Vrede met Oostenrijk.
In 't costuum van lid van het Instituut had hij Parijs verlaten, in
de uniform van opperbevelhebber keerde hij er terug (3 Juli) en sprak
deze verandering in zijn gewaad mogelijk nog niet duidelijk genoeg
voor den omkeer, die door Marengo in zijn geest was ontstaan, zijn
houding en zijn daden bewezen weldra, dat hij, door gansch Frankrijk
thans half vergood, zich van zijn macht was bewust geworden.
Uit was het op eens met de mogelijke plannen der Bourbons. Kort na
elkaar had hij van den pretendent twee brieven ontvangen, waarin
hem duidelijk was te verstaan gegeven, dat, wanneer hij dezen op den
troon van Frankrijk bracht, hij zelf maar moest aangeven, welke hooge
positie hij verlangde voor zich zelf en zijn vrienden.
Joséphine kende het bestaan dier brieven, trachtte hem te overtuigen,
dat het costuum van connétable hem veel beter zou kleeden dan de rok
van consul, doch klopte aan doovenmansdeur. "In 't buitenland acht
men mij dan lichtzinnig en inconsequent, dat men mij verdenkt van
geheime plannen ten voordeele van een Bourbon? Dat ik in de beloften en
verbintenissen niet het minste vertrouwen stel, weet men dus niet. Werd
die man baas, dan zou het stellig niet lang duren of ik werd behandeld
als een rebel," gaf hij haar zoo luide en zoo kortaf ten antwoord, dat
Europa het kon hooren. Tegen Bourrienne zei hij: "Jij kent dat volkje
niet. Gaf ik het den troon, dan zou het dien volgens hen niet aan mij,
doch aan Gods gratie hebben te danken. De émigrés zouden dadelijk
den baas spelen en al het nieuwe omver werpen. Wat zou er worden van
de belangen sinds 1789 geboren? Wat van de menschen, die nationale
goederen kochten, van de generaals, kortom van allen, die tijdens de
omwenteling hun leven en hun toekomst op 't spel hebben gezet?"
In 't begin van September schreef hij zijn antwoord:
"Ik heb een brief ontvangen, mijnheer; ik zeg u dank
voor uw beleefde woorden. Uw terugkeer in Frankrijk
moogt u niet wenschen. Gij zoudt uw weg moeten nemen over
vijfhonderd duizend lijken. Offer uw eigen belangen op aan
de rust en het geluk van Frankrijk; de historie zal er u
naar beoordeelen. Voor de rampen uwer familie ben ik niet
ongevoelig; gaarne zal ik bijdragen tot de rust en den vrede
van uw bestaan."
Met wien hij te doen had, hoeveel staat hij kon maken op de mooie
beloften van den pretendent, blijkt uit later gevonden brieven. Den
4en Juni 1800 verzocht de pretendent hem den troon zijner voorvaderen
terug, twee dagen later wenschte hij den struikroover George Cadoudal
per brief hartelijk geluk, "dat hij eindelijk aan de handen van den
tiran was ontsnapt." "Thans zijt ge vrij; ge zijt bij mijn broeder;
al mijn hoop herleeft. Een echt Franschman zooals gij behoef ik
niets meer te zeggen," volgde er aan 't slot en na den aanslag van
24 December 1800 betuigden de bedrijvers er van dienzelfden "braven"
Cadoudal schriftelijk hun leedwezen, dat Bonaparte was ontkomen.
"Met innig genoegen erkennen wij, dat het vaderland aan U zijn redding,
de Republiek aan U haar bevestiging heeft te danken en de natie een
welvaart, die gij in één dag tijd hebt doen volgen op tien jaar eener
meer dan stormachtige omwenteling," had de president van den Senaat
bij de eerste officieele begroeting tegen hem gezegd en de denkwijze
van zoo goed als geheel Frankrijk met deze woorden weergegeven. Vol
oprechte geestdrift waren al de groote staatslichamen, de burger-
en de militaire autoriteiten, de directeur der Fransche Bank en tal
van hooggeplaatste personen hem gaan begroeten.--
Hoe kon het anders? Enkele maanden pas voerde hij het bewind en
veiligheid, vertrouwen en rust waren getreden in de plaats van een
toestand van grenzenlooze verwarring, van angst en onzekerheid. Een
groote overwinning had Frankrijk weder gevoerd aan de spits der
volken. De vrede was in 't verschiet; de angst voor een Europeeschen
oorlog verdwenen. Allerwege zag men weder teekenen van welvaart. Dank
zij de instelling der Fransche Bank, waardoor vertrouwen en crediet
weder waren teruggekeerd, kregen de renteniers hun coupon weder
uitbetaald in klinkende munt. De publieke fondsen waren van 12 tot 40
gestegen en toonden neiging tot rijzen naar 50. Gansch Frankrijk was
bezig een gedaanteverwisseling ten goede te ondergaan, en dit alles
niet door een mirakel of een bovennatuurlijke kracht, welke volgens
de "kleine luyden" Bonaparte zou bezitten, maar alleen door een man,
toegerust met een groote mate van gezond verstand, gerugsteund door
een ijzeren wil en een stalen werkkracht, een man, die wist wat hij
wilde, die daarbij over alle détails heenzag als ver beneden hem,
en die alleen het einddoel scherp in het oog hield. Geen stap op 't
oorlogsveld, geen zet op 't wereldschaakbord deed hij in die jaren
zonder een voorafgaand nauwgezet wikken en wegen van 't geen hiervan
het gevolg kon zijn. Aan het toeval liet hij zoo weinig mogelijk
over. Eerst als 't vertrouwen op zijn geluk hem roekeloos deed worden,
en zijn dorst naar nòg meer roem hem verblindde, was het hiermede
gedaan. Die hoop naar vrede zou echter niet zoo spoedig worden
vervuld, want Marengo had wel een wapenstilstand, geen beslissing
gebracht. Rijkelijk door Engelsch goud gesteund onder voorwaarde,
dat het niet afzonderlijk zou vrede sluiten, schoof het kabinet van
Weenen de onderhandelingen op de lange baan, een tactiek die Bonaparte
met zijn voortvarenden geest en zijn afkeer voor al dat diplomatieke
getalm en gekonkel toornig maakte en verschillende kleine staten van
den Duitschen Bond, door Frans II aan hun lot overgelaten, tot een
afzonderlijk verdrag met Frankrijk bracht, voordat een congres,
dat te Lunéville zou bijeenkomen en waarheen ook Engeland een
vertegenwoordiger zou zenden, een beslissing had gebracht.
De herfst verliep, de winter trad in. Tot tweemaal toe was de
wapenstilstand verlengd; het congres te Lunéville vorderde niet,
en de kans op een spoedigen vrede scheen nog in de verre toekomst te
liggen. Het wachten moede, beval Bonaparte terstond na het einde van
den tweeden wapenstilstand weder aanvallend op te treden.
Den 25en November begon Moreau zijn operaties en leidde deze zoo
goed en gelukkig, dat hij in weerwil van zijn geringere getalsterkte
aartshertog Johan, die von Kray in het opperbevel had vervangen,
den 3en December in de met sneeuw bedekte passen en boschwegen van
Hohenlinden met zwaar verlies terugsloeg. Van deze overwinning ijlings
partij trekkende, bezette hij daarop Salzburg, dreef de Oostenrijkers
door een reeks van roemrijke gevechten terug tot achter de Traun,
maakte zich meester van Linz, stond hier slechts tien uur van Weenen
en was den 23en December voor het sluiten van een wapenstilstand
alleen te vinden onder het uitdrukkelijk beding, dat Oostenrijk zijn
belangen scheidde van die van Engeland.
Geducht in 't nauw gedreven, bewilligde keizer Frans hierin. 't Was
hoog tijd, want, terwijl Moreau de eer der Fransche wapenen zoo hoog
hield aan den Donau, was Augereau met een gallo-bataafsche divisie
in Bohemen niet minder gelukkig, toog Macdonald door Wallis en over
de gletschers en de passen van den Splügen naar de Mincio om daar de
hand te reiken aan Brune, die Massena in Italië was opgevolgd. Ook
hier aan de Etsch, de Brenta en de Piave leden de Oostenrijkers de
nederlaag; Macdonald naderde Trente; Murat was met een divisie op
marsch naar de Po; Brune rukte Treviso binnen.
Toen kwamen de Oostenrijksche gevolmachtigden ook hier
onderhandelen. De afstand van Mantua, Peschiera, Ferrara en Ancona
was de prijs van een wapenstilstand, die den 29en Januari 1801 te
Lunéville werd gesloten.
Alleen Napels stond thans nog vijandig tegenover Frankrijk; Murat
zou koningin Caroline echter weldra tot vrede dwingen.
In Duitschland en Italië verslagen, door zijn vroegere bondgenooten
losgelaten, want Rusland en de paus hadden openlijk voor Frankrijk
partij gekozen en Engeland was niet in staat hem te steunen, zag
Frans II in, dat een vrede alleen hem kon redden. Den 9en Februari
1801 werd deze te Lunéville geteekend, maar de voorwaarden waren
niet malsch. De basis er van vormde het tractaat van Campo Formio,
waarbij de linker Rijnoever aan Frankrijk was gekomen en Oostenrijk
zich de Etsch als grensrivier had zien aanwijzen. De keizer erkende
de Bataafsche, de Helvetische, de Ligurische en de Cisalpijnsche
republiek en keurde goed, dat deze laatste het gansche dal van de Po,
de Sesia en de Tenaro tot de Adriatische Zee zou omvatten; het aan
zijn stamhuis ontnomen Toscane, waar zijn broeder groothertog was,
werd onder den naam van koninkrijk Etrurië toegewezen aan den hertog
van Parma, schoonzoon van Karel IV van Spanje.
De Engelschen zagen de haven van Livorno, een hunner voornaamste
stapelplaatsen aan de Middellandsche Zee, voor zich gesloten; Otranto,
Tarente en Brindisi kregen Fransch garnizoen. Geheel Italië was
weder in Fransche handen; Spanje beloofde Portugal gewapenderhand
te dwingen, Engeland afvallig te worden. In vijftien maanden tijd
was het Frankrijk dus gelukt de tweede coalitie uiteen te breken en
aan Europa's vastland den vrede voor te schrijven. Bonaparte had een
bewonderaar gekregen in czaar Paul I, die wel half gek van trots,
doch tevens ingenomen was met den man, die aan de omwenteling een
einde gemaakt en den 18en Brumaire gebracht had, die hem de negen
duizend krijgsgevangen Russen had teruggezonden, hem het zwaard van
Lisle Adam, den grootmeester der Maltezer ridders had geschonken en hem
het reeds twee jaar door de Engelschen belegerde Malta wilde afstaan.
Jammer dat de in Italië nieuwgevormde staten de innerlijke kracht
misten, voor hun zelfstandig voortbestaan zoo gebiedend noodig; dat
Frankrijk ze voortdurend met geld en troepen moest ondersteunen en
dat de Eerste Consul, tuk op eigen grootheid en macht, niet verkoos
Italië die eenheid en kracht te schenken, die het zou gehad hebben,
wanneer het gansche land onder het huis van Savoye was gebracht.
Engeland alleen met William Pitt zijn oppermachtigen eersten minister
aan de spits, volhardde nog in zijn haat tegen de Republiek doch had
zijn bondgenooten verloren. Het einde van den strijd tegen de coalitie
had Bonaparte niet afgewacht om een aanvang te maken met de radicale
verbetering van Frankrijks inwendigen toestand. Op de gevolgen der
nieuwe regeling van de geldmiddelen wezen wij reeds. Thans kwamen
handel en industrie dus in de eerste plaats de gemeenschapsmiddelen,
de groote wegen, de kanalen en de bruggen aan de beurt. De laatste
tien jaren was hieraan zoo goed als niets gedaan. Het servituut van
kosteloozen arbeid aan de wegen was onder de Republiek afgeschaft,
geld tot onderhoud was bijna niet toegestaan; de gevolgen waren niet
uitgebleven. Goed begaanbare wegen bezat het land bijna niet meer;
die er nog waren, werden door de chouans in Bretagne, door talrijke
rooverbenden in 't zuiden en in de Vendée onveilig gemaakt.
Op de begrooting voor 1801 bracht de Eerste Consul dus terstond twaalf
millioen francs uitsluitend voor het herstel der hoofdwegen; die
naar de grenzen zooals naar Lille, Straatsburg, Marseille, Bordeaux
en Brest waren het eerst aan de beurt. De weg over den Simplon,
de korste verbinding met Italië, werd onder handen genomen en tot
een prachtigen weg gemaakt. Op den Mont Cenis kwam een klooster in
denzelfden geest als dat op den St. Bernhard. Dan werd het werk aan
het kanaal van Saint-Quentin, de verbinding tusschen de Somme en de
Oise, waaraan in langen tijd niets was gedaan, evenals aan dat van
de Ourcq met kracht hervat en Frankrijk dus door een waterweg met
België verbonden. Voorts ontving Chaptal last een ontwerp samen te
stellen tot hervorming van het openbare onderwijs met een grondslag
van zes duizend studiebeurzen tot vorming van onderwijzers en werd
bij decreet van 4 Maart 1801 de opening eener tentoonstelling van
voortbrengselen der nationale nijverheid bepaald.
Een niet minder gewichtige arbeid, het ontwerp van het Burgerlijk
Wetboek, samengesteld door een schaar rechtsgeleerden als Tronchet,
Portalis en anderen werd in diezelfde dagen getoetst aan het oordeel
der rechtbanken van appèl en van het hof van cassatie. Dat Bonaparte
zelf aan dit ontwerp heeft medegewerkt, dat hij de schrijver er van is,
zooals zijn vleiers vaak hebben beweerd, is onwaar; het geheel was een
resumé van het werk der Constituante en der Conventie, dat beoordeeld
en gewijzigd door Frankrijks schranderste juristen eerst daarna in den
Raad van State werd gebracht om hier den eindvorm te krijgen; wel komt
hem ten volle de eer toe, dat hij niet alleen dit wetboek, later naar
hem Code Napoleon genoemd, maar nog tal van andere hoofdwetten op het
gebied van koophandel, publiek recht enz. aan de natie geschonken en
hierdoor aan de sinds eeuwen heerschende wetteloosheid en willekeur
voor goed een einde gemaakt heeft.
Een niet minder groote weldaad bewees hij aan het land door de
afschaffing van de wet op de émigrés, dat jammerlijke product van
woede en vertwijfeling uit de donkerste dagen der omwenteling,
dat meer onschuldigen dan schuldigen had getroffen, de afwezigen
had gelijkgesteld met iemand, die de wapenen had opgevat tegen de
Conventie en door het Directoire gehandhaafd en vaak genoeg gebezigd
was tegen zijn persoonlijke vijanden. Van de later gevolgde amnestie
bleven alleen uitgesloten de personen, die tegen Frankrijk de wapenen
hadden gedragen, bij de uitgeweken prinsen een betrekking bekleed
of titels en graden van vreemde mogendheden aangenomen hadden zonder
machtiging van het gouvernement.
De tegenwoordige eigenaars van gronden, indertijd door den staat
als nationaal goed aan hen verkocht, werden tevens opnieuw in hun
bezit bevestigd; de kleine landbouwer, die voor zijn zuurverdiende
spaarpenningen voorheen een lapje grond had gekocht, behoefde dus
niet langer vrees te koesteren, dat dit hem bij de terugkomst zijner
vroegere meesters kon worden ontnomen. De gevolgen van dezen maatregel
voor Bonaparte zelf waren bijna onberekenbaar; niet de sympathie, de
liefde van één enkele partij, die van de gansche bevolking ten platten
lande veroverde hij hierdoor stormenderhand; voor al die eenvoudige
lieden, bij wie het bezit van hof en haard vaak gaat boven dat van
vrouw en kind was hij, de soldaat, eensklaps geworden de man uit het
volk, l'Homme, de strijder voor het recht, voor hun eigendom. Terecht
kon hij, die nooit tot eenige partij had behoord in die dagen zeggen,
dat zijn partij thans was de gansche natie. Nog krachtiger openbaarde
zich de sympathie, toen hij stappen deed om de geestelijken de vrije
uitoefening hunner kerkplichten terug te bezorgen en den eenvoudigen,
doch zeer menschkundigen abt Bernier, die reeds in de Vendée zooveel
had bijgedragen tot de demping van het oproer aldaar, opdroeg met
kardinaal Spina, den afgezant van den Heiligen Stoel te Parijs,
te beraadslagen over de middelen, die tot een verzoening met den
Paus konden leiden. Uitgaande van het beginsel, dat een ieder vrij
moest zijn om "zondag" te houden, wanneer hij dit verkoos, verbood
hij de plaatselijke autoriteiten hiertegen op te treden; alleen voor
rijksambtenaren bleef de bepaling, dat de decade de officieele rustdag
was voorloopig nog van kracht.
Bij de schending der koninklijke graven te Saint-Denis door het grauw,
was het stoffelijk overschot van Turenne teruggevonden en tijdelijk
overgebracht naar een vertrek in den Plantentuin. Thans deed Bonaparte
het met indrukwekkende plechtigheid bijzetten in de koepelkerk van het
hôtel der Invaliden; den dag daarop legde hij den eersten steen voor
een gedenkteeken, gewijd aan de nagedachtenis van zijn krijgsmakkers
Desaix en Kléber, beiden op één dag gevallen, de eerste bij Marengo,
de laatste in Egypte onder den dolk van een sluipmoordenaar. Reeds
vroeger had hij aan Washington, den bevrijder van Noord-Amerika,
openbare hulde doen brengen.
Hoewel Bonaparte's tegenstanders in dit alles slechts een middel zagen,
door hem tot eigen grootheid aangewend, oefenden deze plechtigheden
op de Parijsche bevolking in 't algemeen een weldadigen invloed
uit. Een bewijs uit vele. Den avond der Turenne-vereering werd er in de
schouwburg een gratis-voorstelling gegeven, waarbij hij tegenwoordig
was. De zaal was eivol, toch liep alles in de beste orde af; slechts
nu en dan werd de stilte door een daverend: "Leve de Republiek! Leve
generaal Bonaparte" verbroken.
Bijna onbegrijpelijk is 't, dat, terwijl hij dus alle middelen
aanwendde om Frankrijk de zoo lang en vurig verbeide rust, welvaart
en vrede terug te geven, terwijl hij niets onbeproefd liet om handel
en nijverheid, landbouw en veeteelt aan te moedigen, terwijl hij
kunsten en wetenschappen beschermde, tot verbetering van het onderwijs
ingrijpende maatregelen nam, aan het geloofsleven van negen tiende
der natie tegemoet kwam en eindelijk door een uitgebreide amnestie
voor misdrijven tegen den staat Frankrijk om zoo te zeggen aan de
uitgewekenen had teruggegeven, er toch telkens weder personen werden
gevonden, laaghartig genoeg om hem naar het leven te staan.
De samenzwering van Arena, Ceracchi en eenige andere republikeinsche
heethoofden in October 1800 kunnen wij stilzwijgend voorbijgaan;
ze kwam niet tot uitvoering; anders was het met die van 24 December
d. a. v.
In den schouwburg zou "die Schöpfung" van Haydn voor de eerste maal
met groot koor ten gehoore worden gebracht; hoewel hij door Fouché
was gewaarschuwd, dat er geruchten liepen van een nieuwen aanslag op
zijn leven, had Bonaparte zich door Hortense, die dweepte met muziek,
laten overhalen deze uitvoering bij te wonen.
Begeleid door zijn gewoon piket garde te paard reed hij met Bessières
en zijn adjudant van dienst, in één rijtuig dus, om acht uur naar
de opera, toen het rijtuig aan den ingang van de nauwe, bochtige
rue St. Nicaise een oud, met een hit bespannen karretje ontmoette,
dat den weg half versperde; een tevens uit de rue de Malte komende
fiacre zou dezen weldra geheel hebben verstopt. Een der grenadiers
te paard, die vijf en twintig pas vooruit was, zag dit, dreigde den
koetsier van de fiacre als hij niet in galop doorreed, gooide een man,
die voor den hit stond tegen den muur, gaf den hit zelf een klap, dat
hij op zijde sprong en maakte dus in een oogwenk ruim baan, zoodat
Bonaparte's koetsier, die de zweep over de paarden legde, in volle
vaart kon doorrijden. Deze snelheid redde Bonaparte het leven. Nog
geen twintig pas was het rijtuig in de rue de la Loi (thans rue
Richelieu), toen een ontzettende knal de lucht deed daveren. Een op
genoemd karretje geladen helsche machine was ontploft. Ruim honderd
dooden en gekwetsten lagen in de rue St. Nicaise onder het puin van
eenige ingestorte huizen begraven; Bonaparte en zijn escorte waren
ongedeerd gebleven. Ook de dames, die thuis door het zoeken naar een
sjaal eenige minuten opgehouden en met Rapp een anderen weg gevolgd
waren, hadden geen letsel bekomen.
"Die schelmen hebben mij in de lucht willen doen vliegen" zei Bonaparte
koeltjes, doch Joséphine, in de loge gekomen, was te diep ontroerd om
haar tranen te kunnen verbergen; ondanks het stormachtig huldebetoon,
dat op de bekendmaking van den aanslag volgde, was zij niet tot blijven
te bewegen. Bonaparte keerde met haar naar huis terug. Hier brak zijn
toorn los.--"Dit was niet het werk van de chouans, de priesters of
de émigrés! In dit schelmstuk hadden de Jacobijnen, de moordenaars
van 1792, de Septembriseurs de hand gehad. Die alleen waren tot zoo
iets in staat" bulderde hij.
Wel trachtte Fouché hem tot andere gedachten te brengen, doch hij kon
niet gelooven, dat de royalisten, dezelfde personen dus, die hij kort
te voren met gunsten overladen had, hem thans naar het leven hadden
gestaan; Fouché kon het bewijs niet leveren; dus--moesten de daders
worden gezocht bij de koningsmoorders, de Jacobijnen, die hij, Fouché,
beweerde Bonaparte, uit vroegere relatie had ontzien en gespaard.
Een gevolg van deze redeneering was, dat honderd en dertig personen,
die zich onder het schrikbewind door hun heftige taal en gedragingen
hadden doen kennen, zonder dat er van hun medeplichtigheid aan
den aanslag iets was gebleken, bijna zonder vorm van proces werden
verbannen, "als gevaarlijk voor de veiligheid van den staat," dat het
proces tegen Arena en Ceracchi c. s. krachtig werd doorgezet om voor de
vier hoofdschuldigen te eindigen met een doodvonnis (31 Januari 1801)
en dat Bonaparte zijn vertrouwen op Fouché begon te verminderen. Dat
de man talent bezat, vooral in politiezaken zijn weerga zocht, hem den
18en Brumaire en daarna tot demping van het oproer groote diensten had
bewezen, erkende hij, maar dat hij van den laatsten aanslag onkundig
was gebleven kon hij niet vergeten; hij dacht erover hem zijn ontslag
te geven; dat Joséphine en de Bourrienne partij voor hem trokken,
wekte zijn wrevel zelfs in zoo hooge mate op, dat hij in bijzijn van
de eerste op zekeren avond tegen Laplace en Girardin zei: "Een rijk
waar de vrouwen de staatszaken regelen is verloren. Frankrijk viel
door de koningin. Let op Spanje; ook daar regeert de koningin. Als
mijn vrouw iets mocht willen, zou dit voor mij voldoende zijn om
juist het tegenovergestelde te doen." Joséphine was dus gewaarschuwd.
Had Jozef zich in die dagen te Parijs bevonden, dan was Fouché
terstond gevallen, want niet alleen Jozef, doch Elisa, Lucien en de
gansche aanhang van die drie, met Roederer en Fontanes aan het hoofd,
waren zijn vijanden. Zoo fel waren die op hem gebeten, dat het brieven
en beschuldigingen regende en dat Roederer aan Joséphine zelfs dorst
toevoegen, dat zoolang zij haar minister van Politie behield, niemand
zijn leven meer zeker was en dat allen gevaar liepen binnen een paar
maanden te worden vermoord. Wel diende Joséphine, onvoorzichtig genoeg,
hem ter dege van repliek, doch het woord was gesproken. De oorzaak van
dien haat lag niet zoozeer in Fouché's verleden als in de houding na
Brumaire door hem aangenomen tegenover Lucien. Deze jonge minister,
die, wars van elken gezetten arbeid, de behandeling der zaken van zijn
ministerie zoo goed als geheel overliet aan zijn ondergeschikten en
belangrijke stukken vaak niet eens zelf onderteekende, maar evenals
Jozef steeds uit was op het verkrijgen van herediteitsrechten, was
na den dood zijner lieftallige gade (14 Mei 1800) in deze richting
nog verder gegaan; hij had zich, door zijn omgeving slecht geraden,
opgeworpen tot leider van de publieke opinie en was begonnen
rechtstreeks aan te sturen op een groote anti-revolutionnaire,
katholieke, monarchale reactie; in September had hij als lofredenaar
van Turenne zelfs de nadering van "een Grootsche Eeuw" aangekondigd
en besloten met de woorden, dat het republikeinsche Frankrijk zijn
grootsche bestemming eerlang vervuld zou zien.
Had hij het hierbij gelaten, dan was, zijn jeugdigen leeftijd in
aanmerking genomen, dit gebazel hem nog wel te vergeven geweest, doch
geen maand later had hij aan alle prefecten en verdere onderhoorige
ambtenaren onder persoonlijk couvert, een vlugschrift van zijn
hand doen toekomen, getiteld: Parallel tusschen Cesar, Cromwell en
Bonaparte. Het vraagstuk der herediteit had hij daarin sterker dan
ooit op den voorgrond gebracht, terwijl het slot een scherpe insinuatie
inhield aan het adres der Fransche legerbevelhebbers.
Met deze brochure had Fouché, als republikein o. a. een vijand van
alle herediteit bij den regeerder, als zijnde monarchaal, zich naar
Bonaparte begeven, hem gewezen op den slechten indruk, dien ze op het
publiek zou maken, zoo kort na den aanslag van Arena, welke toch al
voor een politieke manoeuvre van het gouvernement werd gehouden en hem
overtuigd, dat hij door een dergelijk geschrift wel verdacht gemaakt,
niet gediend kon worden.
Lucien, zich moetende verantwoorden, had het geducht aan den stok
gekregen met Fouché, hem overladen met verwijten over zijn vroeger
gedrag als lid der Conventie en daarop allerlei liefelijkheden moeten
slikken over eigen braspartijen met actrices, zijn knevelarijen en
zijn liederlijk gedrag.
Doodbedaard had Bonaparte de heeren die zaak laten uitvechten en
toen erkend, dat de brochure wel zijn eigen denkbeelden weergaf,
maar dat het slot ervan gekkenwerk was; toch zou hij zijn broeder ten
slotte nog hebben gehandhaafd, indien Moreau zich niet ernstig was
komen beklagen over de beleediging het leger door Lucien aangedaan
en wanneer niet reeds lang tal van feiten hadden bewezen, dat Lucien
zijn vriendjes den baas liet spelen op zijn ministerie om te stelen en
te rooven naar hartelust. Ook Joséphine had een handje helpen duwen;
doodsbenauwd voor dat herediteitsbeginsel, zoo zwanger van monarchale
ideeën, terwijl ondanks alle badkuren en kunstmiddelen van dokter
Corvisart van een zwangerschap voor haar geen sprake meer was en een
echtscheiding haar dus stond te wachten, had zij zich bij Bonaparte
op schoot gezet en had hem haar en wangen gestreeld. "Toe Bonaparte,
maak je niet tot koning; die gemeene Lucien drijft je er toe, doch
laat hem praten."
Na een zeer heftig en pijnlijk tooneel tusschen de twee broeders,
had Lucien daarop als minister zijn ontslag gekregen, was op een
kolossaal tractement, met de kans op een aantal millioenen in de
toekomst, benoemd tot gezant te Madrid. (7 November 1800.)
Fouché was Lucien dus vijandig. Het vraagstuk van een opvolger had
Bonaparte daarop zelf wat meer van nabij bezien. Dat hij het recht
moest hebben zijn opvolger te benoemen, stond dadelijk bij hem vast;
hij schoof Jozef als te achteloos en voor zaken ongeschikt op zijde,
Lucien den opposant en antimilitarist eveneens en vestigde de oogen
op Louis. "Deze bezat niet één der gebreken van zijn broers, doch
wel al hun goede hoedanigheden," meende hij. Die zou hem dus opvolgen.
Eerlijk, oprecht en vol plichtsgevoel was Louis zeker, maar
overigens had Bonaparte bezwaarlijk een slechter keuze kunnen doen,
want diezelfde steeds zwijgende, droefgeestige jonkman met zijn
onbeduidend gezicht, fletse oogen en sterke neiging tot afzondering,
was niet alleen ziek, maar verborg onder dit ziekelijke uiterlijk
een groote mate van jaloersche eigenliefde en een onstandvastigheid,
die hem ongeschikt maakten voor eenige regelmaat in zijn bestaan,
terwijl lichte aanvallen van vervolgingswaanzin hem nu en dan voerden
tot daden, die verrassend valsch en dubbelzinnig ook in de oogen van
anderen, door hem zelf in vollen ernst onberispelijk werden geacht.
Van dezen geestestoestand kende Bonaparte niets; meenende dat Louis'
melancholie en sentimenteele begrippen (een gevolg van zijn ziekte)
voortsproten uit invloeden van buiten, dat hij dus een tijdlang in een
andere omgeving verkeeren, reizen moest, in één woord "ontbolsterd"
worden; hij zond hem dus naar Duitschland.
Joséphine, die Louis evenmin begreep, wist nauwelijks wat haar man
voornemens was, of haar plan, dat Louis met haar dochter zou trouwen,
stond onherroepelijk bij haar vast. Dan kon er van echtscheiding geen
sprake meer zijn.
Hortense was ruim zestien en niet mooi maar zeer bevallig; zij danste
uitmuntend, teekende, zong, speelde piano en harp, deed aan belletrie
en was, zoolang ze niet ruw of norsch werd bejegend, zachtaardig en
meegaande; daarbij was zij nog altoos even doodelijk van haar moeder
van wie ze niet één harer gebreken zag. Om deze reden hield ze niet
van haar stiefvader. Iedereen zei, dat hij een groot veldheer was
en een even talentvol administrateur als geniaal bewindvoerder, dus
moest zij dit wel gelooven; misschien bewonderde zij hem hierin ook
wel, doch in den dagelijkschen omgang was hij vaak grof, somtijds
ongemanierd en altijd despotisch; hij bracht haar moeder aan 't
schreien, moest altijd op zijn wenken worden bediend en liet iemand
zelfs in zijn slaapkamer niet met rust; zoodoende gevoelde zij voor
hem niet de minste sympathie en was ze zelfs bang voor haar stiefvader.
Door haar huwelijk met hem had haar moeder in haar oog een mésalliance
begaan; voor haar, de dochter van een der aanzienlijkste edellieden
van Frankrijk, die het leven had gelaten voor zijn vorst, was slechts
een wettige regeering denkbaar, die der Bourbons; ook al door de bij
madame Campan ontvangen opvoeding gevoelde zij zich het beste thuis
in de salons van den ouden adel.
Een paar aanzoeken om haar hand had zij reeds afgewezen; een poging
van Duroc had evenmin succes gehad. Van 't geen Joséphine over haar
had besloten, vernam zij voorloopig niets.
Terwijl Bonaparte de eerste dagen van 1801 o. a. bezigde met
het zoeken naar een plaatsvervanger voor Fouché, Joséphine haar
plannen met Louis begon uit te werken, Elisa, Jozef en Lucien met
hun aanhang niets onbeproefd lieten om Fouché ten val te brengen,
was deze zelf onafgebroken bezig met het zoeken naar het bewijs,
dat niet de Jacobijnen, maar de royalisten den aanslag van de rue
St. Nicaise hadden gepleegd. Was eenmaal dit bewijs geleverd, dan
zou al het geïntrigeer van de familie en de royalisten in den Raad
van State tegen hem met één slag den nek zijn gebroken. Hij vond
het. Den laatsten Januari bracht hij het zelf naar Malmaison; niet
alleen Carbon en Saint-Rejan de hoofdschuldigen, had hij in handen,
zelfs den brief, waarin deze laatste aan Cadoudal zijn diep leedwezen
betuigde, dat de aanslag was mislukt.
Hij zegepraalde; zijn aanvallers zwegen. Door Bonaparte werd hij als
minister van Politie gehandhaafd. Wel ging hier en daar een stem op,
dat hij honderd dertig zijner makkers van voorheen, zonder verzet had
laten verbannen, doch de eigenaar van die stem vergat, dat Frankrijk
in die dagen nog een Augiasstal was, waarin een ferme zwaai met den
bezem geen weelde was. Juist dit zuiveringsproces heeft ten gevolge
gehad, dat Bonaparte zich twee jaar achtereen ongestoord heeft kunnen
wijden aan zijn taak, Frankrijk weder te maken tot een mogendheid van
den eersten rang. Een nieuwe stap in deze richting was het sluiten
eener overeenkomst met den paus tot herstel van de roomsch-katholieke
kerk in Frankrijk. Het overleg tusschen Bernier en kardinaal Spina
had vruchten gedragen. Na langdurig gehaspel was 's pausen raadsman,
de even sluwe als hebzuchtige, doch oogenschijnlijk zeer eenvoudige
kardinaal Consalvi naar Parijs gekomen om met Bonaparte persoonlijk
te onderhandelen en kreeg van dezen kort en bondig te verstaan, dat
hij slechts enkele dagen tijd had om tot een besluit te komen en dat,
deze periode verstreken, de betrekkingen met Rome onherroepelijk
zouden worden afgebroken.
Dit hielp. Den 15en Juli 1801 kwam het verdrag tot stand, dat onder den
naam van Concordaat de verhouding regelde tusschen Kerk en Staat. De
Republiek werd hierbij verdeeld in tien aartsbisdommen en vijftig
bisdommen; een bezoldiging van staatswege trad in de plaats van het
voormalige grondbezit der geestelijkheid. Het gouvernement oefende
toezicht uit over den eeredienst en benoemde de aartsbisschoppen en
bisschoppen; uitsluitend van den paus ontvingen die dan de wijding.
Een staatskerk werd de roomsch-katholieke niet; hiermede zou aan de
aanspraken der andere eerediensten zijn te kort gedaan; dit zou in
strijd geweest zijn met de republikeinsche beginselen van gelijke
rechten voor allen. Ook van een schifting tusschen beëedigde of
constitutioneele, niet beëedigde of aan Rome trouw gebleven en
gehuwde geestelijken had de Eerste Consul niet willen hooren,
hij had de vorming geëischt van een volslagen nieuwe geestelijke
instelling, die aan alle scheuring en verdeeldheid een einde maakte
en die de wijze en eerbiedwaardige priesters van alle partijen zonder
onderscheid samenbracht in één lichaam. Persoonlijk had hij zich met
zijn collega's bereid verklaard de mis bij te wonen; verder had hij
zich tot niets willen verbinden.
Voor den inwendigen toestand van het land was de vrede van Lunéville
een zegen geweest; een deel der troepen kon nu gebezigd worden tot
verdelging der talrijke rooverbenden, die bijna alle wegen onveilig
maakten en het vrije verkeer en hiermede den binnenlandschen handel
ernstig bedreigden; fondsen waren vrij gevallen, die thans in werken
des vredes o. a. voor het afdoende herstel der wegen--alleen in 1802
acht en twintig millioen francs--een bestemming vonden. Thans kon
ook gezorgd worden voor het blijvend voortbestaan van de prachtige
bosschen, die de laatste tien jaren verwaarloosd en slecht beheerd,
van de bijl der houtdieven alom de sporen droegen. Bij duizenden
keerden de ontslagen soldaten naar hun haardsteden terug; de landbouw
herleefde hierdoor geheel, vooral nu het wild, als herten en wilde
zwijnen grootendeels was uitgeroeid. In het zuiden begon het aantal
zijdeweverijen, tijdens de omwenteling tot twee duizend ingekrompen,
reeds te klimmen naar de zeven duizend. In één jaar steeg het cijfer
van invoer van 325 op 417 millioen francs. Ongekend, reusachtig was
het door den Eersten Consul thans reeds bereikte resultaat; toch
rustte hij niet. Wanneer rustte die man ooit! Frankrijk had zoo goed
als al zijn koloniën verloren; wilde het ook als koloniale mogendheid
zijn vroegere plaats hernemen, dan moest ook in die richting met alle
kracht gewerkt worden.
Reeds was de koning van Spanje bereid gevonden de provincie Louisiana,
eenmaal een Fransche kolonie, aan de golf van Mexico, aan de Republiek
af te staan; dan werden toebereidselen gemaakt om het zoo kostbare
eiland Sint Domingo terug te winnen, dat zich tijdens de Constituante
onder den neger generaal Toussaint-Louverture onafhankelijk verklaard
had; voorts stelde Bonaparte alles in het werk om het nu reeds zooveel
maanden lang aan zich zelf overgelaten leger in Egypte te hulp te
komen. In de haven van Brest werd hiertoe een eskader uitgerust;
in Italië een legerkorps van 17000 man bijeengebracht om te Otranto
scheep te gaan, maar terwijl de groote man op ieder ander gebied de
zege weg droeg, op dat zijner koloniale politiek zag hij de fortuin
voortdurend tegen zich gekeerd.
Verschillende factoren werkten hiertoe samen. In de eerste plaats
stond hij, de heerscher over millioenen menschen volslagen machteloos
tegenover de elementen, n.l. den wind en de zee; dan verkeerde zijn
marine nog in een tijdperk van wording, had hij zijn vlagofficieren,
eenmaal in volle zee, niet meer onder zijn rechtstreeksche bevelen
en waren verscheidene van die heeren, hoe dapper overigens ook, niet
berekend voor de taak, die hij hun opdroeg; eindelijk voerde Engeland
met zijn geweldige vloot bijna onbeperkt heerschappij op den oceaan.
In de nu volgende twintig jaren heeft dit eilandenrijk op Napoleons
leven, denken en handelen zulk een reusachtigen invloed uitgeoefend,
dat hierbij eenige oogenblikken langer dient te worden stilgestaan.