HOOFDSTUK XII.

Consul voor het Leven.

Van de "zuivering" in het Tribunaat en in het Wetgevend Lichaam,

door allen een staatsgreep genoemd, welke die van den 18en Brumaire

in stoutheid overtrof, maakte Bonaparte terstond gebruik om eenige

reeds lang gereedliggende ontwerpen van wet, op welker aanneming

hij bijzonder was gesteld, in behandeling te doen nemen. 't Waren

die op het reeds zeven maanden te voren geteekende Concordaat, op de

amnestie der émigrés, op de reorganisatie van het openbaar onderwijs,

eindelijk op het vredestractaat van Amiens en op de instelling van

het Legioen van Eer.

Den 5en April werd de nieuwe zitting geopend; een regeling, door

Lucien voorgesteld, had het Tribunaat zoo goed als machteloos gemaakt;

het Wetgevend Lichaam was bevreesd geworden, en de vooral bij het

leger zeer onwelkome wet op het Concordaat, werd in twee dagen

afgehandeld. Die op de émigrés, welke laatsten al de goederen terug

ontvingen, die nog niet publiek verkocht en dus nog staatseigendommen

waren, werd bij senaatsbesluit aangenomen, maar de bosschen, waarover

Bonaparte de vrije beschikking aan zich behield, bleven uitgezonderd.

De wet op het onderwijs vond bestrijders genoeg. Roederer zeide

o. a. dat ze niet alleen een zedelijke doch ook een politieke strekking

had, dat men de ouders door de kinderen aan het gouvernement trachtte

te verbinden, dat er niets in bepaald was voor de meisjes en dat er

van zorg voor het allereerste onderwijs geheel niet werd gerept. "Voor

dit laatste was de moeder ruimschoots voldoende; daarmede had de

staat zich niet te bemoeien," beweerde echter Challan, een der

voorstanders van de wet. Eenige stemmen gingen zelfs op om 't volk

kosteloos lager onderwijs te geven, doch al deze voorstellen werden

ter zijde geschoven. Het onderwijs werd een voorwerp van staatszorg,

den reusachtigen invloed der geestelijkheid op de opleiding der jeugd

werd hiermede tegelijkertijd een stevige breidel aangelegd.

Als een bekroning op zijn wetgevenden arbeid deed de Eerste Consul

eindelijk in Mei zijn ontwerp van wet indienen tot instelling van een

Legioen van Eer. Tijdens de omwenteling was aan militairen, die zich

in den krijg hadden onderscheiden, van rijkswege een eeregeweer of

een eeresabel uitgereikt; de instelling van het Legioen van Eer had

een veel ruimere strekking; in de eerste plaats zou het voor het leger

bovengenoemde eereteekenen vervangen door een decoratie met het devies:

Honneur et Patrie; dan zou hierdoor een uit burgers en militairen

samengesteld lichaam ontstaan, dat den Eersten Consul tot hoofd had

en door een eed, een jaargeld en een reeks bijzondere verplichtingen

aan hem was verbonden, tenslotte zou hierdoor zooveel doenlijk die

hiërarchie van notabelen vervangen worden, welke haar ontstaan had

te danken aan de grondwet van het jaar VIII. "Die notabelen zou hij,

het hoofd van den staat, voortaan zelf wel aan de natie aanwijzen en

ze stempelen met zijn eigen zegel."

Feitelijk schiep Bonaparte hiermede een zuiver persoonlijken adelstand,

waarin men enkel en alleen kon worden opgenomen door verdiensten en

die ook slechts verleend werd aan landskinderen, want wie niet kon

bewijzen, dat hij in zijn woonplaats had gediend bij de nationale

garde, werd er niet in opgenomen, al had hij overigens nog zoo groote

verdienste. Niet de Eerste Consul benoemde, doch een Groote Raad

van zeven leden, bestaande uit de drie consuls en één afgevaardigde

uit ieder groot staatslichaam, terwijl het geheele Legioen zou tellen

vijftien cohorten, ieder van zeven groot-officieren, eenige commandeurs

en officieren en 350 ridders, te zamen zes duizend hoofden.

Wel weerde de oppositie, vooral de republikeinsche partij zich heftig

tegen een instelling, die naar de dagen der monarchie terugvoerde,

doch Bonaparte gaf niet toe. "Alles heeft men vernietigd, 't is zaak

weder op te bouwen," zei hij o. a.; de wet werd aangenomen en het

Legioen van Eer bestaat nog.

Vooral Lucien had als tribuun voor de wet in heftige, bevelende taal

tot zijn collega's gesproken. Van den Jacobijn van 1793 was niets

meer overgebleven. Van nu af was bij de republikeinen het verzet zoo

goed als gebroken; zelfs de wet op het beheer der koloniën, welke de

slavernij weder in 't leven riep, vond slechts weinig tegenstand.

Dat de omvangrijke arbeid, besteed aan de samenstelling van al

die nieuwe wetten, niet ten doel had Bonaparte als Eerste Consul

slechts een beperkt aantal bestuursjaren te schenken, maar veeleer

om zijn gezag ten slotte onbeperkt te maken, was voor niemand meer

een geheim. Een ieder sprak er over, alleen hij zelf zweeg. Dat een

Consulaat van tien jaar hem niet langer bevredigde hield hij zelfs

geheim voor zijn broeders. Onbevangen sprak hij met Cambacérès,

die in hooge mate zijn vertrouwen bezat en met Talleyrand en

Fouché, wier invloed hij zelf gestadig deed aangroeien over alle

publieke belangen; zijn eigen persoon bracht hij echter nooit in

't debat. Zooveel te meer spraken zijn broeders en hun aanhang, de

zoogenaamde monarchalen over en met hem. Vooral Lucien, nog steeds

vervuld met erfelijkheidsbedoelingen, drong krachtig bij hem aan om

de souvereine macht te grondvesten op de puinhoopen der Republiek en

met de hem eigen autoriteit verkondigde Talleyrand telkens weder, dat

er met Europa beter viel te onderhandelen uit naam eener monarchie,

dan uit naam eener republiek.

Doch Bonaparte zweeg. Toen Joséphine zich met de quaeste wilde bemoeien

en hem waarschuwde voor Lucien, die alleen zijn eigen belang op 't

oog had, niet was te vertrouwen en steeds klaagde, dat hij niets kon

worden, zoolang Napoleon slechts consul voor tien jaar was, snauwde

hij haar een bits: "Blijf jij bij je spinnewiel" toe. Wel verlangde

hij naar het oppergezag, doch voor een monarchie vond hij zoo kort na

de omwenteling den tijd nog niet gekomen; voor zich zelf iets vragen

wilde hij niet; wat hij wenschte moest hem worden aangeboden. Het

oogenblik, waarop dit zou geschieden, verbeidde hij te Malmaison.

Den 6en Mei gaf hij in dezen een wenk. Bij monde van Cambacérès deed

hij het Tribunaat weten, dat het vredestractaat met Engeland op het

bureau zou worden nedergelegd om tot wet te worden verheven en dat

het tijdstip gunstig was "om een wensch te uiten, die den Eersten

Consul aangenaam kon zijn." Terstond werd nu de Senaat uitgenoodigd

den Eersten Consul een schitterend bewijs te geven van de voldoening

der natie.

Hiermede in kennis gesteld, sprak hij zich nog niet uit over de wijze,

waarop dit kon geschieden; de man, die zijn meening anders altijd

in zoo heldere, duidelijke taal wist te kennen te geven, antwoordde

slechts met een paar ontwijkende woorden. "Anderen roem, dan dien,

dat hij de hem opgedragen taak ten einde gebracht had, verlangde

hij niet" en dergelijke. Hij speelde de Sfinx. Dit was gevaarlijk,

want Fouché had hem doorzien en Fouché, die bij Joséphine steeds

steun had gevonden, doch al zijn pogingen om bij den ouden adel en de

aristocratie eenigermate in de gratie te komen, enkele contant betaalde

edelen uitgezonderd, had zien mislukken, die de vijand was van Lucien

en Talleyrand, Bonaparte's stuwkrachten naar het Consulaat voor het

leven, besloot terstond een spaak in 't wiel te steken. Hij bewerkte

ijlings den Senaat, betoogde, dat Bonaparte zelf geen hooge wenschen

koesterde en wist zoodoende te bewerken, dat het senaatsbesluit van

den 8en Mei alleen sprak van een verlenging van tien jaar.

Dit vernemende, werd Bonaparte geweldig boos, beraadslaagde met zijn

broers en Cambacérès en deed den Senaat toen weten dat: "De natie

hem had bekleed met het oppergezag en hij zich van haar vertrouwen

niet zeker zou achten, als zij thans ook niet haar stempel drukte op

de acte, waarbij men hem dat gezag voor langer tijd wilde verleenen"

enz. De wenk was duidelijk genoeg en den 11en Mei bevatte de Moniteur

het Senaatsbesluit, dat de natie zou worden geraadpleegd over de vraag:

"Of Napoleon Bonaparte Consul zou worden voor het leven."

Van erfelijkheid of van het recht van aanwijzen eens opvolgers werd

niet gesproken. Denkende ook den Eersten Consul hiermede een dienst

te bewijzen, had Roederer een van Jozefs vrienden de woorden "en

of hij de bevoegdheid zal hebben zelf zijn opvolger aan te wijzen"

wel bij het oorspronkelijke ontwerp ingelascht, doch Bonaparte had ze

geschrapt. Geen Jozef, geen Lucien zou hem de baas zijn of dwang op

hem uitoefenen. Aan zijn hoofd behoefde Frankrijk geen babbelaar doch

een soldaat en soldaat waren die twee niet; nog in andere opzichten

schoten zij in zijn oog te kort; in geld en goed en vette baantjes

was hij bereid hun een vergoeding te geven, verder verkoos hij

niet te gaan. Bovendien had hij aan zijn intiemen reeds vaak genoeg

ruiterlijk te verstaan gegeven, dat hij nog jong was, nog niet het

minste plan had op te stappen en dat al die speculaties op zijn dood

hem hartelijk begonnen te vervelen. Jozef verried zijn teleurstelling

alleen aan zijn vertrouwelingen ; zijn broer, beweerde hij, was op

zijn gezag zoo ijverzuchtig, dat hij het met niemand wilde deelen;

dat zijn bestaan voor Frankrijk onmisbaar was, moest de natie diep

beseffen; daarom wilde hij geen opvolger zien benoemd.

Dat de aard der dingen, de omstandigheden waarin Bonaparte verkeerde,

de nieuwe wetten, welke in voorbereiding waren en die Jozef reeds

kende, de zijdelingsche invloed der émigrés en der geestelijkheid ten

slotte toch in de richting der erfelijkheid zouden wezen, was echter

nu reeds te voorzien.

Nog voordat de uitslag van de stemming bekend was, die op Frankrijks

lot van zoo onberekenbaren invloed zou worden, werd de instelling van

het Legioen van Eer tot wet verheven, werden Jozef en Lucien, de eerste

door den Raad van State, de tweede door het Tribunaat verkozen in den

Grooten Raad en de Constitutie van het jaar VIII naar den nieuw te

scheppen toestand omgewerkt en aangevuld. In den vorm van een organiek

Senaatsbesluit tot wet verheven, bestemd "de vrijheid en de gelijkheid

te beschutten tegen de grillen van het toeval en de onzekerheid van de

toekomst," was deze grondwet toch voor velen, in de eerste plaats voor

Joséphine een verrassing, zooals bleek, toen de Eerste Consul, die in

alle staatsstukken voortaan Napoleon Bonaparte zou worden geheeten,

den 2en Augustus met ruim drie en een half millioen stemmen tegen iets

meer dan negen duizend, waaronder die van Massena, tot Consul voor het

leven was uitgeroepen. Van de grondwet van het jaar VIII was weinig of

niets overgebleven. Het Tribunaat werd teruggebracht tot vijftig leden;

zelfs voor de behandeling der wet op de middelen behoefde het Wetgevend

Lichaam geen verplichte zittingen meer te houden en de Raad van State

zag zijn invloed op de staatszaken overgebracht naar een geheimen Raad,

waarvan de samenstelling telkens naar behoefte kon worden gewijzigd.

Alleen de Senaat had nòg meer macht gekregen dan hij reeds bezat,

o. a. het recht de grondwet aan te vullen en den tekst er van te

verklaren, de vonnissen der rechtbanken te vernietigen, het Tribunaat

en het Wetgevend Lichaam te ontbinden enz. Zijn voorzitters waren

de Consuls, die alle drie voor het leven werden benoemd. De Eerste

verkreeg bovendien het recht het ledental van den Senaat te brengen op

120 (dus 54 nieuwe leden te kiezen en de meerderheid naar willekeur te

verplaatsen.) Ongeacht hun leeftijd--dit sloeg op Jozef en Lucien,

die nog te jong waren--werden de leden van den Grooten Raad van

rechtswege senatoren. Gratie verleenen, beslissen over oorlog en

vrede zou voortaan eveneens tot Bonaparte's attributen behooren,

eindelijk zou hij zelf zijn opvolger reeds bij zijn leven of bij

testament kunnen aanwijzen.

Het recht, dat hij kort te voren had verworpen, had hij thans dus

toch aanvaard. Waarom? Natuurlijk dacht ieder, dat hij voor zijn

opvolger een zijner broeders op het oog had. Volstrekt niet; die twee

had hij met zijn sluw berekenend brein zelf senator gemaakt, hen dus

opgenomen in een groot lichaam, waarover hij zich meester achtte en

hen met al hun geheime plannen hierdoor tot machteloosheid gedoemd en

in zijn diepste diep waarschijnlijk toen reeds besloten, het kind dat

Hortense, sinds 3 Januari de vrouw van Louis, reeds enkele maanden

onder het hart droeg, mocht het een zoon wezen, tot zijn erfgenaam

te bestemmen. Tegenover een zoo jeugdig wezen was alle achterdocht

van zelf uitgesloten; op hem invloed uitoefenen kon het niet, hem

weerstand bieden evenmin en tegen deze keuze konden zijn broeders, die

zelf nog geen mannelijke nakomelingen bezaten, niet in opstand komen.

In Bonaparte's positie was dus opnieuw een groote wijziging gekomen,

het oppergezag in den ruimsten zin des woords bezat hij reeds; van het

republikeinsche beginsel was nog maar een schaduw overgebleven; nog

niet in naam, wel feitelijk was hij reeds alleenheerscher. De eenige,

die bij deze wijziging schade leed was Fouché. Bonaparte zag in hem

alleen nog den man, die in den Senaat tegen hem had geïntrigeerd en

hield geen rekening met de groote diensten, hem door Fouché den 18en

Brumaire en later bewezen. Hij ontnam hem dus de portefeuille van

Justitie, maar schonk hem tevens een zetel in den Senaat. Algemeen

liep het praatje, dat hij aldus handelende, was gezwicht voor den

invloed van Jozef en Lucien, met wie hij in de laatste weken (Augustus)

druk had beraadslaagd, dat hij het gouvernement tusschen hen beiden en

Talleyrand wilde verdeelen en Duroc in 't paleisbeheer vervangen zou

worden door Louis; in één woord dat hij zijn broeders baas laten wilde.

Van kommer en angst voor de toekomst wist Joséphine niet, waar zij

't zoeken zou, tot Bonaparte haar met een enkel woord geruststelde:

"Dien zotteklap kan ik niet smoren, maar ik ben niet gek genoeg

mij afhankelijk te maken van mijn vijanden. Over Lucien krijg ik

dagelijks klachten, onlangs nog weer uit Madrid," zei hij.--De

nieuwe functionarissen, allen vrienden van haar, als Regnier, die

als opperrechter de portefeuille van Justitie in naam overnam, doch

deze terstond toevertrouwde aan den staatsraad Real, ook een intimis;

Chaptal, die minister van Binnenlandsche Zaken bleef, en Fouvevoy,

die den ook tot senator benoemden intrigant Roederer verving als

directeur-generaal van het openbaar onderwijs, verrieden haar, dat

zij bij deze omwenteling veeleer gewonnen dan verloren had. Bovendien

bleek duidelijk, dat Bonaparte geen plan had het oppergezag met wien

ook te deelen, dat hij zich van zijn broers had bediend om zich zelf te

dekken en dat hij door Fouché te ontslaan zoowel hen als de monarchale

partij slechts in schijn een offer had gebracht, want de nieuwgekozenen

behoorden evenals Fouché tot de republikeinsche fractie; alleen waren

zij minder berucht, minder verdacht en heel wat eerlijker dan de man,

dien Bonaparte tijdelijk had op zijde geschoven om hem terug te roepen,

zoodra hij hem weder noodig had.

Bij de nieuwe grondwet was het tractement van den Eersten Consul voor

representatie- en reiskosten en voor het onderhoud van de Tuilerieën

en van het paleis te St. Cloud [25] vastgesteld op zes millioen

francs, doch door verschillende baten van allerlei aard was dit

cijfer in het jaar X reeds gestegen tot bijna dertien millioen; in

't jaar XI klom het tot zestien millioen; de kosten der huishouding

waren echter eveneens geweldig vermeerderd. Dat Bonaparte gehecht was

aan uiterlijke pracht en praal, had hij reeds bewezen, toen hij in

October 1801 den minister van Binnenlandsche Zaken de opdracht had

gegeven voor hem een kort zwaard te doen vervaardigen om te dragen

bij plechtige gelegenheden en dit wapen o. a. te doen versieren met

den Regent en andere kostbare diamanten uit de schatkist. Voltooid

vertegenwoordigde dit wapen alleen aan edelgesteenten een waarde van

veertien millioen francs.

Op Paaschdag 18 April bij gelegenheid van het herstel van den

eeredienst, was hij in een met acht paarden bespannen galarijtuig in

een rood fluweelen rok met gouden palmen, het hoofd gedekt door een

gepluimden hoed naar de Nôtre Dame gereden. De leden van den Raad

van State, de gezanten, de ministers en de twee andere consuls in

koetsen met vier en met zes paarden gingen voorop, omstuwd door een

drom van lakeien in kostbare livrei. Zestig kanonschoten hadden het

vertrek van dien meer dan vorstelijken stoet, te Parijs de eerste na de

omwenteling, aangekondigd; met zes door mamelukken aan de hand geleide

paarden voor zijn rijtuig uit, en de te Parijs bevelvoerende garde-

en divisiegeneraals hier om hem, was hij het Te Deum gaan hooren;

het publiek had dien praal en vooral dien drom van lakeien prachtig

gevonden.

Nog vóór zijn benoeming tot Consul voor het leven had ook zijn omgeving

een groote wijziging ondergaan. Had hij aanvankelijk slechts een

militair huis gehad, gevormd door zijn adjudanten en had een voormalig

minister de functie van kamerheer en ceremoniemeester vervuld, de

gezanten binnengeleid en meer van die diensten van ceremonieel bewezen,

zonder dat er op het punt van etiquette en vormen eenige regels waren

vastgesteld, zelfs zonder dat er voor den Eersten Consul een officieele

titulatuur bestond, dit alles veranderde thans geheel. Een civiel

huis met kamerheeren, paleisprefecten en dergelijk personeel trad in

functie; voor het costuum, het ceremonieel en de recepties kwam een

uitgebreid voorschrift; een gestrenge etiquette, die o.a. zelfs het

ten paleize gaan zitten en gedekt blijven verbood, werd ingesteld

en de garde uitgebreid. Dat men den monarchalen regeeringsvorm snel

tegemoet ging was voor niemand meer een geheim en wie dit nog mocht

hebben betwijfeld, zou wel tot andere gedachten zijn gekomen bij het

aanschouwen van den luister, waarmede de geboortedag van den Eersten

Consul den 15en Augustus in de geheele Republiek voor de eerste maal

werd gevierd.

Eenige dagen later aanvaardde Bonaparte het voorzitterschap van den

Senaat. Begeleid door de consulaire garde te paard, omstuwd door

een schitterenden staf, reed hij in een met acht paarden bespannen

galarijtuig, gevolgd door de andere consuls, de ministers en verdere

grootwaardigheidsbekleeders naar het paleis van het Luxemburg en zette

zich op een soort van troon. Hier nam hij de nieuwgekozen senatoren

Jozef en Lucien den eed af, deed zich de senaatsbesluiten voorleggen,

waarbij o. a. het ceremonieel voor de hoogste staatsdienaren, de

wijze van vernieuwing en ontbinding van het Wetgevend Lichaam en

het Tribunaat werden vastgesteld en het eiland Elba met Frankrijk

werd vereenigd en deed daarop door Talleyrand lezing geven van een

hoogst belangrijk rapport over de schikkingen, onder zijn leiding in

Duitschland in voorbereiding, om de vorsten langs den linker Rijnoever

uit de kerkelijke goederen schadeloos te stellen voor het door hen

bij de vredes van Campo Formio en Lunéville geleden verlies.

Een enkel woord moge dienen om den toestand duidelijk te maken.

Bij die verdragen was bepaald, dat Frankrijks oostelijke grens onder

anderen zou worden gevormd door den Rijn, van Bazel tot een punt

tusschen Emmerik en Nijmegen.

Zoodoende had Beieren het hertogdom Zwei-Brücken, Rijn-Beieren en

het hertogdom Gülick, zoo hadden Wurtemberg en Baden het prinsdom

Montbehard en andere domeinen moeten afstaan. De geestelijke

keurvorsten van Maintz, Trier en Keulen hadden zoo goed als niets

overgehouden. Ook Hessen, de bisschop van Luik en die van Bazel waren

aan den dijk gezet. Pruisen had het hertogdom Gelre, een deel van dat

van Kleef en het prinsdom Meurs moeten afgeven. In Italië hadden twee

aartshertogen uit het Oostenrijksche huis respectievelijk Toscane

en Modena verspeeld en in Holland was het huis van Oranje-Nassau,

de bondgenoot van Pruisen, eveneens uit een aantal persoonlijke

eigendommen ontzet.

Al deze vorsten nu, die van Nassau, van Toscane en Modena hieronder

begrepen, zouden uit de verbeurd verklaarde kerkelijke bezittingen

in Duitschland, gezamenlijk ongeveer één zesde van het geheele

grondgebied, worden schadeloos gesteld. Vrij van alle lasten, zooals

kosten van belasting heffen, van privileges en andere te betalen

toelagen en tractementen, bedroeg de opbrengst van die goederen te

zamen wel vijftig millioen gulden.

Te Parijs hoorde Bonaparte nu de verschillende partijen. Bij Engelands

onbetrouwbare politiek was het voorkomen eener nieuwe coalitie voor

hem van 't meeste belang en een hecht bondgenootschap op het vasteland

met Pruisen bijvoorbeeld, hiertoe van onberekenbaar nut, al mocht

deze staat hierom toch ook weder niet zoo machtig gemaakt worden,

dat hij Oostenrijk overheerschte, anders kon die op zijn beurt van

een nuttigen bondgenoot een gevaarlijke mogendheid worden.

In het door hem ontworpen plan zouden Oostenrijk, Pruisen en

Frankrijk drie groote staten vormen met ver van elkander verwijderde

grenzen. Midden tusschen deze drie gelegen, zou de Duitsche Bond,

tot één groot lichaam vereenigd, dan de even eervolle als belangrijke

rol vervullen van scheidsmuur en van stootkussen tevens.

Het slot der onderhandelingen, door dit van grondige zaakkennis

getuigende plan noodzakelijk geworden, was, dat met Pruisen en met

Beieren, na Oostenrijk Duitschlands hoofdstaten, een overeenkomst

werd getroffen, waarbij ook de belangen van het huis van Oranje-Nassau

niet waren vergeten.

Het hoofd van dit huis zou de republiek erkennen; Pruisen zou ditzelfde

doen ten opzichte van de Italiaansche republiek en het koninkrijk

Etrurië en onvoorwaardelijk goedkeuren, dat Piëmont met Frankrijk

werd vereenigd.

Wel kwam Oostenrijk een oogenblik tegen de uitvoering van het plan

in verzet, dreigde er weder een oorlog, en stonden de Beiersche

troepen bij 't bezetten der hun toegewezen landstreken, bij Passau

een korte poos tegenover de Oostenrijksche, maar de energieke

houding van Frankrijk, Pruisen en Beieren had tengevolge, dat

feitelijke vijandelijkheden uitbleven, en dat de vrede in Duitschland

niet werd verstoord. Den 25en Februari 1803 werd een beslissing

verkregen. Beurtelings Pruisens eerzucht en Ruslands trots als

middel bezigende om Oostenrijk te weerstaan, de macht van dezen staat

verkleinende, zonder hem tot wanhoop te drijven, had Bonaparte voor

Duitschlands welzijn en voor Europa's rust zijn wil in midden-Europa

doen zegevieren.

Laten wij thans in 't kort nagaan, wat sinds 18 Brumaire door Bonaparte

was verricht. Het Directoire eenmaal omver geworpen, had hij de

teugels van het bewind met forsche vuist aangegrepen, de door Siéyès

ontworpen grondwet ten deele gewijzigd, het staatsbeheer in allerijl

geordend, het staatscrediet opgebeurd, voor de geregelde heffing en

storting der belastingen maatregelen getroffen, de legers de eerste

hulp doen toekomen, de Vendée onverhoeds met troepen overstroomd en

den opstand hier ten deele bedwongen, uit diezelfde troepen daarna

in stilte een reserveleger bijeengebracht; dit, toen Europa nog

van geen vrede wilde hooren zelf over de Alpen naar Italië gevoerd,

Oostenrijk hier bij Marengo verslagen en het verbijsterde Europa een

wapenstilstand van een half jaar afgedwongen.

Deze tijdruimte had hij gebezigd om in de politiek van het vaste land

een volkomen omkeer te brengen; de Ligue der Onzijdigen in 't leven

te roepen, Pruisen tot vriend te krijgen, al de havens van Europa

van Texel tot Otrante voor Engeland te doen sluiten en reusachtige

toerustingen te maken tot hulp van Egypte. In 't binnenland had hij

tegelijkertijd het financiewezen en het staatscrediet hersteld, de

Fransche Bank in 't leven geroepen, de wegen vernieuwd, de rooverbenden

uitgeroeid, over de bergen prachtige verbindingen met Italië aangelegd,

allerwege aan kanalen en bruggen een ontstaan gegeven en de grondslagen

gelegd voor een nieuw stelsel van wetten. Dan had hij Oostenrijk,

dat nog altijd aarzelde met vrede sluiten, door Moreau's schitterende

overwinning bij Hohenlinden gedwongen de door hem gestelde voorwaarden

aan te nemen en het tractaat van Lunéville te onderteekenen. Eindelijk

hadden zijn onverzettelijke wilskracht en de geduchte slagen, door zijn

ijzeren vuist aan Engelands handel en industrie toegebracht, ook dit

rijk genoopt in zijn vijandige houding tijdelijk verandering te brengen

en had hij door het sluiten van den vrede van Amiens de kroon gezet

op zijn werk tegenover het buitenland. Een Concordaat, waardoor Rome

zich had verzoend met de Republiek, een amnestie voor de bannelingen,

een reeks heilzame staatswetten, een krachtig stelsel voor openbaar

onderwijs, een Legioen van Eer ter belooning van iederen Franschen

burger, die zich jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, hadden

hem in drie jaar tijd in het hart der natie een plaats doen veroveren,

zoo hoog, zoo verheven als vóór hem zelfs een vorst nog nooit had

ingenomen. Voor Frankrijk was hij geworden l'Homme. Schooner eeretitel

kon hem niet worden gegeven. Dat anderen dan hij, vrienden van hem

als Tronchet en Cambacérès, zijn buitengewone werk- en wilskracht,

zijn ver strekkende fantasie en grootsche bedoelingen opmerkende,

beducht waren voor de toekomst; dat de eerste, hem vergelijkende met

Cesar, de vrees uitsprak, dat hij ook als die Romeinsche Imperator

eenmaal zou eindigen, deed niets af aan de glorie, welke zijn naam

thans omgaf. Dat hij van de Republiek weinig meer dan een naam

had overgelaten, zag ieder; dat hij Frankrijk de vrijheid niet had

gebracht, eveneens. Maar de Republiek had Frankrijk aan den rand van

den afgrond gevoerd, en de vrijheid waarvoor het tien jaar lang goed

en bloed had veil gehad, was een droombeeld gebleken. Waarom den man,

die rust, vrede en welvaart had doen wederkeeren, de oppermacht niet

geschonken, waarnaar hij de hand uitstrekte? Niemand had die nog ooit

zoo ten volle verdiend.

Zoo dacht de natie.

Napoleon(#27883) · 第 26 / 49 题