Dan onderhandelde zij over den aankoop van een landgoed ter waarde
van drie- of viermaal honderd duizend francs, waar zij met equipage en
bedienden haar kennissen zou kunnen ontvangen, wel een aanwijzing, dat
Bonaparte al was hij niet rijk, uit Italië meer geld had medegebracht,
dan de drie honderd duizend francs, die hij later noemde op St. Helena,
want van zijn traktement van veertig duizend francs 's jaars als
legercommandant kon dit alles niet worden bekostigd.
Ook te Parijs, al leefde hij nog zoo afgezonderd, gunden de zaken hem
geen oogenblik rust. Telkens riep het Directoire zijn hulp in, vroeg
hem om raad of gaf hem opdrachten, o. a. toen in de laatste dagen
van December '97 te Rome voor de Fransche ambassade een opstootje
had plaats gegrepen, waarbij o. a. de generaal Duphot was gedood, en
waardoor Jozef zich genoopt had gezien zijn standplaats onmiddellijk
te verlaten en terug te keeren naar Parijs. In dit voorval waartoe
het in stilte misschien wel de hand had geleend,--het overlaadde
Jozef immers met tevredenheidsbetuigingen--zag het Directoire thans
een welkome aanleiding om zijn reeds lang beraamde plannen ten
opzichte van Rome ten uitvoer te leggen, te breken met den paus,
diens staten te bezetten en deze half Februari d. a. v. te verklaren
tot de Romeinsche republiek.
Deze nieuwe daad van geweld, keurde Bonaparte in stilte af. Door zijn
houding bij Tolentino, waar hij in strijd met de bevelen van het
Directoire, met den paus had vrede gesloten, door zijn eigenhandig
geschreven brieven aan dezen, door het kerkelijk huwelijk van Elisa
en Pauline en door het onderhouden van betrekkingen met verschillende
Italiaansche prelaten had hij meer dan voldoende bewezen, niet alleen
dat hij een aanhanger was der katholieke kerk, maar dat hij groote
waarde hechtte aan haar invloed en haar zedelijke kracht. Tevens
kende hij de Fransche natie reeds genoeg om te weten, dat hij, die
ook maar den schijn aannam van den Heiligen Stoel te beschermen,
daarbij terstond een aanhang moest vinden van millioenen katholieken,
die thans nog door een kleine partij, die der atheïsten en philosofen
werden onderdrukt.
Hoewel hij Berthier te Mantua dus bevelen zond om Rome te bezetten,
gelastte hij hem tevens "alle buitensporigheden te onderdrukken en
iederen Franschman of Italiaan, die onder het mom van vaderlandsliefde
tot oproer mocht willen aanzetten, zonder genade in de doos te
stoppen."
Had hij de handelingen van het Directoire tegenover den Paus afgekeurd,
ook tegen de hulp, door de Republiek aan de patriotten in Zwitserland
tegenover Bern verleend, was hij gekant, al werden de hiertoe noodige
bevelen door hemzelf aan generaal Brune gegeven. Dat het gouvernement
door al deze daden van geweld in de publieke opinie zijn eigen graf
dolf, begreep hij even goed als dat het zich zonder zijn hulp tegenover
het buitenland niet lang op zijn hoog standpunt zou kunnen handhaven,
maar dan moest die hulp zich tegenover de natie teekenen door daden,
die de verbeeldingskracht prikkelden, en die hem voortdurend op den
voorgrond deden blijven. "Blijf ik hier lang werkeloos dan ben ik weg;
als ik mij driemaal in de comedie heb vertoond, kijkt niemand meer
naar mij om," zeide hij zelf tegen zijn intieme kennissen.
Na die inspectiereis langs het Kanaal begon hij bij het gouvernement
derhalve krachtiger aan te dringen op een tocht naar het Oosten, naar
Egypte. Onuitvoerbaar was deze volstrekt niet, onder het koningschap
was het vraagstuk eener koloniseering van dat land bij herhaling ter
sprake gebracht; Leibnitz had die zelfs aan Lodewijk XIV aanbevolen en
een paar jaar te voren had de Fransche consul te Alexandrië hierover
nog een omvangrijke memorie ingediend. Goed geleid en met bezadigdheid
ondernomen, was de kans op welslagen vrij groot. Bonaparte bezat
al de gegevens over dit onderwerp maar koesterde in stilte veel
grootscher plannen. Egypte veroverd, de Turken uit Europa verdreven,
al de Grieken en de christenvolken in Klein-Azië in opstand gebracht,
wilde hij Engeland ten slotte aangrijpen in zijn hartader, de koloniën.
Geruimen tijd had het Directoire weinig ooren voor dit plan, dat
Frankrijk tijdelijk van een deel zijner beste strijdkrachten zou
berooven, terwijl de vrede in Europa nog veraf was, maar toen het
benoodigde kapitaal te Bern en te Rome in de schatkist was gevonden en
de geldelijke bezwaren dus waren opgeheven, aarzelde het gouvernement
niet langer doch teekende den 12en April 1798 een besluit, dat
strikt geheim bleef en een expeditie naar Egypte betrof. Bonaparte
werd daarbij zoo goed als geheel de vrije hand gelaten; hij mocht
zooveel troepen medevoeren als hij noodig achtte, over de te Genua,
Civita Vecchia en op Corfu garnizoen houdende divisiën beschikken,
Malta en Egypte bezetten, de landengte van Suez doen doorgraven en
de Engelschen verjagen uit al hun koloniën; het Directoire was in
stilte verheugd een man te zien heengaan, die door menigeen reeds
als de toekomstige heerscher over de Republiek werd aangewezen en die
door zijn reusachtige populariteit een dagelijks dreigend gevaar was
voor hun eigen bestaan.
Van de verleende vrijheid maakte Bonaparte ruimschoots gebruik. Een
reeks van geleerden, kunstenaars, letterkundigen en geneesheeren,
als Monge Berthollet, Larrey, Desgenettes zouden hem vergezellen. De
kundigste generaals als Desaix, Kléber, Davoust en Caffarelli voegde
hij zich toe, terwijl Junot, Lannes, Marmont, Berthier, Murat en andere
krijgsmakkers uit Italië, allen jonge, energieke, vermetele soldaten,
niet werden vergeten.
Te Toulon zou het leger worden samengetrokken. Om Engeland zand in
de oogen te strooien, werd alom het praatje verspreid, dat al die
krijgstoerustingen waren bestemd voor den linkervleugel van het leger
tegen Engeland. Dit was uitgerust in de Middellandsche Zee en zou
samenwerken met de troepenmacht, in de havens aan den Oceaan en in
't Kanaal bijeen te brengen.
Wederom ging Bonaparte ijverig aan den arbeid. Alles regelde hij zelf;
met ongelooflijke snelheid zorgde hij voor alle toebereidselen. Te
Toulon, Genua, Ajaccio en Civita-Vecchia zouden de troepen scheep
gaan. Hij vormde een keurkorps van vijf en twintig honderd ruiters
met zadel en tuig, maar onbereden.--"De paarden zouden de Arabieren
moeten leveren."--Ook nam hij een talrijke artillerie mede, doch in
't geheel slechts 300 paarden om ginds terstond enkele ruiters en
vuurmonden tot zijn beschikking te hebben. Caffarelli zou de genie
commandeeren. Berthier werd weder chef van den staf; en den 19en Mei
1798 ging het eskader van Toulon onder zeil.
Tegelijkertijd zou Talleyrand naar Constantinopel vertrekken om den
sultan van den tocht naar Egypte kennis te geven en te vernemen,
wat hij hiervan dacht.
Intusschen was de bestemming der vloot voor Europa nog een
raadsel. Waar togen al die generaals, al die geleerden, al
die soldaten toch heen? Naar de Zwarte Zee, om de Krim terug te
geven aan de Porte? Naar Indië om Tippoo-Sahib te steunen tegen de
Engelschen? Naar de landengte van Suez?--De snuggerste bollen vertelden
zelfs, dat alles slechts een krijgslist was. Die scheepsmacht zou
de straat van Gibraltar forceeren, het Engelsche eskader aanvallen,
dat Cadix reeds zoolang blokkeerde, de hier liggende Fransche schepen
zoodoende verlossen en met deze en de oceaan-eskaders, koers zetten
naar Engeland.
Te Londen heerschte groote ongerustheid. Een ieder dacht, dat een
landing het slot zou wezen. Op alle gebeurlijkheden voorbereid,
deed minister Pitt ijlings een nieuw eskader uitrusten, versterkte
dat vóór Cadix met tien groote schepen en zond Nelson met drie er
van af om de bewegingen der Fransche vloot te volgen.
Toen deze admiraal den 20en Juni voor Malta verscheen, kon hij echter
alleen te weten komen, dat dit verblijf der Maltezer ridders door den
grootmeester dezer orde reeds acht dagen te voren zonder slag of stoot
aan Bonaparte overgegeven en thans door Fransche troepen onder Vaubois
bezet was.--Heel wat oorlogsvaartuigen, 1200 vuurmonden, 40000 geweren,
eenige duizenden kilo's buskruit en drie millioen francs, de Schat van
den Heiligen Johannes, waren hierbij buitgemaakt! Honderden Turksche
en Arabische slaven waren van hun boeien bevrijd; de dienstbaarheid was
afgeschaft, gelijkheid voor allen afgekondigd, overal de Fransche vlag
geheschen. Daarop was de vloot gestevend naar Egypte en had Bonaparte,
Lid van het Instituut, opperbevelhebber van het Leger in het Oosten,
zooals hij zich nu betitelde, door een proclamatie, geheel berekend
om hun haat tegen Engeland bij zijn soldaten nog feller te maken,
dit geheim zelf geopenbaard.
"De mamelukken-beys, die in Egypte de baas waren en uitsluitend den
handel der Engelschen begunstigden, die de ongelukkige bewoners van
de Nijlstreek mishandelden en de Fransche kooplieden knevelden en
bestalen, moesten van den aardbodem verdelgd worden, de mahomedaansche
eeredienst en de ceremoniën, welke de Koran voorschreef, moesten
geëerbiedigd. Vrouwenschennis en plundering, onteerend voor een ieder,
die ze bedreef, zouden hun gerechte straf vinden; met deze volken,
die voor de soldaten vreemd waren, moest toegevend en welwillend
worden omgegaan."
Den 1en Juli met zonsopgang, dus na 41 dagen varen, kwam de vloot
voor Alexandrië.
Hoewel de woelige zee de ontscheping zeer belemmerde, en hierbij zelfs
manschappen verdronken, stond het grootste gedeelte van het leger, doch
zonder paarden of geschut, reeds den volgenden nacht om drie uur bij
helder maanlicht in drie colonnes op het strand geschaard. Om acht uur
vielen deze de stad van drie zijden tegelijk aan en maakten zich na een
kortstondig gevecht op de omwalling en in de straten er van meester.
Slechts enkele dagen bleef Bonaparte te Alexandrië. In dien tijd
vestigde hij er het gezag van Frankrijk, gaf aan zijn onderbevelhebbers
een dagorder met den uitdrukkelijken last personen en eigendommen te
ontzien en den mahomedaanschen godsdienst te eerbiedigen, regelde den
verderen opmarsch van het leger en verzocht admiraal Brueys voorloopig
ten anker te gaan op de reede van Aboukir.
In die dagen was Egypte zoo goed als geheel onderworpen aan de
tirannie van een reusachtige ruiterschaar, de mamelukken. Door
sultan Selim indertijd gevormd om zijn gezag in Egypte staande te
houden tegenover de pacha's, die zich van hem onafhankelijk mochten
willen maken, had die cavalerie met haar vier en twintig bey's
zich ten slotte van den sultan vrij verklaard. Ze was samengesteld
uit slaven, die in hun prille jeugd in Circassië waren aangekocht,
zich door schoonheid onderscheidden en die, onbekend met hun afkomst,
naar Egypte overgebracht, fier waren op den hoogen prijs, welke voor
hen was betaald. Uitsluitend geoefend in den wapenhandel, waren uit
die jongelingen de dapperste en behendigste paardenmannen gegroeid,
die men kon bedenken. Iedere bey bezat 600 van die knapen, die ieder
weder twee fellahs als bedienden hadden. Van deze bey's, die elkander
herhaaldelijk beoorloogden, was tijdens de landing Mourad-Bey, een
even vurig als dapper en onversaagd krijgsman, een der voornaamste.
Caïro, de Heilige Stad, was thans het groote doel der armee.
Dus op marsch door de woestijn! Reeds op den vierdaagschen tocht naar
El-Rahmanyeh, waar zij den Nijl eerst wederzagen, deden de ongelukkige
soldaten de bittere ondervinding op van wat het zeggen wil in een zware
uniform, onder een gloeienden Afrikaanschen hemel door mul woestijnzand
te marcheeren, zonder een enkele teug drinkwater, want het brakke vocht
uit de bronnen langs den weg mocht dezen naam niet dragen. Daarbij
waren zij voortdurend omstuwd door zwermen woestijnroovers, die elken
achterblijver zonder genade vermoordden en naakt uitschudden. Niet
te verwonderen was 't dus, dat de mannen, het water van den Nijl
eindelijk weder voor zich vindende, een jubelkreet deden hooren, en
dat zich honderden zonder onderscheid van rang met kleêren, wapens en
al in den stroom wierpen om zich eens naar hartelust te verfrisschen
en--te drinken.
Daar aan den Nijl maakten de mamelukken, die gillend en krijschend
in dichte zwermen kwamen opzetten, voor de eerste maal kennis met een
infanterie, die, in een carré geschaard, met ijzeren koelbloedigheid
eerst geweersalvo's afgaf en dan elken aanvaller, die te dichtbij
dorst komen, opving op de punt der bajonet.
Verwoed over deze nederlaag zijner onderbevelhebbers, besloot
Mourad-Bey "die ongeloovige honden" nu zelf aan te grijpen,--doch ook
hij kwam van een slechte reis thuis. Die infanterie was sterker dan
hij had gedacht.--"Die Fransche sultan is een toovenaar," zeide hij,
"die al zijn soldaten vasthoudt aan één dik, wit koord en ze door
een ruk hieraan, allen tegelijk heen en weer beweegt. Hij is de
"Vader van het Kruis."
Caïro lag inmiddels nog ver af. De soldaten begonnen te mopperen. Door
gebrek aan molens en ovens,--graan was er in overvloed,--kregen zij
geen enkelen dag brood; en linzen, duiven en nu en dan een watermeloen
waren wel smakelijk, doch voor een gezonde maag een te schrale kost. En
waar bleef Caïro nu, waarvan hun zooveel was verteld?--Wel zeker! 't
Bestond niet. Die geleerde lui, die de generaal bij zich had, hadden
dezen maar wat wijs gemaakt, en die generaal met zijn houten been
(Cafferelli) mocht niet meepraten; die stond nog altoos met zijn ééne
been in Frankrijk.
Eindelijk, den 21en Juli, ontwaarde de voorhoede links voor zich uit,
aan gene zijde van den Nijl de hooge minarets van de hoofdstad en
aan haar rechterhand de piramiden.
Die reusachtige gedenkteekenen ziende, hielden de mannen vol
nieuwsgierigheid en bewondering halt. Met een gelaat, dat gloeide van
geestdrift, reed Bonaparte in galop vóór langs hun front en strekte
den arm uit naar deze geweldige begraafplaatsen der oude Egyptische
koningen.--"Bedenkt, dat van den top dier piramiden veertig eeuwen
op u neêrzien!" riep hij.
Snel ging het daarop weder den vijand tegemoet; want ginds vooruit,
tusschen de piramiden en het dorp Embabeh aan den Nijl, wachtte
Mourad-Bey met tienduizend ruiters in de vlakte en met duizenden
gewapende fellahs in den dorpsrand. Vuurmonden zonder bespanning,
dekten de toegangen.
Bonaparte gaf bevel tot den aanval.
Iedere divisie,--hij had er vijf,--vormde één carré van zes gelederen
diepte, met de bagage en de generaals er binnen in, de grenadiers
in pelotonscolonne tegen een der flanken, om de aangevallen punten
te versterken; de vuurmonden op de hoeken. Van plaats veranderende
marcheerden de zijafdeelingen ervan uit de flank. Aangevallen, maakten
die levende bastions terstond naar vier zijden front. Moest een
positie worden aangegrepen, dan vormden de drie buitenste gelederen
in een oogwenk aanvalscolonnes, elke colonne op drie gelederen. De
rest, nog altoos in een carré geschaard, hield halt om die colonnes
weder op te nemen. Gestrenge bevelen werden gegeven om vooral niet
overijld te vuren, den vijand bedaard te laten naderen en hem het
salvo eerst toe te slingeren, als hij vlak bij was, voor zulke vurige,
strijdlustige soldaten als de Italiaansche cohorten een zware proef.
Na een verkenning met den veldkijker besloot Bonaparte, buiten het
bereik van het kanon van Embabeh te blijven, de mamelukken van dit
versterkte dorp af te dringen, ze in den Nijl te drijven en het dorp
eerst daarna aan te vallen.
Mourad-Bey had dit plan evenwel terstond doorzien. Met acht duizend
ruiters wierp hij zich met bijna ongeloofelijke onstuimigheid op de
voorste divisie, (Desaix) die, tusschen de palmboomen marcheerende,
haar formatie in carré nog niet had volbracht, maar den aanval toch
kalm afwachtte en eerst op 't laatste oogenblik vuur gaf.
Dus afgeslagen, joeg de ruiterdrom thans als een oceaan van steigerende
brieschende centauren om de zijden van 't carré; enkele mannen wierpen
zich zelfs als bezetenen op de bajonetten, rukten hun paarden om,
vielen er mede tusschen de gelederen, en vormden op die wijze een
bres, maar vonden dan de grenadiers, die hen afmaakten. Ook de divisie
Reynier, welke Desaix volgde, werd op deze wijze aangegrepen.
De heldenmoed en de doodsverachting der ruiters zwichtten intusschen
voor koelbloedigheid, die de soldaten met salvovuur en bajonet er
tegenover stelden.--In Embabeh ontstond een paniek. Een laatste
poging van Mourad-Bey om de colonnes, die op dit dorp aanrukten, te
omsingelen en te vernietigen, mislukte door de snelheid, waarmede
de infanterie wéér de carréformatie aannam; thans ontstond een
algemeene vlucht. Met het overschot zijner ruiters zocht de Bey een
goed heenkomen naar Opper-Egypte; honderden fellahs verdronken in den
Nijl bij hun pogingen om Caïro te bereiken. Embabeh werd stormenderhand
genomen. Een schat van goud en kostbaarheden viel den soldaten in
handen, want de mamelukken hadden de gewoonte al wat zij bezaten in
het gevecht mede te voeren.--Ten slotte verschafte een overvloed van
levensmiddelen van allerlei aard den krijgslieden gelegenheid zich
voor de doorgestane ontberingen eens terdege schadeloos te stellen.
Zoo eindigde de slag bij de Piramiden. Caïro met zijn driehonderd
duizend inwoners lag voor Bonaparte open.
Nauwelijks hier gezeteld begon deze ook weder de staatkundige
gedragslijn te volgen, welke hem te Alexandrië reeds zooveel succes had
bezorgd en waardoor de bevolking zich aan hem begon te hechten. Hij
bracht een bezoek aan de voornaamste sheiks, wist door zijn vleiende
taal bij hen de hoop op herstel van het gezag der Arabieren in de
plaats van dat des sultans te doen herleven, beloofde hun gebruiken
en hun godsdienst te eerbiedigen en slaagde er ten slotte in door
de sheiks der hoofdmoskee een verklaring te doen afgeven ten gunste
der Franschen.
Toen was het pleit gewonnen. Een divan of gemeenteraad, samengesteld
uit de voornaamste sheiks en ingezetenen, zou hem inlichten betreffende
al de onderdeelen van het bestuur. De kadi's zouden het recht blijven
bedeelen. Hij zelf nam van tijd tot tijd de oostersche kleederdracht
aan, woonde in de groote moskee zelfs enkele mahomedaansche
godsdienstfeesten vol eerbied bij, en deed hierdoor bij enkelen
de meening geboren worden, dat hij tot den Islam wilde overgaan,
een daad, die hem bij zijn overheerschend fatalistische denkbeelden
waarschijnlijk niet eens moeilijk zou zijn gevallen, als hij zijn
staatkunde hiermede had kunnen dienen.
Zijn soldaten vergat hij hierbij niet. Hij deed ovens voor hen bouwen,
gaf hun de voormalige woningen der mamelukken in gebruik en rustte
zijn cavaleristen uit met hun prachtige paarden.
Wel beval hij hun ten strengste eerbied aan voor de vrouwen, maar
overigens liet hij hen genieten van dit nieuwe, vreemdsoortige land
met zijn overvloed van voedsel en zijn gezond, zuiver klimaat. Ook aan
zijn geleerden dacht hij o. a. door de instelling van het zoo beroemd
geworden Egyptische Instituut. Dit kreeg onder meer de opdracht een
nauwkeurige beschrijving van het land samen te stellen en een kaart
te maken, die afdaalde tot in de kleinste bijzonderheden; voorts moest
het onderzoek doen naar de bouwvallen, om voor de geschiedenis nieuwe
gezichtspunten en gegevens bijeen te brengen.
Zelf gaf hij de vraagstukken op, welke het Instituut moest uitwerken,
zooals het bedenken der beste constructies voor water- en voor
windmolens, het zoeken naar middelen om het Nijlwater te zuiveren en
tot drinkwater geschikt te maken, het opsporen van terreinen, waar met
kans van slagen hop kon verbouwd worden, en dergelijke meer.--"Mocht de
fortuin ons ongunstig worden en ons dit heerlijke land weder ontnemen,
dan moeten de overwinningen, hier door de wetenschap te behalen,
ten minste van blijvenden aard wezen," was hierbij zijn grondgedachte.
Had de onderwerping van Beneden- en Midden-Egypte weinig moeite gekost,
ook die van Opper-Egypte werd na het hardnekkige gevecht bij Salheyeh,
waar Mourad-Bey nogmaals werd verslagen, een voldongen feit. Op het
kwetsbaarste punt, n.l. aan de zee, de operatiebasis, had de fortuin
de Fransche wapenen echter verlaten. Den 2en Augustus was de vloot,
die vóór Aboukir ten anker lag, door Nelson aangegrepen en zoo goed
als vernietigd. Admiraal Brueys was gedood; slechts een paar schepen
waren aan de algemeene vernietiging ontkomen en naar Malta gevlucht.
Met stoïcynsche bedaardheid ontving Bonaparte dit bericht. Geen spier
op zijn gelaat vertrok; strak en bleek bleef het als marmer.--"Welaan,
dan moeten wij hier ons einde afwachten of van hier terugkeeren,
zoo groot als de mannen der oudheid," zeide hij toen.--"Hierdoor
zullen wij verplicht zijn nog grooter daden te verrichten dan in ons
voornemen lag," schreef hij aan den edelen Kléber; deze gaf hem in
denzelfden geest antwoord.
De slag was zwaar, doch de moed van die twee groote mannen schraagde
het leger en herstelde zijn zedelijke kracht. Zonder hulp van de
zeezijde, zonder gemeenschap met Frankrijk, zou het van nu af alleen
op zich zelf moeten rekenen en--op zijn generaal.--Aanvulling had
het dringend noodig. Welnu, een buitengewoon besluit schonk de
mamelukken en de Arabieren het recht onder de Fransche vanen te
dienen. De ledige plaatsen werden dus weder bezet; de inboorlingen
begonnen zich te schikken naar hun Fransche krijgsmakkers. Zelf voegde
Bonaparte zich een escadron mamelukken toe als lijfwacht.--Ingedeeld
bij de later gevormde Escadrons van Dienst is dit korps hem tot
Waterloo trouw gebleven. Toen is het uiteengesprongen; de ruiters
zijn verstrooid. De weinigen, die het leven eraf hadden gebracht,
en trachtten over Marseille Egypte weder te bereiken, zijn onderweg
door de verwoede bevolking vermoord.
Thans toog Bonaparte aan den arbeid om, eenmaal tot blijven gedwongen,
aan de nieuw te stichten volkplanting kracht en leven te schenken. De
beginselen der vrijheid en der Europeesche rechtsbegrippen moesten
hiertoe aan de bevolking worden ingeprent; dus deed hij de zeer
onvoldoende verzekerde eigendommen der fellahs inschrijven als hun
persoonlijk bezit, vestigde te Caïro, te Alexandrië en te Damiëtte
een rechtbank van koophandel, moedigde den bouw aan van fabrieken,
molens en werkplaatsen en wees de gemeenteraden op de weldaden van
een goed, gestreng toezicht op de oorzaken van ongezonde toestanden.
Ook naar buiten was hij voortdurend werkzaam ter bevestiging van zijn
gezag. Zoo sloot hij een verbond met den bey van Tripoli, met den
cherif van Mekka, den pacha van Damascus en dien van Aleppo. Zelfs
belastte hij een paar gezanten met brieven voor Tippoo-Sahib,
den sultan van Mysore, om hem in zijn verzet tegen de Engelschen
te schragen.
Toch waren die buitengewone krachtsontwikkeling en die reusachtige
werkzaamheid niet bij machte in den loop der dingen verandering te
brengen. Wel had de zeeslag bij Aboukir den lichtglans niet kunnen
dooven, welke den tocht naar Egypte nog altijd omgaf, doch de hoop
der vijanden van Frankrijk was er door verlevendigd. Talleyrand was
niet naar Constantinopel gereisd, waarschijnlijk omdat er met het
sluiten van verdragen enz. te Parijs meer te verdienen viel dan met
onderhandelingen te Stamboul.
Engelands agenten hadden hier dus vrij spel bij den sultan en deze had
de mamelukken niet ongaarne zien verslaan doch wilde Egypte daarom
nog niet verliezen. De Fransche vloot vernietigd, dreigde er voor
hem van deze zijde geen gevaar meer; een tocht van Bonaparte naar de
Dardanellen was niet langer te duchten; het Engelsche goud met volle
handen uitgestrooid deed het overige. De sultan verklaarde Frankrijk,
zijn ouden bondgenoot, den oorlog.
Agenten van de Porte deden tevens allerwege in Egypte onder het volk
een geduchte gisting ontstaan. Den 21en September brak te Caïro een
oproer uit, dat aan 300 soldaten het leven kostte; en hoewel Bonaparte
voor dezen moord bloedig wraak nam, en vliegende colonnes het land
doorkruisten om elk begin van verzet te smoren, kon dit alles niet
beletten, dat de rust slechts in schijn werd hersteld. Tegelijkertijd
riep een firman des sultans alle geloovigen onder de wapenen. In
Syrië werden krijgstoerustingen gemaakt; een expeditie van uit
Turkije naar Egypte werd voorbereid; alles wees er in één woord op,
dat Bonaparte met zijn leger van nog geen dertig duizend man, aan
zijn lot overgelaten, zonder hulpbronnen, een zeer moeilijken tijd
te gemoet ging.
Ook als echtgenoot had hij een slag ontvangen, die voor een
zoo hartstochtelijk verliefd man als hij, niet zonder duldelooze
zielepijn kon worden gedragen. Reeds op zee waren de zinspelingen van
Jozef op het zedelijk gedrag van Joséphine in Italië hem weder voor
den geest gekomen; achterdocht had zich van hem meester gemaakt;
hij had navraag gedaan bij zijn vroegere intieme kameraden, die
onbescheiden waren geweest en vooral Junot had den laatsten twijfel
bij hem weggenomen. Joséphine had hem bedrogen. Toen hij haar huwde,
had hij naar haar verleden niet gevraagd; dit ging hem niet aan,
redeneerde hij, doch sinds zij door een eed aan hem was verbonden,
behoorde zij hem, hem alleen met lichaam en ziel. Nu zij aan dezen
eed ontrouw was geworden, wilde hij ook niet langer met haar verbonden
blijven; hij zou zich van haar laten scheiden.
In dezen zin schreef hij 25 Juli aan Jozef. "De laatste sluiers zijn
verscheurd; ik heb veel huiselijk leed. Binnen een paar maanden kan
ik te Parijs zijn. Bezorg mij daar in den omtrek of in Bourgondië een
buiten. Daarin denk ik mij op te sluiten. Ik heb behoefte aan alleen
zijn. De grootheid verveelt mij. Op mijn negen en twintigste jaar
ben ik hard op weg een egoïst te worden. Jij alleen blijft mij over;
verlies ik ook jou vriendschap, verraad jij me ook, dan word ik een
menschenhater," enz...
Wel heeft Jozef dit schrijven nooit ontvangen--de Engelschen
onderschepten het--doch het teekende genoegzaam zijn gemoedstoestand
in die dagen.
Later begon hij dit alles kalmer in te zien, vooral na de
kennismaking met de zeventienjarige mevrouw Fourès, echtgenoote
van een jong luitenant der jagers te paard, een voormalige modiste
uit Carcassone. Toen Napoleon haar man met brieven naar Frankrijk
gezonden had (December) was zij spoedig op zeer intiemen voet met
Bonaparte, die zich overal met haar te paard en in een open rijtuig
vertoonde. Was de dame, die zich van haar man had laten scheiden,
in dien tijd zwanger geworden, dan had Bonaparte Joséphine stellig
verstooten en haar gehuwd, want reeds in die jaren was zijn behoefte
aan een huisgezin met kinderen groot; ook in dit opzicht was hij een
echte zoon van Corsica.
Uiterst kritiek was Bonaparte's toestand dus in het begin van 1799,
doch van versagen was bij hem geen sprake. Voor een Turksche expeditie
naar Egypte was het jaargetijde te ongunstig; daar zou de vijand
dus zoo spoedig niet opdagen. Dan zou hij naar Syrië trekken, de
krijgsmacht aanvallen, welke zich daar vormde en den sultan toonen
over welke geduchte krachten hij nog beschikte.
Met 13000 man, in vier divisiën, aangevoerd door Kléber, Reynier,
Bon en Lannes, de cavalerie onder Murat, de guides onder Bessières,
begon hij den zwaren tocht door de woestijn, nam onderweg het fort El
Arych en de stad Gaza, sloeg het beleg voor Jaffa en hield hier den
7en Maart 1799 zijn intocht. Wel scheen het ongeluk hem ook hier te
vervolgen, want thans brak onder zijn soldaten de pest uit. De mannen
stierven als muizen. Dokter Larrey, de chef van den geneeskundigen
dienst, begon zich ongerust te maken, want heel wat lijders bezweken
binnen een etmaal, nadat de ziekte hen had aangetast. In het klooster
der paters van het Heilige Land alleen telde men er zeven honderd. De
soldaten sloeg de angst om 't hart.
Onverschrokken begaf Bonaparte zich midden tusschen de zieken, sprak
hun moed in, raakte verscheidene hunner aan ten bewijze, dat de ziekte
niet zoo besmettelijk was, als zij dachten, bleef ruim anderhalf
uur in een gebouw, waar de lijders lagen opeengepakt, en de lucht
dus was bedorven, en was toen eerst door de artsen te bewegen heen te
gaan.--"Het was mijn plicht. Ik ben opperbevelhebber," gaf hij, buiten
gekomen, koeltjes ten antwoord aan de officieren van zijn staf, die
hem van de begane onvoorzichtigheid een ernstig verwijt maakten. Ook
de doktoren moesten van deze heel wat hooren over hun zwakheid, dat
zij hem toegang hadden verleend.--"Net alsof het zoo gemakkelijk gaat
hem af te brengen van iets, dat hij zich heeft voorgenomen, of hem af
te schrikken door vrees voor gevaar," was het antwoord, dat zij gaven.
Vrees voor gevaar kende hij niet; die heeft hij ook nooit gekend. Juist
deze voor duizenden zoo onverklaarbare, geheimzinnige eigenschap,
maakte hem zoo sterk bij al wat hij deed. Verbleeken, sidderen zag men
hem nooit. Dat hij in zijn kabinet bij het plotseling vernemen van een
zware ramp een kruis sloeg, was uitsluitend een bewijs, dat hij die uit
zijn kinderjaren afkomstige gewoonte niet had afgeleerd. Dragomirof,
de beroemde Russische veldoverste, heeft Bonaparte zeer juist geschetst
als hij zegt, dat deze "niet alleen niet bang was voor zijn eigen
dierbare "knoken," doch zelfs geheel moest hebben vergeten, dat
de menschelijke natuur aan zulk een zwakheid kon mank gaan."--"Die
sterksprekende trek van het volkomen ten offer brengen van zijn eigen
ik," gaat Dragomirof voort, "geeft aan de ziel een scherpte van blik,
welke haar veroorlooft de uitvoering te wagen van zekere besluiten,
waarvan de gedachte alleen reeds voldoende is om de slaap van een
gewoon mensch totaal te verstoren, en die gelijkertijd op de massa
een onwederstaanbare tooverkracht uitoefent. Die karaktertrek, en
die alleen sleept de menigte mede achter elken geestdrijver aan;
want wil men de menigte ten verderve leiden, dan moet men vóór alles
zelf niet beducht zijn te gronde te gaan."
Die maakte tevens, dat zijn gemoed gestaald werd en dat hij bij
Arcola Louis van een uiterst gevaarlijke zending ongedeerd ziende
terugkeeren, hem alleen met een kort verheugd lachje en een "Ik dacht
dat je gevallen waart" verwelkomde. Toch had hij Louis bijna zoo lief
als een zoon.
Zulk een man, zegt Masson, heeft de hoogste sport beklommen voor een
mensch met intellect en gevoel bereikbaar en zoo iemand staat boven
de goden der verbeelding.
Begrijpende, dat een langer verblijf te Jaffa zijn mannen noodlottig
kon worden, en dat afleiding voor hen het beste geneesmiddel
was tegen ziek worden, voerde hij hen door de woestijn naar het
sterk bezette Acca of Saint-Jean-d'Acre en vernietigde binnen
acht dagen de legermacht, welke de sultan deze vesting te hulp had
gezonden. Haar nemen vermocht hij niet, want Sidney Smith, de opvolger
van Nelson in de Levant, had hem in volle zee van zijn schepen met
belegeringsartillerie beroofd; en met veldgeschut was tegen de zware
steenen wallen niets te beginnen.--"Die man heeft mij mijn fortuin doen
missen," heeft Bonaparte, op dezen admiraal doelende, gezegd. "Was
Saint-Jean-d'Acre gevallen, dan had ik Damascus en Aleppo genomen;
in een oogwenk had ik aan den Euphraat gestaan. De christenen van
Syrië van Armenië, de Drusen hadden zich bij mij aangesloten. Ik zou
Constantinopel veroverd, Indië vermeesterd hebben en nu keizer zijn
van geheel het Oosten."
Thans werd er van al die visioenen niet één verwezenlijkt. Na een beleg
van twee maanden, na een laatste vierdaagsch bombardement, tendeele
onderhouden met de volkogels, die Sidney Smith van uit zee naar de
Fransche liniën had geschoten en door de soldaten waren opgezocht,
hief Bonaparte het beleg op. Zieken, gewonden, alles moest terug naar
Jaffa; den 21en Mei was er geen enkele Fransche soldaat meer voor Acre
te vinden. Met 500 dooden, waaronder verscheiden officieren van naam,
den divisiegeneraal Bon en den generaal der genie Caffarelli, was dat
gedenkwaardige beleg betaald. Bonaparte zelf was licht gewond geworden;
een paard was onder hem doodgeschoten. Eens, in de loopgraven was hij
bijna in stukken gereten door een bom, die vlak naast hem sprong en
hem benevens twee soldaten met aarde overdekte.
Ook Jaffa werd verlaten. Al de zieken werden medegevoerd. Niet één
bleef in Syrië achter, al heeft de Engelsche kolonel Wilson later
beweerd, dat op Bonaparte's bevel bijna zeshonderd onvervoerbare
pestlijders met opium zouden zijn omgebracht. De brave Larrey en
Desgenettes, hoofden van den geneeskundigen dienst, wier zelfopoffering
nooit genoeg kan worden gewaardeerd, waren er nog al de mannen naar,
om, gesteld zelfs, dat het bevel hiertoe gegeven was, dit ten uitvoer
te brengen.--"Juist aan generaal Bonaparte hebben die slachtoffers
in hoofdzaak hun behoud te danken gehad," heeft de eerstgenoemde
in later jaren in zijn gedenkschriften geschreven.--Om de figuur
van Napoleon heeft het spook van den afschuwelijksten laster steeds
onverpoosd rondgewaard.
Groote vreugde heerschte er te Caïro, toen de Sultan Kebir den 14en
Juni na een marsch van twintig dagen door het gloeiende woestijnzand
hier wederkeerde. Zelfs de inlandsche bevolking scheen een wijle
haar houding van zwijgende deftigheid te hebben afgelegd, om hem
met juichkreten te ontvangen.--Alles scheen er op te wijzen, dat
thans een tijdperk van rust was ingetreden, want in Mei reeds was
het aan Desaix gelukt Opper-Egypte geheel te bezetten en Mourad-Bey
bij herhaling de nederlaag toe te brengen.
De rust zou niet volgen.
Den 15en Juli toch ontving Bonaparte de tijding, dat een groot
Turksch eskader met landingstroepen aan boord, drie dagen te voren
het anker had laten vallen op de reede van Aboukir en reeds bezig
was met ontschepen. De tijding kwam van generaal Marmont, die
te Alexandrië commandeerde; aan de juistheid er van viel niet te
twijfelen.--De Turksche macht telde ongeveer 18000 man infanterie,
ditmaal geen uitgehongerde fellahs maar dappere janitsaren, gewapend
met een geweer zonder bajonet, waaruit ze eerst een schot losten
om daarna met pistool en sabel op den vijand in te gaan. Engelsche
officieren voerden hen aan. Paarden hadden ze bijna niet, slechts
driehonderd. De rest zou Mourad-Bey leveren, als hij, met twee- of
drie duizend mamelukken uit Boven-Egypte langs den zoom der woestijn
trekkende zich te Aboukir met hen had vereenigd.
Nauwelijks waren Bonaparte deze bijzonderheden bekend en wist hij dat
de bezetting van Aboukir over de kling was gejaagd, terwijl Marmont
zich zonder slag te leveren in Alexandrië had opgesloten, of hij begon
met drie divisiën een geforceerden marsch naar de kust. Tevens gaf hij
Kléber en Reynier, die in de Nijl delta stonden, last om onverwijld
op Aboukir aan te rukken. Zelf stond hij binnen enkele dagen tusschen
deze plaats en Alexandrië, gaf Marmont een geduchte schrobbeering,
omdat hij de landing niet had belet, en greep den 25en Juli den vijand
aan. Deze had zich verschanst op het schiereiland, waarop Aboukir ligt.
't Was een heet gevecht, een van de merkwaardigste misschien, die er in
de krijgsgeschiedenis is opgeteekend, want het gansche Turksche leger,
aan drie zijden door de zee, aan de vierde door Bonaparte ingesloten,
werd volslagen vernietigd. Wat niet viel door zwaard of kogel, vond
den dood in de golven. Mustapha-pacha, de commandeerende generaal,
werd na een tweegevecht met Murat gewond en door dezen gevangen
genomen; en op den avond van dien dag dreven 12000 Turksche lijken
voor Aboukir in zee. De nederlaag van het vorige jaar was glansrijk
gewroken. Kléber, die te laat was gekomen om nog aan den strijd te
kunnen deelnemen, omarmde zijn genialen veldheer en zei: "Generaal,
groot zijt gij als de wereld!"
Een nieuwe aanval van Turksche zijde was nu vooreerst niet weder te
duchten. Het Fransche leger telde nog bijna 25000 man; zijn toestand
was bevredigend te noemen; in een jaar tijd had het in het veroverde
land groote dingen verricht. Met voldoening kon de opperbevelhebber
op zijn werk terugzien. Slechts één factor ontbrak hem. Sinds 25 Maart
1799, dus sinds het beleg van Saint-Jean-d'Acre, was hij verstoken van
elk bericht uit Frankrijk; Louis in 't laatste kwartaal van 1798 half
ziek naar Europa teruggegaan, was niet weder in Egypte verschenen;
geen enkelen brief had hij ontvangen, zelfs niet van zijn familie; de
Engelsche kruisers hadden alles aangehouden. Reeds maanden verkeerde
hij in onzekerheid, hetgeen er voorviel ginds.
Eindelijk vernam hij de waarheid door Sidney-Smith zelf. Deze had een
Franschen parlementair opgepikt, die met den Turkschen vlootvoogd quasi
zou onderhandelen, maar die feitelijk voor Bonaparte berichten moest
inwinnen omtrent den stand van zaken in Europa. Van dezen officier
vernomen hebbende, dat Bonaparte hier omtrent geheel onkundig was,
zond hij hem uit ijdelheid een pakje couranten, een relaas behelzende
van de rampen, die de Republiek den laatsten tijd hadden getroffen.
Met al dat nieuws bleef Bonaparte een ganschen nacht in zijn kamer
alleen. Hij las.--Oostenrijk had aan Frankrijk opnieuw den oorlog
verklaard. In Duitschland was Jourdan, in Italië Scherer geslagen; te
Rastadt waren de Fransche gevolmachtigden vermoord; alle partijen
hadden samengespannen tegen het Directoire; vier nieuwe leden,
Siéyès, Roger Ducos, Gohier en de generaal Moulins hadden hierin
zitting genomen; alleen Barras was gebleven; al de klassen der
dienstplichtigen waren opgeroepen; een gedwongen leening van 30
millioen was uitgeschreven; nieuwe troebelen tusschen de republikeinen
en de royalisten waren ontstaan.
Tengevolge van de geldafpersingen der Fransche generaals hadden
de Napolitanen naar de wapenen gegrepen; uit verscheidene steden,
zelfs uit Rome was de bezetting verdreven. Om kort te gaan, terwijl de
oorlog buiten de grenzen tot nog toe ongelukkig was gevoerd, heerschte
er in 't land zelf een jammerlijke verdeeldheid, die de Republiek
aan den rand van den afgrond kon voeren. Door de meerderheid der
rustige burgers werd reikhalzend uitgezien naar een man, die in dezen
Augiasstal den Herculesbezem zwaaien en aan Frankrijk zijn grootheid
teruggeven zou.
In dien éénen nacht kwam Bonaparte dit alles en veel meer nog te weten;
als altijd nam hij terstond een besluit. Het Directoire had hem bij
zijn vertrek de vrijheid gegeven terug te keeren, als hij dit noodig en
nuttig oordeelde. Latere bevelen had hij niet ontvangen. De tijd van
terugkeeren achtte hij gekomen; terugkeeren zou hij, al doorploegden
Engelsche kruisers de Middellandsche Zee in alle richtingen, al ging
dat plan dus met groote gevaren gepaard en al liet hij zoodoende een
leger in den steek, dat hem overal trouw was gevolgd en alleen door
zijn tegenwoordigheid, zijn voorbeeld nog de veerkracht behouden had,
noodig voor het verrichten van grootsche daden.
Van een militair standpunt is Bonaparte's heengaan niet goed te
praten, doch het belang van Frankrijk, dat ten ondergang dreigde,
heeft bij hem stellig zwaarder gewogen dan dat van een leger, dat
door het Directoire reeds ten doode was opgeschreven en voor welks
redding alleen Louis ridderlijk een lans had gebroken.
Met Berthier, Lannes, Duroc, Bessières, Eugène, Marmont, Monge, Denou
en anderen benevens 400 guides scheepte hij zich den 22en Augustus
op een afgelegen punt van de kust in op twee fregatten, kwam, na een
kort oponthoud door tegenwind in de haven van Ajaccio, den 9en October
onopgemerkt voor de Fransche kust, stapte te Fréjus aan wal, liet zich
persoonlijk niet ophouden door de quarantaine-maatregelen, hier genomen
wegens de pest in Egypte, doch reisde, overal doch te Lyon in de eerste
plaats met klokgelui en schier uitbundige geestdrift verwelkomd, in
eens door naar Parijs. Hier kwam hij geheel onverwacht aan in zijn
woning.--Twee uur later begaf hij zich naar de Tuilerieën.--"Leve
Bonaparte!" riep de wacht, die hem terstond herkende.
Den volgenden morgen gaf hij in de volle vergadering een kort overzicht
van zijn verrichtingen ginds. Hij had Kléber met het opperbevel belast
en was zelf teruggekeerd om de Republiek, die hij verloren achtte,
te hulp te komen. Te Parijs had hij vernomen, dat zijn wapenbroeders
deze intusschen reeds hadden gered, en dat o. a. Massena bij Zürich
roemrijk had gezegepraald op de Russen. Hierover was hij zeer verheugd.
Het Directoire was niet verheugd. Het had niet verwacht hem ooit
levend terug te zien. Reeds herhaalde malen was het gerucht van zijn
dood te Parijs verspreid; alleen het kort te voren van hem ontvangen
bulletin der overwinning bij Aboukir had bewezen, dat al die berichten
leugenachtig waren geweest.