Engeland en de vrede van Amiens.
Onder leiding van den alvermogenden Pitt, voerde dit land reeds
acht jaar lang oorlog tegen Frankrijk op een eigenaardige manier;
soldaten bezigde het hiertoe niet, alleen geld, krijgsvoorraad en
mooie beloften; het subsidieerde half Europa met Oostenrijk aan de
spits om de Republiek zoo mogelijk te verdelgen, haar in elk geval
te verlagen tot een mogendheid van den tweeden rang. Niet tegen de
Republiek alleen trad hij vijandig op, tegenover iedere mogendheid,
welke een handelsvloot en koloniën bezat. Den ganschen wereldhandel
tot zich te trekken was hierbij zijn doel. Het wilde beletten, dat
Spanje de opbrengst zijner kostbare mijnen in Mexico naar de Spaansche
havens vervoerde met eigen schepen, dat Frankrijk op dezelfde wijze
zijn koloniale waren als koffie en suiker ontving, dat Rusland, Zweden
en Denemarken den voorraad hout en ijzer, voor hun marine benoodigd,
zelf aanvoerden. Het wilde als in 1793, een jaar van misgewas, een
geheel land kunnen uithongeren en zonder rechtstreeksche blokkade
een rijk kunnen houden buiten de gemeenschap met de zee; het wilde
om kort te gaan, den handel van geheel Europa te gronde richten
ten bate van zijn eigen kooplieden. Om met Albert Sorel te spreken
"eischte het voor zijn eigen koloniën het monopolie, doch den vrijen
handel op die der andere rijken, trachtte hier den sluikhandel,
dien het op zijn eigen grondgebied met alle macht te keer ging,
door allerlei middelen te organiseeren, onderdrukte minachtend de
zwakkeren en voerde een heftigen strijd met de sterkeren."
"Het duldde niet, dat Frankrijk deelde in de heerschappij ter
zee, koloniën bezat en in den wereldhandel deelde, vandaar zijn
onverbiddelijk verzet tegen iedere combinatie, die Frankrijks
kustgebied vergrootte en het dus nieuwe wegen opende naar den oceaan;
het duldde dus ook de bezetting van Antwerpen door Frankrijk niet,
want het verlangde den transitohandel naar Duitschland voor zich
alleen. Reeds in 1777 had een agent uit Londen geschreven, dat de
Engelschen liever hun hemd van 't lijf zouden verkoopen, dan dat zij
de Franschen de baas lieten worden in de Nederlanden."
"Sinds 1714 had Engeland door koning George I in Europa zelf vasten
voet gekregen. George was keurvorst van Hannover; hoewel een zuiver
persoonlijk bezit, waarbij Engeland niet was betrokken, was dit
keurvorstendom toch een belemmering in de staatkunde geworden,
want ingeval van oorlog kon Frankrijk de hand er op leggen. Pruisen
bovendien haakte naar het bezit er van. Reeds in 1745 had de Fransche
minister d'Argenson aan Lodewijk XV geschreven, dat er alleen door
middel van Hannover iets van Engeland zou zijn te verkrijgen."
"Bij het begin der Fransche Omwenteling had Engeland de Nederlanden
beschermd en er invloed op uitgeoefend. Hun vloten waren elkanders
mededingers; in hun handelsbelangen gingen zij niet, tegenover
Europa wèl samen. Ook Holland verkoos niet, dat de Schelde een
Fransche of ook zelfs maar een voor de schepen van alle natiën vrije
rivier werd. Portugal was weinig meer dan een Spanje bedreigende
Engelsche kolonie in Europa. Italië telde slechts mede als een
zwakke broeder, wien men naar willekeur bepalingen op handelsgebied
kon voorschrijven. In de Middellandsche zee betwistte Engeland den
handel op de Levant aan Frankrijk; hier was zijn macht even groot als
die der Republiek en in de Oostzee trachtte het deze den handel op
Zweden en Denemarken te ontrukken. Met Rusland was zijn vriendschap
sinds den Noord-Amerikaanschen Vrijheidsoorlog zeer verkoeld; de Czaar
breidde zijn gebied uit aan de Zwarte Zee, begon Turkije te bedreigen
en zich een weg te banen naar de Middellandsche zee. Engeland begon
zijn invloed te doen gevoelen in Azië en hier koloniën te verwerven;
eerlang zou het dus daar optreden als Ruslands concurrent."
"Ieder verbond, dat de Engelschen sloten, had dus twee doeleinden:
hun eigen heerschappij ter zee uit te breiden, die van Frankrijk te
beperken, zoo te mogelijk vernietigen."
Zooals licht is te begrijpen, kwam de oorlogstoestand hun hierbij
uitnemend te stade. Dan onderzochten hun oorlogschepen elk vaartuig,
dat zij onder vreemde vlag ontmoetten en boorden het bij weigering in
den grond; dan werd het door alle onzijdige natiën gehuldigde beginsel,
dat behalve voor oorlogscontrabande de vlag de lading dekte, voor
hen een doode letter, dan heerschten zij bijna onbeperkt op den oceaan.
Reeds langen tijd had hun optreden bij de neutrale mogendheden
kwaad bloed gezet. Zelfs Noord-Amerika was verbolgen, want de
Engelschen ontzagen zich niet de bemanning van Amerikaansche schepen
krijgsgevangen te maken onder voorwendsel, dat zij Engelsch onderdaan
waren. In December 1800 was een Ligue der Onzijdigen, gevormd door
Rusland, Zweden, Denemarken en Pruisen, begonnen, zich tegen dergelijke
onbeschaamdheden te wapenen. De havens van de Zwarte, de Middellandsche
en de Oostzee waren dientengevolge reeds voor de Engelschen gesloten;
toen Napels eveneens met de Republiek had vrede gesloten (Maart 1801)
werden ze alleen nog toegelaten in die van het machtelooze Turkije
en van Portugal.
Handig had de Eerste Consul van deze stemming partij getrokken. Pruisen
had hij gevleid en halve beloften gedaan om aldus in dit rijk
een tegenwicht te krijgen tegenover het openlijk door Engeland
gesubsidieerde Oostenrijk. Door de belofte van diens schoonzoon,
den hertog van Parma, bij den vrede van Lunéville te verheffen tot
koning van Etrurië (Toscane) had hij Spanje's zwakken koning Karel IV
overgehaald Portugals koning, zijn zwager, desnoods door wapengeweld
te dwingen zijn havens eveneens voor de Engelschen te sluiten; door
een reeks van beleefdheden en geschenken had hij eindelijk den half
waanzinnigen Paul I van Rusland van een vijand der Republiek in een
bewonderaar van zijn eigen persoon als staatsman en veldheer weten
te veranderen en zelfs de eerste grondslagen weten te leggen tot een
Fransch-Russisch verbond.
Om dit doel te bereiken had Napoleon zelfs den brief van
Rostopchin, den Russischen minister van buitenlandsche zaken zeer
hoffelijk beantwoord en er in toegestemd, tot herstel der goede
verstandhouding, de integriteit van het grondgebied van Napels, Beieren
en Wurtemburg te waarborgen en den koning van Sardinië op den troon
te herstellen. Dat de brief meer op een ukase dan op een dankbetuiging
voor de teruggezonden krijgsgevangenen geleek, was hij met stilzwijgen
voorbijgegaan; Fouché had hij zelfs bevolen beslag te leggen op een
brochure van een Pool, getiteld: "Geen hechte duurzame vrede zonder
Polens herstel." Niets had hij onbeproefd gelaten om Engeland te
isoleeren.--"Eerst wanneer wij ook met Albion hebben afgerekend,
zal Frankrijk al de weldaden des vredes genieten," had hij gezegd
tegen een deputatie uit het Wetgevend Lichaam, die hem met den vrede
van Lunéville kwam gelukwenschen. "Maar het gouvernement daar is dol
geworden en weet niet meer wat heilig is. Al de mogendheden van het
vaste land gezamenlijk zullen het tot rede moeten brengen."
Dezen weg ging het reeds op; de Ligue der Onzijdigen en de geduchte
maritieme maatregelen door Napoleon zelf te Brest, te Rochefort, in
Spanje en in Holland genomen, schijnbaar Ierland, Indië en Brazilië
geldende, doch feitelijk alleen ten doel hebbende het leger in
Egypte te hulp te komen, deden in Engeland ernstige ongerustheid
ontstaan. Misgewas was daar in diezelfde dagen oorzaak van een
gruwelijken hongersnood; dan had Pitt in 't begin van Februari zijn
ontslag genomen, omdat de nu en dan half waanzinnige George III
halsstarrig had geweigerd aan diens grootsche plannen met Ierland
[23] mede te werken.
De bevolking in Engeland snakte dus naar vrede; ze leed honger, en
alleen een vrede kon tengevolge hebben, dat de schepen met graan uit
het buitenland de Engelsche havens weder inliepen. De oorlogspartij
in het parlement versaagde echter niet en nam den haar door het
Noorden toegeworpen handschoen zelfs blijmoedig op. Nelson voer
naar de Oostzee, liet zijn chef, den ouden admiraal Parker, die
"op de donkere nachten en de ijsvelden" daar volstrekt niet was
gesteld, praten, verscheen den 2en April met een eskader van twaalf
schepen voor Kopenhagen, vernielde de Deensche vloot, bevocht daar,
onder zware verliezen, in vier uur tijd een volkomen overwinning en
bewerkte een wapenstilstand van veertien weken.
Gaarne had hij zich daarna tegen de Russische vloot gekeerd, die in de
haven van Reval ingevroren had gelegen; doch hiervan kwam niets. In den
nacht van den 24en Maart was de dolleman Paul I door graaf Pahlen,
generaal Bennigsen en eenige anderen in zijn paleis vermoord,
volgens Talleyrand "de in Rusland meest gebruikelijke manier van
onttroonen." Zijn zoon Alexander was hem opgevolgd en had op aandrang
van den koopmansstand en van zijn omgeving en uit haat tegen Bonaparte
en de Fransche Republiek met Engeland onderhandelingen geopend, en toen
Duroc, met een vertrouwelijke zending naar St. Petersburg vertrokken,
hier aankwam, werd juist tusschen de beide rijken vrede gesloten.
Toen Talleyrand met het bericht van Pauls gewelddadigen dood op
Malmaison verscheen, werd Bonaparte woedend. "Den 3en Nivôse hebben
de Engelschen mij te Parijs gemist, maar te St. Petersburg thans
niet." riep hij; brutaalweg schreef hij daarop in den Moniteur:
"Paul is vermoord in den nacht van 24 Maart, het Engelsche eskader
is den 31en de Sont gepasseerd. De geschiedenis zal leeren welk
verband er tusschen deze twee gebeurtenissen bestaan kan." Kort te
voren had hij zijn gezant te St. Petersburg doen kennen, dat hij uit
vriendschap voor Rusland niet ongenegen was iets te doen voor den
koning van Sardinië, thans annexeerde hij Piëmont oogenblikkelijk,
doch antidateerde het hierop betrekking hebbende decreet met tien dagen
en gaf aan het nieuw verworven grondgebied, zoogenaamd voorloopig,
de administratie van een Fransch departement.
Met den dood van Paul I en het bombardement van Kopenhagen was de
Ligue der Onzijdigen zoo goed als uiteengevallen. Als een bewijs, dat
Engeland toenadering zocht, liet het al de in zijn haven opgesloten
neutrale schepen vrij. Aangezien de wensch naar vrede bij de bevolking
dagelijks sterker werd, waren er door het ministerie Addington zelfs
tegenover den heer Otto, Frankrijks zaakgelastigde te Londen, reeds
eenige voorbereidende stappen gedaan,--de overwinning bij Hohenlinden
en de vrede van Lunéville hadden hierbij zeker een rol gespeeld;--maar
van beide partijen waren de eischen nog te hoog; terwijl te Londen werd
gepraat over den vrede, werd de krijg dus onverpoosd voortgezet. Zoo
trok b.v. Leclerc in Mei met een leger van 30.000 man over Spaansch
grondgebied naar Portugal. Godoy, bijgenaamd de vredevorst, een
voormalig soldaat van de garde, thans de amant van Spanje's koningin
en Spanje's schier oppermachtig gebieder, zou zich met 40.000 man bij
hem aansluiten; plannen tot verdeeling van Portugal tusschen Frankrijk,
Spanje en Godoy waren reeds gemaakt, toen de koning van Portugal aan
al dit gekonkel en geknoei van Godoy een einde maakte en te Badajoz
vrede verzocht nog voordat Leclerc handelend had kunnen optreden.
Portugals havens werden voor de Engelschen gesloten; Frankrijk kreeg
vermeerdering van grondgebied in Guyana. Intusschen speelde Lucien,
de gezant te Madrid, bij dit alles de beste kaart. Het fortuin aan
geschenken, schilderijen en ruwe diamanten door hem verdiend, werd
geschat op meer dan dertig millioen francs. Veel degelijk werk leverde
hij wel niet, maar de positie van gezant en broeder van den Eersten
Consul was van een financieel standpunt bekeken in die dagen lang
niet te versmaden. Wel was hij een tijdlang quasi uit zijn humeur,
omdat zijn broeder te Parijs zoo weinig naar hem luisterde en het
verdrag van Badajoz niet verkoos te teekenen, wel dreigde hij zelfs
met ontslagname en onverwijld vertrek uit Madrid, als "zijn" tractaat
niet werd aangenomen, doch bij dreigen bleef het tot het November werd;
toen keerde hij naar Parijs terug. Hij verlangde naar rust. In Januari
had hij met Spanje een bondgenootschap gesloten tegenover Portugal,
in Februari een conventie betreffende den opmarsch der troepen,
bestemd om Engeland en zijn koloniën aan te vallen; in Maart had
hij het reeds vijf maanden te voren door Alquier afgewerkte tractaat
betreffende Parma, Toscane en Louisiana nogmaals geteekend; eindelijk
had hij in Juni "het in diplomatieken zin vorm noch stijl bezittende"
vredesverdrag vol "onbegrijpelijke artikelen" te Badajoz met Portugal
aangegaan, doch het eerst na een reeks van wijzigingen in 't laatst
van September door Napoleon bekrachtigd kunnen krijgen; 't was heel
wat! Dat hij na zulk een harden arbeid te Parijs het prachtige hôtel
de Brienne, eenmaal het eigendom der Marbeufs, de beschermers zijner
familie, uitkoos, het geheel liet restaureeren en hier zijn gemak nam,
was dus begrijpelijk! Dat hij op zijn nieuw buitengoed le Plessis,
groote wijzigingen liet aanbrengen eveneens. Hij had er nu immers
het geld voor!
Op le Plessis vond hij zijn zuster Elisa terug. Een maagkwaal, die
eenige jaren later evenals bij haar vader zou ontaarden in kanker, was
oorzaak, dat zij zeer stil moest leven. Fontanes, die wel wist wat hij
deed, hield haar "als vriend" trouw gezelschap, las en politiseerde
met haar, verwierf zich hiermede een aardig fortuin en hielp tevens
zijn vriendjes in den zadel.
Terwijl Lucien dus in Spanje zijn eigen beurs spekte, doch geen voet
verzette om het ongelukkige leger in Egypte van Cadix uit van krijgs-
en mondvoorraad te voorzien, was het brein van zijn broer met het lot
van dat leger bijna onafgebroken vervuld. De verovering van Egypte was
zijn werk. Het blijvend bezit van dit land vormde den grondslag van
zijn verdere plannen tegen Engeland in het Oosten; voor het sluiten
van den vrede was het vraagstuk, wie het zou bezitten, het grootste
struikelblok. Door een laatste geweldige krachtsinspanning wilde hij
Albion dus stellen voor een voldongen feit.
De omstandigheden waren hem echter niet gunstig. Reeds in Maart was
een Engelsch leger bij Aboukir geland; generaal Menou, na Klébers
dood opperbevelhebber geworden, doch voor zijn taak niet berekend
en door zijn onderbevelhebbers telkens bevit en tegengewerkt, had
verkeerde maatregelen genomen en was bij Heliopolis geslagen; in Mei
waren Rosette en Ramanieh verloren gegaan; ten slotte bleven alleen
Caïro en Alexandrië in Fransche handen. Toen de admiraal Ganteaume,
die reeds tweemaal een echec had geleden, bevel ontving in de haven
van Derne op de kust van Afrika een landingsleger aan wal te zetten
en terwijl de admiraals Bruyx, Dumanoir en Linois zich te Cadix
vereenigden en eveneens koers naar Egypte zouden zetten, was, rekening
houdende met de machtige Engelsche vloot in de Middellandsche Zee,
het resultaat van dit stoute ondernemen, reeds te voorzien.
Behalve bij Algesiras tegenover Cadix, waar Linois eenig succes
behaalde, was de fortuin de Fransche zeemacht ongunstig; Ganteaume kon
bij Derne slechts een paar honderd man aan wal zetten en moest toen
wijken voor een vijandelijk eskader. Ook deze expeditie mislukte dus.
Toen greep de Eerste Consul het oude plan van het Directoire om
Engeland met een groot landingsleger rechtstreeks aan te vallen,
weder op. Al de havenplaatsen langs het Kanaal werden met Boulogne als
middelpunt een tooneel van ongekende bedrijvigheid. Dag en nacht werd
gewerkt aan den bouw van honderden schepen, licht en toch voldoende
zeewaardig om met troepen en zwaar geschut aan boord het Kanaal te
kunnen oversteken. Van Duinkerken naar Brest werd de geheele kuststrook
één reusachtig legerkamp, waarin binnen enkele weken een krijgsmacht
van bijna 100.000 krijgers werd samengebracht, om hier ook in zeilen,
roeien en ander zeemanswerk te worden geoefend. Wel noemde Nelson
het gansche plan dollemanswerk, maar beproefde niettemin tot tweemaal
toe een landing om die oorlogsbodems te vernielen. Tot tweemaal toe
leed hij een echec en moest zich verder bepalen tot een onverpoosde
waarneming der Fransche kust.
De onrust, door al die dreigende krijgstoerustingen onder de bevolking
in Engeland verwekt, de bij deze aanhoudend sterker wordende drang naar
het einde van een oorlog, die nu reeds tien jaar duurde en Engeland
hoe langer hoe meer van het vasteland isoleerde, de begeerte naar
vrede, die in weerwil van zijn snoevend en hooghartig optreden in die
dagen toch werkelijk bij Bonaparte aanwezig was, gevoegd bij tal van
drijfveeren van moreelen aard bij beide partijen, waren ten slotte
oorzaak, dat er tusschen de twee kabinetten meer overeenstemming
ontstond en dat den 1en October 1801 tot groote vreugde van beide
natiën de vredespreliminairen te Londen werden geteekend.
Hoogst belangrijk waren de voorwaarden. Met uitzondering van Trinidad
en de voorheen Hollandsche bezittingen op Ceylon gaf Engeland
o. a. aan de Fransche Republiek en haar bondgenooten al de in den
loop des oorlogs veroverde koloniën terug. Egypte zou weder aan
Turkije, Malta aan de Maltezer Ridders komen. Portugals grondgebied
zou onschendbaar zijn, dat van Rome en Napels door de Franschen,
terwijl de eilanden en havens aan de Middellandsche en Adriatische
zee door de Engelschen ontruimd zouden worden.
Over de rechten der Onzijdigen, over Piëmont, Genua en Toscane alsmede
over de moeilijkheden op handelsgebied, vraagstukken, die eenmaal
onder handen genomen, ieder voor zich reeds tot een nieuwen oorlog
konden leiden, werd wijselijk niet gerept. Men wilde vrede.
Bonaparte had Frankrijk tegenover het buitenland dus gevoerd naar
een standpunt, tot heden ongekend. Reusachtig, overweldigend waren
zijn invloed en zijn macht geworden. België en Savoye hadden zich
bijna vrijwillig aan hem onderworpen; de Rijnprovinciën, te voren
reeds tamelijk los van Duitschland, hadden tegen hun inlijving
weinig bezwaar gemaakt; de Alpen en de Rijn vormden thans Frankrijks
natuurlijke grenzen.
Alleen in 't binnenland liet de toestand nog veel te wenschen over,
doch Bonaparte twijfelde niet of ook hier zou hij weldra zijn wat
hij van half Europa reeds was, de oppermachtige gebieder, die geen
ander gezag naast zich duldde. Hij sprak deze gedachte niet uit en
liet zelfs zijn naaste omgeving betreffende zijn bedoelingen in 't
onzekere, maar zijn tijdens de vredesonderhandelingen bij herhaling
gebezigde uitdrukking, als Engeland een nieuwe coalitie begon:
een tweede geschiedenis te zullen leveren van Rome's grootheid,
verried wat er in hem omging. Lafayette had hem doorzien. Toen hij
hem voor zijn bevrijding uit de gevangenis te Olmütz kwam bedanken,
had hij o. a. gezegd: "Uw gansche streven is alleen het fleschje met
heilige olie (de zalving) boven uw kruin te laten breken."
Men had mogen verwachten, dat Bonaparte na het reusachtige succes in
de twee laatste jaren verkregen, thans eenige rust nemen en van het
vredestijdperk gebruik maken zou om al de werken, die den welvaart
van het land moesten bevorderen doch nog in hun kindsheid waren,
gelegenheid te geven tot ontwikkeling te komen en dus de vruchten
van zijn werk te zien rijpen; van rust nemen was bij dien ijzeren
man geen sprake.
Reeds was zijn brein vervuld met nieuwe plannen. Holland, Zwitserland,
Genua en de Cisalpijnsche republiek hadden de beginselen der
omwenteling omhelsd en in de hoop op hun toekomstige vrijheid de
zwaarste lasten geduldig gedragen; bij den vrede van Lunéville was
hun onafhankelijkheid benevens de vrijheid om den regeeringsvorm
te kiezen, die hun de meest gewenschte scheen, door beide partijen
gewaarborgd, niettemin was hij reeds begonnen zijn invloed op die
keuze krachtig te doen gelden. Op Fransche leest moesten die weerlooze
staatjes worden geschoeid. Fransch moesten ze worden. Of Oostenrijk,
of Europa hiermede genoegen zou nemen, of hieruit niet een nieuwe
oorlog kon voortkomen, vroeg hij niet. De omwentelingsgezinde partij,
de partij der vrijheid werd in die staatjes onderdrukt, beweerde hij
niet geheel ten onrechte. Voor zijn persoonlijke inmenging vond hij
dit ruim voldoende.
Dan moest Frankrijk weder een koloniale mogendheid van den eersten
rang worden. Egypte was verloren gegaan. Sint Domingo zou dit verlies
goed maken. Sinds den vrede van Rijswijk (1697) een Fransche kolonie,
de parel der Antillen, had dit eiland met zijn achthonderd suiker-
en katoen-, drie duizend indigo- en koffieplantages tot in het begin
der omwenteling jaarlijks gemiddeld 280 millioen francs naar Frankrijk
doen stroomen. Aan een opstand onder de zwarten, die hoofdzakelijk
door wanbeheer en mishandeling was ontstaan en aan een massa blanken
het leven had gekost, had de neger Toussaint-Louverture een einde
gemaakt en als generaal de teugels van het bewind in handen genomen
en het eiland vrij verklaard onder protectoraat van Frankrijk. Thans
zou een expeditie onder Leclerc het eiland weder onder Fransch gezag
terugbrengen. Dat Joséphine en haar creoolsche vrienden, de planters,
die te Parijs hulp waren gaan vragen tegen de zwarten en steen en
been klaagden over het verlies hunner eigendommen, op dit besluit
invloed hadden uitgeoefend, is even aannemelijk als dat Bonaparte in
de herovering van het eiland een prachtige gelegenheid heeft gezien
om zijn zwager en zijn zuster Pauline een kolossaal fortuin en een
schitterende positie te bezorgen. Van de gunsten, waarmede de fortuin
voor de andere familieleden zoo kwistig was geweest, hadden die twee
tot nog toe zeer weinig genoten.
Met graagte aanvaardde Pauline het voorstel om haar man te
vergezellen. Ook bij het leger was met den vrede werkeloosheid in
het verschiet en daarom de zucht om aan de expeditie deel te nemen en
ginds fortuin te maken buitengewoon groot. Den 14en December stak de
admiraal Villaret met een landingsleger van ruim 20.000 man en tal van
particuliere belanghebbenden uit Brest in zee. Engeland opperde niet
alleen geen bezwaren van beteekenis, maar achtte dien tocht zelfs in
zijn eigen belang, omdat het daarin een krachtig middel zag tegen de
uitbreiding van de emancipatie der negers [24] in zijn eigen koloniën.
Voor het slagen dezer expeditie hadden de maritieme toebereidselen
echter te veel tijd gevorderd. Toussaint-Louverture was gewaarschuwd,
dus op zijn hoede en geen licht, zelfs zeer zwaar werk wachtte
Leclerc. Wel werden de zwarten op verschillende plaatsen verslagen en
werd de negergeneraal ten slotte verplicht den vrede te vragen en zich
naar Frankrijk te laten vervoeren, maar toch mislukte de tocht. De
gele koorts brak uit onder de troepen en raapte duizenden soldaten
weg en behalve Leclerc zelf ook bijna alle generaals. Opnieuw kwamen
de negers in opstand. Ten slotte keerde het overschot der expeditie,
3000 van de 34000 naar Frankrijk terug (Januari 1803). Met deze
Pauline en haar zoontje.
Het lange haar ten teeken van rouw kort afgesneden en tengevolge
van haar bevalling nog altoos lijdende aan een ziekte, welke in die
dagen ongeneeslijk werd geacht, die haar het gaan en reizen tot een
foltering maakte en haar weldra dwingen zou bijna altijd te liggen,
voerde de diepbedroefde, twee en twintigjarige weduwe het gebalsemde
lijk van haar echtgenoot mede naar Toulon om het op het landgoed
Montgobert te doen bijzetten. Op St. Domingo fortuin gemaakt, had
zij stellig niet. Zonder Napoleons jaarlijksche toelage van 60.000
francs zou zij door al 't geen er nu te betalen viel, moeite hebben
gehad rond te komen en al was zij zuinig op gierig af, rekenen had
zij nooit geleerd. Al haar illusiën van grootheid en rijkdom waren
in rook verdwenen.
Het echec in de Antillen geleden, mocht zwaar wezen, bijna zonk het
in 't niet naast het reusachtige succes, dat Bonaparte intusschen op
staatkundig gebied behaalde, niet met horten en stooten doch zeer
geleidelijk om Europa geen aanstoot te geven of bezorgd te maken,
voordat de vrede met Engeland definitief was geteekend. Aan de
Bataafsche republiek schonk hij een grondwet. In Zwitserland trad
hij op als bemiddelaar. In Januari 1802 werd hij door vierhonderd
en vijftig afgevaardigden der Cisalpijnsche republiek, die hiertoe
opzettelijk te Lyon waren bijeengekomen, plechtig uitgenoodigd
het presidentschap van deze te aanvaarden en haar te herdoopen in
de Italiaansche. De invloedrijke Italiaan Melzi verkoos hij tot
vice-president. Daar te Lyon, halverwege Parijs en Milaan hield hij
ook een revue over de uit Egypte teruggekeerde krijgers en werd met
geestdrift door hen begroet.
Daar hij aan Jozef, die de vredesonderhandelingen met Engeland
te Amiens zou leiden, uitdrukkelijk had doen te kennen geven, dat
daarbij zoo min over den koning van Sardinië als over den stadhouder
in Holland en de vier reeds genoemde republieken mocht worden gerept
en de stelselmatige uitsluiting dezer netelige punten bij Engeland
instemming had gevonden, was de lijst der geschilpunten aanmerkelijk
ingekrompen. Eindelijk den 25en Maart 1802 werd te Amiens de vrede
geteekend, die aan een oorlog van tien jaar een einde maakte en een
der gewichtigste gebeurtenissen is uit het begin der negentiende
eeuw. De preliminairen van Londen vormden den grondslag er van. Onder
de garantie van den czaar zou de Maltezer ridderschap op Malta hersteld
en de Engelsche bezetting teruggezonden worden. Ook uit Egypte zou
Engeland zijn troepen terugroepen.
Werd de vredebode in Frankrijk met gejuich begroet, in Engeland
voerde die de bevolking letterlijk tot een soort van razernij. Een
daverend Bonaparte for ever klonk in Londens straten uit boven de
nationale liederen. Peace with France prijkte met groote letters op
alle voertuigen en toen de kolonel Lauriston, adjudant van Bonaparte,
de tractaten kwam uitwisselen, spande het volk zijn paarden uit en
trok zijn galakoets zelf verder naar zijn hotel, want 't was vrede. Nu
werden de havens weder geopend, kon er graan worden aangevoerd. De
handel en het verkeer zouden herleven; de vrees voor hongersnood
was verdwenen. Duizenden Engelschen staken het Kanaal over om een
bezoek te brengen aan "dat land van barbaren en koningsmoordenaars"
doch in de eerste plaats om dien generaal, dien Bonaparte te zien,
dien ze ginds nog slechts kenden door spotprenten en schotschriften
en--door den geweldigen roep, die van hem uitging.
Niet om den hartstochtelijken wensch van de meerderheid der natie,
wel om hun eigen eerzucht en een kliek kooplui te bevredigen, die
uitsluitend hun handelsbelangen op 't oog hadden en voordeel trokken
uit den oorlogstoestand, zullen de britsche ministers dien vrede reeds
het volgende jaar verbreken, Frankrijk opnieuw den oorlog aandoen en
dezen niet eindigen, voordat Napoleon is verpletterd.
Ook de staatsman Fox, het beroemde hoofd der oppositie in het
Lagerhuis, de mededinger van Pitt, kwam naar Parijs om met Bonaparte
kennis te maken en bouwstoffen te verzamelen voor een werk over de
laatste twee Stuarts. Bonaparte schoof alle etiquette voor hem ter
zijde, ontving hem herhaalde malen als een vriend in zijn huiselijken
kring, gaf bevel al de staatsarchieven voor hem open te leggen en
deed hem, den bijna zestigjarigen staatsman, die nog zooveel edele
droombeelden koesterde, vaak versteld staan over de stoutheid zijner
plannen voor de toekomst, die hij zeer weinig bemantelde. Gansch
Parijs liet hij hem zien, ook een juist in die dagen weder geopende
tentoonstelling van nijverheid, de tweede na de omwenteling; vaak
gevoelde hij zich gestreeld door de onverholen teekenen van verbazing
door zijn gast gegeven, over zooveel vooruitgang in dat bedrijf.
De mannen scheidden in vriendschap als twee groote figuren, die
elkander hadden leeren hoogachten.
Waren de natiën dus verheugd over den vrede, Bonaparte zeker
niet minder. Met dagelijks klimmende onrust had hij den loop
der onderhandelingen gevolgd; bij herhaling had hij Jozef doen
weten, dat hij toe moest geven op alle ondergeschikte punten, die
vertraging konden doen ontstaan; aan de koeriers tusschen Parijs
en Amiens had hij zelfs premiën beloofd, als zij spoed maakten. Zoo
handelde geen man, die zooals vaak nog heden wordt beweerd den oorlog
zocht tot elken prijs. Neen, niet naar oorlog, naar vrede, naar een
langdurigen algemeenen vrede verlangde hij in die dagen; dat hij dit
doel niet heeft bereikt, dat de vredestoestand reeds in 1803 weder
werd verbroken, mag niet aan hem worden geweten, maar Engeland is,
herhalen wij, in hoofdzaak de schuld er van, zooals de door geheel
Europa overgenomen legende van Napoleons ziekelijke behoefte aan
oorlogsdaden met al haar afgrijselijke gevolgen haar ontstaan heeft
te danken gehad aan Talleyrand.
Jaren lang (tot ver in 1807) had deze man, die Napoleon in stilte
fel haatte, zoo goed als diens geheele staatkunde geleid, hem zelf,
zooals zijn brieven getuigen, voortdurend gewaarschuwd tegen de
zoogenaamde moordplannen der vorsten van Europa en der Pruisische
generaals en aan diezelfde vorsten na iedere nederlaag de voor hun
eigenliefde meest vernederende brieven geschreven.
Hoe had deze man--en zooveel anderen met hem--zich na dit alles in
1815 met opgeheven hoofd op 't congres van Weenen durven vertoonen,
indien hij zich hier niet had voorgedaan als de zwakke, weerlooze,
gebrekkige man, die gedwongen was geweest de bevelen op te volgen
van een bloeddorstig monster?
Doch hierover later. Dezen even talentvollen als sluwen en steeds
naar goud dorstenden staatsman zullen wij vaak genoeg aan 't werk zien.
Dat Bonaparte geleidelijk aanstuurde op het herstel van het éénhoofdige
gezag was in Frankrijk dus voor niemand een geheim meer en de natie
en bloc had geen bezwaar haar held, die haar orde, rust en vrede had
gebracht, hierin de vrije hand te geven. Wel echter de oppositie. Deze
werd hoofdzakelijk gevonden bij de groote staatslichamen bij het leger
en dan bij het Instituut met zijn plannenmakers en godloochenaars
uit de dagen van het Directoire, de zoogenaamde "denkende hoofden."
Reeds had het Tribunaat onder meer verworpen de zoo noodzakelijke wet
op de Openbare Schuld en de staatsdomeinen, op de speciale rechtbanken,
een uitvloeisel van den moordaanslag in de rue Saint Nicaise, zich in
schampere taal geuit en zich gestooten aan het woord "onderdaan,"
voorkomende in het tractaat met Rusland. Bonaparte was driftig
geworden, had de opposanten in den Raad van State uitgemaakt voor
"ongedierte," hieraan toegevoegd, dat hij zich niet als Lodewijk XVI
zou laten aanvallen, terwijl hij van zijn gemoedsstemming in officieuse
dagbladen liet blijken. Toen het Wetgevend Lichaam met zijn overgroote
meerderheid van wijsgeeren en oud-priesters denzelfden weg begon te
bewandelen als de Tribunen, toen ook de Senaat bij de stemming over
candidaten voor drie in dit college vrijgekomen zetels, duidelijk
blijk had gegeven van onwil en Bonaparte's candidaten, drie oude,
verdienstelijke generaals, waren gevallen, had hij den 2en Januari al
de reeds ter behandeling gereed liggende wetsontwerpen, die de natie
met zoo vurige belangstelling verbeidde, teruggenomen. Het tijdstip
was blijkbaar nog niet aangebroken, waarop deze belangrijke zaken met
de noodige kalmte en eensgezindheid konden worden behandeld. Hierdoor
had Napoleon het Tribunaat en het Wetgevend Lichaam tot volslagen
werkeloosheid gedoemd en de natie doen zien aan wie de schuld lag,
dat niet meer arbeid werd verricht.
Intusschen had hij langdurig beraadslaagd met Cambacérès, doch vooral
met Lucien, met wien hij zich had verzoend; daarna had hij den Senaat
gewezen op artikel 38 der grondwet, welke voor het loopende jaar
(X) de vervanging gebood van het eerste één vijfde der twee andere
staatslichamen, de verdere regeling overgelaten aan zijn ambtgenoot
en was naar Milaan vertrokken om zich hier te laten uitroepen tot
president der Italiaansche republiek.
Toen hij den laatsten Januari terugkwam, was over de hoofden
der oppositie in Tribunaat en Wetgevend Lichaam het vonnis reeds
geveld. Twintig leden van het eerste, zestig van het tweede waren
niet bij loting doch bij keuze zooals men het noemde "geëlimineerd,"
ze zouden worden vervangen door even zooveel anderen, die meer den
geest van het gouvernement waren toegedaan. Carnot en Lucien kregen
zoodoende in Maart een zetel in het Tribunaat; terstond wierp de
laatste zich weder op tot leidsman der openbare meening.
"Ik ben een soldaat, een zoon der revolutie en zal me niet als een
koning laten beleedigen" had de Eerste Consul reeds een tijdlang te
voren in den Raad van State gezegd, thans had hij de oppositie zijn
klauw laten voelen.
Waardiger, grooter zou hij zich getoond hebben, als hij die
minderheid die òf hem persoonlijk haatte òf hem alleen bestreed uit
zucht tot oppositie desnoods met een minachtend schouderophalen was
voorbijgegaan, maar hij was driftig en lichtgeraakt, duldde bijna geen
tegenspraak en had voor Frankrijks eer en grootheid alleen reeds meer
gedaan, dan al "die babbelaars en idéologen," zooals hij ze noemde,
te zamen. Eindelijk kende hij zijn tegenstanders in het Tribunaat
mogelijk te goed om niet te zien, dat, was zijn houding een lijdzame
en geduldige, deze hen stoutmoediger zou maken en dat ze voor hem
en de natie bepaald gevaarlijk konden worden als de meerderheid in
Senaat en Wetgevend Lichaam, wat niet volslagen onmogelijk was, met
hen één lijn begon te trekken en als ook een deel van het leger zich
in den strijd mengde.
Want ook hierbij en vooral onder de generaals, die met Moreau in
Duitschland hadden gediend, telde hij heel wat vijanden. Lannes en
Augereau waren reeds zoo brutaal geworden, dat de eerste van zijn
commando ontheven en als gezant naar Portugal gezonden was; Massena
was verwoed, dat hem het commando over het leger in Italië ontnomen
en aan Brune opgedragen was; over een huis had hij bovendien standjes
met Joséphine gehad. Gouvion St. Cyr en Macdonald waren wel beiden
niet in Parijs, doch staken hun vijandige gezindheid tegenover hem
niet onder stoelen of banken.
Moreau, een dapper soldaat, doch een karakterloos man, had zelfs reeds
openlijk tegen hem partij gekozen en werd in zijn haat gesterkt door
zijn vrouw, die jaloersch was op Joséphine en door zijn schoonmoeder,
mevrouw Hulot, evenals deze een creoolsche en reeds jaren met haar
op voet van oorlog.--Voor de oppositie was deze volbloed republikein,
die zoo belangeloos heette maar niettemin een rijk en prachtig hotel
te Parijs zijn eigendom noemde, de aangewezen man om Bonaparte op te
volgen, "als deze toevallig een ongeluk mocht overkomen."
Al die generaals misten echter een groot troepencommando; zij
waren dus niet zoo gevaarlijk als Bernadotte, die er wel een bezat,
namelijk dat van Rennes over de korpsen van 't Westen. Door Jozefs
invloed lid geworden van den Raad van State (1800) had hij toen reeds
sterk geïntrigeerd om òf in Italië òf in de Bataafsche republiek
òf te Parijs een groot commando machtig te worden. Daarop had hij
zich door zijn heftige taal tegen Leclerc, toen deze op marsch naar
Brest eenige uren te Rennes bij hem was, bij Bonaparte zoo verdacht
gemaakt, dat deze hem zijn commando ontnomen en naar Parijs geroepen
had. Weder in genade aangenomen, had hij (Januari 1802) bedankt voor
het kapitein-generaalschap over Guadeloupe en toen voor dat over
Louisana zooveel voorwaarden gesteld, dat Bonaparte hem had laten gaan
en generaal Victor hiervoor had aangewezen. Thans zat hij weder te
Rennes bij een grootendeels van het Rijnleger afkomstigen troep, die
in geen drie jaar soldij had gezien, waarbij telkens gevallen van grof
verzet plaats vonden en de desertie sterk toenam, bij een troep dus,
die weinig meer noodig had om, door mooie beloften en goud verlokt,
zoodra Bonaparte was gevallen, over te gaan tot een pronunciamento.
Prachtig voor het oog, was diens positie volstrekt niet.
Wie zal het bevreemden, dat hij zich wapende, zijn garde vergrootte en
toen hij den eersten Paaschdag ter eere der sluiting van het Concordaat
in de Nôtre Dame de hoogmis ging bijwonen, ook vier bataljons dier
garde met de bajonet op in de kerk deed opstellen. Had men hem het lot
van Romulus niet toegedacht? Bestond er geen komplot om hem onder de
mis te vermoorden?--Dat Bernadotte hiervan wist, staat vast. Jozef
ook? Zou zijn zwager hem niet hebben gewaarschuwd? In elk geval
bedankte de man, die bij de gesloten verdragen als onderhandelaar was
opgetreden, voor de eer, om in de kerk te gaan naast zijn broeder;
hij bleef liever bij zijn collega's van den Raad van State.
De vier bataljons garde in de kerk maakten effect. Er gebeurde niets.
Te Rennes gebeurde echter wèl iets. In afwachting van den loop der
zaken te Parijs, had generaal Simon, Bernadotte's chef van den
staf, in stilte twee oproerige proclamaties doen drukken en had
die per post verzonden (26 Mei). De politie kwam de samenzwering op
't spoor en Simon en eenige subalterne officieren werden opgepakt,
doch Bernadotte ontsprong den dans. Hij was even te voren met zijn
vrouw naar Plombières vertrokken en wist, zoo heette het, van den
prins geen kwaad. Maar Bonaparte wist wèl. "Praat me niet van dien
schoft, die had den kogel verdiend," zei hij tegen Rapp, toen deze
Bernadotte's naam noemde.
Toch deed hij hem niet vervolgen; de ander was immers een zwager van
Jozef en de echtgenoot van Désirée Clary, de eertijds door hem versmade
geliefde en Bonaparte was nu eenmaal Corsicaan met een aangeboren sterk
familiezwak en met een onfeilbaar geheugen voor personen, die door
hem vroeger te kort waren gedaan en onder deze bekleedde de kleine
Désirée volgens hem een eerste plaats. Schonk hij haar later (1808)
niet een van de drie kostbare pelzen, welke keizer Alexander hem te
Erfurt had aangeboden; regelde hij niet zelf al de bijzonderheden van
haar vertrek, toen haar man als kroonprins naar Zweden was geroepen?
Juist die bij hem zoo sterk sprekende karaktertrek, zijn vaak
onverklaarbare verblindheid en zwakheid voor zijn naaste familieleden,
zijn jarenlang onverzettelijk vasthouden aan het geloof, dat zijn
broeders even geniaal en even bekwaam, ja zelfs genialer en bekwamer
waren dan hij zelf, dat Lucien, doch vooral Jozef een superieur man
was en dat vooral die twee hem bij zijn grootsche plannen met al hun
krachten zouden terzijde staan, dat waar zij te kort schoten geen onwil
of kwade trouw doch alleen hun jeugd en hun onervarenheid hiervan de
schuld droegen, heeft hem geleid tot daden, waarvoor ieder ander in
zijn plaats zich zou hebben gewacht; eerst in 1810 had hij ingezien,
dat zijn stelsel van familieregeering verderfelijk was geweest.
In deze dagen was er nog in de familie Bonaparte een belangrijke
verandering voorgevallen, want het was Joséphine ten slotte gelukt,
het reeds vermelde huwelijk tot stand te brengen van Bonaparte's broer
Louis en haar dochter Hortense. Al is het onjuist, zooals Louis zelf
later heeft beweerd, dat hij tot deze verbintenis was gedwongen,
erg enthousiast waren de jongelui in het eerst volstrekt niet over
hun huwelijksplannen. Louis had er aanvankelijk wel geen ooren naar
gehad, met Hortense in het huwelijksbootje te stappen, maar na zijn
Duitsche reis had de melancolieke man, die met de personen van zijn
stand weinig omging en er alleen enkele obscure vrienden op na hield,
in het huwelijk toegestemd. Ook was zijn verhouding tot Hortense wel
wat veranderd, ja Masson zegt zelfs, dat Louis verliefd op haar was en
zich dan ook volstrekt niet stoorde aan het verzet, dat hij ondervond
van de zijde van Lucien en Jozef, die het huwelijk volstrekt niet goed
konden keuren. En Hortense? Zij had gedwee de zachte drang van haar
moeder, die zij vereerde, gevolgd en had ook haar toestemming gegeven,
al kan men niet zeggen, dat daardoor een van haar hartewenschen werd
vervuld. In de laatste maanden van 1801 was tot deze verbintenis
besloten en in het begin van Januari 1802 werd het huwelijk voltrokken
in tegenwoordigheid van tal van familieleden en van deze plechtigheid
maakten Murat en Caroline gebruik om ook hun huwelijk nog kerkelijk
te doen sluiten.
Een groote wensch van Joséphine was hiermede vervuld, want zij achtte
deze verbintenis voor haar eigen plaats in de familie van groot belang,
zoowel nu als later. En dan had ze hiermede nog wel Louis gewonnen;
iemand die een zoo groote plaats in Bonaparte's hart innam en die zelfs
in zijn gedachten in aanmerking kwam voor zijn opvolger. Joséphine had
de kerkelijke wijding van haar eigen huwelijk tegelijk met die van
Louis en Murat niet durven vragen, maar dit verdriet verduisterde
geenszins den triomf, welken ze had behaald. Later, hoopte zij,
zou ook dat nog wel gelukken en van de geestelijkheid verwachtte ze
daarbij steun. De tijd zou leeren, dat ze gelijk had.