De Keizerskroon.
Het is zeker, dat Bonaparte nooit zoo'n hoog standpunt heeft ingenomen
in de oogen van de natie dan na den vrede van Amiens. Zoowel de boer op
het land als de bezitter van goederen, zoowel de niet-beroepssoldaat
als de middenklasse in stad en provincie, ja allen, alleen enkele
onverzadelijken en ontevredenen uitgezonderd, wenschten den
vrede. Bonaparte had hem gebracht en hij verscheen daardoor in de
oogen van de natie als de overwinnaar en de vredestichter! Geschikter
oogenblik was er dus niet om zijn gezag voor goed te vestigen
en Bonaparte was er de man niet naar, dit juiste moment te laten
voorbijgaan. Het Consulaat voor het leven werd gevestigd en aan
de inrichting van het staatsbestuur, maar ook aan tal van andere
maatregelen, als de instelling van het Legioen van Eer en den
terugkeer van vele emigranten, was het duidelijk zichtbaar, dat dit
alles slechts een overgang was tot nog hoogere macht en titel. De
instelling van een hof werd aangekondigd en al wat er geschiedde,
duidde op de uitwerking van het monarchale idee.
Dat echter het aanbieden van de keizerlijke waardigheid aan den Eersten
Consul een uiting is geweest van de dankbaarheid van het Fransche
volk tegenover den man, die na den val van het Schrikbewind en het
Directoire welvaart, voorspoed en rust had gebracht, kan niet worden
gezegd. Alles werkte er toe mede en reeds maanden waren de gemoederen
in Frankrijk op een verandering van den staatsvorm voorbereid.
De ontdekking van de samenzwering van Cadoudal veroorzaakte een
bijzonder gunstige stemming van de natie ten opzichte van Bonaparte
en hiervan werd door hem gebruik gemaakt om thans de vervulling van
een zijner liefste wenschen te verkrijgen. Fouché, de man, dien hij
verachtte, doch dien hij noodig had, al wilde hij dit niet erkennen,
dreef hem uit eigenbelang letterlijk de trappen van den troon op, zijn
omgeving zag er een middel in tot vermeerdering van haar inkomsten
en aan de meeste familieleden was het niet onwelkom in de grootheid
en de eer van Bonaparte te deelen.
Het voorstel van het Tribunaat om hem als hoofd van de Republiek de
keizerskroon te schenken, deze erfelijk te verklaren en het goedkeurend
adres in denzelfden zin van het Wetgevend Lichaam, werden gevolgd
door de opdracht van den Senaat. (Mei 1804.)
Dat de natie, die eenige jaren te voren het hoofd van haar koning had
geëischt, thans eenstemmig dacht met den Senaat, bewees de uitslag van
het plebisciet van 1 December 1804. De vraag op Napoleons uitdrukkelijk
verlangen daarbij aan haar voorgelegd, was: "of ze de erfelijkheid der
keizerlijke waardigheid verlangde in de rechte, natuurlijke, wettige
en adoptieve lijn van Napoleon Bonaparte en van Louis Bonaparte,
zooals die was geregeld bij besluit van den Senaat van 29 Floréal
van het jaar XI."
Van de ruim drie en een half millioen thans uitgebrachte stemmen
waren er nog geen 2600 "tegen."
Nauwelijks had Napoleon zijn nieuwe waardigheid aanvaard (18 Mei)
of hij begon met zijn gewone voortvarendheid te werken aan de
inrichting van het bestuur en aan het vaststellen der met deze
verbonden waardigheden.
Het eerst dacht hij aan zijn vroegere ambtgenooten. Cambacérès werd
aartskanselier, Lebrun aartsthesaurier. Zijn broeder Jozef benoemde
hij tot groot-keurvorst, Louis tot connétable. Achttien zijner oude
krijgsmakkers, zooals Augereau, Lannes, Massena, Davoust, Murat,
Berthier, Bernadotte, Soult, Ney en Bessières werden maarschalk en
ontvingen voor 't meerendeel tevens den titel van prins, hertog of
graaf naar de plaatsen, waar zij hadden gezegevierd.
Tot groot-officieren der kroon werden voorts benoemd: tot
groot-aalmoezenier zijn oom, de kardinaal Fesch, tot opperkamerheer
Talleyrand, tot hofmaarschalk Duroc, tot opperjagermeester
Berthier, enz. De titels van Hoogheid, Excellentie, Majesteit en
Keizerlijke Hoogheid kwamen weder in gebruik. Het geheele arsenaal
van betrekkingen, vormen en ceremoniën van den vroegeren tijd werd
tegelijkertijd met den geborduurden rok, den staatsiedegen en den
gegalonneerden steek weder te voorschijn gehaald. Het is te begrijpen,
dat al die nieuwe baantjes tevens goed werden betaald, zelfs kreeg
Talleyrand later jaarlijks 495.000 francs, ja de dotaties gedurende
het keizerrijk gegeven aan chefs van korpsen en ministers overtroffen
voor enkelen zelfs het bedrag van 1.000.000 francs!
De eenige, die protest indiende tegen den nieuwen toestand, was de
broeder van den onthoofden koning, Lodewijk XVI, maar Napoleon nam
van dit protest geen notitie en duchtte het zoo weinig, dat hij het
in zijn geheel in den Moniteur liet opnemen.
Den 10en Juni 1804 wees het crimineele gerechtshof van de Seine vonnis
in de zaak van George Cadoudal. Het veroordeelde hem en negentien van
zijn medeplichtigen ter dood; de overigen tot gevangenisstraf, Moreau
tot twee jaar detentie. Pichegru had zijn vonnis niet afgewacht maar,
heette het, zelfmoord gepleegd en zich in het begin van April in zijn
cel opgehangen, hetgeen niet best te verklaren is, want het was hem
bekend, dat Bonaparte plannen met hem had in Guyana en hij kon dus
begrijpen, dat er voor hem geen doodvonnis was te wachten. Napoleon,
zooals hij van nu af aan zou heeten, begon zijn regeering als zoodanig
met een daad van grootmoedigheid en genade. Acht van de twintig ter
dood veroordeelden, waaronder Lozier, generaal Lajolais, de markies de
Rivière en Armand de Polignac kregen gratie. De hechtenis van Moreau
werd veranderd in verbanning naar Noord-Amerika. Zijn goederen werden
verbeurd verklaard.
Met elf man van zijn bende liet Cadoudal het leven op het schavot. Zijn
familie werd na den val van Napoleon door Lodewijk XVIII in den
adelstand verheven!!
Wel mag de laatste helft van het jaar 1804 een tijdperk heeten van
groote plechtigheden en schitterende feesten. Den 14en Juli, den
gedenkdag van Frankrijks vrijmaking, werd de instelling van het
Legioen van Eer in de kerk van het hotel der Invaliden plechtig
ingewijd. Vier dagen later vertrok de Keizer, vergezeld van een
reusachtigen stoet grootwaardigheidsbekleeders en groot-officieren
der kroon, waaronder Jozef en Louis, naar het kamp van Boulogne, om
de versierselen der Orde daar zelf aan het leger uit te reiken. Meer
dan een maand bleef hij aan den oever der zee, voortdurend te midden
van zijn soldaten, vervuld met trots over de snelheid, waarmede de
toebereidselen tot een overtocht naar Engeland vorderden, terwijl hij
door zijn tegenwoordigheid allen tot nog meer inspannning opwekte,
en niet schroomde zich als de geringste matroos bloot te stellen aan
al de gevaren, die de vaak woelige zee en de nabijheid der Engelsche
oorlogsschepen opleverden.
Eenmaal nam hij zelfs deel aan een aanval, door een flottille van
kanonneerbooten gewaagd op eenige vijandelijke fregatten, die de
Fransche kust te dicht waren genaderd en thans de ondervinding konden
opdoen, dat die kleine, vlugge schepen hun reusachtigen romp heel wat
schade konden toebrengen, doch zelf door hun laag boord zoo goed als
ongedeerd bleven.
Tevens werden toebereidselen gemaakt voor de plechtigheid der
ordeverleening zelve, die den 15en Augustus, den verjaardag des
Keizers, zou plaats grijpen.--Met den rug naar de zee, op een heuvel,
die het omliggende terrein geheel beheerschte, werd een ijzeren zetel
geplaatst, die afkomstig heette van koning Dagobert. Achter dezen
zetel verhief zich een reusachtige tropee van wapenen en op den vijand
veroverde vaandels. Een geweldige kroon van gouden lauwerbladeren,
waarboven paardenstaarten en veldteekens der mamelukken golfden,
bedekte het geheel. Op het schild en in een helm van Bayard en
Duguesclin, de helden uit Frankrijks roemrijk verleden, gedragen door
adjudanten-generaal, lagen de uit te reiken eereteekenen.
Voor dezen troon schaarden zich in een halven cirkel al de regimenten,
te zamen meer dan tachtigduizend man, die onder maarschalk Soult in
het kamp van Boulogne en in dat van Montreuil waren bijeengebracht;
de nieuwbenoemde ridders, in pelotons geformeerd, stonden het dichtste
bij den Keizer.
Om den indruk te verhoogen was als verzamelpunt gekozen de plek, waar
eeuwen te voren Cesars legioenen het strand zouden hebben bereikt,
en waar de bouwvallen van een toren, naar hem genoemd, nog zichtbaar
waren. Die omgeving, die praal, die pracht, dat grootsche militaire
vertoon werkten electriseerend op het licht ontvlambare gemoed
der soldaten. De verschijning eener vloot van zeven en veertig
oorlogsschepen, die, van Havre komende, bij hooge zee, onder het
dreunen van 't kanon naar de haven van Boulogne zeilde, werkte mede
om de plechtigheid nog aangrijpender te maken. Toen de Keizer, na het
afnemen van den eed aan de gedecoreerden, zich tot de troepen wendde
en met luide, boven alles uit klinkende stem vroeg: "En gij, soldaten,
zweert gij de eer van Frankrijks naam, uw vaderland, uw Keizer zelfs
met gevaar van uw leven te zullen verdedigen?" klonk uit tachtigduizend
kelen een allesoverweldigend: "Dit zweren wij!" boven het loeien van
de verbolgen zee uit, terstond gevolgd door een even indrukwekkend:
"Leve de Keizer!"
Dit oogenblik moet ook voor den imperator te midden van zijn
trouwe krijgers, waarvan velen reeds jaren onder hem dienden,
even onvergetelijk zijn geweest als voor allen, die er van getuige
waren. Zijn gelaat glansde van voldoening. Zijn oog straalde van trots.
Nog enkele dagen bleef hij in het kamp, inspecteerde de batterijen
langs de kust, opgeworpen om de transportvaartuigen te beveiligen
tegen een coup de main der vijandelijke vloot, bracht toen een bezoek
aan België en de nieuwe departementen langs den linker Rijnoever, vond
te Maintz de keizerin, die zich baadde in het genot van schitterende
feestelijkheden en openbare huldebetuigingen, bereidde hier de
vorming voor van een Duitschen Statenbond en de ontbinding van het
eeuwenoude Roomsche Keizerrijk en keerde in het midden van October
naar de hoofdstad terug.
Ondanks het vele werk, dat dit alles hem gaf, had hij toch nog tijd
gevonden aan Frankrijks wetenschappelijke instellingen te denken en
de organisatie van de Polytechnische school, die der school voor
burger-ingenieurs en die voor de Studie van het Recht ter hand te
nemen en te voltooien.
Nog wachtte den pas benoemden keizer een zeer belangrijke gebeurtenis
welke de bevestiging van het keizerrijk moest zijn: de kroning.
Ten einde het indrukwekkende van de plechtigheid te verhoogen en
wel wetende dat dergelijke ceremoniën de verbeelding van de natie
treffen, wilde Napoleon den paus doen tegenwoordig zijn bij die
groote gebeurtenis.
De correspondentie met den paus was begonnen door eene briefwisseling
van Joséphine met hem; de onderhandelingen, welke hierop volgden met
den Heiligen Stoel, werden gevoerd door den reeds genoemden kardinaal
Fesch. Deze "oom Fesch," evenals meer andere leden zijner naaste
familie, in het geheim geen groot vriend van zijn neef Bonaparte,
was een ijdel en bekrompen, maar stoutmoedig man. Hij had een
eigenaardig leven achter den rug. Tijdens de Republiek had hij den
priesterrok uitgetrokken en was zelfs onder la Terreur commissaris
van oorlog in Italië geworden. Zijn gedragingen in dien tijd deden
niet erg aan den oud-priester denken, want groote rijkdommen wist
hij zich toen te verwerven door aankoop van meesterstukken uit de
oude Italiaansche school, door de Fransche generaals uit de musea
gestolen en vaak voor een appel en een ei aan den sluwen Corsicaan,
die een goed kunstkenner was, overgedaan. Na den 18en van Brumaire
was hij, die door zijn afzondering en vrome houding vergiffenis van
zonden had verworven, weder geestelijke geworden en op voorspraak
van zijn neef door den paus tot kardinaal benoemd.--
Met zijn plaatsing in Rome, nog wel ter vervanging van den gematigden
en zeer voorzichtigen Cacault was de paus wel niet bijzonder ingenomen,
maar, hoewel op diplomatiek gebied een volslagen leek, kon Fesch in
handen van Napoleon een zeer bruikbaar werktuig worden voor de taak,
welke Napoleon in Rome voor hem bestemd had. De Chateaubriand, die
in alles ver boven hem stond, werd hem daar als secretaris toegevoegd.
Na de onderhandelingen had Napoleon in September van uit Keulen
schriftelijk den wensch te kennen gegeven van de overkomst. "Die daad
zou den zegen des Heeren, die in zijn raadsbesluiten over het lot
der volkeren en der huisgezinnen beschikt, op hem en op zijn volk
doen nederdalen."
Met eenige verbazing had men in Rome eerst dit verzoek ontvangen en
al was Pius VII een der eersten, die Napoleon met zijn keizerskroon
had gelukgewenscht, hij had er wel wat op tegen voor een dergelijk
menschelijk motief Rome zoo lang te verlaten. Ook bij het Heilige
College vond Napoleons uitnoodiging ernstige tegenkanting. Daar was
men de hoofdartikelen van het Concordaat en die inmenging van het
wereldlijk gezag in "zoogenaamd" geestelijke belangen nog volstrekt
niet vergeten en was de achterdocht tegen den nieuwen monarch zeer
levendig.
Zelfs de gezant Cacault, die zooals we zagen te Rome voor Fesch
had moeten plaats maken, schudde over al die grootsche plannen
het hoofd.--"Zie nu eens aan!" zei hij, "de Keizer acht zich zelf
een Karel de Groote. Een zoon van hem zou zoo'n figuur kunnen
worden, ja, doch hij zelf zal ten allen tijde een Pepijn de Korte
blijven. Met Albion zoo dicht bij de poorten van Parijs is geen Karel
de Groote denkbaar. Caprara (de kardinaal) heeft hem het hoofd op
hol gebracht. Wat hebben ze mij mijn generaal en mijn Eersten Consul
bedorven! Hij luistert niet meer naar mij. Hij heeft mij senator
gemaakt--mij dus met stomheid geslagen."
Toch zwichtte de paus ten slotte voor de bijna brutale betooggronden
van Fesch en voor de wel niet eerbiedige, doch tevens bevelende
brieven van den Keizer, die zich in een der laatste dezer o, zoo sluw
en voorzichtig gestelde epistels "zijn vrome zoon" had genoemd. Noch
de lange reis, noch het protest van Lodewijk XVIII of van de te Londen
aanwezige, uit Frankrijk gevluchte bisschoppen, weerhield den paus
om aan het verzoek te voldoen. Wat den paus er toe bewoog? Zeker
niet eigen belang maar alleen het belang van de kerk en de vrees,
bij weigering haar bloot te stellen aan onherstelbare slagen. Ook
de angst voor bezetting van Rome door Fransche troepen had hem zeker
tot toegeven genoopt. In een college van kardinalen werd onder zekere
voorwaarden bij groote meerderheid van stemmen het plan goedgekeurd,
maar we kunnen ons voorstellen, dat velen onbewimpeld hun afkeuring
er over te kennen gaven.
Vooral de vermaarde pamfletschrijver de Maistre viel 's pausen zwakheid
heftig aan en stelde deze nog beneden de misdaden van een Alexander
Borgia. Zelfs hoopte hij dat "die goedzak" het onderweg zou afleggen
en zijn "afschuwelijke geloofsverzaking" met den dood zou bekoopen.
Doch aan het besluit viel niets meer te veranderen. Alle bijkomende
bezwaren waren door Napoleon uit den weg geruimd.
De kosten van de reis zouden door Frankrijk worden gedragen; aan al
de eischen van etiquette, voor den Heiligen Stoel altijd een zaak van
het allerhoogste gewicht, zou worden voldaan. Ook was door Napoleon
uitdrukkelijk bedongen, dat de kroning door hem zelf verricht zou
worden.
Vol angst voor allerlei denkbeeldige gevaren, die hem in dat
"goddelooze" Frankrijk wachtten, maar tevens innig overtuigd, dat
hij dit offer moest brengen ter verhooging van de glorie der kerk,
aanvaardde Pius VII, vergezeld van een aantal kardinalen, in de eerste
dagen van November 1804 den langen tocht over de bergen. Een massa
paternosters voor de dames der hofhouding, een paar antieke vazen voor
Joséphine en voor Napoleon twee antieke cameeën, eenig van bewerking
en teekening, voorstellende Achilles en Scipio's zelfbeheersching,
bracht hij als geschenken mede. Was zijn angst op de reis over
Piacenza, Parma en Turijn reeds eenigermate begonnen te wijken bij
het zien van den eerbied, waarmede hij overal werd begroet, te Lyon
verdween die volkomen om plaats te maken voor een nameloos gevoel van
verrukking.--Zijn oude raadsman Caprara had dus de waarheid gesproken,
toen hij beweerde, dat deze reis de kerk tot heil strekken en hem
zelf overgroote voldoening schenken zou!--
Te Lyon was de gansche bevolking van Provence, van Dauphiné en
Bourgogne samengestroomd om hem, den kerkvorst te zien, te eeren en
geknield zijn zegen te ontvangen.
Was dàt nu het volk, dat steeds in opstand heette tegen God en zijn
gebod, dat tronen omvergeworpen en een vorigen paus gevangen gezet had!
Den 25en November had in het bosch van Fontainebleau de eerste
ontmoeting met Napoleon plaats en hier werd de paus door de keizerin
en de leden der keizerlijke familie enz. opgewacht. Drie dagen later
zegende de kerkvorst van het balkon der Tuilerieën in 't bijzijn
van Napoleon de buiten geknielde menigte. Welk een schouwspel in de
Tuilerieën, waar twaalf jaar geleden de meest gruwelijke tooneelen
hadden plaats gehad. Dat alles voor den paus was ingericht op de wijze
als in het Vaticaan, een attentie van Napoleon, trof den kerkvorst
bijzonder. Welk een ontvangst te Parijs! Het scheen half een droom voor
den vromen man, die zelfs te midden van de groote weelde, waarmede
Napoleon hem deed omringen, in levenswijze en voeding aan allen, die
hem zagen, tot voorbeeld had kunnen strekken. Een paar schoteltjes
met in olie toebereide groenten vormden o. a. zijn middagmaal.
Het is te begrijpen, dat de a. s. plechtigheid van de kroning
voor tal van familieleden, die daarbij zouden tegenwoordig zijn,
reeds weken lang een onderwerp van bespreking vormde en het vooral
een zeer gewichtige zaak was, welke rol ieder daarbij zou moeten
vervullen. Bij het verdeelen van die rollen tusschen de schoonbroeders
en de zusters was in de eerste plaats de vraag besproken, of Joséphine
ook zou worden gekroond. Napoleon had met zijn antwoord geaarzeld. De
hartstochtelijke drift harer schoonzusters vooral van Murats vrouw
Caroline, om bij de plechtigheid een hoofdrol te vervullen, had de
jaloezie van Joséphine in zoo hooge mate opgewekt, dat zij, zich
niet langer meester, op deze schoonzuster een toespeling maakte,
in haar wezen gelijkstaande met de afschuwelijke verdachtmakingen
waarvan niet de koningsgezinden alleen zich in dien tijd tegenover
Napoleon bezondigden, en die ook later door allerlei letterkundig
gespuis zijn gebezigd om den Keizer in de oogen der nakomelingschap
te verlagen tot een monster, voor wie zelfs de banden des bloeds niet
heilig waren. Lodewijk XVIII vond een beetje cronique-scandaleuse,
waarvan zijn gevallen vijand het onderwerp was, zelfs wàt aardig.
Verwoed was Napoleon opgestoven; zijn drift had over zijn liefde
gezegevierd; dreigend had hij haar het woord "echtscheiding"
toegeslingerd. Hortense en Eugène hadden ridderlijk de partij
hunner moeder gekozen, doch de Bonapartes hadden gejuicht over deze
nederlaag der gehate Creoolsche, "die haar man geen nakomelingen
schonk." Hierdoor was Napoleon tot bezinning gekomen; hij had de
kracht gemist de gezellin zijner jeugdige jaren en haar twee kinderen,
die hij zoo bijzonder genegen was, in ballingschap te zenden; een
omhelzing was gevolgd en daarbij de belofte, dat Joséphine tegelijk
met hem zou gekroond worden.
Schier kinderlijk blij was zij nu terstond voor haar toilet gaan
zorgen.
IJdel en wuft, spilziek en lichtzinnig, een echt kind der tropen, doch
medelijdend en zielsgoedhartig tevens, werd zij volkomen terecht door
de Parijzenaars "de goede keizerin" geheeten en door hen letterlijk op
de handen gedragen. Vaak bedrogen, vaak misleid, bleef ze niettemin in
haar goeddoen volharden. Zij kon geen tranen zien en vergoot er zelve
zooveel! Ook haar hebben de jaloezie en de haat aan al wat met het
huis Bonaparte verwant was, niet gespaard. Niet geheel ten onrechte
is haar verweten, dat zij als de weduwe de Beauharnais onvoorzichtig
is geweest en met den verwaanden cynieken Barras op al te intiemen
voet verkeerd heeft, niet ten onrechte ook, dat haar gedrag in de
eerste maanden van haar huwelijk tegenover Bonaparte verkeerd was. De
tijd echter, waarin die behaagzieke jonge vrouw, de vriendin van
mevrouw Tallien, later bijgenaamd Nôtre Dame de Thermidor, leefde,
was een tijd van algemeene verdorvenheid van zeden en zeker waar is
het, dat uit diezelfde vrouw door haar innige liefde voor Napoleon,
een levensgezellin is geboren even vlekkeloos van levenswandel als
eenmaal de vrouw van Cesar Augustus. Zelfs de boosaardige steken door
Barras in zijn gedenkschriften op haar gericht, zijn niet bij machte
geweest dit feit te ontzenuwen. Voor den Keizer is zij een brave,
trouwe echtgenoote geweest, die hem aanhing met hart en ziel, die
hem daarbij dermate vereerde, dat zij hem nooit anders dan met "U"
en "Sire" toesprak.
Dat zij later om staatkundige redenen is verstooten, zij, die zooveel
leed gelenigd, zooveel smart verzacht had, hebben velen Napoleon
nooit kunnen vergeven.
Men houde ons deze kleine uitweiding ten goede, zij was hier, dachten
wij, niet misplaatst.
Joséphine had dus gezegevierd, ze zou worden gekroond, maar voor dit
geschiedde, behaalde ze een tweede overwinning. We zagen vroeger, hoe
ze bij het huwelijk van Louis en Hortense het verzoek achterwege liet
om evenals Murat en Caroline de kerkelijke wijding van haar huwelijk
te ontvangen. Thans echter wist ze het zoover te brengen. Nog altijd
vreezende voor een scheiding, bang voor de intriges aan het hof en
die van Napoleons broers, ook om godsdienstige redenen, vroeg zij een
dag voor de kroning een audientie bij den paus. Dezen vertelde ze, dat
ze nooit voor een priester gehuwd was en de paus gaf haar daarop ten
antwoord, hetgeen zij wel had voorzien, dat hij dan noch den Keizer,
noch haar kon zalven overeenkomstig de wetten en hoewel vertoornd op
zijn vrouw, was Napoleon wel genoodzaakt toe te geven. Zoo werd het
huwelijk den 1en December in het diepste geheim en zonder getuigen
door "oom" Fesch nog kerkelijk gewijd. Joséphine zorgde er wel
voor van Fesch een certificaat te ontvangen en eenmaal kerkelijk
ingezegend, duchtte ze geen echtscheiding meer, want een kerkelijk
gesloten huwelijk kon immers niet meer worden ontbonden! We weten,
hoe de tijd haar anders leerde.--