HOOFDSTUK VIII.

Bonaparte wordt Eerste Consul.

Zijn oudste broeders en Joséphine hadden eveneens geruimen tijd in de

meening verkeerd, dat hij in Egypte zijn graf had gevonden. Jozef had

aansluiting gezocht bij Bernadotte en dezen zijn schoonzuster Désirée

ten huwelijk gegeven, mogelijk wel in de hoop, te eeniger tijd met

dezen tot minister benoemden generaal zijn slag te kunnen slaan en

het vermolmde gouvernement omver te werpen, want Bernadotte was bij

het leger zeer gezien en een intrigant van het eerste soort.

Na zijn verkiezing in den Raad van Vijfhonderd, al miste hij hiertoe

den wettelijk vastgestelden leeftijd, had Lucien zich op de tribune

geducht geweerd, was benoemd tot secretaris en had redevoeringen

gehouden, die herinnerden aan de schoonste dagen der Jacobijnsche

redenaars. Deze werden echter door hem bestreden, want hij was nu

reactionnair, had telkens herhaald, dat een ieder, die de veiligheid

der Volksvertegenwoordiging dorst aanranden buiten de wet moest

worden gesteld; Lucien was zoodoende voor de Jacobijnen in den Raad

van Vijfhonderd en daarbuiten als hun heftigste tegenstander een

nachtmerrie geworden.

Steeds partij kiezende tegen het Directoire, had hij onder die

bedrijven met Siéyès in stilte betrekkingen aangeknoopt om de grondwet

van het jaar III door een geheel nieuwe te vervangen. Jong, onervaren,

zoo goed als alle rechtskennis missende, maar grenzenloos brutaal

en vermetel, zich zelf een even groot genie op politiek terrein

achtende als zijn broer het was in krijgszaken, had hij zich, door de

omstandigheden gediend, in nog geen twee jaar een positie veroverd,

welke hem voeren kon naar het hoogste gezag.

Of er in de beide Raden dan geen mannen meer zetelden, die tegen hem

waren opgewassen? In wetenschap, kennis van zaken en ervaring zeker

nog wel, maar tijdens de omwenteling had Frankrijk zijn schranderste

redenaars, zijn knapste koppen zien vallen en de overgeblevenen,

door een langdurigen worstelstrijd afgemat, misten thans den lust en

de energie, veelal ook het talent, om in een helder, zakelijk betoog

het bewijs te leveren, dat Lucien een wauwelaar was, die heden afbrak,

wat hij gisteren verdedigde en die grondige zakenkennis miste.

Aan "Napolione" van wien in maanden geen tijding was ontvangen en

die feitelijk toch de grondlegger was geweest van hun tegenwoordig

fortuin, dacht Jozef evenmin als Lucien; beiden werkten uitsluitend

aan hun eigen toekomst; alleen Louis was met zijn geest daarginds en

eischte tevergeefs, dat Lucien in den Raad een voorstel zou doen om

de expeditie hulp te brengen.

Ook Joséphine, die aanvankelijk van plan was geweest haar echtgenoot

te volgen naar Caïro, scheen niet langer aan hem te denken; zij

was het leventje van voorheen met den zoo "aardigen" Charles en de

verdachte kennissen incluis, weder begonnen; alleen had ze Barras,

wiens invloed sterk begon te verminderen, losgelaten en steun gezocht

bij Gohier. Onder het schrikbewind was Gohier minister van Justitie

geweest, had later zijn zetel in het Directoire te danken gehad

aan de Jacobijnen, die hem afschilderden als een republikein van de

echte soort, vol burgerdeugden en gestrenge zedelijke beginselen. Met

haar zwagers had zij gebroken. Vooral met Jozef, die bij het vertrek

van haar man door dezen belast was met het beheer van zijn vermogen,

die haar zeer kort hield en van haar bij herhaling had moeten hooren,

dat hij mooi weer speelde met het geld van zijn broer, stond zij op

gespannen voet. Reeds dacht zij aan een scheiding om dan met Charles te

kunnen trouwen en was er sprake van een huwelijk tusschen haar dochter

en den zoon van Gohier, toen het bericht van Bonaparte's landing bij

Fréjus haar aan een diner bij Gohier trof als een bliksemstraal.

Een korte poos zat zij als verpletterd, toen was zij zich zelve

weder meester en begreep, dat alleen een vermetele zet haar kon

redden. Bonaparte kwam naar Parijs; ontmoette hij zijn familie voor

zij hem gesproken had, werd hij dus ingelicht omtrent haar leven

in de laatste anderhalf jaar, dan was zij reddeloos verloren, dan

wachtte haar een echtscheiding. Die familie moest zij dus vóór zijn.

"Vrees niet, dat Bonaparte met voor de vrijheid noodlottige bedoelingen

naar hier komt; maar wij moeten de handen ineenslaan om te beletten,

dat een troep ellendelingen zich van hem meester maakt," voegde zij

Gohier toe en Joséphine was geen uur later zonder kamenier, bagage

of geleide met postpaarden op weg naar Lyon, haar man tegemoet.

Maar van Fontainebleau voeren twee wegen naar het zuiden; zij sloeg

den verkeerden in, kwam eerst te Lyon tot deze ontdekking, keerde

spoorslags naar Parijs, doch vond in haar hotel de kamerdeur op

slot. De familie had den tijd gehad den jammerlijk door haar bedrogen

echtgenoot in te lichten omtrent haar gedrag.

De wanhoop nabij, gebogen onder een schuldenlast, die liep in de

millioenen en onder het bewustzijn, dat de ouderdom snel naderde

en dat armoede en gebrek haar wachtten, als hij haar verstiet,

viel zij voor die deur op de knieën en smeekte en bad onder tranen

om vergiffenis, doch de deur bleef dicht. Uren verliepen. Hortense

en Eugène kwamen haar helpen. Eindelijk, eindelijk werd een sleutel

omgedraaid in 't slot, de deur geopend. Met een gelaat, dat doodsbleek

en verwrongen nog getuigde van zijn zielestrijd, stond de echtgenoot

op den drempel en breidde de armen uit; de herinneringen aan 't

verleden, de tranen van Hortense en Joséphine, zijn liefde voor haar,

hadden gezegevierd. Hij had vergiffenis geschonken, niet ten deele

doch volkomen, onvoorwaardelijk; naar de medeplichtigen vroeg hij

niet. Als een voor altijd gesloten boek schoof hij 't gebeurde achter

zich; hij zelf, redeneerde hij, was de schuld van alles, want hij

had zijn vrouw slecht bewaakt. Voortaan zou hij beter oppassen. Toen

Lucien hem den volgenden morgen kwam opzoeken, werd hij ontvangen

in Joséphine's slaapkamer; Napoleon lag nog te bed. In de twee

volgende dagen betaalde hij al haar schulden, meer dan twee millioen,

waaronder 600.000 francs voor toiletartikelen en 225.000 francs voor de

buitenplaats Malmaison. De Parijsche groote wereld, die in de laatste

tien jaar van nog heel wat sterker stukken was getuige geweest, vond

deze verzoening volstrekt niet belachelijk, ze juichte die zelfs toe;

in haar oog werd Bonaparte opnieuw de goedhartige man, die hield van

huiselijk, gezellig leven, weinig of geen eerzucht kende en, terwijl

geheel Parijs van hem was vervuld, 's avonds met zijn vrouw zat te

triktakken, een spel waarin Joséphine uitmuntte.

En deze had een les ontvangen, die zij nimmer zou vergeten. Een

licht was haar opgegaan over het gewicht van haar positie naast een

echtgenoot, die terstond al haar schulden betaald, haar naast zich

een plaats gegeven had en wiens toekomst haar reusachtig toescheen,

al begreep zij nog volstrekt niet, waarheen die kon leiden. Slim

als een echte vrouw, koos zij een nieuwe gedragslijn, verzoende zich

voor het oog met haar zwagers, bleef op goeden voet met het echtpaar

Gohier en werd voor haar man die meegaande, zorgzame, lieftallige

gade, die steeds op een wenk van hem gereed stond om hem te dienen,

hem op te beuren, met hem op reis te gaan, desnoods in 't holst van

den nacht en hem in één woord te omringen met al die kleine attenties,

welke men een liefhebbende moeder kan zien schenken aan een nukkig,

bedorven kind. Met die onnavolgbare gratie, welke enkele vrouwen is

aangeboren en die meer boeit dan schoonheid, ontving zij in haar salon

zoowel de mannen der Conventie als Cambacérès, Réal en Monge als de

Ségur, de Caulaincourt en andere haar trouw gebleven vertegenwoordigers

van den ouden adel; zij bereidde aldus die fusie van standen voor,

welke Bonaparte op het oog had; vol tact nam zij bijna dagelijks de

honneurs waar van een tafel met meer dan twintig gasten en verving

haar man, als deze moede en nurksch, of met andere dingen vervuld,

geen lust had in praten, opstond van tafel en heenging. Nooit scheen

haar iets te veel; steeds vond Bonaparte haar in een frisch, smaakvol

toilet, met een vriendelijk lachje op de lippen, gereed voor al wat

hij in zijn nukkige, vaak driftige buien geliefde te bevelen.

Haar thans dertigjarigen man, die nooit anders dan op kamers in

een logement had gewoond en die als een volbloed Corsicaan een

huiselijken haard toch zulk een kostelijk bezit achtte, schonk zij

zoodoende een intérieur, waarin hij zich behaaglijk gevoelde, waarin

werd gedineerd als hij gereed was met zijn werk, al werd het ook tien

uur, waarin alles werd geschikt naar hem en waarin hij steeds een

vrouw vond met wie hij vertrouwelijk kon praten over de onderwerpen,

die zijn geest vervulden of over de verhoudingen en de toestanden in

een wereld, die hij, de man van bijna burgerlijke afkomst, nooit,

zij, in zijn oog zooveel hooger staande vrouw van adel, zooveel te

beter had gekend en in welker toon, gebruiken en levenswijze hij

steeds een opmerkelijke belangstelling verried.

Vollediger en beter nog dan uit de couranten van Sidney Smith kon

Bonaparte thans zelf te Parijs nagaan in welk een toestand Frankrijk

ondanks de overwinningen van Massena en Brune verkeerde. Wel had het

Directoire de Manége club doen sluiten en hadden de Jacobijnen, die

al zijn handelingen in heftige taal bestreden, hun verzamelplaats dus

verloren, wel had het Directoire Bernadotte vervangen als minister

van oorlog en was het dus tegen deze fractie even ruw opgetreden

als te voren tegenover de club van Clichy, maar den toestand had het

hiermee niet verbeterd. De anarchie was blijven bestaan. Van het oude

stelsel, het koningschap, had de natie haar bekomst; 1793 lag haar nog

zoo versch in 't geheugen, dat ze hierom alleen reeds de Jacobijnen

terugstiet, doch republikeinsch verlangde ze te blijven, terwille van

de vrijheid en de gelijkheid, welke daarmede samenhingen. Dat slappe,

vijfhoofdige gouvernement, dat Directoire heette, doch niet dirigeerde,

nooit eensgezind was en telkens door kleine veten verried, hoe bedroefd

weinig zijn leden als bestuursmannen hadden te beteekenen en hoe grof

eigenbelang ook bij hen vaak ging boven dat van het land, moest dus

verdwijnen. Geredeneerd was er veel te veel, gehandeld veel te weinig;

haar veroveringen op sociaal gebied wenschte de natie te behouden;

orde was hiertoe een eerste vereischte; de vrijheid mocht dan later

volgen, eerst moest er orde heerschen en de eenige die deze brengen

kon, was de man van Arcola, van Rivoli, de man die een tijdlang alleen

had gestaan tegenover half Europa, die plotseling uit Egypte was

teruggekeerd en op wien gansch Frankrijk thans de oogen gevestigd had.

Bonaparte wist, voelde dit. Hoewel hij dagelijks tal van personen

ontving, die hem hulde kwamen bewijzen, over verschillende

zaken zijn meening wilden weten of zijn hulp noodig hadden,

hoewel zelfs de minister van Oorlog hem kwam verzoeken om raad en

inlichtingen, bewaarde hij het zwijgen over zijn eigen zienswijze

en voornemens. Alleen luisterde hij scherp naar 't geen om hem heen

voorviel, vernam van Fouché, den minister van politie, wat Parijs zeide

en deed, doch begon met te bedanken voor een nieuw legercommando, dat

het Directoire hem terstond wilde opdragen.--"Hij was nauwelijks terug,

gevoelde zich ziek en wilde eerst uitrusten en op zijn verhaal komen."

Bij niet ééne partij sloot hij zich aan; dat de royalisten niet

op hem behoefden te rekenen, had hij hen op den 18en Fructidor

reeds getoond, de ultra's der voormalige Conventie werden door hem

geschuwd evenals de zoogenaamde pourris, een partij van wel bekwame

maar totaal in den grond verdorven mannen, zooals Barras, die alleen

op het kussen trachtten te komen om hun eerzucht en hun gouddorst te

bevredigen. Uit de keuze der mannen, die hij om inlichtingen vroeg,

als Cambacérès, Roederer, Réal en anderen, bleek echter weldra,

dat hij partij had gekozen voor de gematigden. Hij polste Gohier en

Moulins over zijn opname in het Directoire in de plaats van Siéyès,

die zich bij velen had verdacht gemaakt, steeds zwanger heette te gaan

van omwentelingsplannen en door hem kortaf werd genegeerd, doch vond

bij deze Directeurs geen gehoor. Volgens de grondwet van het jaar III

was hij te jong en in strijd met deze verkozen zij niet te handelen.

Deze poging om aan 't bewind te komen mislukte, en nu wendde hij zich

tot Barras. Aan dezen had hij groote verplichtingen, door hem was hij

reeds te Toulon onderscheiden, op 13 Vendémiaire was hij door hem te

paard geholpen en al had Barras kort te voren in een zitting van het

Directoire gezegd, dat "de kleine korporaal in Italië aardig zaakjes

had gemaakt," al was dit Bonaparte ter oore gekomen en de toch al niet

te beste verstandhouding hierdoor nog meer verkoeld, met Barras, die

nog altijd een zekere populariteit genoot en hoofd was van de politie

dacht Bonaparte, zou nog wel iets zijn te beginnen. Doch ook hier

slaagde hij niet. Barras onderhield reeds in 't geheim betrekkingen

met den pretendent, had van dezen prachtige aanbiedingen ontvangen en

stuurde Bonaparte met een kluitje in 't riet. "Ik ben oud en versleten;

u moet terug naar het leger, generaal Hédonville (een braaf en kundig

maar weinig bekend officier, zijn beschermeling) moet president worden

van de Republiek, anders gaat deze te gronde," beweerde hij.

Toen wendde Bonaparte zich naar Siéyès, zijn bête noire, zooals

Joséphine het uitdrukte en gaf hem kort en bondig te verstaan, dat hij

op hem kon rekenen. Reeds in de eerste dagen der omwenteling op den

voorgrond getreden, zelfs door Mirabeau gevleid, in het Directoire

gebracht, omdat hij als gezant te Berlijn tot de handhaving der

neutraliteit van dit kabinet tegenover de Republiek zeer veel zou

hebben toegebracht, gematigd republikein, door zijn kennis van menschen

en zaken een hoofdlengte uitstekend boven zijn mededirecteurs, was

hij nog altijd verstoord, omdat in de grondwet van het jaar III het

door hem zelf ontworpen schema van zulk een wet niet was opgenomen.

Niet alleen Roger Ducos maar de meerderheid in den Raad der Ouden,

ook veel leden van den Raad van Vijfhonderd, en verder al wat in

Frankrijk reikhalzend uitzag naar het herstel van orde en rust

telde hij onder zijn aanhang. Benjamin Constant, Talleyrand, die

voorzichtigheidshalve reeds zijn ontslag had genomen, zelfs Daunou,

de hoofdontwerper der grondwet, steunden hem. Ik heb noodig een man

van de daad, een man van het zwaard, dien ik leiden kan, had hij

reeds vroeger gezegd; hij had het oog laten vallen op den jeugdigen,

talentvollen generaal Joubert, doch deze was bij Novi gesneuveld. Toen

had hij Moreau trachten te winnen, maar was afgestuit op diens

aangeboren rechtschapenheid en--besluiteloosheid.

Thans zag hij Bonaparte tot hem komen. Te voren hadden Jozef en Cabanis

tot een onderhoud den weg gebaand en hoewel hij een voorgevoel had,

dat de ander zijn medewerking slechts kwam vragen voor een zekeren

tijd en hem dan zou loslaten, gaf hij toe. In den avond van 30 October

had het onderhoud plaats. Acht of tien dagen later, werd afgesproken,

zou de staatsgreep worden uitgevoerd.

In de nu volgende dagen scheen Bonaparte zeer beducht voor zijn leven

en scheen de vrees voor een einde, als Hoche had gevonden, hem te

kwellen. Vooral Barras, die, door Réal en Fouché gewaarschuwd voor

't geen er broeide, nog een poging tot samengaan had gedaan doch was

afgewezen, scheen door hem te worden verdacht. Op een banket, hem

den 6en November door de Raden aangeboden, gebruikte hij b. v. niets

dan een broodje en een halve flesch wijn, die hij door Duroc, zijn

adjudant, voor zich had laten halen en verliet daarop met Berthier

de feestzaal, om met Siéyès de laatste afspraak te maken. Het leger

te Parijs had hij geheel op zijn hand; de generaals eveneens; alleen

Jourdan en Augereau aarzelden nog. Bernadotte, de zwager van Jozef

was door Désirée, zijn vrouw, tevergeefs aangezocht om met Bonaparte

gemeene zaak te maken. Hij haatte Siéyès, was ten opzichte van

Bonaparte met hartstochtelijke afgunst vervuld, kon en wilde niet

gelooven dat het Directoire zich zonder slag of stoot zou overgeven,

meende in geval van weerstand van deze zijde, zelf een groote rol

te kunnen spelen en hield zich dus als sluwe Gascogner, die hij was,

buiten het spel, om zijn diensten al naar de zaken liepen, zoo duur

mogelijk te verkoopen.

Terwijl Berthier, Leclerc, Murat, Duroc, Lavalette, Marmont en Eugène,

ieder in zijn eigen kring en bij zijn eigen wapen druk in de weer

waren om steeds nog meer aanhangers te werven, had Lucien, sinds 22

October president van den Raad van Vijfhonderd op zich genomen deze

heeren tot medewerking over te halen, en was hierin zoo goed geslaagd,

dat de groote meerderheid zich vóór den staatsgreep had verklaard.

Den 18en Brumaire (9 November) decreteerde de Raad der Ouden, dat

de beide Raden naar St. Cloud zouden worden verplaatst, droeg de

uitvoering van dit besluit op aan Bonaparte, en handelde in strijd met

zijn bevoegdheid door hem tegelijkertijd het bevel te geven over al de

troepen en deed hem, omringd door een schitterenden staf van generaals

en hoofdofficieren, als zoodanig den eed afleggen. Tegelijkertijd

namen Siéyès en Roger hun ontslag als directeurs en werden hierin

op aandrang van Talleyrand door Barras gevolgd. Gohier en Moulins,

hiertoe ongenegen bevonden, werden bewaakt door Moreau, opgesloten

in hun vertrekken. Groote troepenmassa's rukten Parijs binnen. Tot

zoover ging alles goed; de eerste zet was zonder strijd gewonnen.

Aan het hoofd der garde van de beide Raden rukte Bonaparte den

volgenden morgen naar St. Cloud, trad hier den Raad der Ouden

binnen om van dezen een decreet te verkrijgen, tot wijziging in den

regeeringsvorm nu de meerderheid van het Directoire zijn ontslag had

ingediend, leverde een weinig samenhangend betoog, waarbij hij telkens

werd in de rede gevallen, maakte, niet gewoon te spreken in dergelijke

vergaderingen, hier een alles behalve schitterend figuur, bereikte dan

ook zijn doel niet en ging daarop vergezeld van een paar grenadiers,

die hij bij de deur achterliet naar de vergaderzaal der Vijfhonderd.

Hier had Lucien het laatste half uur tevergeefs alle krachten

ingespannen om de gemoederen bedaard te doen blijven. Er heerschte

gisting. Het niet op tijd gereed zijn der zittingzalen had ten gevolge

gehad, dat er twee uur lang tusschen de leden der beide Raden druk

was gepraat, dat achterdocht omtrent Bonaparte's plannen de gemoederen

had aangegrepen. Dat hij in een nieuw te vormen Directoire zou worden

opgenomen, achtten de meesten reeds meer dan voldoende, maar 't geen

den dag te voren was geschied en nu weder dat groote troepenvertoon,

scheen te wijzen op verdere plannen, mogelijk op een greep naar de

dictatuur, de onbeperkte heerschappij, en van deze wilden de meesten

niets weten.

Toen hij met zijn grenadiers aan den ingang verscheen, klonk

hem al dadelijk een verwoed: "Weg met den dictator! Weg met de

bajonetten!" tegen. Dreigend en tierend drong men op hem aan tot

zijn grenadiers hem ten slotte tusschen de menigte uit haalden en

naar buiten voerden. Een oogenblik trachtte Lucien het gedrag van

zijn broeder te rechtvaardigen, maar vond geen gehoor, want allen

brulden en gilden: "Buiten de wet! Stemmen, president! Buiten de wet

de generaal!"--Toen gaf hij generaal Frégeville een der invloedrijkste

leden en een bondgenoot tevens, een wenk, fluisterde hem iets in, zag

hem de zaal verlaten, en begaf zich naar de tribune, rukte zich toga

en sjerp van 't lijf en wierp ze naast zich neder.--"De vrijheid is van

hier verdwenen. Verstaanbaar maken kan ik mij niet meer. Als bewijs van

rouw legt de president de teekenen af der volksmagistratuur!" dreunde

het boven het rumoer uit van zijn lippen.

Langzaam daalde hij de trap af, ging, door zijn vrienden omringd,

naar de deur, ontwaarde het piket soldaten, dat Frégeville had

ontboden, sprong op een paard en deed den ban slaan.--"Soldaten,

de Raad van Vijfhonderd is ontbonden. Zijn president zegt u dit. Een

bende moordenaars heeft de zaal overrompeld en tegenover de meerderheid

geweld gepleegd. Jaagt die uiteen!

Overdreven, hartstochtelijk klonk die sommatie, maar dat gillende:

Buiten de wet! had Robespierre den kop gekost. Lucien had gevoeld,

dat het leven van zijn broeder en der Bonaparte's op het spel stond.

Een kort bevel van Bonaparte volgde; met Murat en Leclerc aan de spits

rukte een bataljon grenadiers naar de zaal der Oranjerie, een lange

roffel overstemde het gebrul der afgevaardigden. In een ommezien was

de zaal ontruimd.

Dienzelfden avond was de meerderheid der Vijfhonderd onder

voorzitterschap van Lucien hier weder bijeen, zij verklaarde dat

Bonaparte en zijn soldaten zich tegenover het vaderland verdienstelijk

hadden gemaakt, dat het Directoire had opgehouden te bestaan, en een en

zestig personen ophielden lid te wezen van de volksvertegenwoordiging,

schiep een voorloopige consulaire commissie, samengesteld uit Siéyès,

Roger-Ducos en Bonaparte, en droeg aan twee commissies ieder van

vijf en twintig leden op, de in de grondwet van het jaar III noodig

geworden veranderingen voor te bereiden.

De Raad der Ouden, die niet was ontbonden en bij den loop dien de

zaken hadden genomen, thans danig in de verlegenheid zat, had Luciens

verklaring van zijn gedrag nolens volens aangenomen, en keurde de

genomen besluiten goed. De nieuwe Consuls werden beëedigd, de noodige

tijdelijke commissies gekozen en de omwenteling van 18 Brumaire was een

voldongen feit. De rol door Bonaparte dezen dag gespeeld was vreemd,

een ander deed wat hij niet deed, niet kon en wist te doen; Lucien

redde ten slotte alles en toonde revolutionnair te zijn gebleven,

want toen hij den afgrond voor hem en de zijnen geopend zag, nam hij

zijn toevlucht tot geweld.

Parijs, neen gansch Frankrijk juichte. Uit was het met dat

"gouvernement van babbelaars en advocaten." De zorg voor de eer, de

grootheid, en de onschendbaarheid van het vaderland was toevertrouwd

aan den eenigen man, die getoond had, waartoe hij bij machte was;

slechts één naam, die van generaal Bonaparte had van nu af in Frankrijk

klank. Door hem zouden rust en orde terugkeeren. Dat hij een soldaat

was vol eerzucht, dat hij onverbiddelijke gehoorzaamheid zou eischen,

verminderde niets aan het bijna grenzenlooze vertrouwen in hem

gesteld. Tien jaar lang had het land gezucht onder de anarchie; op den

rand van den ondergang was het geweest, nog stond de buitenlandsche

vijand nabij de grenzen. Hij, Bonaparte, zou het terugvoeren naar

zijn oude plaats in de eerste rij der groote mogendheden.--

Over deze omwenteling liepen de meeningen tamelijk ver uiteen. Enkele

tegenstanders er van noemden ze een brutalen aanslag, die de Republiek

in haar vlucht naar de vrijheid vleugellam maakte; anderen achtten

ze een even stoute als noodzakelijke daad, die een einde maakte aan

onhoudbare toestanden. Wij zien er slechts een der phasen in, welke

Frankrijk moest doorloopen, voordat het in de juiste beteekenis van

het woord vrij worden kòn, d. w. z. voordat het tot het rechte begrip

was gekomen van 't geen een natie in de moderne samenleving aan zich

zelf en aan de haar gestelde wetten is verplicht. Juist die wetten

werden den 18en Brumaire door Bonaparte met voeten getreden. Dat

er aan deze veel haperde, staat vast; dat de bestaande toestanden

onhoudbaar waren geworden, eveneens; doch elke daad van geweld, tegen

den hoeksteen van een goed geordenden staat is afkeuringswaardig;

en ondanks al het goede, later door hem gewrocht, heeft Napoleon toen

aan het nageslacht een verderfelijk voorbeeld gegeven.

Veel is er echter ook tot zijn verontschuldiging te zeggen. In

naam der vrijheid had Frankrijk den strijd aangebonden tegen al

wat onderdrukking was of dwingelandij, dus tegen toestanden, die

in het overige Europa sinds eeuwen heerschten, die ten nauwste waren

verbonden met de souvereine rechten der vorsten en door deze dus met de

wapenen in de vuist tot het uiterste werden verdedigd. Een bestuur zoo

onverbiddelijk gestreng als het Comité de Salut Public, had het tegen

die vorsten en tegen de partijen in het binnenland een tijdlang kunnen

volhouden, een vijfhoofdig uitvoerend bewind, zoo onsamenhangend,

zoo slap en zoo onpractisch als het Directoire niet. In zulke bange

dagen, als Frankrijk toen doorleefde, was dit bestuur een onding. Het

móést vervangen door dat van één man, geen babbelaar of geleerde

met abstracte begrippen, in de studeercel prachtig, in de practijk

onbruikbaar, maar een man van de daad, toegerust met een ijzeren

wil, een stalen werkkracht en een scherpen blik, een soldaat kortom,

die aan grooten persoonlijken moed een organiseerend talent van den

eersten rang paarde en van dit alles reeds de bewijzen had geleverd.

Zulk een man wàs Bonaparte. Niet alleen hij, ook Frankrijk wist dit;

de volgende vijftien jaren, zou het zich gedwee en gehoorzaam buigen

onder den ijzeren man, die slechts één wil kende, den zijnen, die alle

gezag in zijn persoon samenbracht, die Frankrijk weder één wilde maken

met één bevolking, Franschen en die hiertoe zou vrede sluiten met den

paus, de verbannen geestelijken en de émigrés de vrijheid verleenen

terug te keeren, die aan den opstand in de Vendée een vreedzaam einde

zou maken en dien in Bretagne met de wapenen bedwingen.

L'Homme noemde hem de plattelandsbevolking, wier rechten op hun door

wettigen aankoop verkregen nationale goederen, hij handhaafde tot

het einde toe; l'Homme zal hij blijven door de eeuwen heen, voor

alle Franschen, wier blik niet door partijzucht of kleinzielige

nevengedachten is beneveld en die in hem ondanks al zijn gebreken

als mensch den genialen heerscher en wetgever willen erkennen. Veel

geschiedschrijvers rekenen zijn opperheerschappij begonnen van af

den dag zijner benoeming tot eersten Consul; bescheiden sluiten wij

ons bij hen aan.

De eerste maal, dat de Consuls vergaderden, moest een president worden

gekozen, doch Roger-Ducos voorkwam die keuze. Hij wees Bonaparte den

fauteuil aan. "Die komt van rechtswege toe aan u" zei hij, Siéyès

keek op zijn neus; hij had verwacht, dat hij dien zou bezetten,

dat de regeling der civiele zaken aan hem, die der militaire aan

den generaal zou worden overgelaten. Nog meer versteld stond hij,

toen die generaal bij de verdere bespreking bleek toegerust "met

een logica, even klemmend als scherp," en dat hij over allerlei

staatkundige vraagstukken, geldmiddelen en justitie, ja zelfs over

de rechtspraak een gevestigde overtuiging bezat, dat hij een even

vaardig administrateur als talentvol veldheer was.

Onder elkander hadden de voormalige directeurs een potje gemaakt

om hieruit een douceur te kunnen geven aan de leden, die, niet met

fortuin gezegend, hun post mochten neder leggen. Gevraagd wat er met

dat geld, eenige honderdduizenden francs, nu gedaan moest worden,

antwoordde Bonaparte: "Dat moeten de heeren weten. Heden draag ik van

het bestaan van dit fonds officieel nog geen kennis, morgen wel. Dan

gaat het in de schatkist."

Siéyès, in zijn ziel een duitendief, liet zich dit gezegd zijn en

hield ijlings met Ducos een verdeeling in verhouding van drie tot

één. Dien avond teruggekeerd in zijn salon te midden van een gezelschap

afgevaardigden en ministers kon hij den indruk door Bonaparte op

hem gemaakt, niet langer verbergen.--"Heeren, gij hebt een meester

gekregen. Bonaparte wil, kent en kan alles."

Vooral dit laatste was waar. Tot dit kunnen werd hij in staat gesteld

door het grenzenlooze vertrouwen, dat de natie hem schonk en waaraan

het uiting gaf door de schier onbeperkte macht, waarmede ze hem weldra

door de grondwet van het jaar VIII zou bekleeden.--Deze macht had

hij dringend noodig, wilde hij Frankrijk waarlijk opbeuren uit zijn

staat van diep verval, waarvan hieronder enkele staaltjes.

Den 19en Brumaire was er in de schatkist niet eens voldoende geld

aanwezig om een koerier te betalen (een paar duizend francs). Een

nauwkeurig bijgehouden sterktestaat van de legers bestond niet. Zóóveel

veranderingen kwamen er dagelijks voor, dat zoo 'n staat niet bij te

houden was, heette het. Soldijstaten waren er evenmin; de soldij werd

niet uitbetaald. Bij het leger van Italië hadden enkele korpsen in

tien maanden tijd geen sou gezien. Ook de staten van levensmiddelen

ontbraken. Gevoed werden de troepen niet; hoe ze aan den kost kwamen,

moesten ze maar zelf zien. Waar de soldaat nog wèl vivres ontving,

verdween vaak 40% van het verantwoorde bedrag in de zakken der

generaals en der korpsstaven. In de andere afdeelingen van bestuur

was de toestand niet beter. Gestolen en geroofd werd er overal. 't

Was schelm om schurk in alle rangen. In lompen gehuld, met stukken

boomschors vaak tot schoeisel liepen de soldaten te bedelen langs

de straat.

Hoewel het begrip, dat Bonaparte voor goed met de leiding der zaken

zou belast blijven, bij de natie reeds ontstond, was het toch de

bedoeling, dat de commissie van drie consuls slechts tijdelijk zou

werkzaam zijn, tot zij een grondwet had samengesteld. Siéyès heette

zulk een staatsstuk kant en klaar in portefeuille te hebben en hij had

Lucien er allerlei moois van verteld, doch bij slot van rekening bleek

nog geen regel er van op papier te staan. Ook was de samenstelling

veel te omslachtig; slechts gedeelten er van werden dus gebezigd; met

loven en bieden verliepen bijna zes weken en eerst den 15en December

was de nieuwe wet gereed, en werd negen dagen later in werking gesteld.

De mode van romeinsche namen en vormen was behouden gebleven; er werd

gesproken van consuls, senatoren, tribunen en prefecten. Drie consuls

zouden er wezen, gekozen voor tien jaar en terstond herkiesbaar, doch

alleen de eerste zou al het gezag in zich vereenigen, de beide anderen

slechts een raadgevende stem hebben; die consuls waren Bonaparte,

de rechtschapen, kundige minister van Justitie de Cambacérès en Lebrun.

Siéyès had voor een benoeming tot tweeden consul bedankt. Het luie,

zwaar bezoldigde baantje [18] van opperkeurvorst, uit zijn eigen

ontwerp van wet was hem ontgaan; Bonaparte had de pen er door gehaald;

nu stelde hij zich tevreden met een hoog jaargeld, het landgoed Crosne

en een zetel als senator, een aardige retraite voor dezen vadsigen,

doch diepzinnigen denker, die in de dagen van Brumaire nog wel had

leeren paardrijden, zeker om naast Bonaparte wat meer figuur te maken.

Was het uitvoerend bewind in de vroegere constituties ondergeschikt

geweest aan het wetgevende, in die van het jaar VIII, was het

omgekeerde bepaald. Een raad van State, verdeeld in vijf secties,

waarvan de leden door de consuls werden benoemd en ontslagen [19]

stelde de wetsontwerpen samen, een Tribunaat van 100 leden, de schim

van een volksvertegenwoordiging, beoordeelde ze; aan een Wetgevend

Lichaam van 300 leden was het recht gegeven ze daarna aan te nemen

of te verwerpen. Het gouvernement had de vrijheid op de bezwaren of

opmerkingen van het Tribunaat al dan niet acht te slaan. Kwam een

wetsontwerp na onderzoek der tribunen in het Wetgevend Lichaam, dan

werd het hier namens het gouvernement door drie staatsraden verdedigd

en kwamen evenveel redenaars uit het Tribunaat het ondersteunen

of bestrijden. Geen enkel lid van het Wetgevend Lichaam mocht zich

mengen in dit debat. Als één groote nationale jury bepaalde het zich

uitsluitend tot stemmen.

Een Senaat van 80 leden, voor hun leven door de Consuls te

benoemen, met recht een "College van behoud" genoemd, waakte over de

instandhouding der grondwet, oordeelde over alle daden, die met deze

in strijd waren, en koos uit de nationale lijsten de leden van het

Tribunaat en van het Wetgevend Lichaam.

Kiezers waren alle Franschen, die den leeftijd van een en twintig

jaar hadden bereikt en wier namen op de openbare registers stonden

ingeschreven. Oogenschijnlijk fraai, was er in het geheele samenstel

der volksvertegenwoordiging feitelijk weinig meer dan een schaduw

van vrijheid overgebleven; toch werd de nieuwe grondwet met ruim drie

millioen stemmen tegen 1567 aangenomen.

Reusachtig was de macht, door haar aan Bonaparte verleend. Hij

alleen benoemde de leden der algemeene administratie, de leden der

departementale en gemeenteraden, de staatsraden, de gezanten, de

rechters voor civiele en voor strafzaken, benevens de officieren van

land en zeemacht. Hij voerde het bewind over leger en vloot, teekende,

het Wetgevend Lichaam gehoord, de tractaten en de wetten. Letterlijk

deed hij dus alles alleen.

Trad hij af, dan was hij verplicht zitting te nemen in den Senaat. Voor

de twee andere consuls bestond deze verplichting niet. Zijn traktement

bedroeg 500.000, dat van de anderen 250.000 francs per jaar. Een som

van 100.000 francs werd besteed om de Tuilerieën, het hun aangewezen

verblijf, weder bewoonbaar te maken en te meubelen. Lebrun en

Cambacérès zochten echter ieder een woning in de nabijheid.--"Die

andere zou ginds toch weldra heer en meester zijn," dachten ze.

Toen Bonaparte met de Bourrienne voor het eerst na zijn verheffing

de ledige zalen van het paleis doorliep, zeide hij: "In de Tuilerieën

zijn we. Nu opgepast, dat we er blijven."

"Geen Jacobijnen, geen gematigden, geen royalisten, slechts Franschen

zullen er, hoop ik, van nu af zijn," waren na den staatsgreep zijn

woorden geweest en de allereerste daden van het voorloopig bewind

reeds hadden getuigd van dezen niet hoog genoeg te schatten geest

van verzoening. Nog voordat het jaar 1800 was aangebroken waren de

bannelingen van Fructidor zooals Carnot en Portalis, Barrère, Vadier

en tal van anderen teruggeroepen, was de wet op de gijzelaars, welke

de rampzalige bewoners der Vendée verantwoordelijk stelde voor hun

bloedverwanten, die de wapenen hadden opgevat, evenals de gedwongen

progressieve belasting en de requisities in natura, ingetrokken. Dan

had Bonaparte zelf de deuren der gevangenis ontsloten voor de honderden

geestelijken, die geweigerd hadden den eed af te leggen en voor de

duizenden particuliere personen, die zich wegens quasi politieke

redenen in hechtenis bevonden, de lijst der émigrés was gesloten, ook

de adel van voorheen kon voor openbare betrekkingen worden aangewezen,

maar hun vaste goederen, die staatseigendom waren geworden, bleven

in het bezit van de personen, die ze hadden gekocht.

In naam van de vrijheid van godsdienst waren de kerken heropend en was

last gegeven het lijk van paus Pius VI, sinds zes maanden te Valence,

hulde te bewijzen.

Reeds heel wat was hieraan vooraf gegaan. Terstond met ongeëvenaarde

werkkracht ingrijpende in al de takken van bestuur, deed hij het

vertrouwen binnen enkele dagen dermate wederkeeren, dat de 5% nationale

schuld, welke den 8en Brumaire nog 11 1/4 stond, den 30en reeds was

gestegen tot 22 en dat de Parijsche bankiers geen bezwaar maakten

het voorloopig bewind voor de eerste behoeften een som te leenen van

twaalf millioen. De oprichting van de Fransche Bank zou het crediet en

het vertrouwen weldra nog krachtiger komen steunen. Thans kon hij de

legers in hun ellende eenigermate hulp bieden. Aan oproerige bewegingen

in het zuiden maakte hij een einde. Het westen, waar de royalisten,

meenende, dat hij in stilte werkzaam was voor den pretendent, de vaan

van het oproer weder hadden ontplooid, bracht hij door krachtige

maatregelen tot rust. Een paar hoofden boden hun onderwerping aan

(17 Januari 1800), doch zonder genade trad hij op tegen graaf de

Frotté, die in Normandië nog altijd de vaan der Bourbons hoog hield

en getracht had hem in 't publiek belachelijk te maken en hem aan te

tasten in zijn eer; hij deed hem fusileeren. George Cadoudal week

uit naar Engeland.--Ook de rooverbenden op de groote wegen leerden

de zwaarte kennen van zijn vuist; ze werden letterlijk uitgeroeid

met wortel en tak.

Aangezien er tal van organieke wetten noodig waren om het werk der

constitutie te voleindigen, deed Bonaparte die aan het Tribunaat

en aan het Wetgevend Lichaam voorleggen. Een der belangrijkste was

die, waarbij in elk departement, dat geschoeid werd op de leest der

Republiek, onder den naam van prefect, een bestuurder aan het hoofd

kreeg, die zijn bevelen rechtstreeks ontving van den minister van

Binnenlandsche Zaken en twee raadslichamen naast zich kreeg. Op

dezelfde wijze had elk arrondissement een onderprefect, iedere

gemeente een maire; terwijl het uitvoerend gezag dus ook hier weder

berustte bij één persoon, werden de beraadslagingen gevoerd door meer

dan één. Dat al de draden van het bestuur samenkwamen in de hand

van den Eersten Consul en deze hierdoor dus een bijna dictatoriaal

gezag uitoefende, werd door de republikeinen van 1793 sterk afgekeurd

doch mocht na zooveel jaren van anarchie een noodzakelijkheid worden

genoemd. Toen het Tribunaat het hem later wat lastig begon te maken en

tegen enkele wetten ernstige bedenkingen aanvoerde, vaak met reden,

want de persoonlijke vrijheid leed onder deze regeling, zond hij

de heeren kortweg naar huis. "Van dit oogenblik af bestaat er geen

grondwet meer," zei hij tegen Chaptal, zijn toenmaligen minister van

Binnenlandsche Zaken.

Ieder arrondissement kreeg een rechtbank voor civiele zaken en

voor de financiën een afzonderlijken ontvanger. Zeven en twintig

rechtbanken voor zaken in appèl waren verdeeld over het geheele

gebied, terwijl ieder departement een crimineele rechtbank telde en een

ontvanger-generaal. Een hof van Cassatie zorgde voor de handhaving der

gelijkvormigheid in de rechtspraak. Dat deze regeling, ondanks al de

later gevolgde omwentelingen, met enkele wijzigingen tegenwoordig nog

bestaat, is o. i. wel het beste bewijs voor de bekwaamheid der mannen,

die ze samenstelden. Dat haar hoofdbeginselen veel oorspronkelijks

bevatten, zal niemand beweren, en kan ook niet gezegd worden van het

later gevolgde complex van wetten, meer algemeen bekend onder den

naam van Code Napoleon, maar de eer van ze te hebben samengebracht,

geordend en voor de nieuwe toestanden bruikbaar gemaakt, komt

onverdeeld toe aan Bonaparte en de schrandere, geleerde mannen,

die hij in zijn Raad van State had gekozen [20] en met wie hij als

Consul schier dagelijks uren achtereen werkte, wier meening hij vroeg,

met wie hij in discussie trad en die hij vaak deed verbaasd staan

door den genialen blik, dien hij, de ongeletterde soldaat, telkens

verried op een gebied, dat hem zoo goed als volkomen vreemd was en

waarop hij alle wetenschappelijke opleiding geheel miste.

Den 1en Januari 1800 zouden de Wetgevende Lichamen voor de eerste maal

zitting nemen, de Senaat in het Luxembourg, het Wetgevend lichaam in

het Palais Bourbon, het Tribunaat in het Palais Royal.

Een groot aantal hooge, goed bezoldigde betrekkingen, door de nieuwe

grondwet geschapen, had de Eerste Consul te vergeven en zoo ergelijk

en ontmoedigend waren het gebedel en het gevlei om voor een van

deze in aanmerking te worden gebracht, dat de "Moniteur," een van de

dertien groote dagbladen, die Bonaparte om hun inhoud en strekking

niet terstond had opgeheven en die weldra de officieele courant zou

worden (28 December) deze laagheden brandmerkte:

"Wat een menschen in de weer sinds de grondwet tal van rijk bezoldigde

betrekkingen schiep! Wat een troep weinig bekende gezichten, die

in allerijl naar voren dringen! Wat een reeks van lang vergeten

namen, die zich onder het stof der omwenteling opnieuw beginnen te

roeren. Wat een bende fiere republikeinen van het jaar VII, die zich

ook zoo klein maken om te kunnen doordringen tot den man, die de macht

in handen heeft.--Wat een bedelende Brutussen! Wat een armzalige

talentjes omhoog gestoken! Wat een bloedvlekken bemanteld. En dat

alles in een ommezien!--We hopen, dat de held der vrijheid, de man,

die zijn weg door de omwenteling tot heden slechts teekende door

weldaden, op al deze intriges zal nederblikken met de walging, welke

ze iederen verheven geest moeten inboezemen; dat hij niet dulden zal,

dat een reeks onbekende of geschandvlekte namen door den glans van

zijn glorie wordt bestraald."

Gelukkig voor Frankrijks grootheid was dit beeld niet toepasselijk op

allen. Heel wat mannen van rijke ervaring en groot talent als Volney,

Monge er Carnot wachtten waardig en kalm af, of het nieuwe gouvernement

op hen een beroep zou doen.

Napoleon(#27883) · 第 22 / 49 题