooljongen met stuivertje verwisselen,
blindemannetje en dergelijke spelen pret te hebben als een groot kind.
Zijn intieme leven had ook volstrekt niets van dat eens
keizers. Etiquette, ho maar! Geen hoofsch leven met hovelingen,
kamerdienaars en statige deftigheid. Niets van dit alles. Tegen
zeven uur kwam Constant, zijn kamerdienaar, jaren achtereen als een
oppasser bij zijn luitenant op de slaapkamer, raapte kleeren bijeen,
die de Keizer zich den vorigen avond van 't lijf getrokken en links en
rechts van zich afgegooid had, hier zijn grootkruis, daar een schoen,
verder op een das of een zijden kous. Terwijl zijn heer dan een warm
bad nam, moest Constant hem de laatste nieuwtjes uit de stad vertellen,
waar hij zelf den vorigen dag had gegeten enz.
Kwam Corvisart, de eerste lijfarts dan binnen, dan kreeg deze vaak
een lachend: "Zoo aartskwakzalver, ben je daar? Heb je er vandaag al
veel doodgemaakt?"
Dan schoor de Keizer zich zelf, een bijzonderheid voor die dagen,
besprenkelde zich flink met eau de cologne, kleedde zich aan, nam
zijn snuifdoos, ging naar zijn kabinet, waar de secretarissen reeds
wachtten en zette zich aan den reusachtigen stapel werk, die hem
bijna dagelijks wachtte.
Zagen we zooeven, dat hij al zijn helpers en groote mannen bedacht
en ze door allerlei middelen aan zijn persoon trachtte te binden,
op de lange lijst van beloonden zoeken we tevergeefs den naam van de
Cambacérès. Zelf had de oud-consul voor elke onderscheiding van dien
aard bedankt.
Hij was aartskanselier, bleef in deze positie gehandhaafd en verlangde
niet meer. Bij het aanvaarden van de keizerskroon had Napoleon tegen
hem gezegd, dat hij nu nog meer dan ooit door intriges en valsche of
baatzuchtige raadgevers zou worden omgeven, dus had hij hem nog dichter
in zijn omgeving gebracht, dewijl hij, Cambacérès, het doorzicht en
de oprechtheid bezat om hem de waarheid te doen hooren en tevens zijn
volle vertrouwen genoot.
Aangenaam kon diens ambt echter niet worden genoemd; bij afwezigheid
des Keizers was hij de raads- en leidsman van Joséphine en tevens
degene, die de overige leden der keizerlijke familie dan "binnen de
perken der betamelijkheid" houden moest, een taak welke niet altijd
even gemakkelijk was te vervullen.
Bijna ongeloofelijk waren de eischen van Napoleons naaste
bloedverwanten, maar ook valt het moeilijk te begrijpen, dat de Keizer
hen telkens weer tevreden stelt en aan hun eischen tegemoet komt.
Jozef is naar Napels gezonden in Januari 1806 en voor het einde
van de volgende maand is hij te Rome en kan hij zijn broer melden,
dat zijn bevelen vervuld zijn en de Bourbons naar Sicilië de wijk
hebben genomen. In Napels wordt hij goed ontvangen, maar hij handelt
geheel in strijd met Napoleons inzichten, die niet kan dulden, dat
het leger op kosten van Frankrijk wordt gevoed, evenmin, dat Jozef
zich omringt door Napolitanen, uit hen een leger wil vormen en zich
door allerlei middelen van Frankrijk los wil maken en een eigen
dynastie wil vestigen. Toch geeft Napoleon toe en wordt aan Jozef
bij decreet van Maart het koninkrijk Napels door recht van verovering
gegeven. Wel wordt daarbij bepaald, dat deze kroon niet met die van
Frankrijk kan worden verbonden, maar Jozef doet geen afstand van het
recht van opvolging in Frankrijk, een voorwaarde, waarop vroeger de
Italiaansche zaak had schipbreuk geleden. Jozef treedt zeer vreemd
op in zijn nieuwe koninkrijk, neemt voor zijn leger Bourbonsche
officieren, neemt leegloopers in soldij en stelt de in 1799 gevangen
genomen bendehoofden in vrijheid. Hij is slechts met één gedachte
bezield n.l. dat het volk het een geluk zal vinden door hem te worden
bestuurd! Aan zijn broer zendt hij de meest overdreven berichten en
aan de waarschuwingen van den Keizer stoort hij zich volstrekt niet,
maar als in 't midden van 1806 de Engelschen in Calabrië landen en
een algemeene opstand ontstaat, ja dan ziet Jozef zijn fouten in
en.... broerlief moet helpen met een leger van 50.000 man en subsidie
van 3 millioen per maand.
Is Jozef veeleischend, zijn zuster Caroline houdt nooit op met
vragen, zelfs wanneer aan Murat in Maart 1806 de hertogdommen Kleef
en Berg worden gegeven met een zuiver inkomen van vier ton 's jaars
is Caroline nog niet tevreden. Had dan Eugène de Beauharnais niet het
onderkoningschap van Italië en deze was niet eens van de familie. Dat
Murat niet naar Napoleons wensch optreedt in de nieuwe hertogdommen,
dat hij Wezel niet van proviand en wapens voorziet, zooals de Keizer
hem beveelt, dat hij onhandig optreedt in een geschil met de Pruisen
over de bezetting van grondgebied, het hindert Murat niet en met
steun van Talleyrand zien we Murat straks bij de vorming van de
Rijnconfederatie zijn zin krijgen.
Niet alleen ontvangt hij den titel van Groot-Hertog, onmiddellijk
in rang volgende op den Groot-Hertog van Baden, maar uitbreiding van
grondgebied is ook zijn deel, terwijl nog tal van kleine voorrechten
en gunsten door Napoleon worden verleend. Maar trots dit alles geen
verbetering ook met Murat. Dezelfde quaestie over Wezel komt weer op
den voorgrond; eigenaardig treedt Murat ook nu op, heeft twist met
tal van hertogen, graven en prinsen, die niet aan zijn hof willen
komen. Zijn gedrag is allervreemdst en Napoleon slaakt in een brief
aan zijn broer Louis de verzuchting, dat Murat niets dan dwaasheden
doet. Napoleon laat hem maar begaan, want als cavalerieaanvoerder
heeft hij hem spoedig noodig.
Louis blijft trots alle rangen en titels ontevreden; hoeveel geld
Napoleon hem ook geeft er is niets met hem te beginnen. Dat vindt ook
Hortense, die veel in de Tuilerieën verschijnt, feestjes organiseert
en zich verder onledig houdt met teekenen, schilderen en muziek. De
kinderen blijven de eenige band tusschen de echtgenooten; verbetering
in hun verhouding blijkt niet mogelijk, het ligt in Louis' natuur;
hij is ziek, althans zoo gelooft hij nu eenmaal.
Nu kwam de quaestie van Holland op den voorgrond. De Bataafsche
republiek had van haar nadere kennismaking met de Fransche begrippen
niet veel genoegen beleefd. Frankrijk was een zeer dure vriendin
gebleken. Engeland had een geweldigen hap uit de koloniën gebeten;
de handel had geduchte schade geleden en tengevolge van dit alles
was het ijveren van de patriotten voor Frankrijk aanmerkelijk bekoeld.
Tevergeefs had graaf Schimmelpenninck, die het jaar te voren op
uitdrukkelijk verlangen van den Keizer als Raadpensionaris de teugels
van het bewind in handen had genomen, getracht, in den toestand
verbetering te brengen. Thans moest ook deze verdienstelijke man
heengaan; hij begon zwak van gezicht te worden, werd beweerd. Hoewel
admiraal Verhuell, die bij den Keizer zeer in de gratie stond, ter
elfder ure nog had beproefd, dezen tot andere gedachten te brengen,
had het niet mogen baten. Het pleit was toen reeds beslist. De
republiek werd een koninkrijk Holland en kreeg.... Louis Napoleon als
hoofd. Alsof de vernedering nog niet voldoende was, werd de natie
gedwongen den Keizer die benoeming van zijn broeder, als een hooge
gunst, door een commissie te Parijs te gaan vragen. Willem Six was
een der leden van genoemde commissie, zoodat spotters beweerden,
dat Willem VI er zelf om gevraagd had.
Was deze schande verdiend?--Stellig! Zoodra het volk ontrouw wordt aan
zijn traditiën, moedwillig de banden verscheurt, welke het eeuwenlang,
in voor- en tegenspoed innig hebben samengehouden met een vorstenhuis,
waaraan het eenmaal zijn opkomst, zijn grootheid, zijn macht had te
danken gehad, een vorstenhuis, dat nooit had geaarzeld het bloed van
zijn edelste telgen er voor ten offer te brengen; zoodra, om kort
te gaan, een volk ontrouw wordt aan de groote beginselen, die het
vroeger huldigde, en lamlendigheid, kleinzieligheid en eigenbelang
hiervoor in de plaats treden, geeft het zijn recht van bestaan als
zelfstandige natie prijs.
Louis had er niet veel zin in en wilde liever gebied in Italië, maar
hij begreep, dat hij zich niet kon verzetten; dat Hortense zich weinig
verheugde, haar omgeving te Parijs vaarwel te zeggen en alleen met
haar man naar Holland te vertrekken laat zich gemakkelijk begrijpen.
Met een geheele hofhouding waaronder zes doctoren en drie chirurgen
begeeft Louis zich naar het nieuwe koninkrijk en daar aangekomen doet
hij direct voorkomen of hij zijn kroon aan Holland heeft te danken en
door de Hollanders tot koning is gekozen. Hij is er juist 8 dagen of
hij meldt zijn broeder, dat hij voor zijn gezondheid naar Wiesbaden
vertrekt; of Pruisen zich tot den oorlog gereed maakt, Rusland troepen
verzamelt en de hoop op vrede met Engeland verdwijnt, wat maalt Louis
erom; hij voelt zich niet lekker en reist af. Ook deze broer zal niet
anders doen dan de oudste en Napoleon weerstreven, al zal Holland
niet in opstand komen zooals Napels doet en al zullen de Hollanders
van dezen weerstand tegen den Keizer tegelijk de voordeelen genieten.
Terwijl de Keizer zijn familieleden en getrouwen dus zoo goed
bedacht en aan Holland en Napels koningen schonk uit zijn eigen
geslacht, ging hij in Duitschland nog een stap verder. Hier bracht
hij het Rijnverbond tot stand en benoemde zichzelf tot beschermheer er
van. Dit verbond omvatte al het grondgebied tusschen de Sieg, de Lahn,
de Main, den Neckar, den Boven-Donau, de Isar en de Inn, dus Nassau,
Baden, Frankenland, Zwaben, en Boven-Paltz en Beieren. Elke vorst,
wiens naam niet in de acte van oprichting voorkwam, had opgehouden
regeerend vorst te wezen en werd zoogenaamd "gemediatiseerd."--Ook
de prinses van Thurn en Taxis, de zuster der koningin van Pruisen,
behoorde onder deze. Den 12en Juli werd het bestaan van dit verbond
plechtig afgekondigd.
Alleen de vorsten van Baden, Wurtemburg en Beieren waren bij de
samenstelling geraadpleegd. Het verbond was of- en defensief
met Frankrijk één, leverde bij een mogelijken oorlog 63.000
man hulptroepen, besliste over alle zaken op den Rijksdag, die te
Frankfort zou vergaderen, en verklaarde zich voor altoos gescheiden
van den Duitschen Bond.--Terstond gaf Napoleon hiervan kennis aan
den Rijksdag te Regensburg.
Keizer Frans II, die zag, dat het Duitsche keizerrijk hierdoor werd
uiteengescheurd, legde de kroon hiervan neder en deed zich voortaan
alleen Frans I van Oostenrijk noemen.
Door de stichting van dit Rijnverbond was Napoleons invloed natuurlijk
sterk toegenomen en door een eed van trouw, welke alle onderdanen
moesten afleggen, werd de afhankelijkheid van Frankrijks Keizer
bevestigd. Natuurlijk waren de bloedverwanten door hun keizerlijke
waardigheden ook aan hem verbonden, maar om ze allen goed onder zich te
houden, al zou dat blijken slechts schijn te zijn, waren zij verplicht
zich te onderwerpen aan het Bonapartistische familiestatuut.
Napoleon werd hierin als het hoofd van de familie aangewezen,
terwijl nauwkeurig was omschreven, wie tot het keizerlijk huis
behoorde. Ze mochten geen huwelijk zonder zijn toestemming sluiten,
terwijl de kinderen gedurende hun minderjarigheid, wat hun opvoeding
betreft, aan den Keizer werden toevertrouwd. Niemand mocht zonder zijn
toestemming buiten 't land of de residentie vertoeven, terwijl Napoleon
zelfs het recht had, hen hoogstens één jaar te verbannen en ze met
advies der familie zelfs twee jaar in een staatsgevangenis kon doen
opsluiten. Trots alle vroegere twisten meende de Keizer nog altijd,
dat geen politiek verbond hecht was, wanneer het niet gesteund werd
door het familieverbond.
Te midden van al den arbeid, dien zijn betrekkingen tot het buitenland
medebrachten, verloor Napoleon de belangen van het binnenland
niet uit het oog. In de kerk van St. Denis, tijdens de omwenteling
door het grauw geschonden, deed hij de graven herstellen en er vier
nieuwe grafkapellen bij bouwen, één bestemd voor de vorsten van zijn
eigen dynastie. Met den bouw van den triomfboog aan het einde der
Champs-Elysées deed hij een begin maken, het aantal openbare fonteinen,
die voortaan ook des nachts water zouden geven, aanzienlijk uitbreiden
en een nieuwe brug over de Seine bouwen. Het kanaal van de Rhône en
van de Schelde naar den Rijn kreeg een begin van uitvoering; de arbeid
aan dat van l'Ourcq, van St. Quentin en van Bourgogne werd voortgezet,
terwijl met den weg van Roanne naar Lyon en met dien langs la Corniche,
tusschen Nizza en Genua werd begonnen. Eindelijk kregen Antwerpens
tuighuizen een nieuwe uitbreiding en naderden de werkzaamheden aan
de wegen langs de boorden van den Rijn, over den Simplon en over den
Mont-Cenis hun voltooiing.
Onder leiding van de Cambacérès kwam een nieuw deel van het wetboek,
dat van de Burgerlijke Rechtspleging gereed. Aan den Raad van
State werd met het oog op den toenemenden administratieven arbeid
een langgewenschte uitbreiding gegeven en dus een kern van bekwame
administrateurs in 't leven geroepen. Een bijzondere rechtspraak
werd ingesteld voor de rijks-leveranciers en voor de aannemers van
openbare werken, doch de kroon op zijn werk zette de Keizer door de
stichting van de universiteit.
Reeds vroeger had hij 29 rijks middelbare scholen, lycea of gymnasia,
al naar men ze noemen wil, opgericht, waar de jongelieden van
rijkswege werden gevoed en gehuisvest en in de wiskunde en in de
letteren werden onderwezen. Dit aantal werd op honderd gebracht en
bij deze inrichtingen sloten 310 middelbare gemeente- en evenveel
dergelijke particuliere scholen aan.
Tegen dezen nieuwen vorm van onderwijs, voerde de geestelijkheid, aan
wie de leiding vrijwel uit handen werd genomen, heel wat oppositie. Zoo
beweerde zij, dat thans alleen onderwijs werd gegeven in wiskunde,
omdat men van de leerlingen uitsluitend soldaten wilde vormen,
dat de zeden op de nieuwe scholen werden bedorven, en de godsdienst
verwaarloosd.--Niets was minder waar en het meer ontwikkelde gedeelte
der natie, dat bij ondervinding wist wat povere onderwijzers de
paters in den regel waren, aanvaardde dit nieuwe geschenk van den
Keizer met groote dankbaarheid.
Doch waar nu de noodige leeraren te vinden, zonder dat men bij de
geestelijkheid ter markt behoefde te komen?--De Keizer begreep,
dat hij hiertoe voornamelijk moest zoeken in de breede schaar van
jongelieden zonder fortuin, die den mannelijken leeftijd intraden,
lust hadden in studie en, zonder zich te willen schikken naar de
gestrenge regelen eener kloosterorde, toch niet ongenegen waren in
ordelijke samenleving met anderen, onder een wet met vrijzinnige
bepalingen gezamenlijk tot onderwijzer te worden opgeleid.
In stilte deed de geestelijkheid alles om dit grootsche plan te
doen mislukken. Doch het vertrouwen, door de natie in hem gesteld,
sterkte den Keizer en ondanks dit verzet verwezenlijkte hij zijn plan
en schonk Frankrijk zijn Keizerlijke Universiteit, een instelling,
die als een glansrijke ster van de eerste grootte door alle tijden
heen zal stralen boven zijn naam als heerscher over een groot volk.