Bij Rivoli, op Mombello. De Vrede.
"Ik hoop weldra in je armen te wezen. Ik heb je razend lief. Alles
gaat goed. Würmser is onder Mantua verslagen. Aan 't geluk van je
echtgenoot ontbreekt alleen Joséphine's liefde," had Bonaparte den
24en November uit Verona aan zijn vrouw geschreven. Drie dagen later te
Milaan gekomen vond hij het paleis... verlaten. Mevrouw was in stilte
even naar Genua overgewipt. Zijn brief aan haar van dienzelfden datum
verried zijn harteleed.
"Als ik naar huis kom, ga jij heen; je Napoleon is je
onverschillig geworden. Aan het gevaar gewoon, ken ik het
middel tegen het verdriet en de rampen des levens. Mijn
droefheid is nameloos groot. Tot den 29en blijf ik
hier. Derangeer je niet; maak maar volop pret; je man is
diep ongelukkig."
Van niet minder grievend zieleleed getuigde zijn volgend schrijven,
toen de koerier uit Genua taal noch teeken van haar medegebracht had.
"Jou alleen beminnen, je gelukkig maken, alles laten wat je
hinderen kan, is mijn lot, mijn levensdoel. Dat de natuur
mij de middelen onthield om je te boeien, is mijn schuld;
maar van Joséphine's zijde verdien ik toch eenige achting,
eenige egards, want ik heb je lief als een dwaas. Zoodra
vaststaat, dat zij mij niet meer beminnen kan, sluit ik mijn
bitter leed op in mijzelf; dan zal ik mij tevreden stellen
met haar nuttig te wezen."
Zijn geschrijf baatte niet. Mevrouw had het in die dagen veel te
druk met luitenant Charles, "die aardige jongen." De gansche armee
wist, dat zij met dien snuiter zeer was ingenomen en dat, in het
hotel Serbelloni dit kereltje als heer en meester optrad, zoodra
de ander dit had verlaten. Alleen Bonaparte wist dit niet. Eenmaal
hieromtrent ingelicht, zond hij dien "vrijer" weg uit het leger; hij
zou geknoeid hebben met leveranciers, heette het. Joséphine zorgde voor
zijn toekomst. Volkomen bewust van haar macht, kostte het haar bij
terugkeer te Milaan weinig moeite haar echtgenoot van haar onschuld
te overtuigen en de echtgenoot, voor wien gansch Italië in 't stof
lag, geloofde al wat zij hem op de mouw spelde, nam haar in zijn
grenzelooze liefde weder op in zijn hart en droeg zwijgend zijn leed.
Nog voordat hij door de gevechten bij Arcola een beslissing had
verkregen, was een zekere partij te Parijs er in geslaagd, hem bij
het Directoire verdacht te maken. Die jeugdige generaal had wel
groote overwinningen behaald, scheepsladingen vol kostbare zaken
naar de musea te Parijs gezonden, millioenen en nogmaals millioenen
francs in de schatkist gestort, zich in één woord zeer verdienstelijk
gemaakt tegenover het vaderland, maar welk doel beoogde hij hierbij
voor zich zelf? Was hij niet eerzuchtig, streefde hij niet naar
hooger? Was hij met zijn absoluut energiek karakter niet een gevaar
voor den staat?--Toen men hem een veldtochtsplan had voorgelegd,
dat niet door hem zelf was ontworpen, had hij zijn ontslag verzocht;
onder den naam van een wapenstilstand had hij aan regeerende vorsten
als oppermachtig gebieder de keus gelaten tusschen oorlog en vrede;
toen de onderhandelingen met den paus niet waren overgelaten aan hem,
had hij zich hierover gekrenkt getoond; zonder voorkennis of machtiging
van het Directoire had hij aan Moreau in Duitschland een millioen
francs gezonden, zoogenaamd, omdat die generaal hem de Oostenrijkers
in Tyrol dan zooveel te krachtiger van het lijf zou kunnen houden;
hij was om kort te gaan, een man gebleken, die liefst zelf deed, wat
hij meende zelf tot een goed einde te kunnen brengen. Was hij wel te
vertrouwen? Zou hij misschien hertog van Milaan willen worden? Dit
moest onderzocht. Generaal Clarke van het departement van oorlog
kreeg dus last om toegerust met een voorstel tot het sluiten van
een voor Oostenrijk zeer gunstigen wapenstilstand naar Weenen te
gaan, doch de reis te nemen over Italië, Bonaparte omtrent dit plan
te hooren en--op diens houding en gedragingen nauwkeurig acht te
geven en hierover te rapporteeren aan het Directoire. Toen Clarke
Bonaparte ontmoette, was het drama van Arcola reeds afgespeeld; van
een verdrag met Oostenrijk wilde de veldheer niets weten. Ook in het
geheime gedeelte zijner opdracht slaagde Clarke niet, want door 't
geen hij dagelijks zag en hoorde, was hij weldra zoo totaal ingepakt,
dat hij letterlijk een volbloed Bonapartist werd en het Directoire
over Bonaparte's optreden van hem niets dan lof te lezen kreeg.
Kenschetsend is Clarke's oordeel over hem: "Hier is niemand, die
in hem niet ziet een man van genie.--Groot is zijn macht over de
figuren, die het republikeinsche leger vormen.--Zijn blik is zeker;
zijn besluiten zet hij door met volle kracht. Zijn koelbloedigheid in
de heftigste gevechten is even opvallend als de buitengewone snelheid,
waarmede hij zijn plannen verandert, wanneer onvoorziene omstandigheden
dit gebieden."--Wel zag hij, dat Bonaparte zijn mannen weinig spaarde
en hard, ongeduldig, heerschzuchtig was; doch houding, blik en wijze
van spreken verrieden in hem tevens den man, tot bevelen geboren;
een ieder voelde dit; een ieder onderwierp zich. Zijn krijgsmakkers
uit die dagen roemden zijn luchtigen, levendigen toon, waar het geen
dienstzaken betrof, zijn scherts en zijn goedmoedigheid, in één woord
de eigenaardige toovermacht, welke van hem uitging.
Inmiddels was de winter ingetreden; wegen en bergpassen lagen diep
onder de sneeuw; voor een korte poos was aan de vijandelijkheden dus
een einde gekomen. Van dit tijdperk van verademing maakte Bonaparte
gebruik om een flinke opruiming te houden onder "de dieven," zooals
hij in 't algemeen het personeel betitelde, dat met de zorg voor het
onderhoud des legers was belast. Door zijn onverpoosde zorgen was dit
laatste thans goed gevoed, goed gekleed en gewapend. 't Was weer een
lust soldaat te zijn; zeiden de manschappen. De officieren deelden in
die tijdelijke weelde; enkelen begonnen reeds een spaarpot te maken;
maar tusschen die mannen van het zwaard, die den overvloed van het
heden meestal met hun bloed hadden betaald, bewogen zich tal van
niet-strijders, de administrateurs en leveranciers, door elkander
genomen, een zoodje schelmen, die zich verrijkten ten koste van
den troep, brutaal hun rijkdom toonden en met het gestolen goed de
gunsten kochten der Italiaansche actrices. Tegenover dat gespuis
trad hij zonder genade op. Zelf leefde hij dood eenvoudig in zijn
hoofdkwartier, dat Joséphine om den schijn te bewaren, weder tijdelijk
met hem was komen deelen. Als bij intuïtie wetende, dat hem weinig
tijd zou worden gelaten en dat Alvinzi weldra weder aanvallend zou
optreden, zorgde hij inmiddels dat de goede verstandhouding met
Sardinië en Parma niet werd verbroken; met Toskane sloot hij een
verdrag, waarbij hij tegen vergoeding van een paar millioen francs
het garnizoen uit Florence terugnam; hij legde troepen in Bergamo,
quasi om die stad met haar Venetiaansch garnizoen te beschermen tegen
een coup de main der Oostenrijkers en maakte toebereidselen om het
verlangen der republikeinen te bevredigen en den paus te tuchtigen
voor zijn trouweloosheid en zijn heulen met den vijand.
Reeds had hij hieraan een begin van uitvoering gegeven en bevond hij
zich hiertoe te Bologna, toen de tijding, dat Alvinzi zijn voorposten
allerwegen had aangegrepen (10 Januari 1797), hem spoorslags deed
terugkeeren naar Verona, waarom ook Joséphine weder naar Milaan
vertrok.
Voor den aanval met zijn leger van circa 45.000 man had Alvinzi een
nieuw plan bedacht. Terwijl de generaal Provera, Legnano en Verona van
uit het oosten door een afzonderlijk detachement aangreep, wilde hij
zelf met de rest (28.000 man), in zes colonnes verdeeld, de stelling
van Rivoli omvatten en het Fransche leger vernietigen. Het ontzet
van Mantua moest dan van zelf volgen.
De even schrandere als vastberaden generaal Joubert, die de stelling
van la Corona tot nog toe had bezet gehouden, doorzag dit plan, week
terug naar Rivoli en had reeds bevelen gegeven om voor den steeds
wassenden stroom van vijanden zelfs dit hechte punt te ontruimen (13
Januari), toen hij tegenbevel ontving. Door rapporten en verkenningen
was Napoleon tot de slotsom gekomen, dat zijn tegenpartij zoomin
bij Verona als bij Legnano de overmacht had. Toen hij in den nacht
van den 14en staande op 't plateau van Rivoli, den reusachtigen boog
van vijandelijke wachtvuren zag, die zijn eigen leger half omspande,
begreep hij, dat hier de hoofdaanval zou geschieden. Alvinzi wilde
hem blijkbaar omvatten.
Doch hij zou hem voor zijn; hij zou Alvinzi's centrum doorbreken en dan
afrekenen met de vleugels, die in het zware bergterrein te ver vaneen
waren om elkander te kunnen steunen. Voor zijn eigen flanken koesterde
hij geen vrees, want Massena was reeds naar Jouberts linkervleugel op
weg, Reij eveneens; al wat in de nevenstellingen gemist kon worden, was
reeds opgeroepen naar het rotsplateau, waar de beslissing zou vallen.
Nog is de dag niet aangebroken, als Joubert de voortroepen van het
Oostenrijksch centrum aangrijpt en terugwerpt; maar dan naderen de
diepe colonnes der hoofdmacht; van de terrasvormige hoogten komen
de Croaten in dichte drommen naar beneden; weldra wordt het gevecht
algemeen. Tegen het middaguur beginnen de kansen voor de Franschen
zelfs hachelijk te staan. Jouberts linkervleugel wordt dan een korte
poos bedreigd met omvatting, doch Massena's komst wendt dit gevaar af.
Op het kleine bergvlak, midden in het slaggewoel blijft Bonaparte
volkomen kalm; zelfs als een deel zijner strijders door angst voor een
omtrekking wordt aangegrepen, vertrekt geen spier op zijn doodsbleek,
mager gelaat. "Die daar," wijzende op de omtrekkende colonne,
"krijgen we straks," zegt hij. Dit woord vol fier zelfvertrouwen
bezielt allen weder met nieuwen moed; en als de spits van Alvinzi's
vijfde colonne, zijn reserve, het plateau begint te betreden, storten
Lasalle's cavalerie en Jouberts infanterie zich ais een lawine op dezen
nieuwen vijand, smakken hem terug, het steile, kronkelende bergpad
af, zoodat menschen, paarden en vuurmonden in den afgrond tuimelen,
en weldra verkondigt een daverend hoera, dat de zege is behaald.
Alvinzi's troepen gaan terug. Dan wordt ook met bovengenoemde
omtrekkende colonne afgerekend, en deze zoo goed als geheel gevangen
genomen. Hoewel de avond valt, wil Bonaparte de overwinning voltooien
en 's vijands reserve totaal vernietigen, als hij bericht krijgt, dat
Provera den 13en 's nachts de Etsch is gepasseerd en, door Augereau
en Lannes scherp nagezet, naar Mantua is gerukt om deze vesting te
ontzetten. Slaagt Provera hierin, komt Würmser met zijn leger dus
vrij, dan zijn de gevolgen hiervan niet te overzien, want Alvinzi
is wel geslagen, doch (zooals den volgenden dag reeds blijken zou)
niet geheel; dan kan de toestand voor het Fransche leger aan de Etsch
zeer bedenkelijk worden.
Bonaparte bedenkt zich niet lang. Joubert beveelt hij den bij Rivoli
geslagen vijand te vervolgen; dan gaat hij na een korte rust zelf met
de divisie Massena, waarbij zich te Villafranca Victor aansluit, op
weg naar Mantua, den braven Serurier te hulp; dan toonen Massena's
grenadiers nogmaals, wat zij door marcheeren verstaan. Den 13en
zijn zij bij Verona in het vuur geweest, den nacht daarop naar het
plateau van Rivoli gerukt, de kameraden te hulp; nu ijlen zij bijna
zes en dertig uur aan één stuk voort. Honger dorst, vermoeienis, alles
vergeten zij, één parool slechts kennen ze: Naar Mantua! want 't zal
spannen voor Italië's bolwerk. Acht maanden is de vesting ingesloten;
polenta en gezouten paardenvleesch vormen het dagelijksch menu der
bezetting en nu Würmser weet, dat Provera hem de hand komt reiken,
zal hij stellig het schier onmogelijke doen om vrij te komen.
Den 16en valt hij vol woede aan op Serurier, maar tornt op tegen diens
sterke positie bij La Favorite; niet beter gaat het met Provera. Door
Victors 57e halve brigade, sinds dien dag la Terrible genoemd, wordt
hij zoo geducht gehavend, dat hij 6000 gevangenen moet achterlaten; het
slot is, dat Würmser binnen de vesting wordt teruggedrongen. Hiermede
is het pleit beslist. Würmser begint te onderhandelen en Bonaparte, vol
eerbied voor zijn hoogen leeftijd [11] en zijn gehouden gedrag, schenkt
voorwaarden, zoo gunstig, als hij bijna niet had durven verwachten,
want hem wordt vrije aftocht verleend met zijn geheelen staf, twee
honderd ruiters, zes vuurmonden en vijfhonderd personen naar zijn
keuze. Door deze laatste bepaling kreeg Würmser de gelegenheid eenige
Fransche émigrés te redden, die binnen de stad een toevluchtsoord
hadden gezocht.
Nu Mantua gevallen was, kon men Italië als veroverd en dezen veldtocht
als geëindigd beschouwen. In den tijd van tien maanden had Bonaparte
met een leger, dat zelfs op zijn grootste sterkte nooit meer dan
ruim vijftig duizend man had geteld, twaalf veldslagen en meer dan
zestig gevechten geleverd en het hoofd geboden aan een macht, die
de zijne meer dan viermaal in aantal overtrof. Frankrijk kon trotsch
wezen op haar zonen, die de beginselen der vrijheid hadden gebracht
in een land, waar de adel en de priesters eeuwen achtereen onbeperkt
hadden geheerscht; het was thans meester van de Noordzee tot aan de
Alpen, van de Pyreneën tot aan den Rijn. Hoche en Moreau bewaakten
deze grensrivier, Bonaparte had Oostenrijk doen zwichten voor zijn
ongeëvenaard veldheersgenie; thans was de vrede in 't verschiet. Eerst
echter moest nog met den paus afgerekend worden. Gevolg gevende aan den
raad van eenige zijner kardinaals, had deze het tractaat van Frankrijk
geschonden, eerst in 't geheim, later openlijk de partij van Oostenrijk
gekozen, zijn troepen zelfs gesteld onder bevel van een Oostenrijksch
generaal en eindelijk, op de tijding, dat Bonaparte Rome naderde,
den godsdienstoorlog doen prediken onder het landvolk. Groot was het
gevaar, dat het Fransche leger door dezen laatsten maatregel dreigde,
snel en doortastend optreden het eenige middel er tegen.
Reeds den 4en Februari stonden èn Lannes èn Victor met hun grenadiers
aan de Senio tegenover een bende door priesters en monniken opgezweepte
boeren. Kardinaal Bucca commandeerde die zelf en deed de Franschen
weten, dat, als zij het waagden hen aan te vallen, hij op hen zou doen
schieten. Wat werd hij om die bedreiging hartelijk uitgelachen! In
die dagen maalden de soldaten der Republiek wat om den paus en de
priesters. In den nacht doorwaadde de voorhoede onder Lannes de Senio,
sneed den kardinaal zoodoende af van zijn terugtochtsweg naar Faenza,
sloeg het pauselijk legertje uiteen, schoot de poorten open van het
stadje en bestormde dit. Had Bonaparte niet vooraf iederen soldaat,
die het waagde te plunderen, met den kogel bedreigd, dan zou er van
het plaatsje en zijn fanatieke bevolking niet veel zijn overgebleven.
Nu deze laatste niet, zooals ze geducht had, over de kling gejaagd,
doch met verschooning behandeld werd, veranderde haar houding in een
ommezien en toen Bonaparte daarna aan een groot aantal krijgsgevangen
officieren de verzekering gaf, dat hij niet was gekomen om schade te
doen aan den katholieken godsdienst of om den Heiligen Stoel omver te
werpen, doch alleen om aan Italië de vrijheid te brengen en een einde
te maken aan de grove misbruiken der geestelijken, was hiervan het
gevolg, dat verscheidene steden de poorten vrijwillig voor hem openden,
dat Ancona, door Colli ontruimd en door Victor zonder slag of stoot
bezet werd, dat Nôtre Dame de Lorette reeds den 10en overging en dat
de hoogten van Tolentino in de onmiddellijke nabijheid van Rome, zes
dagen later waren bereikt. Die Franschen marcheeren niet, ze vliegen,
zeide een der romeinsche prelaten, vol angst voor 't geen er nu zou
volgen. Ernstig werd te Rome de vraag overwogen, of 't voor den paus
en het Heilige College geen zaak was ijlings te verhuizen naar Napels.
Tot dit uiterste liet Bonaparte het niet komen. Hoewel hij volkomen
het recht had over het aan hem gepleegde verraad geduchte wraak te
nemen, pleegde hij geen geweld. Het was hem voldoende, als de paus
afstand deed van zijn wereldlijk gezag. Bij het verdrag van Tolentino
werd dus beslist, dat Pius VI afzag van zijn rechten op Avignon en
le comtat Venaissin in Frankrijk en de legatiën Bologna, Ferrara
en de Romagna, terwijl hij Ancona met de citadel aan Frankrijk moest
overdragen. Voorts moesten alle staatsgevangenen in vrijheid gesteld en
dertig millioen francs betaald worden. Eindelijk vorderde Bonaparte,
dat hulp verleend werd aan de duizenden Fransche geestelijken, die
uit hun vaderland verbannen, aan diepe ellende ten prooi, in Italië
een toevluchtsoord gezocht en de meeste deuren voor zich gesloten
gevonden hadden.
Dat hij den paus zoo welwillend bejegende en dat zijn brieven aan
dezen getuigden van eerbied en hoogachting, werd door zijn generaals
en het gros zijner soldaten afgekeurd, doch hieraan stoorde hij zich
niet. Zijn geloofsbegrippen en zijn persoonlijk gevoelen waren met
de door hem gevolgde staatkunde in overeenstemming. De Republiek
mocht een godsdienst van het Hoogste Wezen ingesteld, de roomsche
geestelijken verbannen, de kerkelijke goederen verbeurd verklaard
hebben en hij zelf een kind dier omwenteling wezen, in zijn hart
was hij een geloovige zoon der kerk gebleven. Hiervoor stroomde te
veel Italiaansch bloed door zijn aderen; een godloochenaar is hij
nooit geweest. Dat: "N'est pas athée qui veut," in later jaren door
hem uitgesproken, is hiervoor het afdoende bewijs. De kuiperijen en
intriges der geestelijken waren hem echter een gruwel en het bezit
van stoffelijke goederen achtte hij voor den paus en zijn prelaten
bij hun geheel geestelijken arbeid volslagen overbodig.
In hooge mate politiek was zijn bezadigd optreden tegenover den
kerkvorst, want reeds pakte een nieuw onweder zich in het noorden
samen; nogmaals zou hij verplicht zijn tegenover Oostenrijk front te
maken en dan kon een fanatieke, door geweld, roof en moord tot het
uiterste gebrachte bevolking, die hij tijdelijk den rug moest toe
keeren, een gevaar worden, geduchter nog dan het eerstgenoemde.
Geen Würmser, geen Alvinzi zou ditmaal zijn tegenpartij zijn; een
prins van den bloede zelf, aartshertog Karel, een jong bezadigd
krijgsoverste, die tegenover Moreau aan den Rijn, zijn sporen had
verdiend.
Nog had deze zijn strijdkrachten op verre na niet bijeen, in de
bergpassen van Frioul en Tyrol stonden ze verspreid; nog miste
hij zes volslagen divisiën, die uit Duitschland zouden komen,
toen Bonaparte, versterkt door circa 25000 man van het Rijnleger
onder Bernadotte, in Maart zijn tweeden tocht begon naar de toppen
der Alpen, den vermetelsten waarvan de krijgsgeschiedenis tot heden
gewaagde. Eenmaal die onder sneeuw en ijs bedolven bergen door en de
rivier de Drave gepasseerd, zou hij zich bevinden in het dal van den
Donau en op Weenen kunnen aanrukken. Voor den afmarsch had hij pogingen
aangewend om met Venetië een bondgenootschap te sluiten, doch slechts
ontwijkende antwoorden ontvangen. Vastgeroest in eeuwenoude begrippen,
valsch en trouweloos als altijd, wars van al wat nieuw of Fransch was,
wachtte de republiek slechts op een nederlaag van Bonaparte om haar
slag te kunnen slaan. Dat de fortuin dezen generaal onveranderlijk
getrouw zou blijven, achtte ze niet denkbaar.
De feiten leerden haar anders. Den 12en Maart de Piave overgetrokken,
sloeg Bonaparte den aartshertog vier dagen later bij de Tagliamento,
vereenigde zich kort daarop met Joubert, bleef op alle punten in
't voordeel, bereikte den laatsten Maart Klagenfurt, stelde hier
den aartshertog voor, onderhandelingen te openen, ontving door
Engelschen invloed een onvoldoend antwoord, greep dus opnieuw aan en
bracht de tegenpartij in de vier volgende dagen in de bergpassen van
Neumarkt en Unzmarkt zulke zware verliezen toe, dat er te Weenen een
paniek ontstond en dat aartshertog Karel, die van den aanvang af tot
onderhandelen was bereid geweest, maar wiens handen door het kabinet
te Weenen waren gebonden, thans ijlings om vrede verzocht. Bernadotte
had Triëst en de rijke mijnen van Istrië inmiddels bezet.
Te Leoben werden onderhandelingen geopend, die den 18en April tot
een voorloopig verdrag leidden; doch Massena had met de voorhoede de
toppen van den Semmering in dien tusschentijd bereikt, hij stond nog
maar twee dagmarschen van Weenen verwijderd en kon de torens dezer
stad in de verte zien.
Ernstige overwegingen waren het, welke Bonaparte tot het doen van
voorstellen aan den aartshertog hadden geleid. In Italië, te Bergamo,
Brescia en Salo was oproer uitgebroken; Franschgezinde burgers waren
vermoord; Fransche soldaten waren er nog wel niet gevallen,--zij hadden
strenge bevelen zich niet met de door de geestelijken opgezweepte
bevolking te bemoeien,--doch de toestand was niettemin bedenkelijk. Dan
droeg Bonaparte kennis van de kuiperijen der koningsgezinden te
Parijs tegen het Directoire; eindelijk achtte hij de grens van
zijn strategisch kunnen mogelijk nu ook bereikt. Oostenrijk zou de
Zuidelijke Nederlanden afstaan in ruil voor Venetië, Illyrië en Istrië,
met uitzondering van de eilanden en zou dus meer ontvangen dan het ooit
had durven hopen. Had Bonaparte geweten, dat Hoche aan het hoofd van
het Sambre- en Maasleger in diezelfde dagen (half April) in Westfalen
in drie veldslagen en vijf gevechten o. a. bij Neuwied, de overwinning
behaald, en dat Desaix in 't Schwarzwald even groot succes verworven
had, dan had hij waarschijnlijk van onderhandelen even weinig willen
hooren als van de aanspraken, die de Oostenrijksche gezanten bij hem
in den aanvang gemaakt hadden op den voorrang bij de zittingen. "Ik
wil van voorrang niets weten," zeide hij. "Wil Oostenrijk de Fransche
Republiek niet erkennen, dan is mij dit om 't even. Die Republiek staat
in Europa als de zon boven den gezichtseinder. Wee de blinden, die haar
niet kunnen zien of van haar glans geen partij weten te trekken. Zie
ik,"--doelende op een stoel, die den zetel van den Duitschen keizer
moest voorstellen;--"zie ik ergens een stoel, die hooger staat dan
de andere, dan bekruipt mij terstond de lust daarop te gaan zitten."
Terwijl hij te Leoben nog onderhandelde, had men in Venetië het
gerucht verspreid, dat hij door aartshertog Karel was geslagen en met
zwaar verlies teruggeworpen. Dit was koren op den molen der monniken
en reactionnairen; fel tegen alle nieuwerwetsche begrippen gekant,
wisten deze het zoover te brengen, dat op den tweeden Paaschdag
(17 April) te Verona, een der brandpunten van het fanatisme, een
geweldig oproer uitbarstte, waarbij verscheidene ongewapende Fransche
soldaten op straat werden vermoord, (de Veroneesche Paschen.) Bijna
tegelijkertijd was een Fransche logger, die vluchtende voor een paar
Oostenrijksche oorlogschepen, de haven van Lido was binnen gezeild,
eerst door de landbatterijen beschoten en toen door een bende Slovenen
afgeloopen. Dat de Groote Raad van Venetië in dit alles de hand had
gehad, is niet bewezen, doch de feiten bleven dezelfde; op het platte
land in Bonaparte's rug had men mogelijk een Italiaansch Vendée willen
maken. De geestelijken dreven alles. De straf voor deze daden, welke
inderdaad Bonaparte met het oog op zijn plannen niet onwelkom waren,
liet zich niet lang wachten. Geen enkel voorstel tot een vergelijk
verkoos Bonaparte aan te hooren. "Al wilden jelui het strand met
goud bevloeren, neen, zeg ik. Zelfs de schatten van Peru wegen niet
op tegen het bloed van maar één mijner soldaten."
Den 26en Mei trok een Fransch leger, door de bevolking met geestdrift
begroet, Venetië binnen, bezette de forten en vaste punten en plantte
de Fransche driekleur op het plein van San Marco. Het aristocratisch
bestuur viel; het Gouden boek, inhoudende al de voorrechten van adel
en geestelijkheid werd verbrand; een democratisch bewind trad op. De
beroemde Leeuw van San-Marco, het zinnebeeld van Venetië's oppermacht,
werd overal omvergeworpen; de vloot, opnieuw uitgerust, stevende
naar Toulon. Vrijwel zonder bloed vergieten had deze omwenteling
plaats gegrepen; over het lot der Republiek was intusschen te Leoben
reeds beslist.
De Senaat van Genua, die een even verraderlijke rol had gespeeld als
Venetië, onderging hetzelfde lot; de Ligurische republiek werd hier
afgekondigd. Eindelijk had de reeks van overwinningen in Italië en
in Duitschland door Frankrijk bevochten tengevolge, dat Pitt beangst
werd en zelf aanbood onderhandelingen aan te knoopen; te Rijssel zou
worden beraadslaagd.
Terwijl Hoche, Moreau en Bonaparte de eer en de onafhankelijkheid der
Republiek glansrijk handhaafden tegenover het buitenland en gansch
Europa vervulden met eerbied en ontzag, vormde de toestand in het
binnenland hier tegenover een schril contrast. De landmandaten, die
het vorige jaar de assignaten hadden vervangen, waren even sterk als
deze, in waarde gedaald. Door de ambtenaren werd op de koersverschillen
schandelijk gespeculeerd, zelfs werd het gansche Directoire van zulke
praktijken beticht, hoewel alleen de steeds in overdaad levende Barras
zich hieraan schuldig maakte. Inwendig zwak, levende te midden eener
bevolking, die de herinnering aan de dagen van la Terreur in een
zee van vermaken en zingenot scheen te willen verdrinken, hiertoe
elk middel aangreep en liefst van niets anders wilde hooren dan van
pret, gevoelde het Directoire zijn zetel onder zich wankelen. Op het
platte land wemelde het van rooverbenden, in het zuiden moordden
de Compagnons de Jésus, in het westen de Voetschroeiers op een
afgrijselijke manier en het gouvernement was te zwak om dat gespuis
uit te roeien. Van dezen jammerlijken toestand, die bijna met anarchie
gelijk stond, hoopten de koningsgezinden te kunnen partij trekken en
het Directoire omver te werpen. In den Raad van Vijfhonderd won hun
partij voortdurend in kracht. Bij duizenden begonnen de émigrés en
de priesters terug te keeren en de eigenaars van nationale goederen
te verontrusten. Aaneengesloten tot één reusachtigen bond, de club
van Clichy, in 't geheim gesteund door Pichegru, die voor zijn hulp
vorstelijk zou worden beloond, stuurde die partij rechtstreeks aan op
een tegenomwenteling. De graaf van Provence, oudste broer van wijlen
Lodewijk XVI begon zelfs reeds van zich te doen hooren en achtte het
oogenblik niet meer veraf, waarop hij als Lodewijk XVIII [12] den
troon zijner vaderen zou bestijgen. Dit alles voorspelde weinig goeds
voor de toekomst; de vreedzame burgers zagen die donker genoeg in.
Na het sluiten van de vredespreliminairen te Leoben was Bonaparte
teruggekeerd naar Milaan, had het vorstelijk kasteel Mombello
tot verblijf gekozen en hier behalve Joséphine en oom Fesch,
Paulette aangetroffen. De zestienjarige ging nog gebukt onder een
liefdeshistorie door haar met den ruim veertigjarigen Fréron te
Marseille aangeknoopt, doch door broer Napolione afgebroken. Voor zijn
mooi guitig zusje, dat zoo prettig ondeugend zijn kon, had deze een
waardiger echtvriend op het oog dan dien leelijken ex-afgevaardigde
der Conventie te Marseille met zijn bloedig verleden. Paulette
schijnt zijn keuze ten slotte blijkbaar nog niet zoo slecht te hebben
gevonden, want reeds half Juni schonk zij hart en hand aan den vier en
twintigjarigen brigade-generaal Victor Leclerc, een even ridderlijk
als bekwaam officier, die haar reeds drie jaar in stilte beminde,
met haar broer bij Toulon had gediend en zijn snelle bevordering
uitsluitend aan zijn verdiensten dankte.
Dienzelfden dag (14 Juni) deed Bonaparte ook het kerkelijk huwelijk
inzegenen tusschen de twintigjarige Elisa en den kapitein Felix
Bacciochi, een Corsicaan van afkomst maar familie van Pozzi de
Borgo. Buiten zijn weten of goedvinden waren de jongelui reeds een
week of zes te voren te Marseille burgerlijk in den echt verbonden en
zoodra moeder Laetitia wist, dat haar zoon zich weder te Milaan bevond,
had zij zich met de kleintjes ook derwaarts begeven. Mama begreep wel,
dat Napoleon over dit vrijwel onberaden huwelijk van zijn oudste zuster
met haar zooveel ouderen oliedommen commensaal volstrekt niet gesticht
zou wezen, maar van hem moesten de bruidschat en een betere positie
voor Felix komen. "Om alle praatjes vóór te zijn" was zij dus op reis
gegaan over Genua, hier begroet door den adjudant Lavallette en den
1en Juni behouden te Milaan gearriveerd. Te Genua gistte het nog wel,
maar Lavallette had zij hoog en trots te verstaan gegeven "dat zij
niets had te duchten, want dat haar zoon, de generaal opperbevelhebber,
de notabelen der stad als gijzelaars had medegevoerd."
"Napolione," dus geplaatst voor een voldongen feit, had hierin berust
en Bacciochi, als majoor het bevel opgedragen over de citadel van
Ajaccio, bovendien was de bruidschat in overleg met Louis en Jozef
vastgesteld op 40.000 francs.
Jozef, in die dagen ook op Mombello en door het Directoire wegens
zijn groote bekwaamheden (?) benoemd tot gezant bij den Paus, zou
Caroline onder zijn hoede nemen en te Rome bij zich houden, terwijl
de andere familieleden in Juli naar Corsica terugkeerden.
Ook Louis, nog altijd Napoleons liefste broer, vertoefde een korte
poos in den familiekring; de levenslustige, onversaagde adjudant
van voorheen was echter verdwenen. In 't begin van het jaar ziek
geworden,--mogelijk had hij van zijn lichaam in elk opzicht te
veel gevorderd--werd hij spoedig een zwaarmoedig, alleen over zijn
ingebeelde of werkelijk bestaande kwalen mijmerende man, die weldra
zijn heil zou zoeken bij allerlei wonderdokters en kwakzalvers en
zich zelf en velen met hem tot een last worden.
Op Mombello met zijn prachtige tuinen en zijn heerlijk natuurschoon
had de clan, uitgezonderd Lucien, die zich als intendant nog te Bastia
bevond, wat nader kunnen kennis maken met Joséphine, die in stilte zoo
gehate, zoo verfoeide, zoo benijde schoondochter en schoonzuster, die
met onnavolgbare gratie en tact tegenover de generaals, diplomaten,
gezanten en vorstelijke personen de rol van gastvrouw vervulde en
hierdoor alleen reeds het hart van haar met werk overstelpten man
volkomen zou hebben teruggewonnen, als de zinsbekoring, welke zij
nog steeds op hem uitoefende, niet tevens had medegesproken. "Moeder
Laetitia" had haar ijskouden toon tegenover haar echter geen seconde
laten varen en was nog altoos vol minachting over de vrouw, wier echt
met haar zoon tot heden kinderloos bleef. Joséphine had zich gedragen,
alsof zij niet bemerkte, dat de clan haar op een afstand hield en
daarmee haar man genoegen gedaan.
Van haar eigen kinderen was alleen Eugène de adjudant tegenwoordig;
Hortense, die haar stiefvader volstrekt niet genegen was en hem zelfs
vreesde, was op kostschool bij madame Campan. Terwijl de Corsicanen
en hun aanhang om Napoleon heengonsden als wespen om een vat suiker
en vroegen, vleiden en kropen om een vetten brok, vroeg Joséphine
voor háár bloedverwanten niets; zij was gelukkig. Wel echter waren
haar de oogen opengegaan, bij het zien van den eerbied en het diepe
ontzag, waarmede tal van hooge personages haar man naderden, voor den
reusachtigen prijs door haar getrokken, toen zij dien doodsbleeken,
kleinen generaal, die niets mede bracht dan "mantel en degen"
tot haar echtgenoot nam. Zij kende hem nog niet; nimmer zelfs zou
zij hem leeren kennen; wat hij worden, hoever hij 't brengen zou in
de wereld, wist zij niet, maar dat hij bestemd was tot iets groots,
begreep zij uit al wat ze om zich heen zag gebeuren, uit dien stoet van
hooggeplaatste personen, die dagelijks zijn gunst kwamen vragen, dien
drom van generaals, die reeks van koeriers, renboden en adjudanten, die
bij dag en bij nacht aankwamen en met nieuwe bevelen weder vertrokken.
Niet zonder reden is Bonaparte's omgeving het hof van Mombello genoemd,
want daar werden in de zomerdagen van 1797 groote staatsbelangen
behandeld. Daar werd beslist over het lot van Sardinië, van Genua,
Venetië en Zwitserland, daar werd met Oostenrijk verder onderhandeld;
daar werd de grondslag gelegd voor een nieuwe republiek, die de
Cis-alpijnsche zou heeten en bestaan uit een samenvoeging van
Lombardije, Modena, een deel der Legatiën, Brescia en Mantua. Deze
nieuwe staat moest voorzien worden van een bestuur, een administratie,
een rechtspleging, een financie-wezen, kortom van tal van inrichtingen,
zonder welke een goed geordend beheer niet denkbaar is; en de bewijzen
van helder en scherp doorzicht, welke Bonaparte bij dit alles gaf,
deden zijn omgeving en de vreemde diplomaten verbazen. Bezwaren
kende hij niet; verouderde begrippen vonden bij hem geen genade;
alle tegenkanting bezweek voor de macht van zijn wil.
Wel werd zijn eigenmachtig optreden tegenover Venetië en Genua door de
club van Clichy gestreng afgekeurd en riep de royalist-afgevaardigde
Dumoland den 23en Juni in den Raad van Vijfhonderd, zonder dat hij
zijn naam ook maar een enkelen keer uitsprak, Bonaparte in scherpe
taal ter verantwoording over het gebeurde met Venetië en Genua, maar
schijnbaar nam de veldheer hiervan geen notitie. Door Lavallette,
dien hij naar Parijs had gezonden, werd hij op de hoogte gehouden van
't geen daar onder de royalisten broeide; door een gevangen genomen
agent van den prins van Condé werd hij ingelicht omtrent Pichegru's
verraad en het komplot, tegen het Directoire gesmeed. Overtuigd van den
republikeinschen geest, die, veel krachtiger dan bij Moreau's troepen
in Duitschland, heerschte onder het leger van Italië, instinctmatig
begrijpende, dat zijn eigen toekomst lag in het voortbestaan der
Republiek en dat hij na 13 Vendémiaire van het herstel van het
koningschap niets had te verwachten, volgde hij te Milaan den verderen
loop der gebeurtenissen, doch bracht het Directoire op de hoogte van
hetgeen hij omtrent het komplot te weten was gekomen.
Den 14en Juli daarop, den verjaardag van den val der Bastille,
deed hij een stouten zet; hij deelde zijn soldaten mede, wat er te
Parijs broeide, wekte hun haat tegen de royalisten en kuiperijen der
pamfletschrijvers en hun liefde voor de republikeinsche beginselen
op in een proclamatie, deed adressen van trouw aan de grondwet van
het jaar III door hen teekenen en zond Augereau hiermede naar het
Directoire.
Dewijl het leger aan de verkiezingen, die weder op handen waren,
geen deel nam, zaten de directeuren, die het onderling reeds lang
oneens waren en elkander, doch vooral den cynieken weerhaan Barras
volstrekt niet vertrouwden, met dien stapel adressen vrijwel verlegen;
doch tevens vonden zij hierin het bewijs, dat Bonaparte hen steunde
in de kracht om zoo noodig te handelen. Augereau, "dat prachtstuk
van een bandiet," zooals een hunner hem betitelde, werd benoemd tot
commandant van Parijs, troepen onder Hoche werden onder een valsch
voorgeven tot op twee dagmarschen van hier bijeengetrokken en den 18en
Fructidor (4 September) ging de meerderheid van het Directoire over
tot een staatsgreep. Verdacht van medeplichtigheid aan 't komplot
werden Carnot en Barthélemy verbannen. Pichegru, vijftig leden van
de beide lichamen en tal van journalisten en letterkundigen, die
met hun heftig geschrijf tot verzet hadden opgehitst, veroordeeld
tot deportatie naar Cayenne, twee en veertig dagbladen verboden
en de gehouden verkiezingen in 48 departementen ongeldig verklaard
en onder meer de aanvankelijk in onbruik geraakte gestrenge wetten
tegen den adel en de geestelijkheid weder in volle werking gebracht,
de nationale garde als onbetrouwbaar ontbonden, François en Merlin
gekozen als nieuwe leden van het Directoire. [13]
Bloed werd niet vergoten; het volk was de valbijl moede, maar de
"droge" guillotine, zooals Cayenne werd genoemd, verrichtte beulenwerk,
al vorderde de executie meer tijd. Van de bannelingen hebben slechts
enkelen zooals Pichegru Europa wedergezien.
Toen Augereau naar Parijs gezonden was, had Bonaparte weinig meer van
zich laten hooren; de eerlijke oprechte Lavalette had hem doen inzien,
dat hij zijn roem zou doen tanen, als hij maatregelen van geweld
steunde, die door de positie van het gouvernement niet gewettigd
werden, terwijl het bewijs ontbrak, dat de te verbannen partij een
terugkeer wenschte der Bourbons. Aan 't geen daar geschiedde, bleef
hij wel zijn volle aandacht schenken. Zijn vraag aan Milo de Melito
"of deze dacht, dat hij alleen ter wille van de grootheid van die
advocaten uit het Directoire, van een Carnot en een Barras, in Italië
zoo vaak had gezegevierd" was welsprekend genoeg. Inmiddels had hij den
paus onderhands zijn medewerking verzocht bij een poging tot verzoening
tusschen de geestelijkheid en het Fransche gouvernement. "Dit laatste
zou hierdoor versterkt, de meerderheid der natie tot het ware geloof
teruggevoerd worden," betoogde hij (Augustus.) Voorts had hij het
Directoire met nadruk gewezen op het vermolmde Turkije en op het
groote belang van het bezit van Corfu, Zante, Cerigo en Céphalonia
verbonden. "Ons die vier eilanden, dan kan Oostenrijk desverkiezende
Italië terug krijgen," schreef hij in diezelfde maand. "Daar eenmaal
goed gevestigd, schrijven wij den Grooten Heer zoo noodig de wet
voor en pakken over dat rijk heen Engeland aan. Binnenkort zullen
wij wel gevoelen, dat, willen we Engeland inderdaad vernietigen,
het bezit van Egypte hiertoe voor ons een eerste voorwaarde is."
Zoover reikten de gedachten van den zeven en twintigjarigen veldheer
toen dus reeds. Na Lodi had hij begrepen, dat hij geroepen was om in
Frankrijk, waar een hoop "wauwelaars" en middelmatigheden den boventoon
voerden, een groote rol te spelen; dat overleg, sluwheid en geduld
hiertoe factoren waren en gemoedsbezwaren moesten worden op zijde
gezet. Was Hoche, de hoop der republikeinen, de jeugdige generaal,
die de Vendée bedwongen, de Oostenrijkers bij herhaling geslagen,
een expeditie naar Ierland gecommandeerd had en na Moreau's ontslag
[14] met het commando over het vereenigde Maas- en Rijnleger was
belast geworden, niet half September, waarschijnlijk door vergif,
in zijn kamp te Wetzlar overleden, dan zou hij in dezen eerlijken,
oprechten lieveling der natie, stellig een geduchte tegenpartij
hebben getroffen. Thans vond hij in dien geheimzinnigen dood een
reden te meer tot achterdocht tegenover al wat royalist of Engelsch
heette. In de laatste dagen van Augustus had hij zijn hoofdkwartier
verplaatst naar Passeriano in Frioul om beter het oog te hebben
op de krijgstoerustingen, welke hij, ondanks den wapenstilstand,
deed voortzetten, want Oostenrijk, bekend met de plannen der
royalisten te Parijs, maakte met de vredesonderhandelingen bijna
geen voortgang. Zegevierde die partij, dan zouden zeker nòg gunstiger
voorwaarden te bedingen zijn geweest dan nu waren aangeboden.
In zijn eigen kring gaf hij onomwonden zijn afkeuring te kennen over
de daad van 18 Fructidor, alleen de nieuwbenoemde leden wenschte
hij geluk, dit lichaam zelf niet, wel schreef hij aan Talleyrand,
dat zoodra de door Engelsch goud gesteunde dagbladpers, die de natie
bedierf, tot zwijgen gebracht, het Wetgevende Lichaam gezuiverd
en de partij der Bourbons uit alle staatsbetrekkingen gezet was,
de Republiek kon vrede sluiten wanneer en zooals zij verkoos. Aan
het leger gaf hij de proclamatie van het Directoire te lezen (22
September) betoonde zich in zijn eigen dagorder en in een schrijven
aan Augereau, wiens bezadigd gedrag op 4 September hij goedkeurde,
weder een volbloed Jacobijn, deed flink uitkomen, dat zijn taal niet
in overeenstemming was met zijn gemoed en wekte door zijn geheele
houding de achterdocht en de ontevredenheid van het Directoire op.
Dit strafte hem met het terugroepen van Clarke, die met hart en
ziel aan hem was gehecht; zijn antwoord was een hernieuwd verzoek
om ontslag. "Het gouvernement was bar ondankbaar. Hij was ziek naar
lichaam en geest; had naar plicht en geweten voor het vaderland
gedaan wat hij kon. De rust was in het binnenland teruggekeerd,
hij kon thans best worden gemist." (25 September.)
't Was een meesterlijke zet; dat hij niet "gemist worden kon," wist
hij even goed als het Directoire zelf. Dit boog deemoedig het hoofd,
smeekte hem te blijven, zinspeelde op den achterdocht en de walging,
welke Hoche's plotselinge dood zeker bij hem had opgewekt, schonk hem
op al zijn verdere klachten voldoening maar--hoopte in stilte op een
voortzetting van den oorlog, want den man, die zijn wil zoo krachtig
wist door te zetten, zag het Directoire vooreerst liever niet naar
Parijs terugkeeren.
Bonaparte had zijn verdere gedragslijn reeds vastgesteld. Augereau,
die te Parijs was komen vertellen, dat al de overwinningen in Italië
hoofdzakelijk waren behaald door hèm, was benoemd tot commandant
van het Rijnleger en met dezen snoever verkoos hij zijn roem niet te
deelen; Bernadotte had hem geschreven, dat Parijs hunkerde naar vrede,
terwijl hem de portefeuille van Oorlog was beloofd en Bernadotte was
geen vriend van hem. Toen hij de bergen in Frioul den 13en October
met sneeuw zag overdekt, gaf hij zijn secretaris, de Bourrienne, dus
kortaf te kennen, dat hij de advocaten te Parijs liet praten en vrede
sloot. Venetië zou het gelag betalen, doch gaf zijn korpsen tevens het
bevel de hun reeds vroeger aangewezen punten in te nemen, alsof hij
voornemens was den oorlog met kracht voort te zetten. Von Cobentzl,
de Oostenrijksche diplomaat, aangewezen om met hem te onderhandelen,
een sluw heerschap, meende, dat dit alles slechts een schijnbeweging
was, bleef onverzettelijk Venetië eischen tot aan de Adda en maakte
hem hierdoor zoo toornig, dat hij een aan dezen toebehoorend stuk
porcelein greep en aan scherven wierp.--"Zoo zal ik binnen een maand
een monarchie hebben vernietigd! De oorlog wordt voortgezet," riep
hij en liep de deur uit om hiertoe bevelen te geven.
Toen kroop Cobentzl, die niets meer duchtte dan een nieuwen krijg,
in zijn schulp; den volgenden dag (17 October) werd te Campo Formio,
een dorpje tusschen de legers in, vrede gesloten--juist bijtijds,
want geen halven dag later kwam te Passeriano een koerier uit Parijs
met het uitdrukkelijk verbod de lijn van de Etsch aan Oostenrijk
af te staan. "Bonaparte zelf zou eerstdaags van de onderhandelingen
worden ontheven."
Waarschijnlijk had hij dezen zet verwacht en daarom zooveel spoed
gemaakt.
Het Directoire was verwoed, maar durfde aan het tractaat, dat
Berthier overbracht, zijn goedkeuring toch niet te onthouden, nu
de gansche natie juichte van blijdschap en Bonaparte's lof luide
verkondigde. Oostenrijk stond België af aan Frankrijk, Lombardije aan
de Cisalpijnsche Republiek en ontving Istrië, Dalmatië en Venetië met
al het grondgebied tot aan de Etsch. Corfu en de Ionische eilanden
bleven in Fransche handen. Bij geheim tractaat verbond de keizer zich
Frankrijks eisch te ondersteunen. Te Rastadt zou op een congres over
den vrede met Duitschland worden beraadslaagd.
Die afstand van Venetië aan Oostenrijk is Bonaparte vaak tot een bitter
verwijt gemaakt, en zijn behandeling van deze oude republiek is wel
met de Poolsche deelingen vergeleken. De belangen van Frankrijk echter
en van hem zelf wogen bij hem zwaarder dan die van een volk, "zoo
laf, en zoo bijgeloovig als de Italianen." "Slechts vijftienhonderd
van de straat opgeraapte schelmen, die plunderden en stalen, waar
zij konden, geen enkelen Italiaan, heb ik onder de wapenen kunnen
krijgen," schreef hij aan den minister van Buitenlandsche zaken,
Talleyrand. "Een oorlog met Engeland om aan deze natie de vrijheid te
brengen zou wèl zoo schoon en grootsch wezen, dan de voortzetting van
den krijg ter wille van een volk, dat niets voor de vrijheid gevoelt."