HOOFDSTUK IX.

Vredesvoorstellen, Marengo.

Terwijl deze groote veranderingen in Frankrijk plaats grepen en de

natie opleefde en herademde, in het bewustzijn, dat de orde, de rust,

de vrede mogelijk zelfs in 't verschiet lagen, bevonden zich bijna alle

leden van de familie Bonaparte te Parijs. Sinds 1793, het jaar waarin

ze berooid en doodarm Corsica waren ontvlucht en naar Toulon geweken,

was er in hun levensomstandigheden een groote verbetering ontstaan;

ze bezaten thans hotels te Parijs, kasteelen in de omstreken; Jozef

en Lucien stonden met het gouvernement op vertrouwelijken voet, gaven

diners aan ministers en letterkundigen, heetten beschermers der schoone

kunsten, deden aan belletrie en leidden een lui, lekker leventje.

De gedachte, dat zij dit alles enkel en alleen hadden te danken

aan den door hen vrijwel geminachten soldaat, hun broeder, kwam

niet bij hen op. Hun eigen verdienste, meenden zij, had hen zoo

ver vooruitgebracht. Elisa zat met haar oliedommen Bacciochi nog te

Ajaccio, Paulette was na haar huwelijk met Leclerc en de geboorte van

een zoon, een tijdlang op kostschool geweest (1798) bij mevrouw Campan,

want haar echtgenoot had ontdekt, dat zij niet eens lezen en schrijven

kende. Louis was in Juli 1799 escadronscommandant geworden; Caroline

genoot eveneens van de lessen van mevrouw Campan en moeder Laetitia,

nog altoos even zuinig en spaarzaam als voorheen, op het gierige af,

had haar koetjes reeds vrijwel op 't droog en logeerde in 't laatst

van 1799 bij Jozef, die het jaar te voren voor het bagatel van ruim

250.000 francs het uitgestrekte, prachtige landgoed Mortefontaine

tot zijn eigendom had weten te maken.

De rol, den 18en Brumaire door Jozef gespeeld, was natuurlijk zeer

onbeduidend geweest. Door den Senaat gekozen tot lid van het Wetgevend

Lichaam werd hij door Napoleon, die nog altijd een man van talent in

hem zag, in Maart 1800 met Roederer en Fleurieu aangewezen om met de

Vereenigde Staten van Noord-Amerika te onderhandelen over den vrede.

Lucien, die den staatsgreep door zijn koelbloedig, vermetel optreden

had doen slagen, hierbij de hoofdrol vervuld en een bijna verloren

zaak gered had, was door den Senaat gekozen in het Tribunaat maar op

dienzelfden datum (24 December) benoemd tot minister van Binnenlandsche

Zaken, wel een bewijs dat zijn broer hem ondanks zijn opposant karakter

hartelijk dankbaar was voor 't geen hij als president van den Raad van

Vijfhonderd voor hem had verricht, al vond broerlief, dat hem minstens

een plaats als consul toekwam. In 't begin van Januari ontving Louis

een brevet als brigadegeneraal. Geen jaar later werd Jérôme luitenant

ter zee. Dat Napoleon, bekleed met het hoogste gezag, toen reeds

maatregelen trof om aan het hoofd van de vier groote dienstvakken,

buitenlandsche zaken, binnenlandsche zaken, leger en vloot, een zijner

naaste bloedverwanten te stellen om onder zijn onmiddellijke leiding

en bevelen werkzaam te wezen, blijkt o.i. hieruit duidelijk.

Zijn zwagers deelden niet in die gunsten. Bacciochi bleef wat hij

was; zelfs Leclerc, die zijn zwager door zijn vele relaties in het

leger bij den staatsgreep onschatbare diensten had bewezen, werd als

divisiegeneraal ingedeeld bij het Rijnleger, waarschijnlijk om een

wakend oog te houden op Moreau, die tot belooning voor zijn houding

op 18 Brumaire eerlang met het commando over deze voortreffelijke

legermacht van circa 100.000 man zou worden belast en aan wien de

Eerste Consul gaarne de hand zijner zuster Caroline had geschonken.

Deze jonge dame met haar glinsterende oogen, prachtig teint,

buigzame gestalte en schitterende tanden had echter reeds zelve

een keuze gedaan. Terwijl zij met Hortense de Beauharnais nog bij

mevrouw Campan op kostschool was, had zij de op Mombello begonnen

kennismaking vernieuwd met den generaal Joachim Murat. Zoon van

een welgestelden herbergier uit de omstreken van Cahors, in 1767

geboren en aanvankelijk bestemd voor den geestelijken stand, had

deze knappe jonkman met zijn koolzwarte oogen en ijzeren gestel op

zijn twintigste jaar dienst genomen bij de jagers te paard, daarop

een zeer avontuurlijk en lang niet vlekkeloos leven geleid en zich

zelfs een korte poos Marat laten noemen (1793) om vooral een bovenste,

beste republikein te schijnen; tevens had hij met de gevangenis kennis

gemaakt. Weder op vrije voeten en tot ritmeester opgeklommen, had hij

in den nacht van 12 op 13 Vendémiaire Barras in 't bezit gesteld van

de noodige vuurmonden, ter verdediging der Tuilerieën en was in Mei

1796 bevorderd tot brigadegeneraal.

Bonaparte was hem niet genegen; hij vond hem een eigenwijze, koppige

ophakker, die vroeger met Barras op veel te intiemen voet had gestaan,

die tegenover zijn kameraden oneerlijk was en hen verried en die bij

een zending uit Italië naar Parijs, Joséphine erg het hof gemaakt en,

volgens zijn beweren succes had gehad. Tevergeefs had hij later in

Italië, daarop in Egypte bij Salahieh, eindelijk bij Aboukir getracht,

de gunst en het vertrouwen van Bonaparte te winnen. Deze erkende zijn

verdiensten als uitstekend cavalerie-generaal, maar die onopgehelderde

historie met Joséphine was de kwade factor gebleven. Eerst toen

deze zelve voor hem de hand vroeg van Caroline om zoodoende met één

slag aan alle verdere praatjes den kop in te drukken, liet Bonaparte

zich na eenige aarzeling bewegen, tot dit huwelijk zijn toestemming

te geven. Den 18en Januari 1800 werd het contract geteekend; den

1en April werd Murat, sinds Brumaire divisie-generaal, benoemd tot

luitenant van den opperbevelhebber van het Reserveleger en commandant

van deze macht. Joséphine was met dit nieuwe huwelijk oogenschijnlijk

zoo ingenomen, dat zij "haar lief broertje" Murat schriftelijk een

compliment maakte over zijn keuze van "een zoo uitermate aardig

vrouwtje, dat zich zoo uitstekend wist voor te doen."--

Slimme, sluwe Joséphine! Hoe juist en handig bestuurde zij haar

levensbootje bij den aanvang van de nieuwe eeuw. Haar invloed op

Bonaparte had zij voor een groot deel althans weten te herwinnen;

in den strijd tegen zijn familie had zij gezegevierd; door Caroline

en Murat had zij zelfs bondgenooten gekregen in 't vijandelijk

kamp en den toorn der familie Gohier, die zij den 18en Brumaire

leelijk had misleid, had zij reeds ten deele doen bedaren. Reeds

begon zij zelfs haar salons geleidelijk te zuiveren van eenige

verdachte en gecompromitteerde dames, die er te voren dagelijks

verschenen; den toegang tot den intiemen kring van Malmaison had

zij voor deze gesloten; voor de officieele partijen zond zij haar

geen invitatiekaarten meer, nadat Bonaparte eenmaal op een receptie

zijn afkeer van die "halfnaakte dames" luid en duidelijk had te

kennen gegeven. Met grooten tact hield zij zich bij alle officieele

plechtigheden op den achtergrond. Gezeten voor een raam of op een

balkon woonden zij en haar dochter die slechts bij uit de verte. Door

niets verried zij, dat zij invloed wenschte uit te oefenen op de

daden en de politiek van haar man; dien invloed zou deze trouwens

niet hebben geduld, dan zou de goede onderlinge verstandhouding met

één slag zijn verbroken. "Mij alleen het gezag" was zijn devies. Met

zichtbare voldoening liet hij haar echter begaan, toen zij, die eenmaal

op intiemen voet had verkeerd met Robespierre's zuster, die zich een

onvervalschte sans-culotte had genoemd, en onder de bloeddorstigste

leden der Conventie had verkeerd, niet alleen royalistische neigingen

begon te toonen, doch aan haar omgeving zelfs influisterde, dat de

herinnering aan den koning en zijn hof haar telkens deed ontroeren

en dat zij vurig hoopte, dat haar man de Bourbons weder op den troon

brengen zou.--Bonaparte zou dan minstens hertog en pair, en maarschalk

of connétable van Frankrijk worden met een hooge positie aan het hof

en zij hertogin en schatrijk. Dan kon er van een echtscheiding voor

haar nooit meer sprake zijn, meende zij.

Bonaparte liet haar voorloopig in den waan, dat hij de Bourbons nog wel

eens een kans zou geven. Zijn belang en zijn staatkunde brachten dit

mede; hij moest de onvervalschte royalisten in de Vendée en Bretagne

ontzien; hij wist, dat de émigrés, verarmd en vaak broodeloos, vol

heimwee uitzagen naar den dag, waarop Frankrijks grenzen voor hen

zouden worden opengesteld; thans trof hij in Joséphine een uitnemende

bemiddelaarster tusschen die edelen en de leden der Commissie voor de

Uitgewekenen; zij pleitte voor de eersten als een advocaat voor zijn

cliënt, zij schreef dagelijks smeekbrieven bij tientallen en gevoelde

zich overgelukkig als zij tot loon voor ai haar bemoeiingen eindelijk

weder een kattebelletje kon verzenden o.a. van den volgenden inhoud:

"Mevrouw Bonaparte heeft de eer de heeren Villeneuve met vele groeten

te doen weten, dat zij zijn geschrapt." [21]

Van heinde en ver, uit alle hoeken van Europa kwamen ze opdagen de

Matignons, de Clermont-Tonnerres, de Montmorencys. De hotels der leden

van het oude hof werden weder geopend; het quartier Saint-Germain

herleefde en Joséphine, de weldoenster, "die haar gunsten met zooveel

tact en gratie verleende," zag haar salons langzamerhand gevuld met de

dragers van namen, die Trianon voorheen niet zouden hebben ontsierd;

zij vond het een genot met haar dochter te verschijnen op tal van bals,

die in de kringen der royalisten werden gegeven.--'t Was het begin der

fusie, waarop Bonaparte aanstuurde en die weldra vruchten zou dragen.

Luciens houding en gedragingen als minister van Binnenlandsche zaken

maakten Joséphine's positie in die dagen nog krachtiger. Dat hij

ontevreden over den gang van zaken, waardoor niet hij zelf, doch

Napoleon op het kussen was gekomen, een samenzwering op touw zette

tegen zijn broeder, is niet bewezen; dat hij in 't begin van 1800

heulde met Bernadotte, diens vijand, echter wel; en Fouché's dreigend:

"Als ik vernam, dat de Minister van Binnenlandsche zaken samenzweerde,

liet ik hem in hechtenis nemen," uitgesproken in tegenwoordigheid

van Napoleon en Lucien (April 1800) geeft te denken. Ook Jozef, door

wiens invloed zijn zwager Bernadotte kort te voren tot staatsraad

was benoemd, onderhield relaties met zijn broeder vijandig gezinde

personen, als Benjamin Constant en mevrouw de Stael. Was dit kwade

trouw of onnoozelheid? Wie zal 't zeggen? Aanvankelijk deed hij het

voorkomen, alsof hij zich om een openbare betrekking weinig bekreunde

en liefst niet in intriges werd betrokken; hij sprak dus weinig,

schreef nog minder en scheen de bescheidenheid zelve. Al spoedig kwam

de aap uit de mouw. Hij verlangde van zijn broer, dat deze hem aanwees

tot zijn opvolger. De macht hiertoe bezat de Eerste Consul echter niet,

want deze was slechts voor tien jaar benoemd, doch herkiesbaar. In

een brief van 24 Mei begon Jozef dit verlangen reeds om te zetten

in een eisch. Zijn eer was er mede gemoeid, schreef hij. Geen andere

keuze mocht worden gedaan. Hoe kon het volgens Corsicaansche begrippen

anders? Hij was immers het hoofd van de clan!

Jozef bracht het vraagstuk der erfopvolging dus het eerst ter sprake,

deed door zijn vriend, den staatsraad Miot de Melito hieromtrent

eenige tribunen en senatoren polsen en was zoodoende oorzaak, dat

ook anderen zich hiermede begonnen bezig te houden. Door deze werd

nu ernstig overwogen, wat er gebeuren moest als Bonaparte, kort te

voren naar het leger vertrokken (Mei 1800), op het slagveld of door

de hand van een sluipmoordenaar viel; het slot was, dat door hen voor

zulk een geval niet Jozef doch de kort te voren uit de ballingschap

teruggekeerde Carnot in stilte werd aangewezen. Zoo hadden Fouché

en Talleyrand, overigens geslagen vijanden van elkander, in stilte

reeds uitgemaakt, dat Bonaparte gevallen, zij met den senator Clément

de Ris een driemanschap zouden vormen en de teugels van 't bewind in

handen nemen (Mei 1800).

Terwijl de Eerste Consul dus al dadelijk na den staatsgreep was omringd

door een netwerk van intriges, waaraan zelfs zijn broers niet vreemd

waren, was hij zelf letterlijk dag en nacht in de weer om Frankrijk

een soort van voorloopige organisatie te schenken, het binnenlandsch

bestuur een weinig te ordenen, het vertrouwen en de veiligheid bij

de natie te doen herleven en eenig geld in de schatkist te brengen.

Voorloopig waren de omstandigheden hem alles behalve gunstig, want

wilde hij bij de reusachtige taak, die hij zich zelf op de schouders

had gelegd, slagen en de pacificatie en organisatie van het binnenland

tot een goed einde brengen, dan was vrede met het buitenland hiertoe

de eerste voorwaarde. Reeds in de laatste dagen van December 1799,

had hij, brekende met de gebruiken der diplomaten, daarom eigenhandig

geschreven aan den koning van Engeland en aan den keizer van het

Duitsche Rijk met het dringende verzoek om aan den oorlog een einde

te maken; te voren reeds had hij zijn adjudant Duroc, een beschaafd,

innemend, schrander officier en een zijner tochtgenooten in Egypte,

afgevaardigd naar het hof van Berlijn om koning Frederik Wilhelm te

doen begrijpen, dat hij bij een mogelijken vrede als tusschenpersoon

zeer welkom zou wezen.

Duroc was zeer hoffelijk ontvangen; de koning een wankelmoedig, doch

vredelievend man, die zoo goed als geheel onder den invloed stond van

zijn jeugdige, bekoorlijke gemalin, was niet ongenegen bevonden de rol

van bemiddelaar te vervullen. Te Berlijn was dus oogenschijnlijk succes

verkregen. Bij het Engelsche en het Oostenrijksche kabinet was dit

niet het geval geweest. Dit laatste had Italië weder in zijn macht,

wenschte het te behouden en wilde dus geen vrede; Engeland verkoos

Malta en Egypte onder geen enkel beding aan Frankrijk te laten.

De nieuwe Incometax (een belasting op het inkomen) had de schatkist

gevuld met bijna vijfhonderd millioen gulden; de vloot verkeerde in

goeden staat. Van een vrede wilde de eerste minister William Pitt,

Frankrijks doodsvijand, dus niet alleen niets hooren, doch Engelsch

onbeschaamd was zelfs zijn antwoord op Bonaparte's voorstellen. "De

eenige wijziging in Frankrijk, welke Europa zou kunnen geruststellen,

was de terugroeping der Bourbons," schreef hij.

Opnieuw zou de oorlog dus ontbranden. Een nieuwe coalitie

ontstond. Door Pruisens invloed bleven Zweden en Denemarken

onzijdig. Rusland ging nog verder. Nadat Bonaparte hem negen

duizend krijgsgevangenen, voor rekening der Republiek geheel in

nieuwe uniformen gestoken, zonder losgeld had teruggezonden, riep

keizer Paul I zijn troepen terug uit Duitschland en werd een warm

vereerder van zijn voormaligen vijand. Toch was de macht der coalitie

nog ontzagwekkend.

Engeland, Oostenrijk, Beieren, de meeste Duitsche vorsten en Turkije

bleven over. Aan den Boven-Rijn, met den linkervleugel bij Schaffhausen

stonden onder van Kray 120.000 Oostenrijkers. Met 80.000 man was

de veldmaarschalk von Melas dwars door Boven-Italië en Piëmont op

weg naar de Var, Engeland blokkeerde Malta, trok op Minorca een

krijgsmacht samen om Toulon te hernemen, maakte de Middellandsche

Zee met zijn schepen onveilig en hield de golf van Genua bezet.

Tegenover Duitschland had Moreau in den Elzas en in Zwitserland

circa 120.000 man. In Italië stond de van zijn commando in

Zwitserland ontheven generaal Massena met 30.000 krijgers in de lijn

Genua--Savona--Col di Tenda, een slecht gevoede en gekleede troep,

het jammerlijke overschot van het eenmaal zoo trotsche leger van

Italië. De garnizoenstroepen in Toscane, de Romagna en elders niet

medegerekend, was dit alles wat Frankrijk in 't begin van 1800 in

eerste linie kon brengen. Wel stonden er in Holland, de Vendée en

de vestingen nog enkele afdeelingen doch alleen een geniaal man op

't gebied van organisatie en legerbeheer zou bij machte zijn uit die

ver uiteenliggende elementen een derde bruikbare krijgsmacht te vormen.

Die man was Bonaparte. Toornig over Engelands antwoord op zijn

vredesvoorstel, vol vertrouwen op zijn nieuwe staatshoofd, leverde

Frankrijk hem binnen enkele weken 100.000 jonge soldaten (conscrits)

40.000 paarden en een talrijke artillerie. Bij honderden keerden de

oudgedienden, officieren en manschappen, in de gelederen terug. Weldra

zou de Republiek ruim 200.000 goed geoefende krijgers aan haar

oostelijke grenzen bijeen hebben.

Reeds den 25en Januari had Berthier, de minister van Oorlog, bevel

ontvangen, in de lijn Lyon-Dijon-Châlons s. Marne in alle stilte

een derde, een reserve-leger van 60.000 man samen te brengen en het

te vereenigen met het leger van Moreau. Gedekt door den Rijn wilde

Bonaparte zijn krijgsmacht snel in den omtrek van Schaffhausen

bijeentrekken, de rivier hier onverhoeds overgaan, zoodoende

reeds dadelijk bij het openen van den veldtocht in von Kray's

rug en linkerflank verschijnen, dien generaal afsnijden van zijn

operatielijnen en depôts, hem tegen den Rijn dringen en vernietigen.

Om Europa zand in de oogen te strooien en het doel te verbergen

deed Bonaparte in 't begin van Maart officieel bevel geven tot de

samenstelling eener reserve-armee bij Dijon. Werkelijk togen eenige

oude officieren, veteranen en recruten derwaarts; ook begon men hier

oefeningen te houden, maar alles op zoo onbeduidende schaal en met zoo

weinig personeel, dat de Engelsche pers en haar caricatuurteekenaars,

die eens waren gaan kijken, zich over Boney (Bonaparte's scheldnaam)

en zijn reserve-armee begonnen vroolijk te maken. "Wou hij met

zoo'n zoodje trekbeenen en melkmuilen te velde gaan. 't Was te

belachelijk." Over de nieuwe Fransche macht maakte Europa zich weldra

dan ook volstrekt niet meer bezorgd.

Hiermede had Bonaparte zijn doel bereikt; de tegenpartij was

misleid. Intusschen togen uit alle garnizoenen van Frankrijk

onafgebroken groote en kleine afdeelingen oude beproefde soldaten

onopgemerkt met kleine dagmarschen steeds verder naar 't zuidoosten,

naar Zwitserland, want daar in de bergen, niet bij Dijon doch

bij Zürich zou zich de macht verzamelen, bestemd om von Melas te

verpletteren. Reeds den 18en Maart zette Bonaparte voor haar een

marschweg uit over den Splügen naar Bergamo dus naar Melas' rug, in

't begin van April gaf hij Massena den raad uitsluitend defensief

op te treden, tot de uit Zwitserland over den St. Gotthard of den

Simplon naderende armee in Italië was verschenen; dan moest hij zich

over Turijn met deze in verbinding stellen. Melas' offensief optreden

stuurde dit plan echter in de war; hij dreef Massena terug en in

weerwil van diens even talentvol als stoutmoedig gedrag was deze

half April verplicht zich in Genua op te sluiten. Von Melas begon

het beleg. Suchet, Massena's onderbevelhebber, was op Nizza en de

Var teruggeworpen.

Den 24en April wist Bonaparte van dezen toestand weinig meer dan "dat

het leger met de Oostenrijkers handgemeen was," zooals hij schreef

aan Carnot en "dat het reserveleger dus geen uur meer te verliezen

had, wilde het Massena hulp bieden." Berthier ontving dus bevel

zijn macht van Zürich te verplaatsen naar Genève en van hier over

den Simplon of over den grooten St. Bernard Italië binnen te vallen,

dan zou von Melas tegen hem moeten front maken. Zoolang Moreau von

Kray niet krachtig had aangegrepen en teruggeworpen, viel aan een

tocht over de Alpen echter niet te denken; hij ontving dus nogmaals

en nu uitdrukkelijk bevel op te rukken. "Door zijn aarzelen bracht

hij de veiligheid der Republiek in gevaar. Massena moest geholpen."

Moreau zag dit eveneens in. Ondanks zijn belangrijk tekort aan paarden

en materieel opende hij den 25en April den veldtocht, trok, zijn eigen

plan volgende, bij Straatsburg, Oud-Breisach en Bazel den Rijn over,

misleidde zoodoende von Kray omtrent zijn werkelijk aanvalspunt, deed

generaal Lecourbe, die met zijn macht reeds bij Schaffhausen stond,

hier nu eveneens de rivier passeeren, wierp hem op Stokach met zijn

rijke magazijnen, greep von Kray zelf aan bij Engen, dwong hem ten

slotte na een reeks van groote en kleine gevechten den 10en Mei tot

den aftocht naar Ulm, doch kon dit groote succes niet vervolgen,

omdat Bonaparte hem uitdrukkelijk bevolen had deze vesting niet te

passeeren. Een decreet der Consuls van 5 Mei, hem door Carnot zelf

gebracht, beval hem tevens nogmaals circa een vierde zijner sterkte af

te geven aan Bonaparte. Onder de bevelen van Moncey ging die afdeeling

over den St. Gotthard op weg naar Italië.

"Slaat duchtig los op den eersten den besten, die uit het gareel

springt," schreef Bonaparte, die begin Mei Parijs had verlaten,

drie dagen later uit Genève aan de consuls en verried door die

woorden alleen reeds hoe goed hij van den toestand te Parijs op de

hoogte was en hoe weinig betrouwbaar hij dien toen nog achtte. De

voorafgaande weken had hij aan de samenstelling en uitrusting van

het reserve-leger schier dag en nacht gewerkt. Thans vond hij de

toebereidselen tot den overtocht over de Alpen bijna voltooid;

een reusachtige voorraad levensmiddelen en krijgsbehoeften was

van uit Genève langs den marschweg bij Villeneuve, St. Moritz,

Martigny en St. Peter bijeengebracht; de artilleriemunitie zou door

muilezels worden vervoerd. De affuiten waren uit elkander genomen;

de vuurmonden geladen op sleden, die later in de passen op last van

Marmont, den commandant der artillerie, vervangen werden door in de

lengte doorgezaagde en uitgeholde boomstammen. Door generaal Marescot

was de bergweg verkend en eenigermate begaanbaar bevonden en in den

nacht van den 14en op den 15en Mei begon de tocht; de infanterie zwaar

bepakt met mond- en krijgsvoorraad, de cavalerie en de artillerie

met de paarden aan de hand, Lannes met de voorhoede aan de spits. Om

het gevaar van lawines onderweg te verminderen, werd hoofdzakelijk

's nachts gemarcheerd. Toen het klooster nabij den top van den pas

bereikt was, vonden de soldaten hier brood en wijn, door Bonaparte's

zorg daarheen gebracht en een ware lafenis na een marsch van ruim

acht uur bergopwaarts. In twee uur tijds werd daarna het dorp St. Remy

bereikt en de gebaande weg weder betreden.

In de vijf volgende dagen en nachten waren de bergpassen van den

St. Bernhard onafgebroken vol soldaten en materieel. Den 20en volgde

Bonaparte de beweging aan den staart der achterhoede. Tot zoolang

was hij te Martigny blijven toezien, dat geen stuk van 't materieel

werd achtergelaten. Van Suchet aan de Var had hij bericht, dat von

Melas zijn stellingen bij Nizza nog niet had ontruimd. In zes dagen

kon de maarschalk Ivrea, dat Lannes reeds naderde, onmogelijk hebben

bereikt. Gevaar voor een aanval van die zijde dreigde voorloopig dus

nog niet.--In een grijzen overjas gehuld, gezeten op een muildier

en alleen vergezeld door de Bourrienne en Duroc, begon hij den

overtocht. Aan het klooster hield hij even halt, schonk den prior een

vorstelijke gift voor zijn hulp, beloonde zijn gids Dorsaz, een jongen

man uit Wallis, die zijn muildier geleid en hem tegen een leelijken

val behoed had, eveneens zoo rijkelijk, dat de man voor zijn verder

leven was geborgen. Dienzelfden avond nog bereikte hij Etroubles,

daarna Aosta in het dal van dien naam en stond aan den zuidelijken

voet der Alpen. Ongevallen waren bijna niet voorgekomen; het was

mooi weder gebleven; geen enkele maal had een sneeuwval den marsch

der troepen bemoeilijkt. In vijf dagen tijds was de tocht volbracht.

"Een wonderdaad, grooter dan die van Hannibal," heeft Thiers deze

genoemd. Met dien lof stemmen wij niet geheel in. Geniaal was het plan,

dat den grondslag er van vormde, doch de te overwinnen materieele

bezwaren waren niet zóó groot, als men het heeft doen voorkomen. In

de Middeleeuwen en in de XVIe en XVIIe eeuw tijdens de oorlogen in

Italië zijn Fransche legermassa's de Alpen bij herhaling onder veel

ongunstiger omstandigheden overgetrokken. Iets nieuws was het dus

niet; ieder ander energiek generaal, die over voldoende middelen

beschikte, had hetzelfde kunnen doen. En nu de tocht van Hannibal,

den held van Carthago? Vijfhonderd uren gaans van zijn land, zonder

operatiebasis, zonder de minste kans op hulp, zonder veel meer dan

enkele vage gegevens omtrent den geografischen toestand van het

bergterrein, dwars door een woeste onbekende streek, ondernam hij

het vermetele waagstuk aan de spits eener cavalerie, die wel aan het

heete woestijnzand, niet aan de sneeuw in een hooggebergte gewoon

was, met een reeks olifanten, die met hun logge lichaam in de breedte

heel wat meer ruimte eischten dan een paard of een muilezel en langs

een pad, dat voet voor voet met de hand moest worden verbreed om het

te kunnen passeeren. Met dezen tocht kan die van Mei 1800 dus niet

worden vergeleken, doch al 't geen Bonaparte in die dagen verrichtte

moest tegenover de tijdgenooten ongemeen wonderbaarlijk heeten. De

tijden en de toestanden leidden er toe.

Om deze reden zeker achtte het Tribunaat het dus ook geen bezwaar,

dat Bonaparte zich aan het hoofd stelde van het reserveleger hoewel

de "grondbeginselen der Constitutie van het jaar VIII den Eersten

Consul niet veroorloofden het bevel hierover op zich te nemen." In

naam bleef Berthier commandant. Wanneer de Eerste Consul slechts als

overwinnaar en vredebode terugkeerde waren de tribunen tevreden.

Reeds te Martigny had hij bericht ontvangen, dat de voorhoede bij het

dorpje Bard was gestooten op een sterkte, die door de Oostenrijkers

was bezet, de hoofdstraat van genoemd dorpje met haar vuur in de

lengte bestreek en zich niet verkoos over te geven. Langs een smal

geitenpad waren de infanterie en de cavalerie der voorhoede om de

sterkte heen getrokken, maar de artillerie had niet kunnen volgen.

Te Etroubles gekomen, was Bonaparte wel zeer ontstemd, dat deze

hem aanvankelijk als zoo onbeduidend geschetste sterkte nog niet

was genomen, doch in zijn voornemens bracht die verhindering geen

verandering. Marmont deed de dorpstraat met mest bedekken, de raderen

der voertuigen en hun rammelende deelen met stroo omwinden en in

enkele nachten sleepten de soldaten zelve al de vuurmonden met

toebehooren zonder verliezen van beteekenis voorbij het kasteel,

terwijl de troepen het geitenpad volgden.

Den 24en nam Lannes Ivrea met storm. Zijn artillerie deed hierbij flink

haar plicht. Ook het kasteel van Bard viel weldra (1 Juni.) "Wie had

kunnen vermoeden, dat de Franschen den St. Bernhard met vuurmonden

passeeren en deze tegen een kasteel richten zouden, dat eigenlijk

alleen tegen geweervuur bestand was," schreven de Oostenrijkers.

Door het kabinet van Weenen en zijn eigen agenten en spionnen omtrent

dat schijnleger bij Dijon gerustgesteld, had Melas zijn troepen

nog altijd voor Genua, aan de Var in verschillende garnizoenen

verspreid staan met Turijn als centraalpunt. Dat Bonaparte de Alpen

was gepasseerd en snel op hem aanrukte, wilde hij in 't eerst niet

gelooven. Toen meende hij uit diens bewegingen te moeten afleiden,

dat hij naar Turijn wilde, generaal Turreau bij den Mont Cenis te

hulp. Eerst toen hij bericht ontving, dat Bonaparte hem had misleid

en den 2en Juni, onder luide geestdriftsbetuigingen der bevolking,

Milaan was binnengerukt, dat zijn eigen afdeelingen overal waren

teruggeslagen, dat Pavia met zijn schat van levensmiddelen, wapens

en pontonmaterieel den 3en door Lannes was bezet, begon hij het

gevaarvolle van zijn positie in te zien en besloot hij de linie van

de Adda los te laten, zijn troepen in allerijl bij Alessandria te

verzamelen en door de vlakte van Marengo en over Piacenza naar de

Mincio en Mantua af te marcheeren, voordat Bonaparte hem dit beletten

kon. Voor dit alles was tijd noodig; hoewel het uitgehongerde Genua

zich den 4en Juni aan hem had moeten overgeven na een verdediging,

die in de krijgsgeschiedenis altijd een schitterende bladzijde

zal blijven vullen; hoewel de insluitingsarmee onder generaal Ott

hierdoor terstond in beweging kon worden gezet, kwam deze toch reeds

te laat. Den 9en vond Ott bij Montebello den even onverschrokken als

talentvollen Lannes tegenover zich en ontving van hem een zoo geducht

pak, dat hij met verlies van bijna de helft zijner sterkte ijlings

op Alessandria moest teruggaan. Toen von Melas, na een stormachtige

zitting van den krijgsraad, in den vroegen morgen van den 14en Juni

zelf ten aanval oprukte, het riviertje de Bormida passeerde en

zich met volle kracht wierp op de divisiën van Victor en Lannes,

die zich met de cavalerie van Murat, front naar het westen, in de

uitgestrekte vlakte van Marengo hadden ontwikkeld, waren de wapenen

hem aanvankelijk gunstig; reeds meende hij zich van de overwinning

verzekerd, toen om vier uur in den namiddag de kans eensklaps keerde.

De generaal Desaix, enkele dagen te voren uit Egypte teruggekeerd, door

Bonaparte terstond met een divisie-commando belast, doch tengevolge

eener bijzondere opdracht in den voormiddag nog niet aanwezig, was

kort te voren, ver voor zijn troepen uit, op het slagveld gekomen. De

Franschen, overal teruggeworpen, waren in vollen aftocht; in de

verte vormde generaal von Zach, von Melas' chef van den staf, zijn

zegevierende krijgers reeds voor den afmarsch tot een dichte massa. De

ruim zeventigjarige opperbevelhebber was naar Alessandria teruggereden

om uit te rusten en aan de kabinetten van Europa bulletins te zenden

van zijn overwinning.

Op Bonaparte's vraag hoe Desaix den toestand beoordeelde, haalde deze

zijn horloge uit. "Deze slag is verloren, maar 't is eerst drie uur;

dus is er nog tijd genoeg om een tweeden te winnen."

Dit woord is Bonaparte als uit het hart gegrepen. Terstond geeft

hij bevelen. Adjudanten rennen over het slagveld. De teruggaande

afdeelingen staken haar beweging, beginnen weder front te maken, in

haar verband terug te komen en vormen weldra een dunne lijn tusschen

Castel-Ceriolo, den rechtervleugel en San Giuliano, het midden. Hier,

door een terreinplooi aan het oog onttrokken, ontwikkelt Desaix

intusschen zijn 6000 man, die reeds tien uur hebben gemarcheerd, tot

het gevecht; Kellermans cavaleristen komen schuin achter hen; twaalf

vuurmonden onder Marmont, al wat er aan artillerie is overgebleven,

rijden op vóór het front.

Bonaparte rijdt vlug door de gelederen en electriseert zijn soldaten

door zijn taal.--Als het hoofd van von Zachs breede, logge colonne

Desaix dicht genoeg is genaderd, dreunt en dondert het eensklaps uit

al die kanonnen tegelijk; een dichte hagelbui van schroot giert en

huilt over het veld en slaat in de dichte drommen.

Nog zijn de schrik en de verwarring, door dit zware onverwachte vuur

teweeggebracht, niet half geweken, als Desaix aan de spits van de 9e

halve-brigade verschijnt op den rug van de terreinplooi, die hem en

zijn mannen tot nu toe voor den vijand verborgen hield. Een salvo op

den kortsten afstand kraakt uit honderden geweren; dan gaat het er

op in met 't blanke staal in de vuist, en wat niet valt of vlucht

voor dezen aanval der "Incomparable," zooals de 9e van dien dag af

heeten zal, bezwijkt onder de geduchte sabelhouwen der dragonders

van Kellerman, die chargeeren als razenden. In een oogwenk zijn 2000

gevangenen gemaakt. Zelfs von Zach moet zijn degen overgeven.

Thans roffelen de trommen langs het Fransche front. Voorwaarts

gaat het, op die dichte massa's Oostenrijkers in, die, op elkander

gedrongen, door eigen dragonders half onder den voet gereden, het hoofd

verliezen en niet meer luisteren naar hun officieren. Kaim en Haddick

trachten nog, hen in Marengo te doen stand houden. Hun cavalerie

tracht te chargeeren, maar moet wijken voor de garde grenadiers te

paard onder Bessières en Eugène de Beauharnais. Bij de ruiterij van

Ott ontstaat een paniek.--"Naar de bruggen! Naar de bruggen!" gilt

alles. De storm naar deze zwakke overgangen begint. Infanteristen,

cavaleristen, artilleristen, één kluwen vlucht en stormt er heen,

de Franschen hen na, dronken van vreugde en geestdrift, de wapperende

vanen hoog in den wind!

Bij de bruggen neemt de verwarring schrikbarend toe. Velen trachten

de Bormida te doorwaden; vuurmonden geraken vast in het slijk van den

bodem. De paniek wordt algemeen. Menschen, paarden, kanonnen, bagage,

alles valt in handen der Franschen. Half wanhopig moet von Melas,

die naar het slagveld is teruggekeerd, dit tooneel aanschouwen.

Die dag kostte hem meer dan 10.000 man aan dooden, gekwetsten en

gevangenen. De staven zijner korpsen waren zwaar gehavend, een massa

officieren gevallen. Bij het appèl ontbraken ook bij het Fransche

leger ruim 4300 officieren en soldaten; ook hier waren de staven zeer

gedund. Het zwaarste verlies was echter de dood van Desaix; een der

eerste vijandelijke kogels had hem getroffen. Zijn adjudant Savary

had zijn lijk gevonden en het naar het hoofdkwartier overgebracht.

De Bourrienne kwam zijn chef gelukwenschen: "Wat een prachtige

dag!"--"Prachtig zou die geweest zijn, als ik Desaix hedenavond op

het slagveld had kunnen omhelzen," zeide Bonaparte.

Reeds den volgenden morgen kwam de prins van Lichtenstein

onderhandelen; weldra werden de voorwaarden eener conventie te

Alessandria geteekend.

Twee rivieren, de Chiesa en de Mincio, gaven hierbij de grenzen aan

voor een strook onzijdig terrein tusschen de legers. Genua, al de

sterkten in Piëmont, Lombardije en de Legatiën gingen in Fransche

handen over. Aan von Melas met zijn troepen werd vrije aftocht verleend

naar Mantua. Italië was heroverd.

Den 17en was Bonaparte, toegejuicht als een vorst, te Milaan terug. De

Cisalpijnsche republiek werd hersteld, de Ligurische gereorganiseerd

en weder onafhankelijk verklaard. Piëmont, waarvan de koning naar het

eiland Sardinië was geweken, ontving een voorloopig bewind. Generaal

Jourdan, de vurige republikein, werd als commissaris der Republiek

belast met de leiding der zaken en aan Massena, den heldenfiguur van

Genua, werd het oppercommando over het leger in Italië opgedragen.

Nog onder den indruk, dien Marengo's met bloed bedekte vlakte op hem

had gemaakt, vurig naar vrede verlangende en begrijpende, dat, al had

hij op zijn eerste schrijven niet rechtstreeks antwoord ontvangen, zijn

standpunt als overwinnaar hem thans nòg meer recht van spreken gaf,

had de Eerste Consul terstond opnieuw aan den keizer van Oostenrijk

geschreven:

"Op het slagveld, te midden eener massa gekwetsten, omringd

door duizenden lijken, smeek ik Uwe Majesteit gehoor te geven

aan de stem der menschelijkheid en niet te dulden, dat twee

dappere natiën elkander om hals brengen voor belangen, welke

hun vreemd zijn. Omdat ik dichter bij het oorlogstooneel sta

dan U, rust op mij de plicht bij Uwe Majesteit hierop aan

te dringen. Uw hart kan niet zoo diep zijn getroffen als het

mijne, enz."

't Was een lange brief; tegelijk met het verdrag van Alessandria

werd hij verzonden. Bij later nadenken gevoelde Bonaparte spijt,

dat hij zich daarin te veel mensch, te weinig staatsman getoond had.

Te Milaan sprak hij kardinaal Martiniana, een vriend van den nieuwen

paus Pius VII [22] en verklaarde hem, dat hij met den Heiligen Stoel

in vrede leven en dezen zelfs tegen zijn vijanden in bescherming

nemen wilde, als de kerkvorst zich voor redeneering vatbaar betoonde

en den tegenwoordigen toestand van Frankrijk en dien van de wereld

begreep. Den volgenden dag woonde hij een plechtig Te Deum bij in

Milaans oude hoofdkerk.--"Wat de godloochenaars te Parijs hiervan

zeggen, laat mij koud; ik ga die plechtigheid in volle staatsie

bijwonen," schreef hij aan zijn mede-consuls. Zijn officieren en

soldaten, volbloed republikeinen, die van geen kerk of geestelijkheid

meer wilden hooren, gaven hun ongenoegen over deze daad wel te kennen,

doch hieraan stoorde hij zich niet.

Te Milaan regelde hij ook het feest van den 14en Juli, den verjaardag

der omwenteling te Parijs.--"Geen naäpen van vroegere feesten wil ik,

ook geen wagenrennen. Deze waren op hun plaats bij de oude Grieken,

want zij streden op wagens; voor ons, Franschen, hebben ze geen

beteekenis; ook geen zegebogen verlang ik. Mijn zegeboog zie ik in

de tevreden gezichten van de bevolking," schreef hij.

In het laatst van Juni was hij onderweg naar Parijs en passeerde hij

den Mont Cenis met het voornemen op dezen bergweg, een der kortste

verbindingen tusschen de hoofdstad en Italië, een klooster te doen

bouwen in den trant van dat op den St. Bernhard. Dat hij reeds in die

dagen verteerd werd door dorst naar grootheid en roem, verried hij aan

zijn reisgenooten Duroc en Bessières. "Binnen twee jaar heb ik Caïro,

Milaan en Parijs veroverd. Kwam ik morgen te vallen, dan zou mijn naam

in een boek over de wereldgeschiedenis nog geen halve pagina vullen,"

zei hij onder anderen.

Juichte gansch Frankrijk over een zegepraal, die vrede kon brengen, te

Parijs bij Talleyrand en Fouché, bij Carnot en Lafayette, bij Lucien,

Jozef en Bernadotte, bij de mannen dus, die over de huid reeds aan

't onderhandelen waren geweest, voor dat de beer was geschoten, was de

vreugde matig. Reeds had het gerucht geloopen, dat Bonaparte den slag

en het leven verloren had en er was geïntrigeerd van belang. Bonaparte

wist dit echter. Door de tijdige komst van Desaix had de fortuin hem

bij Marengo zoo wonderbaarlijk gediend, dat het geloof aan een groote

rol op het wereldtooneel, die de Voorzienigheid voor hem had weggelegd,

had post gevat in zijn ziel, een ziel die door zijn afstamming en door

een langdurig verblijf in Egypte toch reeds eenigermate tot fatalisme

overhelde. Zijn uur kon dus nog niet zijn gekomen, dacht hij. Hij wilde

dus vergiffenis schenken en vergeten, alleen deed hij Carnot het loodje

leggen, ontnam hem de portefeuille van Oorlog en schonk ze aan Clarke.

Door krijgskundigen is hem verweten, dat hij bij den opmarsch tegen

von Melas' verbindingen met de Mincio zijn troepen te veel had

versnipperd, dat hij hierdoor bij Marengo verreweg in de minderheid

was en dat alleen de tijdige komst van Desaix hem ten slotte de zege

had doen behalen. Al is het waar, dat hij aan Desaix op dien dag de

overwinning heeft te danken, toch is het verwijt slechts ten deele

gegrond, want aangenomen zelfs, dat hij bij Marengo was verslagen, kon

de terugtocht over de Po bij Piacenza hem niet worden belet. Binnen

vier en twintig uur had hij daar een voldoende macht versche troepen

kunnen bijeenbrengen om von Melas met alle kans op succes opnieuw

aan te grijpen.

Hulde aan een infanterie, voor 't meerendeel conscrits, die door haar

taaiheid, haar marschvaardigheid en haar volkomen vertrouwen op haar

chef dezen in staat stelde, zijn op de kaart ontworpen plannen om

te zetten in energieke, snel uitgevoerde daden; alleen deze brengen

de beslissing.

Napoleon(#27883) · 第 23 / 49 题