Van Verdun bracht men hem naar Parijs en hier kwam het bevel, dat de
hertog naar Vincennes moest worden overgebracht, waar hij den 20en
Maart aankwam. Alles ging met de grootste geheimzinnigheid, want
aan niemand mocht iets omtrent den gevangene worden meegedeeld en in
Vincennes, waar men niets wist van zijn komst, moest in allerijl een
kamer voor hem in gereedheid worden gebracht. Het bevel tot opsluiting
was inmiddels verschenen.
Dienzelfden nacht nog, want alles moest, volgens Bonaparte's
last aan Savary, voor het aanbreken van den dag zijn afgeloopen,
kwam onder voorzitterschap van generaal Hulin op het kasteel een
krijgsraad bijeen. Murat, gouverneur van Parijs, had dezen krijgsraad
op de gebruikelijke wijze samengesteld; over den beklaagde moest
onverwijld een vonnis worden geveld naar aanleiding van de punten van
beschuldiging, welke in een bijgevoegd besluit van het gouvernement
waren vervat. Dit besluit luidde:
"Vrijheid.--Gelijkheid.
Parijs, 29 Ventôse, jaar XII der Één en ondeelbare Republiek.
"Het gouvernement der Republiek besluit als volgt:
"Artikel I.--De voormalige hertog van Enghien, verdacht van
het dragen van de wapenen tegen de Republiek, van ook nu nog
in Engelsche soldij te staan, van deel uit te maken van de
komplotten, door deze mogendheid gesmeed tegen de binnen-
en de buitenlandsche veiligheid der Republiek, zal worden
gebracht voor een krijgsraad, samengesteld uit zeven leden,
te benoemen door den generaal-gouverneur van Parijs en zitting
nemende te Vincennes.
"Artikel II.--De groot-rechter, de minister van oorlog en de
generaal-gouverneur van Parijs zijn belast met de uitvoering
van dit besluit.
De Eerste Consul
Bonaparte."
Voor dezen krijgsraad erkende Enghien ruiterlijk, dat hij de wapenen
tegen de Republiek had gedragen, het laatst als bevelhebber der
voorhoede van het leger van zijn grootvader Condé; ook deelde hij
mede maandelijks van Engeland geld te ontvangen, maar nooit had hij
in eenige betrekking gestaan tot Pichegru of Dumouriez en gaf zelfs
zijn afkeer te kennen van de verachtelijke middelen, waarvan de
eerste zich, naar hij gehoord had, wilde bedienen. Dat hij bereid
was wederom de wapens op te nemen ontkende hij niet, integendeel,
hij deelde zelfs mede, dat hij bij het uitbreken van den oorlog aan
Engeland had gevraagd dienst te mogen nemen in het Engelsche leger;
de Engelsche regeering had hem echter geantwoord hem daartoe niet de
gelegenheid te kunnen geven, maar dat hij aan den Rijn moest blijven,
waar hij een rol te vervullen zou hebben.
Ten slotte vroeg hij om een onderhoud met den Eersten Consul, "mijn
naam, mijn rang, mijn wijze van denken en het gruwelijke van mijn
toestand doen mij hopen, dat hij mijn verzoek niet zal afwijzen,"
voegde hij erbij.--
De nachtelijke beraadslaging had een paar uur geduurd en daarna
ging de krijgsraad tot beraadslaging over met het gevolg dat de
krijgsraad hem met algemeene stemmen schuldig verklaarde en hem
ter dood veroordeelde. De wetten op het dragen van wapenen tegen de
Republiek waren zeer streng en dat de jonge hertog er prijs op stelde
de eerste te zijn, die de degen zou trekken in den oorlog van Engeland
tegen Frankrijk, dit laatste had vooral op de leden van den krijgsraad,
allen oude soldaten, o. a. de kolonels van de Parijsche regimenten,
een zeer ongunstigen indruk gemaakt.
Onmiddellijk moesten de maatregelen worden genomen om het vonnis te
voltrekken, want de last was zeer duidelijk geweest, dat alles voor
het aanbreken van den dag moest zijn afgeloopen. Wel had Enghien
verzocht om een onderhoud met den Eersten Consul te hebben, doch de
krijgsraad had zich niet gerechtigd geacht eigenmachtig op te treden
en de executie van het vonnis uit te stellen.
Nog voor het daglicht aanbrak, was de laatste telg der Condé's in een
der grachten van het kasteel door Fransche soldaten gefusilleerd! Het
drama was afgespeeld en tegen zes uur had Savary van af de borstwering
van het slot zich overtuigd, dat aan het bevel van zijn meester
was voldaan.
Nog denzelfden morgen deed Savary rapport over hetgeen was voorgevallen
aan Bonaparte, die zich echter ontstemd toonde over de groote haast,
die gemaakt was en over de mislukking van de opdracht aan Real gegeven
om Enghien te hooren omtrent punten, die in verband stonden met het
proces tegen Cadoudal en Pichegru.
Met betraande oogen kwam Joséphine daarna zijn kabinet binnen.--"Och,
och, wat heb je gedaan! Wat heb je gedaan!"
"Die ongelukkige kerels hebben te veel haast gemaakt," gaf hij driftig
ten antwoord.--
Bij het bekend worden van het vonnis ging er in Europa een kreet van
verontwaardiging op.
De Chateaubriand, de schrijver van Atala en van Génie du Christianisme
was door Bonaparte benoemd tot gevolmachtigd minister in Wallis
(Zwitserland). Toen hij kennis kreeg van hetgeen er in Vincennes had
plaats gehad, vroeg hij zijn ontslag alsof hij hiermee zeggen wilde:
"Gij hebt een misdaad gepleegd. Een gouvernement, dat zich bevlekt
met het bloed van een Bourbon, verkies ik, oud-uitgewekene, niet
langer te dienen."
"In Frankrijk," zegt Talleyrand "verhief zich geen enkele stem tegen
deze daad van snood geweld. Dit is bedroevend doch waar; het kan alleen
worden verklaard door de angst van de natie voor het schokken van
een gouvernement, dat Frankrijk aan de anarchie had ontworsteld." De
moordaanslag in de Rue Nicaise was blijkbaar nog niet vergeten.
Aan de hoven was men bewogen met het lot van den jongen hertog
en vertoornd op Bonaparte, maar van een krachtig protest was geen
sprake. Zagen we dat Baden een decreet uitvaardigde, waarbij aan de
émigrés het verder verblijf in het land werd ontzegd, ook Beieren en
Hessen volgden dit voorbeeld. Was men in de omgeving van de Pruisische
koningin hevig verontwaardigd op de gewelddaad van den Eersten Consul,
de koning liet door zijn minister aan de Fransche regeering zeggen,
dat hij hoopte dat het Bonaparte zou gelukken de samenzweringen tegen
zijn persoon en het gouvernement voor goed te vernietigen!
Rusland, juist met Engeland in onderhandeling over een verdrag om
geldelijke steun, verzette zich meer officieel. Een uitnoodiging aan
Oostenrijk om zich bij het protest aan te sluiten werd beantwoord
met een veelbeteekenend: "Nous sommes à la bouche du canon," zoodat
Rusland alleen te Parijs om opheldering vroeg. Het kwam van een koude
kermis thuis, want Bonaparte gaf een vlijmend scherp antwoord terug,
daarbij doelende op den geheimzinnigen dood van Paul I. Terecht,
want Rusland, met zijn historie zoo vol van gewelddaden, had zeker
het minste recht een protest te doen hooren.
Aan Zweden verschafte de zaak een mooie gelegenheid om zijn haat
eens flink te luchten en sinds dien werd er altijd gesproken van
"Mijnheer Napoleon Bonaparte."
Meer dan een eeuw ligt er tusschen het heden en den dag waarop de
hertog van Enghien het leven liet. Veel van hetgeen toen nog in
het duister lag, is thans bekend. Intusschen hebben wij ook het
tweede keizerrijk leeren kennen met zijn heirleger van mouchards en
agents provocateurs, een bende uit de geheime middelen betaalde,
gewetenlooze ellendelingen, die menigmaal een onschuldig gezegde
tot een misdaad tegen den staat wisten op te blazen. Hoe dieper men
doordringt in de bijzonderheden dier laatste dagen van het Consulaat,
hoe meer zich de overtuiging vestigt, dat de agent provocateur en
de betaalde spion onder de opperste leiding van den gewetenloozen
oud-Jacobijn, den gehaten en gevreesden minister van politie Fouché,
ook in het drama van Cadoudal en in de verdachtmaking van Moreau en
den hertog van Enghien een rol hebben gespeeld. Niets ontzag Fouché
om zijn persoonlijk belang te bevorderen en bij Bonaparte in het
gevlei te komen om weder tot minister van politie te worden benoemd,
hetgeen hem inderdaad ook gelukt is.
En niet alleen Fouché, maar ook Talleyrand heeft in deze zaak een
belangrijke rol vervuld en meegewerkt tot de afwikkeling van het
drama. Hij heeft er zich zelfs op beroemd, Napoleon tot een krachtig
optreden te hebben aangespoord. Was deze dan misleid? Naar onze
meening, wat betreft Enghiens aandeel in het komplot, wel, wat zouden
anders zijne woorden: "Mijn God, wat hebben de ellendelingen mij laten
doen!" voor zin hebben, toen hij later vernam, dat de hertog in die
dagen nooit te Parijs was geweest en dat hij ook nooit met Dumouriez
in eenige relatie had gestaan.
Maar dit alles neemt niet weg, dat ook Bonaparte schuld treft, want
de schending van het neutrale grondgebied vindt geen verdediging met
een beroep op het meer voorkomen in de geschiedenis van dergelijke
gevallen. Deze schending was in hooge mate af te keuren.
Toch nam Bonaparte de verantwoordelijkheid ook van het vonnis geheel
op zich en dat standpunt heeft hij ook nog op St. Helena ingenomen,
want in zijn testament lezen wij: "Ik heb den hertog van Enghien doen
gevangen nemen en vonnissen, omdat dit voor de veiligheid, het belang
en de eer van het Fransche volk noodzakelijk was, nadat was gebleken,
dat de graaf van Artois zestig moordenaars op mij had afgezonden. In
een soortgelijk geval zou ik wederom zoo handelen."
Het echt Corsicaansche begrip van de vendetta kwam ook bij deze
terdoodbrenging terstond aan het licht, de Bourbons tegen de
Bonaparte's; het leven van Bonaparte was op het spel gezet, men schoot
op hem, welnu hij eveneens op hen. De samenzweringen moesten eindigen,
men hoort er de eerste jaren ook niet meer van; het voorbeeld had
geholpen; "het is misschien een misdaad," zegt Masson, "het is niet
een fout."
Al is het overtuigend gebleken, dat de hertog van Enghien, noch met
Dumouriez, noch met Pichegru in verbinding stond, al wist hij van
het komplot niets dan toen het iedereen bekend was, dit alles wist
Bonaparte niet, hij was door al wat hij had gehoord overtuigd, dat
Enghien wel degelijk daarbij was betrokken.
Dat Cadoudal en zijn chouans het op Napoleons leven hadden toegelegd
staat vast; dat Engeland dezen struikroover met goud steunde, valt
niet te loochenen en dat Drake, de Engelsche gezant aan het hof van
Beieren, een diplomaat van hoogen rang dus nog wel, eveneens tegen
Bonaparte samenspande is bewezen.
Persoonlijk heeft hij meegewerkt om dezen schavuit in een geborduurden
rok te ontmaskeren.
Vernemende, dat ook nog anderen den Eersten Consul naar het leven
stonden, had Drake o. a. durven zeggen, "dat het onverschillig was
door wien het beest werd neergeveld, als allen slechts terstond gereed
waren om aan de jacht deel te nemen."
Bemerkende, welken indruk de moord van Enghien alom in het buitenland
teweegbracht, zond Bonaparte aan al de hoven van Europa een afschrift
van de correspondentie, tusschen dezen Drake en diens agenten gevoerd,
om hierdoor het bewijs te leveren, welke ellendige rol Engeland
tegenover hem speelde.