HOOFDSTUK XIV.

De Keizerskroon.

Het is zeker, dat Bonaparte nooit zoo'n hoog standpunt heeft ingenomen

in de oogen van de natie dan na den vrede van Amiens. Zoowel de boer op

het land als de bezitter van goederen, zoowel de niet-beroepssoldaat

als de middenklasse in stad en provincie, ja allen, alleen enkele

onverzadelijken en ontevredenen uitgezonderd, wenschten den

vrede. Bonaparte had hem gebracht en hij verscheen daardoor in de

oogen van de natie als de overwinnaar en de vredestichter! Geschikter

oogenblik was er dus niet om zijn gezag voor goed te vestigen

en Bonaparte was er de man niet naar, dit juiste moment te laten

voorbijgaan. Het Consulaat voor het leven werd gevestigd en aan

de inrichting van het staatsbestuur, maar ook aan tal van andere

maatregelen, als de instelling van het Legioen van Eer en den

terugkeer van vele emigranten, was het duidelijk zichtbaar, dat dit

alles slechts een overgang was tot nog hoogere macht en titel. De

instelling van een hof werd aangekondigd en al wat er geschiedde,

duidde op de uitwerking van het monarchale idee.

Dat echter het aanbieden van de keizerlijke waardigheid aan den Eersten

Consul een uiting is geweest van de dankbaarheid van het Fransche

volk tegenover den man, die na den val van het Schrikbewind en het

Directoire welvaart, voorspoed en rust had gebracht, kan niet worden

gezegd. Alles werkte er toe mede en reeds maanden waren de gemoederen

in Frankrijk op een verandering van den staatsvorm voorbereid.

De ontdekking van de samenzwering van Cadoudal veroorzaakte een

bijzonder gunstige stemming van de natie ten opzichte van Bonaparte

en hiervan werd door hem gebruik gemaakt om thans de vervulling van

een zijner liefste wenschen te verkrijgen. Fouché, de man, dien hij

verachtte, doch dien hij noodig had, al wilde hij dit niet erkennen,

dreef hem uit eigenbelang letterlijk de trappen van den troon op, zijn

omgeving zag er een middel in tot vermeerdering van haar inkomsten

en aan de meeste familieleden was het niet onwelkom in de grootheid

en de eer van Bonaparte te deelen.

Het voorstel van het Tribunaat om hem als hoofd van de Republiek de

keizerskroon te schenken, deze erfelijk te verklaren en het goedkeurend

adres in denzelfden zin van het Wetgevend Lichaam, werden gevolgd

door de opdracht van den Senaat. (Mei 1804.)

Dat de natie, die eenige jaren te voren het hoofd van haar koning had

geëischt, thans eenstemmig dacht met den Senaat, bewees de uitslag van

het plebisciet van 1 December 1804. De vraag op Napoleons uitdrukkelijk

verlangen daarbij aan haar voorgelegd, was: "of ze de erfelijkheid der

keizerlijke waardigheid verlangde in de rechte, natuurlijke, wettige

en adoptieve lijn van Napoleon Bonaparte en van Louis Bonaparte,

zooals die was geregeld bij besluit van den Senaat van 29 Floréal

van het jaar XI."

Van de ruim drie en een half millioen thans uitgebrachte stemmen

waren er nog geen 2600 "tegen."

Nauwelijks had Napoleon zijn nieuwe waardigheid aanvaard (18 Mei)

of hij begon met zijn gewone voortvarendheid te werken aan de

inrichting van het bestuur en aan het vaststellen der met deze

verbonden waardigheden.

Het eerst dacht hij aan zijn vroegere ambtgenooten. Cambacérès werd

aartskanselier, Lebrun aartsthesaurier. Zijn broeder Jozef benoemde

hij tot groot-keurvorst, Louis tot connétable. Achttien zijner oude

krijgsmakkers, zooals Augereau, Lannes, Massena, Davoust, Murat,

Berthier, Bernadotte, Soult, Ney en Bessières werden maarschalk en

ontvingen voor 't meerendeel tevens den titel van prins, hertog of

graaf naar de plaatsen, waar zij hadden gezegevierd.

Tot groot-officieren der kroon werden voorts benoemd: tot

groot-aalmoezenier zijn oom, de kardinaal Fesch, tot opperkamerheer

Talleyrand, tot hofmaarschalk Duroc, tot opperjagermeester

Berthier, enz. De titels van Hoogheid, Excellentie, Majesteit en

Keizerlijke Hoogheid kwamen weder in gebruik. Het geheele arsenaal

van betrekkingen, vormen en ceremoniën van den vroegeren tijd werd

tegelijkertijd met den geborduurden rok, den staatsiedegen en den

gegalonneerden steek weder te voorschijn gehaald. Het is te begrijpen,

dat al die nieuwe baantjes tevens goed werden betaald, zelfs kreeg

Talleyrand later jaarlijks 495.000 francs, ja de dotaties gedurende

het keizerrijk gegeven aan chefs van korpsen en ministers overtroffen

voor enkelen zelfs het bedrag van 1.000.000 francs!

De eenige, die protest indiende tegen den nieuwen toestand, was de

broeder van den onthoofden koning, Lodewijk XVI, maar Napoleon nam

van dit protest geen notitie en duchtte het zoo weinig, dat hij het

in zijn geheel in den Moniteur liet opnemen.

Den 10en Juni 1804 wees het crimineele gerechtshof van de Seine vonnis

in de zaak van George Cadoudal. Het veroordeelde hem en negentien van

zijn medeplichtigen ter dood; de overigen tot gevangenisstraf, Moreau

tot twee jaar detentie. Pichegru had zijn vonnis niet afgewacht maar,

heette het, zelfmoord gepleegd en zich in het begin van April in zijn

cel opgehangen, hetgeen niet best te verklaren is, want het was hem

bekend, dat Bonaparte plannen met hem had in Guyana en hij kon dus

begrijpen, dat er voor hem geen doodvonnis was te wachten. Napoleon,

zooals hij van nu af aan zou heeten, begon zijn regeering als zoodanig

met een daad van grootmoedigheid en genade. Acht van de twintig ter

dood veroordeelden, waaronder Lozier, generaal Lajolais, de markies de

Rivière en Armand de Polignac kregen gratie. De hechtenis van Moreau

werd veranderd in verbanning naar Noord-Amerika. Zijn goederen werden

verbeurd verklaard.

Met elf man van zijn bende liet Cadoudal het leven op het schavot. Zijn

familie werd na den val van Napoleon door Lodewijk XVIII in den

adelstand verheven!!

Wel mag de laatste helft van het jaar 1804 een tijdperk heeten van

groote plechtigheden en schitterende feesten. Den 14en Juli, den

gedenkdag van Frankrijks vrijmaking, werd de instelling van het

Legioen van Eer in de kerk van het hotel der Invaliden plechtig

ingewijd. Vier dagen later vertrok de Keizer, vergezeld van een

reusachtigen stoet grootwaardigheidsbekleeders en groot-officieren

der kroon, waaronder Jozef en Louis, naar het kamp van Boulogne, om

de versierselen der Orde daar zelf aan het leger uit te reiken. Meer

dan een maand bleef hij aan den oever der zee, voortdurend te midden

van zijn soldaten, vervuld met trots over de snelheid, waarmede de

toebereidselen tot een overtocht naar Engeland vorderden, terwijl hij

door zijn tegenwoordigheid allen tot nog meer inspannning opwekte,

en niet schroomde zich als de geringste matroos bloot te stellen aan

al de gevaren, die de vaak woelige zee en de nabijheid der Engelsche

oorlogsschepen opleverden.

Eenmaal nam hij zelfs deel aan een aanval, door een flottille van

kanonneerbooten gewaagd op eenige vijandelijke fregatten, die de

Fransche kust te dicht waren genaderd en thans de ondervinding konden

opdoen, dat die kleine, vlugge schepen hun reusachtigen romp heel wat

schade konden toebrengen, doch zelf door hun laag boord zoo goed als

ongedeerd bleven.

Tevens werden toebereidselen gemaakt voor de plechtigheid der

ordeverleening zelve, die den 15en Augustus, den verjaardag des

Keizers, zou plaats grijpen.--Met den rug naar de zee, op een heuvel,

die het omliggende terrein geheel beheerschte, werd een ijzeren zetel

geplaatst, die afkomstig heette van koning Dagobert. Achter dezen

zetel verhief zich een reusachtige tropee van wapenen en op den vijand

veroverde vaandels. Een geweldige kroon van gouden lauwerbladeren,

waarboven paardenstaarten en veldteekens der mamelukken golfden,

bedekte het geheel. Op het schild en in een helm van Bayard en

Duguesclin, de helden uit Frankrijks roemrijk verleden, gedragen door

adjudanten-generaal, lagen de uit te reiken eereteekenen.

Voor dezen troon schaarden zich in een halven cirkel al de regimenten,

te zamen meer dan tachtigduizend man, die onder maarschalk Soult in

het kamp van Boulogne en in dat van Montreuil waren bijeengebracht;

de nieuwbenoemde ridders, in pelotons geformeerd, stonden het dichtste

bij den Keizer.

Om den indruk te verhoogen was als verzamelpunt gekozen de plek, waar

eeuwen te voren Cesars legioenen het strand zouden hebben bereikt,

en waar de bouwvallen van een toren, naar hem genoemd, nog zichtbaar

waren. Die omgeving, die praal, die pracht, dat grootsche militaire

vertoon werkten electriseerend op het licht ontvlambare gemoed

der soldaten. De verschijning eener vloot van zeven en veertig

oorlogsschepen, die, van Havre komende, bij hooge zee, onder het

dreunen van 't kanon naar de haven van Boulogne zeilde, werkte mede

om de plechtigheid nog aangrijpender te maken. Toen de Keizer, na het

afnemen van den eed aan de gedecoreerden, zich tot de troepen wendde

en met luide, boven alles uit klinkende stem vroeg: "En gij, soldaten,

zweert gij de eer van Frankrijks naam, uw vaderland, uw Keizer zelfs

met gevaar van uw leven te zullen verdedigen?" klonk uit tachtigduizend

kelen een allesoverweldigend: "Dit zweren wij!" boven het loeien van

de verbolgen zee uit, terstond gevolgd door een even indrukwekkend:

"Leve de Keizer!"

Dit oogenblik moet ook voor den imperator te midden van zijn

trouwe krijgers, waarvan velen reeds jaren onder hem dienden,

even onvergetelijk zijn geweest als voor allen, die er van getuige

waren. Zijn gelaat glansde van voldoening. Zijn oog straalde van trots.

Nog enkele dagen bleef hij in het kamp, inspecteerde de batterijen

langs de kust, opgeworpen om de transportvaartuigen te beveiligen

tegen een coup de main der vijandelijke vloot, bracht toen een bezoek

aan België en de nieuwe departementen langs den linker Rijnoever, vond

te Maintz de keizerin, die zich baadde in het genot van schitterende

feestelijkheden en openbare huldebetuigingen, bereidde hier de

vorming voor van een Duitschen Statenbond en de ontbinding van het

eeuwenoude Roomsche Keizerrijk en keerde in het midden van October

naar de hoofdstad terug.

Ondanks het vele werk, dat dit alles hem gaf, had hij toch nog tijd

gevonden aan Frankrijks wetenschappelijke instellingen te denken en

de organisatie van de Polytechnische school, die der school voor

burger-ingenieurs en die voor de Studie van het Recht ter hand te

nemen en te voltooien.

Nog wachtte den pas benoemden keizer een zeer belangrijke gebeurtenis

welke de bevestiging van het keizerrijk moest zijn: de kroning.

Ten einde het indrukwekkende van de plechtigheid te verhoogen en

wel wetende dat dergelijke ceremoniën de verbeelding van de natie

treffen, wilde Napoleon den paus doen tegenwoordig zijn bij die

groote gebeurtenis.

De correspondentie met den paus was begonnen door eene briefwisseling

van Joséphine met hem; de onderhandelingen, welke hierop volgden met

den Heiligen Stoel, werden gevoerd door den reeds genoemden kardinaal

Fesch. Deze "oom Fesch," evenals meer andere leden zijner naaste

familie, in het geheim geen groot vriend van zijn neef Bonaparte,

was een ijdel en bekrompen, maar stoutmoedig man. Hij had een

eigenaardig leven achter den rug. Tijdens de Republiek had hij den

priesterrok uitgetrokken en was zelfs onder la Terreur commissaris

van oorlog in Italië geworden. Zijn gedragingen in dien tijd deden

niet erg aan den oud-priester denken, want groote rijkdommen wist

hij zich toen te verwerven door aankoop van meesterstukken uit de

oude Italiaansche school, door de Fransche generaals uit de musea

gestolen en vaak voor een appel en een ei aan den sluwen Corsicaan,

die een goed kunstkenner was, overgedaan. Na den 18en van Brumaire

was hij, die door zijn afzondering en vrome houding vergiffenis van

zonden had verworven, weder geestelijke geworden en op voorspraak

van zijn neef door den paus tot kardinaal benoemd.--

Met zijn plaatsing in Rome, nog wel ter vervanging van den gematigden

en zeer voorzichtigen Cacault was de paus wel niet bijzonder ingenomen,

maar, hoewel op diplomatiek gebied een volslagen leek, kon Fesch in

handen van Napoleon een zeer bruikbaar werktuig worden voor de taak,

welke Napoleon in Rome voor hem bestemd had. De Chateaubriand, die

in alles ver boven hem stond, werd hem daar als secretaris toegevoegd.

Na de onderhandelingen had Napoleon in September van uit Keulen

schriftelijk den wensch te kennen gegeven van de overkomst. "Die daad

zou den zegen des Heeren, die in zijn raadsbesluiten over het lot

der volkeren en der huisgezinnen beschikt, op hem en op zijn volk

doen nederdalen."

Met eenige verbazing had men in Rome eerst dit verzoek ontvangen en

al was Pius VII een der eersten, die Napoleon met zijn keizerskroon

had gelukgewenscht, hij had er wel wat op tegen voor een dergelijk

menschelijk motief Rome zoo lang te verlaten. Ook bij het Heilige

College vond Napoleons uitnoodiging ernstige tegenkanting. Daar was

men de hoofdartikelen van het Concordaat en die inmenging van het

wereldlijk gezag in "zoogenaamd" geestelijke belangen nog volstrekt

niet vergeten en was de achterdocht tegen den nieuwen monarch zeer

levendig.

Zelfs de gezant Cacault, die zooals we zagen te Rome voor Fesch

had moeten plaats maken, schudde over al die grootsche plannen

het hoofd.--"Zie nu eens aan!" zei hij, "de Keizer acht zich zelf

een Karel de Groote. Een zoon van hem zou zoo'n figuur kunnen

worden, ja, doch hij zelf zal ten allen tijde een Pepijn de Korte

blijven. Met Albion zoo dicht bij de poorten van Parijs is geen Karel

de Groote denkbaar. Caprara (de kardinaal) heeft hem het hoofd op

hol gebracht. Wat hebben ze mij mijn generaal en mijn Eersten Consul

bedorven! Hij luistert niet meer naar mij. Hij heeft mij senator

gemaakt--mij dus met stomheid geslagen."

Toch zwichtte de paus ten slotte voor de bijna brutale betooggronden

van Fesch en voor de wel niet eerbiedige, doch tevens bevelende

brieven van den Keizer, die zich in een der laatste dezer o, zoo sluw

en voorzichtig gestelde epistels "zijn vrome zoon" had genoemd. Noch

de lange reis, noch het protest van Lodewijk XVIII of van de te Londen

aanwezige, uit Frankrijk gevluchte bisschoppen, weerhield den paus

om aan het verzoek te voldoen. Wat den paus er toe bewoog? Zeker

niet eigen belang maar alleen het belang van de kerk en de vrees,

bij weigering haar bloot te stellen aan onherstelbare slagen. Ook

de angst voor bezetting van Rome door Fransche troepen had hem zeker

tot toegeven genoopt. In een college van kardinalen werd onder zekere

voorwaarden bij groote meerderheid van stemmen het plan goedgekeurd,

maar we kunnen ons voorstellen, dat velen onbewimpeld hun afkeuring

er over te kennen gaven.

Vooral de vermaarde pamfletschrijver de Maistre viel 's pausen zwakheid

heftig aan en stelde deze nog beneden de misdaden van een Alexander

Borgia. Zelfs hoopte hij dat "die goedzak" het onderweg zou afleggen

en zijn "afschuwelijke geloofsverzaking" met den dood zou bekoopen.

Doch aan het besluit viel niets meer te veranderen. Alle bijkomende

bezwaren waren door Napoleon uit den weg geruimd.

De kosten van de reis zouden door Frankrijk worden gedragen; aan al

de eischen van etiquette, voor den Heiligen Stoel altijd een zaak van

het allerhoogste gewicht, zou worden voldaan. Ook was door Napoleon

uitdrukkelijk bedongen, dat de kroning door hem zelf verricht zou

worden.

Vol angst voor allerlei denkbeeldige gevaren, die hem in dat

"goddelooze" Frankrijk wachtten, maar tevens innig overtuigd, dat

hij dit offer moest brengen ter verhooging van de glorie der kerk,

aanvaardde Pius VII, vergezeld van een aantal kardinalen, in de eerste

dagen van November 1804 den langen tocht over de bergen. Een massa

paternosters voor de dames der hofhouding, een paar antieke vazen voor

Joséphine en voor Napoleon twee antieke cameeën, eenig van bewerking

en teekening, voorstellende Achilles en Scipio's zelfbeheersching,

bracht hij als geschenken mede. Was zijn angst op de reis over

Piacenza, Parma en Turijn reeds eenigermate begonnen te wijken bij

het zien van den eerbied, waarmede hij overal werd begroet, te Lyon

verdween die volkomen om plaats te maken voor een nameloos gevoel van

verrukking.--Zijn oude raadsman Caprara had dus de waarheid gesproken,

toen hij beweerde, dat deze reis de kerk tot heil strekken en hem

zelf overgroote voldoening schenken zou!--

Te Lyon was de gansche bevolking van Provence, van Dauphiné en

Bourgogne samengestroomd om hem, den kerkvorst te zien, te eeren en

geknield zijn zegen te ontvangen.

Was dàt nu het volk, dat steeds in opstand heette tegen God en zijn

gebod, dat tronen omvergeworpen en een vorigen paus gevangen gezet had!

Den 25en November had in het bosch van Fontainebleau de eerste

ontmoeting met Napoleon plaats en hier werd de paus door de keizerin

en de leden der keizerlijke familie enz. opgewacht. Drie dagen later

zegende de kerkvorst van het balkon der Tuilerieën in 't bijzijn

van Napoleon de buiten geknielde menigte. Welk een schouwspel in de

Tuilerieën, waar twaalf jaar geleden de meest gruwelijke tooneelen

hadden plaats gehad. Dat alles voor den paus was ingericht op de wijze

als in het Vaticaan, een attentie van Napoleon, trof den kerkvorst

bijzonder. Welk een ontvangst te Parijs! Het scheen half een droom voor

den vromen man, die zelfs te midden van de groote weelde, waarmede

Napoleon hem deed omringen, in levenswijze en voeding aan allen, die

hem zagen, tot voorbeeld had kunnen strekken. Een paar schoteltjes

met in olie toebereide groenten vormden o. a. zijn middagmaal.

Het is te begrijpen, dat de a. s. plechtigheid van de kroning

voor tal van familieleden, die daarbij zouden tegenwoordig zijn,

reeds weken lang een onderwerp van bespreking vormde en het vooral

een zeer gewichtige zaak was, welke rol ieder daarbij zou moeten

vervullen. Bij het verdeelen van die rollen tusschen de schoonbroeders

en de zusters was in de eerste plaats de vraag besproken, of Joséphine

ook zou worden gekroond. Napoleon had met zijn antwoord geaarzeld. De

hartstochtelijke drift harer schoonzusters vooral van Murats vrouw

Caroline, om bij de plechtigheid een hoofdrol te vervullen, had de

jaloezie van Joséphine in zoo hooge mate opgewekt, dat zij, zich

niet langer meester, op deze schoonzuster een toespeling maakte,

in haar wezen gelijkstaande met de afschuwelijke verdachtmakingen

waarvan niet de koningsgezinden alleen zich in dien tijd tegenover

Napoleon bezondigden, en die ook later door allerlei letterkundig

gespuis zijn gebezigd om den Keizer in de oogen der nakomelingschap

te verlagen tot een monster, voor wie zelfs de banden des bloeds niet

heilig waren. Lodewijk XVIII vond een beetje cronique-scandaleuse,

waarvan zijn gevallen vijand het onderwerp was, zelfs wàt aardig.

Verwoed was Napoleon opgestoven; zijn drift had over zijn liefde

gezegevierd; dreigend had hij haar het woord "echtscheiding"

toegeslingerd. Hortense en Eugène hadden ridderlijk de partij

hunner moeder gekozen, doch de Bonapartes hadden gejuicht over deze

nederlaag der gehate Creoolsche, "die haar man geen nakomelingen

schonk." Hierdoor was Napoleon tot bezinning gekomen; hij had de

kracht gemist de gezellin zijner jeugdige jaren en haar twee kinderen,

die hij zoo bijzonder genegen was, in ballingschap te zenden; een

omhelzing was gevolgd en daarbij de belofte, dat Joséphine tegelijk

met hem zou gekroond worden.

Schier kinderlijk blij was zij nu terstond voor haar toilet gaan

zorgen.

IJdel en wuft, spilziek en lichtzinnig, een echt kind der tropen, doch

medelijdend en zielsgoedhartig tevens, werd zij volkomen terecht door

de Parijzenaars "de goede keizerin" geheeten en door hen letterlijk op

de handen gedragen. Vaak bedrogen, vaak misleid, bleef ze niettemin in

haar goeddoen volharden. Zij kon geen tranen zien en vergoot er zelve

zooveel! Ook haar hebben de jaloezie en de haat aan al wat met het

huis Bonaparte verwant was, niet gespaard. Niet geheel ten onrechte

is haar verweten, dat zij als de weduwe de Beauharnais onvoorzichtig

is geweest en met den verwaanden cynieken Barras op al te intiemen

voet verkeerd heeft, niet ten onrechte ook, dat haar gedrag in de

eerste maanden van haar huwelijk tegenover Bonaparte verkeerd was. De

tijd echter, waarin die behaagzieke jonge vrouw, de vriendin van

mevrouw Tallien, later bijgenaamd Nôtre Dame de Thermidor, leefde,

was een tijd van algemeene verdorvenheid van zeden en zeker waar is

het, dat uit diezelfde vrouw door haar innige liefde voor Napoleon,

een levensgezellin is geboren even vlekkeloos van levenswandel als

eenmaal de vrouw van Cesar Augustus. Zelfs de boosaardige steken door

Barras in zijn gedenkschriften op haar gericht, zijn niet bij machte

geweest dit feit te ontzenuwen. Voor den Keizer is zij een brave,

trouwe echtgenoote geweest, die hem aanhing met hart en ziel, die

hem daarbij dermate vereerde, dat zij hem nooit anders dan met "U"

en "Sire" toesprak.

Dat zij later om staatkundige redenen is verstooten, zij, die zooveel

leed gelenigd, zooveel smart verzacht had, hebben velen Napoleon

nooit kunnen vergeven.

Men houde ons deze kleine uitweiding ten goede, zij was hier, dachten

wij, niet misplaatst.

Joséphine had dus gezegevierd, ze zou worden gekroond, maar voor dit

geschiedde, behaalde ze een tweede overwinning. We zagen vroeger, hoe

ze bij het huwelijk van Louis en Hortense het verzoek achterwege liet

om evenals Murat en Caroline de kerkelijke wijding van haar huwelijk

te ontvangen. Thans echter wist ze het zoover te brengen. Nog altijd

vreezende voor een scheiding, bang voor de intriges aan het hof en

die van Napoleons broers, ook om godsdienstige redenen, vroeg zij een

dag voor de kroning een audientie bij den paus. Dezen vertelde ze, dat

ze nooit voor een priester gehuwd was en de paus gaf haar daarop ten

antwoord, hetgeen zij wel had voorzien, dat hij dan noch den Keizer,

noch haar kon zalven overeenkomstig de wetten en hoewel vertoornd op

zijn vrouw, was Napoleon wel genoodzaakt toe te geven. Zoo werd het

huwelijk den 1en December in het diepste geheim en zonder getuigen

door "oom" Fesch nog kerkelijk gewijd. Joséphine zorgde er wel

voor van Fesch een certificaat te ontvangen en eenmaal kerkelijk

ingezegend, duchtte ze geen echtscheiding meer, want een kerkelijk

gesloten huwelijk kon immers niet meer worden ontbonden! We weten,

hoe de tijd haar anders leerde.--

Napoleon(#27883) · 第 29 / 49 题