HOOFDSTUK VII.

Naar Egypte.

Tegenover Bonaparte's invloed had het Directoire het dus nogmaals

afgelegd; het schreef toen een brief vol lof en dank, betitelde hem met

"generaal-burger," onthief hem van zijn commando in Italië, benoemde

hem tot opperbevelhebber over een nieuw te vormen krijgsmacht, het

Leger tegen Engeland, verzocht hem met de afwikkeling zijner zaken in

Italië spoed te maken en zich daarna als gevolmachtigde der Republiek

te begeven naar het congres te Rastadt. Hier zouden de vredestractaten

dan tevens worden uitgewisseld.

De kunst van tusschen de regels door te lezen kende Bonaparte reeds

lang. Al die lof was bombast; het Directoire was bang voor hem

en voor zijn reusachtige populariteit, wilde hem liefst zoo lang

mogelijk van Parijs verwijderd houden en dacht mogelijk tevens, dat

op een congres, waar zoo groote en zoo veel belangen in behandeling

zouden komen, allicht iets kon voorvallen, waardoor zijn komst te

Parijs voorloopig totaal onmogelijk werd gemaakt. Hij antwoordde

dus, dat er aan de organisatie der Cisalpijnsche republiek en aan

het beheer van Italië en van het leger nog zooveel was te doen, dat

hij niet voor midden November naar Rastadt kon vertrekken, dat hij

den brigade-generaal Murat dus had vooruitgezonden en tegen het einde

dier maand zijn bestemming hoopte te hebben bereikt; dat de vijf door

Venetië afgestane schepen ook nog zeilklaar moesten worden gemaakt,

en dat hij een zijner ambtenaren naar Malta had gezonden om met het

oog op zijn verdere plannen hier poolshoogte te nemen.

In echte, nobele soldatentaal nam hij daarop afscheid van zijn helden,

noemde hen de steunpilaren van de vrijheid en van Frankrijks glorie

en vertrok 17 November naar Rastadt. Die reis geleek een zegetocht,

te Lausanne wachtte hem een deputatie uit het kanton Wallis, dat

slechts een aanleiding zocht om het juk van Berns tiranniek beheer

af te schudden en allerwege verrieden vlaggentooi, bloemen en luid

gejuich de sympathie, die de bevolking voor hem koesterde.

Slechts zes dagen bleef hij te Rastadt, schonk de heeren Treilhard en

Bonnier, zijn mede-afgevaardigden, die te midden van dien drom vreemde

diplomaten en kleine Duitsche vorsten tot nog toe een pover figuur

hadden gemaakt, terstond de plaats, welke hun als vertegenwoordigers

eener groote natie toekwam, weigerde den Zweedschen gezant von

Fersen te ontvangen, omdat deze voorheen tot de Bourbons in te nauwe

betrekking had gestaan, ruimde zonder veel omslag of gepraat [15]

alle bezwaren op, welke bij de regeling der overgave van Venetië en

van Maintz nog werden gemaakt en was den 7en December terug in zijn

klein hotel van de rue Chantereine, weldra door den gemeenteraad

herdoopt in rue de la Victoire.

Joséphine had hem niet vergezeld en dus niet gedeeld in de hem op

zijn doorreis in Frankrijk overal gebrachte hulde. Volgens haar

brieven verlangde zij wel hartelijk naar haar dochter en vond zij

het in Italië doodelijk vervelend. Toch kwam zij eerst in 't begin

van Januari 1798 thuis. Een uitstapje naar Rome had tijd gevorderd;

te Turijn had zij gedineerd bij den Franschen gezant en hier groote

bezorgdheid aan den dag gelegd voor een zware cassette vol cameeën,

medailles en andere kostbaarheden, daarna was zij met bar weer over

den Mont-Cenis naar Lyon gereisd en was hier met pracht en praal

ontvangen. Al dien tijd had haar man zich te Parijs niet meer in

't openbaar vertoond dan noodig was. Drie dagen na zijn terugkeer

was hij door het Directoire op het groote plein voor het Luxemburg in

tegenwoordigheid van tienduizenden juichende toeschouwers gehuldigd;

Talleyrand en Barras hadden de loftrompet over hem gestoken, zijn

eenvoud, bescheidenheid, groote burgerdeugden en lust voor de studie

als om strijd geprezen. Als een orkaan had de juichkreet "Leve de

Republiek! Leve Bonaparte" te Parijs weerklonken bij het zien van dien

doodeenvoudig gekleeden generaal met zijn bleekgeel zuidelijk gelaat

en zonderling lichtende oogen, van dien half beschroomden man met

zijn vreemd klinkenden naam, die plotseling van den achtergrond naar

voren getreden na een reeks van glansrijke overwinningen, thans den

vrede was komen brengen. Vrede na een jarenlangen bloedigen kamp op

leven en dood met het buitenland. Beter nog dan de stedeling begreep

de plattelandsbewoner, wat dat woord beteekende. Van dien dag af was

Bonaparte voor dezen geworden l'Homme, de incarnatie van rustige

kracht, die welvaart zou brengen en voorspoed, en het ongestoorde

bezit van het eenmaal rechtmatig verkregen eigendom; jarenlang is

hij dit gebleven.

Door Carnots verbanning was er in het Instituut een zetel

opengekomen. Deze werd hem thans aangeboden voor de afdeeling

werktuigkunde en erkentelijk door hem aanvaard. Vaak vertoonde

hij zich na dien in het daarbij behoorende costuum. Verder scheen

hij zich bij voorkeur aan alle openbaar huldebetoon te onttrekken;

slechts een enkele maal vertoonde hij zich in de comedie en dan nog

in een loge grillée, was gansche dagen thuis en lag dan met passer

en potlood in de hand uren achtereen gebogen over zijn reusachtige,

op den grond uitgespreide kaarten van Engeland en Egypte.

Na Joséphine's terugkomst, op een luisterrijke partij, door Talleyrand

ter harer eer gegeven, gaf hij de daar aanwezige gasten, eenige

honderden, weder gelegenheid hem wat meer van nabij te zien. "Mama,

't is een man!" riep een jonge dame, toen hij in burgerkleeding,

met Joséphine, in Grieksch gewaad en gekapt met cameeën, naast zich,

de zalen van het hotel Gallifet binnentrad. Hier ontmoette hij ook

voor het eerst mevrouw de Stael-Holstein, de echtgenoote van den

Zweedschen gezant, een dochter van Necker. Reeds herhaalde malen had

zij hem schriftelijk haar sympathie betoond en hem zelfs te verstaan

gegeven, dat een vrouw zoo talentvol als zij, beter naast hem had

gevoegd dan die weinig ontwikkelde creoolsche; thans liet zij zich door

Arnault aan hem voorstellen. Veel genoegen beleefde zij hiervan niet,

want Bonaparte had een afkeer van intrigeerende dames en bas-bleus,

was van meening, dat een echte vrouw thuis behoort en niet op de

publieke tribune en was hard en bits tegenover haar, beantwoordde

haar vraag "welke vrouw in zijn oogen de eerste was" met een koel:

"Zij die de meeste kinderen heeft gehad" en keerde haar den rug toe.

Dat was de eerste schermutseling geweest tusschen de rijkbegaafde

dame uit de groote wereld, die uit haar salon wel over Frankrijk had

willen heerschen en van de rol eener Madame de Maintenon wellicht

niet afkeerig zou zijn geweest, en een man uit het volk, die in de

politiek geen vrouwelijken invloed duldde, die dit beginsel heeft

volgehouden tot het einde toe en die later, toen hij haar intrigeeren

met de royalisten moede werd, haar onverbiddelijk uit Parijs verbande.

Evenals mevrouw de Rémusat, heeft deze dame, die zelve bals en partijen

gaf en haar man half armoede liet lijden, door haar geschrijf heel

wat toegebracht om Napoleon in een slecht daglicht te stellen [16]

en hem in de publieke opinie te schaden. Hoe hij over die "helleveeg"

dacht, blijkt o. a. duidelijk uit den brief van 1807 uit Osterode aan

Cambacérès.--"Die vrouw zet haar vak van intrigante voort en is ondanks

mijn bevelen Parijs weder genaderd. Dat is een ware pest. Spreek er

over met den minister van Politie, want ze zal nog maken, dat ik haar

door de gendarmerie laat oppakken."

Telkens vervolgde zij hem met haar brieven,--somtijds zelfs van zes

zijdjes,--hij vond die vol pretensies maar zinledig en hol en verkoos

haar niet te Parijs toe te laten, waar zij het centrum vormde van

allerlei intriges en waar de Conventie reeds last van haar had gehad.

Dat hij, te Parijs teruggekeerd, zoo stil en afgezonderd leefde,

slechts enkele generaals, als Kléber en Desaix en eenige geleerden,

letterkundigen, enz. als Legouvé, Monge, David, Mehul en Bernardin de

Saint-Pierre ontving en zich bij niet één politieke partij aansloot,

wekte niet minder verbazing dan dat hij zich uitsluitend met zijn vrouw

scheen te bemoeien; dit laatste werd in de kringen van het Directoire

zelfs bijna onbehoorlijk gevonden. "Zeer verliefd en zeer jaloersch"

heette hij al spoedig.

Joséphine vond deze stille afgezonderde levenswijze alles behalve

aangenaam, maar schikte zich in de omstandigheden, richtte zich met

al het uit Italië medegebrachte moois zeer kostbaar in, hield in

stilte de relatie aan met al de "schuine" vriendinnen en de vrienden

van voorheen, doch bracht ze zoo weinig mogelijk in aanraking met

haar man, want deze had de gewoonte die beursmannen, woekeraars,

legerleveranciers, gescheiden vrouwen en andere dames van verdachte

zeden aan te kijken op een wijze, die op een alleronpleizierigste

manier zijn grenzenlooze verachting voor hen verried. Zoo lang hij te

Parijs vertoefde, vertoonde dat volkje zich dus niet, doch nauwelijks

was hij voor een dag of wat op reis of de bende kwam weder opzetten.

Zelfs met Barras werden de banden van voorheen weder vaster gesnoerd

en zeker geeft een briefje uit die dagen aan Bottot, Barras secretaris

gericht, veel te denken. "Bonaparte is van nacht thuisgekomen. [17]

Betuig Barras derhalve mijn leedwezen, dat ik niet bij hem kan

dineeren. Verzoek hem mij niet te vergeten. Beter dan iemand anders

kent gij mijn positie. Adieu, oprechte vriendschap.

Napoleon(#27883) · 第 20 / 49 题