Een blik op de Fransche omwenteling.
Reeds een paar maal spraken we van opstanden te Parijs, waarbij
de Tuilerieën door het volk werden bestormd; mogelijk bewijzen wij
den lezers een dienst met in 't kort na te gaan, wat er in de jaren
1789-1795 in Frankrijk voorviel.
De oorzaken van de Fransche Omwenteling voeren ons terug naar den
tijd van Lodewijk XIV (1643-1715), onder wien Frankrijk tot een der
machtigste staten van Europa werd gemaakt. Getrouw aan zijn eenmaal
gesproken woorden "l'Etat, c'est moi" [3] regeerde hij volkomen
absoluut en had den adel, die in den Frondeoorlog reeds veel geleden
had, tot uitsluitend hofadel teruggebracht. Colbert zorgde voor
de uitbreiding van de handelsvloot, een krachtige oorlogsmarine en
het stichten van groote havens als Duinkerken, Brest, Toulon enz.;
Louvois, zijn minister van oorlog, wist het leger tot een groote
kracht te maken, waarmede ongeveer een kwart eeuw de strijd werd
aangebonden met de staten van Europa.
Wel waren uitbreiding van het land naar 't Noorden en Oosten, het
stichten van koloniën in de verschillende werelddeelen hiervan
o.a. het gevolg, maar die voordeelen werden gekocht voor groote
opofferingen, welke het land uitputten, terwijl de wreede vervolgingen
der protestanten Frankrijk nog beroofden van 400.000 harer beste
onderdanen, meenemende een schat op het gebied van kapitaal en
industrie, hetgeen aan Pruisen, Nederland en Engeland, waar de
emigranten zich vestigden, ten goede kwam. De zonnekoning deed Europa
verbaasd staan door zijn overwinningen in de oorlogen, door de luxe aan
zijn hof, door de prachtige werken, die in 't land werden aangelegd,
maar Frankrijk droeg er de lasten van en Lodewijk XV aanvaardde de
regeering met een schuld van bijna een milliard. En deze vorst?
Toen hij nog jong was, opende zijn gouverneur eens de vensters van
het paleis en zei, het kind op de menigte wijzende, die zich voor
het paleis had verzameld: "Al dat volk is voor U." Opgevoed in een
omgeving, waar men doordrongen was van het beginsel, eens door zijn
voorganger uitgesproken, kon men wèl hopen, niet veel verwachten.
De toestand werd er niet beter op; de financieele operaties van John
Law vernietigden het crediet van den staat en ruïneerden tal van
kleine renteniers; de zevenjarige oorlog kostte Frankrijk behalve
veel menschenlevens en geld, nog haar beste koloniën in Amerika en
Azië; de zedeloosheid van het hof werd het schandaal van dien tijd
en het volk, dat den vorst eens den naam van "Louis le Bien aimé"
had gegeven, werd met haat en afkeer vervuld van den koning, die niet
minder tiranniek als zijn voorganger regeerde.
Groot was de blijdschap, toen zijn dood in Frankrijk bekend werd en de
teugels van het bewind in handen kwamen van zijn kleinzoon Lodewijk XVI
(1774-1792), van wien men in het begin nog al goede verwachtingen had.
Zou hij veranderingen aanbrengen? Wat viel er niet te verbeteren! De
macht van den vorst was onbeperkt, uitvoerende en wetgevende macht
berustten bij den koning; het volk had geen invloed op de regeering,
kende evenmin staatkundige rechten; de rechterlijke macht was niet
onafhankelijk en meermalen werd in de rechtspraak door den vorst
ingegrepen, terwijl de beruchte "lettres de cachet" zonder eenigen
vorm van proces iemand in de gevangenis brachten; ze werden wel in
blanco verstrekt, zoodat men ze dan zelf kon invullen! De belastingen
waren drukkend, ongelijk verdeeld en werden geïnd door middel van een
pachtstelsel; soms moesten ze twee keer in een jaar worden opgebracht,
terwijl het grootste gedeelte van de opbrengst niet in de schatkist
vloeide, maar door hof en adel werd opgemaakt.
Het volk was verdeeld in standen met verschillende rechten en plichten;
allereerst kwamen adel en geestelijkheid, die, hoewel zij minstens twee
derden van het land bezaten, niet alleen geen belastingen opbrachten,
maar nog tal van privileges bezaten en tevens heerlijke rechtspraak
uitoefenden; zij waren eigenaars van de molens, de ovens en de
wijnpers; ze mochten tollen, marktrechten, belastingen in natura en
corveeën eischen. Kortom zij genoten wel al de voordeelen, maar het
dragen van de lasten der maatschappij kenden ze niet. Kenmerkten ze
zich door uiterlijke vormen en beschaving, ook door zedelijk bederf;
weelde, genotzucht en eerzucht waren hun hoofdeigenschappen en aan hun
roeping, voorgangers en leiders van het volk te zijn, voldeden ze niet
meer. Alleen de lage geestelijkheid maakte hierop een uitzondering,
maar deze was te arm en te weinig ontwikkeld om grooten invloed
uit te oefenen. Behalve deze bevoorrechten had men nog den 3en
stand, waartoe zoowel ambtenaren, groothandelaren en industrieelen,
als handwerkers, vrije boeren en loonarbeiders behoorden. Wel kon
men onder deze 25 millioen twee elementen onderscheiden, n.l. de
bourgeoisie en het lagere volk, maar zij waren bij het begin der
omwenteling onverdeeld, gingen samen strijden tegen de privileges
en misbruiken van hof, adel en geestelijkheid, bewust als zij zich
waren van hun gemeenschappelijken vijand.
De toestand onder het ancien régime was wel ellendig en werd vooral aan
het licht gebracht door den invloed van groote denkers en schrijvers
als Voltaire, Rousseau, Montesquieu en de Encyclopedisten Diderot
en d'Alembert, mannen, meest allen overleden, voordat de omwenteling
begon, maar die in hun geschriften de bestaande toestanden aanvielen
en middelen gaven ter verbetering.
Het was zoo waar, wat Lord Chesterfield reeds in 1754 zei:
"Kortom alle verschijnselen, die ik ooit in de geschiedenis als
voorboden van groote staatsveranderingen en omwentelingen aangetroffen
heb, worden thans in Frankrijk gevonden en nemen nog dagelijks toe."
Was Lodewijk XVI nu een verlichte, krachtige figuur geweest, die den
toestand juist inzag, zich wist te omringen door kundige, doortastende
raadslieden, die de nooden des volks begrepen, hierin verbetering
wilden brengen en hierbij door hem werden gerugsteund, dan was de
omwenteling waarschijnlijk niet door stroomen bloeds onteerd. Aan
deze voorwaarden voldeed de koning echter niet.
Goedhartig en zwak, wel vervuld met de gedachte aan zijn
verplichtingen, doch onbeduidend en wankelmoedig, zullen we hem nooit
flink zien doortasten, wanneer dit noodig is. Hij, die wel een steuntje
noodig had, werd ook niet door zijn omgeving geholpen. Zijn vrouw Marie
Antoinette, een dochter van Maria Theresia, als Oostenrijksche reeds
weinig bemind, was veel te onnadenkend en te hooghartig om hem in zijn
moeilijke taak bij te staan; zijn jongste broer de Graaf van Artois,
een levenslustig edelman, vormde steeds het hoofd der oppositie tegen
alle hervormingen en ook de Graaf van Provence, hoewel veel gematigder
van karakter, werkte den koninklijken broeder tegen.
Lodewijk XV 1715-1774.
|
+-------------------------+--------------------+
| | |
Lodewijk XVI Graaf van Provence Graaf v. Artois
1774-1792 1793 Lodewijk XVIII Karel X
geh. met Marie Antoinette. 1814-1824. 1824-1830
| |
+-------+-----------+ +------------------+--+
| | | |
Lodewijk (XVII) Maria Theresia Hertog van Hertog van Berry
1795. 1851 Angoulême 1844. vermoord 1820.
geh. met Hertog |
van Angoulême. Hendrik (V)
Hertog v. Bordeaux.
Graaf v. Chambord
1883.
Lodewijk XVI begon met de ministers van zijn voorganger te ontslaan,
benoemde wel tot controleur-generaal van de financiën Turgot, een
rechtschapen, eerlijk man, die zich reeds tevoren door zijn geschriften
had bekend gemaakt, doch droeg de leiding der buitenlandsche zaken
op aan Maurepas, "de Papegaai van het Regentschap," een volbloed
hoveling, uit welke benoeming al dadelijk de besluiteloosheid van
den koning bleek.
Een reeks van hervormingen volgde spoedig op elkaar, maar hoe kon
Turgot heerendiensten afschaffen, tolrechten opheffen enz., wanneer
niet de bevoorrechte standen inzagen, dat zij ten bate van het algemeen
van vele hunner privileges afstand moesten doen. Zij dachten er niet
over en ofschoon de koning eens had gezegd:
"Er zijn maar twee menschen, die het goed meenen met Frankrijk, dat
zijn Turgot en ik," kreeg deze in 1776 zijn ontslag en werd vervangen
door Necker, een bankier uit Genève. Deze had met dezelfde bezwaren
als zijn voorganger te kampen, maar het gelukte hem eenige millioenen
te leenen, die in den Noord-Amerikaanschen Vrijheidsoorlog verdwenen,
en toen hij in zijn Compte Rendu au Roi den slechten financieelen
toestand van Frankrijk openbaar maakte, was het met zijn rijk uit en
viel ook hij door het verzet der hoogere standen. Inmiddels duurde de
oorlog in Amerika voort en zagen vele Franschen als Lafayette e.a.,
hoe de nieuwe ideeën daar hun toepassing vonden bij de stichting van
de Republiek der Vereenigde Staten, doch Frankrijks regeering trok
er geen les uit.
Calonne, die Necker was opgevolgd, wist nog honderd millioen te leenen,
waarvan nauwelijks een vierde in de schatkist terecht kwam. "Wanneer
ik iedereen de hand zie ophouden om wat te krijgen, houd ik mijn hoed
bij," zei de Graaf van Provence; in zijn hoed kwamen vijf en twintig,
in dien van den Graaf van Artois zes en vijftig millioen!
Een vergadering der notabelen, in 't begin van 1787
bijeengeroepen om over den toestand te beraadslagen, bracht geen
verbetering. Samengesteld uit de bevoorrechte klassen, was zij
tot het brengen van offers aan de schatkist niet te vinden. Zelfs
vergrootte zij het gevaar, want door haar werd thans wereldkundig,
dat de staatsschuld meer dan anderhalf milliard bedroeg en dat er op
de begrooting een jaarlijksch tekort was van honderdveertig millioen.
Het eenige middel om Frankrijk voor een staatsbankroet te vrijwaren
scheen nu te zijn de bijeenroeping der Etats-Généraux, waarop
reeds meermalen was aangedrongen. De koning had den adel verzocht te
bezuinigen, de parlementen belastingen in te schrijven, de kapitalisten
leeningen te sluiten; ten slotte had hij zich tot de notabelen gewend,
om een deel der staatslasten te dragen; allen hadden geweigerd. Nu was
hij wel gedwongen zich tot geheel Frankrijk te richten en riep daarom
de Etats-Généraux tegen den 5en Mei te Versailles bijeen, terwijl de
koning na lang aarzelen, op voorstel van Necker, die inmiddels was
teruggeroepen, had bepaald, dat de derde stand evenveel leden zou
afvaardigen als de adel en de geestelijkheid te zamen.
Uit de vaststelling van dit aantal moest nu ook, wilde de verdubbeling
van den 3en stand eenige waarde hebben, de stemming per hoofd volgen,
maar deze quaestie was echter nog niet door Necker opgelost. Het
gevaarlijke van deze besluiteloosheid zag men pas later in.
Door deze regeling stond de omwenteling voor de deur.
De verkiezingen, waarop van regeeringswege geen invloed werd
uitgeoefend, hadden plaats ongeveer op de wijze, zooals dat in 1614
was geschied; directe keuze van adel en geestelijkheid, trapsgewijze
voor den 3en stand.
De afgevaardigden kregen lastbrieven, z.g. cahiers mee, waarin de
wenschen der kiezers waren uitgedrukt; in die van den 3en stand vroeg
men stemming per hoofd, waarborgen voor beter financieel beheer,
opheffing of verplichte afkoop der feodale rechten, gelijkheid op 't
gebied der belastingen, afschaffing van de pijnbank en de doodstraf;
in enkele van hun cahiers eischte men de erkenning, dat de 3e stand
het volk, de natie is, een idee uitgedrukt in de bekende brochure
van Siéyès. "Wat is de 3e stand? Niets. Wat moet hij zijn? Alles."
Opmerkelijk, alle cahiers erkenden, dat de koninklijke macht, erfelijk
in mannelijke lijn, moest worden behouden. De 3e stand was dus in
1789 volkomen royalistisch.
De cahiers van adel en geestelijkheid droegen sporen van verdeeldheid;
wel waren er, die ook belasting voor de hoogere standen inhielden,
maar stemming per stand, niet hoofdelijk stond op hun programma. De
groote dag brak aan. Een ontzettende menigte stroomde den 5en Mei naar
Versailles, om van het schouwspel getuige te zijn; alle tribunes in de
vergaderzaal waren stampvol. Daar traden ze binnen, de afgevaardigden,
samen bijna 1200 in getal. Reeds deed het verschil in costuum tusschen
de drie standen pijnlijk aan; de geestelijkheid in plechtgewaad,
de adel in 't zwart met goudlaken vest en mouwopslagen en witte
pluimen op den hoed; de derde stand eenvoudig in 't zwart zonder
eenig versiersel. De koning had dit bevolen. Gevolgd door het geheele
hof en bij zijn komst geestdriftig toegejuicht, opende de koning de
vergadering met eenige nietszeggende woorden, hield evenals Necker
een redevoering, waarin over groote hervormingen niet werd gesproken,
de stemming per stand of per hoofd wel werd aangeroerd, doch niet
opgelost; tegen "gevaarlijke nieuwigheden" moest worden gewaakt;
alleen bleek, dat de Etats-Généraux vooral waren opgeroepen om in
den bestaanden geldnood te voorzien.
Welk een teleurstelling! Waren ze daarvoor naar Versailles gekomen? Of
zou Mirabeau's woord: "Het tekort is de schat der natie" in vervulling
gaan en de geldnood benuttigd worden om een Constitutie te krijgen?
Reeds den volgenden morgen begon de strijd over het onderzoek der
geloofsbrieven. De derde stand verlangde, dat dit zou plaats hebben
in de volle vergadering, dus samen met adel en geestelijkheid. Deze,
in een afzonderlijk lokaal vergaderd, verzette zich hiertegen. Pogingen
om tot een vergelijk te komen mislukten; intusschen wachtte de derde
stand, op aanraden van Mirabeau, geduldig maar vastberaden en dicht
aaneengesloten op een beslissing.
Vastbesloten zich te verklaren tot een vergadering, die het geheele
volk vertegenwoordigde, bezwoer de derde stand in de ochtendzitting
van den 28en Mei de geestelijkheid, in naam van den God des vredes
en van het algemeen belang, mede te werken.
Het hof bevreesd geworden, dat de geestelijkheid aan dezen oproep zou
voldoen, deed weder onderhandelingen beginnen. Zoo verliepen eenige
weken. 't Werd 10 Juni.
Op dezen datum begon de lawine der omwenteling haar val.
Begrijpende, dat de tijd tot handelen was gekomen, nam de derde stand
toen van den abt Siéyès, een zijner vertegenwoordigers, een motie
aan, die aan de zaak een einde maakte. Adel en geestelijkheid werden
n.l. uitgenoodigd in de zittingzaal te verschijnen, om tegenwoordig
te zijn bij het onderzoek der geloofsbrieven, "welk onderzoek in elk
geval, mèt of zònder hun bijzijn, thans zou plaats hebben."
Dit stoute optreden werd den 17en Juni weder op voorstel van Siéyès,
door een krachtiger besluit gevolgd. De derde stand constitueerde zich
tot een Nationale Vergadering; geen statenvergadering was er meer,
voor het gansche volk trad hij op.
Weg waren de drie standen, verdwenen uit het staatsbestuur! Zoolang
het onderzoek der geloofsbrieven niet had plaats gehad in den door
hen verlangden vorm, erkende de derde stand de beide andere niet meer.
Het eerste besluit, dat de Vergadering nam, was een daad van
souvereiniteit, want ze stelde de ondeelbaarheid vast van het
wetgevende lichaam en maakte de twee bevoorrechte standen hiermede
van haar afhankelijk.
Hoe het hof voorloopig in bedwang moest worden gehouden, was nu
de vraag. De Vergadering verklaarde de uitgeschreven belastingen
daarom voor onwettig, maar--beval die te blijven innen, zoolang zij
zitting hield. Tevens garandeerde zij de nationale schuld en stelde
de kapitalisten daardoor gerust, eindelijk voorzag ze in den nood
der volksklasse door het benoemen van een comité voor levensbehoeften.
Nam de bevolking vol geestdrift kennis van dit bedachtzame, doch
krachtige optreden, het hof en de hoogere standen voelden zich voor
de keuze gesteld: onderwerpen of toevlucht nemen tot geweld en ze
raadden den koning tot dit laatste; wat dacht men nu wel, een koning
bij de gratie Gods de wet te kunnen stellen?
Na lang beraad besloot de vorst nogmaals een koninklijke zitting te
houden en vreezende, dat de meeste geestelijken, in den tijd, noodig
om de zalen in orde te brengen, gemeene zaak zouden maken met den
derden stand, liet de koning de vergaderzaal zoolang sluiten.
Den 20en Juni vond de derde stand de deuren gesloten, de gewapende
macht ervoor!
Niet hier, dan ergens anders, was terstond het wachtwoord. Met den
president Bailly voorop, toegejuicht door het volk, zelfs begeleid
door enkele soldaten, toog de derde stand reeds versterkt door tal
van geestelijken, naar een nabijgelegen kaatsbaan. Hier zwoeren alle
afgevaardigden, het hart vol van de heiligheid hunner zending, met
opgeheven hand, "niet uiteen te gaan, voordat ze aan Frankrijk een
Grondwet hadden geschonken."
Den volgenden morgen was ook de kaatsbaan gesloten; de prinsen
hadden die afgehuurd. Thans richtte de stoet zich naar de kerk van
St. Louis. Voor het hof was de bom verkeerd gesprongen.
Den 23en was 't weer koninklijke zitting. Troepen omringden de
vergaderzaal! De gepriviligeerde standen traden het eerst binnen,
daarna de derde stand, na een uur in den regen gestaan te hebben; de
tribunes waren onbezet, de toegang was verboden. De geestelijkheid
zat links, de adel rechts, de derde stand in het midden der zaal,
alles als op 5 Mei, maar toch welk een verschil! Thans was de derde
stand zich bewust van zijn roeping, de vertegenwoordiging te wezen
van geheel de natie. Met allen luister van het ancien régime komt
de koning de vergaderzaal binnen; een doodsche stilte ontvangt den
vorst. Op hoogen toon uit hij zijn ontevredenheid over de ontstane
breuk; verklaart alle op 17 Juni genomen besluiten nietig, gelast
standsgewijze te vergaderen, dreigt met ontbinding en in geval
van tegenstand, met ernstige maatregelen, beveelt ten slotte de
afgevaardigden uiteen te gaan.
De koning vertrekt met zijn gevolg; adel en geestelijkheid volgen
zijn voorbeeld; de derde stand blijft zwijgend, roerloos zitten.
De groot-ceremoniemeester de Brézé, bemerkende, dat niet door alle
leden aan den last van zijn vorst werd voldaan, kwam terug en zei aan
den president: "Mijnheer gij hebt het bevel van den koning gehoord?"
Toen stond Mirabeau, de afstammeling van een der oudste adellijke
geslachten van Frankrijk, maar een volbloed aanhanger der volkspartij,
op, en zei aan de Brézé, dat hij geen plaats in deze vergadering had,
noch recht van spreken en verder: "Ga aan uw meester zeggen, dat wij
hier zijn door den wil van de natie en dat wij alleen van hier gaan
door de kracht der bajonetten."
"Wij zijn heden, wat we gisteren waren, laten wij voortgaan met
beraadslagen," liet Siéyès hierop volgen.
Kalm en vastberaden toog men aan den arbeid; alle genomen
besluiten bleven gehandhaafd, terwijl op voorstel van Mirabeau de
onschendbaarheid van de leden der Vergadering werd afgekondigd.
En de koning? Toen de Brézé hem overbracht, wat Mirabeau had gezegd,
gaf hij ten antwoord: "Als ze niet willen heengaan, moeten ze er
maar blijven." Den 23en Juni 1789 ging het koninklijke gezag in
Frankrijk verloren.
Dit krasse verzet had de koning niet verwacht, hij gaf toe; Necker,
eerst ontslagen--aan de zitting had hij geen deel willen nemen--werd
nogmaals teruggeroepen en de bevoorrechte standen ontvingen het
verzoek, thans het verzet te staken en zich met den derden stand
te vereenigen.
Zoo had alles nog terecht kunnen komen. Met voorzichtigheid en
eerlijkheid had de goede verstandhouding tusschen de kroon en de
Vergadering hersteld kunnen worden, doch van den eersten schrik
bekomen, ried het hof den zwakken vorst thans met geweld te beproeven,
wat met een vertoon van gezag niet was gelukt.
Wederom gaf Lodewijk aan dezen slechten raad gehoor. Troepen werden
rondom Parijs samengetrokken. Al die vreemde regimenten, wier trouw
aan den koning spreekwoordelijk was geworden, begonnen in de hoofdstad
echter onrust en wantrouwen te wekken. De Vergadering gaf den koning
dus in eerbiedige, doch manmoedige taal in overweging, die troepen
naar hun garnizoenen te doen terugkeeren. Een weigering was hierop
het antwoord.
In den tuin van het Palais Royal, door den Hertog van Orleans voor
het publiek opengesteld, hoorde men reeds heftige redevoeringen en
waarschuwde Camille Desmoulins in opruiende taal het volk voor de
door het hof genomen maatregelen. Den 12en Juli verspreidde zich te
Parijs het gerucht, 't geen waarheid bleek te bevatten, dat Necker
nogmaals was ontslagen en in een nieuw ministerie o.a. was benoemd,
de bij het volk zoo beruchte Foulon.
Op een verzoek van het volk om brood, had hij eens geantwoord:
"Als ze honger hebben, moeten ze maar gras eten!"
Nu volgden daden van geweld te Parijs.
Daar eischte men reeds een burgerwacht en de kiezersvergadering, die
sinds eenigen tijd op het stadhuis zitting hield, bracht dit verzoek,
aan de Vergadering over, die toegaf.
Parijs wapende zich; de smeden werkten dag en nacht; het Huis der
Invaliden werd geplunderd en de geweren, daar gevonden, verdeeld;
de klokken van het stadhuis en van de kerken riepen de bevolking te
wapen. Standjes tusschen de gardes françaises en de vreemde troepen
hadden plaats.
In den morgen van den 14en Juli trokken gewapende benden uit de
voorstad St. Antoine onder den kreet "Naar de Bastille" in de
richting van de staatsgevangenis, die achter haar zware, sombere
muren in vroeger tijden zooveel ongerechtigheden had zien gebeuren,
waar zooveel onschuldigen door een "lettre de cachet" waren geherbergd
geweest en van waaruit de kanonnen op de stad gericht heetten.
Verzocht, de sterkte over te geven, weigerde de gouverneur De Launay
hieraan te voldoen. Toen werd storm geloopen, de bezetting voor een
deel over de kling gejaagd, De Launay onthoofd. Binnen enkele weken was
de Bastille met den grond gelijk gemaakt. Merkwaardige gebeurtenis! Het
materieele symbool van het ancien régime was gevallen, welk feit niet
naliet grooten indruk op de tijdgenooten te maken en daaraan vooral
dankt het zijn historische beteekenis.
Nog altijd is 14 Juli Frankrijks feestdag; dan wappert de in die dagen
ontstane tricolore, het rood en blauw, de kleuren van de stad Parijs
met het wit, die der Bourbons.
Van het gebeurde onderricht, ontstelde de koning geducht. Hij begaf
zich naar de zittingzaal der Vergadering, beloofde de troepen te doen
vertrekken, Necker terug te roepen en zelf van Versailles naar Parijs
te gaan om hier rust te brengen en de genegenheid der bevolking te
herwinnen. Den 17en Juli volvoerde hij dit plan. Voorafgegaan door een
honderdtal leden van de Vergadering, omgeven door gewapende nationale
gardes, de pas opgerichte burgerwacht, reed hij zonder escorte naar
het stadhuis. Al de gezichten stonden somber en strak.
Maar wat is het Parijsche volk? Hoe weinig is er vaak noodig, het van
stemming te doen veranderen! Toen het zag, dat hij de nieuwgekozen
cocarde uit de handen van den pas benoemden burgemeester Bailly
aannam en op den hoed zette; toen het zag, dat hij zonder garde
tot zijn bescherming, tusschen de menigte door, de trappen van het
stadhuis besteeg, barstte het uit in vreugdekreten en daverde het:
"Leve de koning!" weder als een zegekreet door de lucht. De verzoening
scheen volkomen.
Nadat hij de benoeming van Bailly tot burgemeester (maire) van Parijs
en van den generaal Lafayette, uit den Amerikaanschen vrijheidsoorlog
welbekend, tot commandant der nationale garde, goedgekeurd en op deze
keuze des volks zijn stempel gedrukt had, keerde hij naar Versailles
en zijn in doodelijke onrust verkeerende familie terug.
Het gebeurde te Parijs bleef niet zonder uitwerking op de overige
steden van Frankrijk. Overal werden bataljons nationale gardes
opgericht, gemeentebesturen, uit de kiezers-comité's gekozen,
ingesteld; op het platte land werd het een ware stormloop tegen de
kasteelen van den adel, die hier uitgeplunderd, elders in vlammen
opgingen, een uiting van den haat der boeren tegen de feodale rechten,
de drukkende corveeën enz. Behalve in de Vendée, waar het landvolk
zijn heeren getrouw bleef, was het een ware anarchie, waartegen,
dit zag de Vergadering wel in, krachtige maatregelen noodig waren.
Ten einde verbetering te brengen op het platte land werd in den
gedenkwaardigen nacht van 4 op 5 Augustus door alle voorrechten
van adel en geestelijkheid een streep gehaald. De burggraaf de
Noailles en de hertog d' Aiguillon gaven het voorbeeld en stelden
de afschaffing voor van alle heerendiensten en den afkoop van alle
feodale rechten. Anderen volgden; binnen enkele uren waren alle
misbruiken verdwenen. Geen tienden, geen pensioenen meer zonder geldige
aanspraken, geen handel in vette baantjes enz. Ook de provincies en
steden deden afstand van hun privileges en keuren. Het oude Frankrijk
werd gesloopt.
In weinige weken had de omwenteling een reusachtige schrede voorwaarts
gedaan. De 17e Juni had de drie standen zien verdwijnen; toen waren
de Etats Généraux overgegaan in een Nationale Vergadering; de 23e
Juni was de sterfdag geweest van den zedelijken invloed der kroon,
de 14e Juli die van haar stoffelijke macht. De eerste berustte thans
bij de Vergadering, de laatste bij het volk. De besluiten van den
4en op den 5en Augustus hadden de kroon gezet op het werk.
Dat deze en later gevolgde, in het staatkundige en administratieve
raderwerk van den staat zoo diep ingrijpende besluiten lang niet altijd
met groote meerderheid van stemmen werden aangenomen, behoeft echter
geen betoog. De meerderheid van den adel en de hooge geestelijkheid,
die bij den nieuwen gang van zaken slechts kon verliezen, die in den
waan verkeerde, dat weldra alles tot den vorigen toestand zou zijn
wedergekeerd, werkte tegen, wat zij kon, woonde de zittingen niet bij
of trachtte deze te storen. Men werkte juist hierdoor het hardste
mede tot den val van het koningschap en tot hun eigen ondergang,
want zij deden de verbittering der volksklasse tegen hen ten top
stijgen en gaven door hun wegblijven de republikeinsgezinden in de
vergadering de gelegenheid, besluiten te nemen, die vaak wijdere
strekking hadden dan de voorstemmers bedoelden.
Wat het hof betreft, de prinsen van Condé en Conti hadden het voorbeeld
van 's konings broer, den Graaf van Artois, reeds gevolgd en waren het
land uitgeweken; de koning vernam met onverholen spijt de besluiten
door de Vergadering genomen en aarzelde zijn goedkeuring te hechten aan
de Verklaring van rechten van den mensch en den burger, waarin naar
het voorbeeld van de Amerikanen, verschillende politieke denkbeelden
werden ontwikkeld, die de grondslag van de constitutie moesten vormen.
Het scheen wel, dat allerlei omstandigheden moesten samenwerken om
den stand van zaken nog hachelijker te maken; misgewas, hagelslag,
de slecht geregelde aanvoer van graan waren oorzaak, dat er onder de
lagere volksklasse te Parijs bittere nood ontstond, er werd honger
geleden. Tevens werd bekend, dat den 1en October in het kasteel te
Versailles door de officieren van de lijfwacht aan die van het nieuw
in garnizoen gekomen regiment Vlaanderen een luisterrijk feestmaal
was aangeboden. De koning en de koningin waren in de zaal verschenen
en met geestdrift ontvangen; bij die gelegenheid zou de driekleurige
cocarde afgerukt, vertrapt en door de witte, die der Bourbons vervangen
zijn. Geruchten hadden reeds de ronde gedaan, dat het hof voornemens
was den koning naar Metz te voeren en dat het nieuw gekomen regiment
alleen diende om, als de kans gunstig was, de Vergadering uiteen
te jagen.
Was den 4en October de gisting reeds sterk, den 5en nam ze nog in
hevigheid toe. De bakkers hadden geen brood meer; groote troepen
hongerige vrouwen stroomden naar het stadhuis om hierover bij den
gemeenteraad te klagen, doch hier geen uitkomst vindende, zette de
menigte zich onder leiding van Maillard, een der hoofdpersonen van
den 14en Juli, in beweging in de richting van Versailles. Steeds
geweldiger werd de volkshoop, die, van allerlei wapens voorzien, zich
op weg begaf naar de Vergadering en de verblijfplaats van den vorst;
zelfs kanonnen werden op karren meegesleept.
Te Versailles gekomen en, door een hoop vrouwen vergezeld, in de
Vergadering toegelaten, diende Maillard hier zijn beklag in over den
hongersnood in de hoofdstad. De koning ontving een deputatie uit de
vrouwen, die de belofte kreeg, dat in den nood zou worden voorzien. Op
aandrang van Mounier, president van de Vergadering, besloot de koning
na lang aarzelen de besluiten goed te keuren. Men hoopte hiermede
de gemoederen te bedaren. Doch tevergeefs. In den morgen van den 6en
October waren er schoten gewisseld en enkele gardes gedood, reeds had
men een aanval op het kasteel gedaan, waarbij zelfs de koningin een
oogenblik in levensgevaar verkeerde. De komst van Lafayette met de
Nationale Garde bracht uitkomst voor de koninklijke familie; de koning
en zijn door het volk zoo gehate gemalin moesten zich op het balkon
vertoonen en het slot van het drama was, dat aan den volkswil werd
voldaan en de koninklijke familie, begeleid door honderd afgevaardigden
zich op weg naar de hoofdstad begaf om daar, door Lafayette bewaakt
en beschermd, haar intrek in het paleis der Tuilerieën te nemen.
Men was komen vragen om brood en had ten slotte den koning (bakker)
meegenomen.
De Constituante, zooals de Vergadering in die dagen werd geheeten,
verlegde haar zetel nu ook derwaarts, en begon weldra haar zittingen
te houden in de Manége van het paleis, een groot houten gebouw,
dat voor een vergadering zoo goed als alle eigenschappen miste.
Had men tot nu toe in Versailles het politieke centrum der revolutie
gehad, terwijl zich te Parijs de hoofdhaard der omwenteling bevond,
thans was alles in de hoofdstad geconcentreerd, hetgeen van grooten
invloed is geweest op het verdere verloop der omwenteling.
De emigratie nam na den 6en October reusachtige verhoudingen aan;
duizenden edelen vluchtten naar Turijn, waar de graaf van Artois
zich ophield; een nog grooter getal verzamelde zich te Coblentz en
begon van hier uit het buitenland tegen Frankrijk op te zetten; ook
de hertog van Orleans, een neef des konings, die aan het hof niet
gezien was en zelfs verdacht werd met het volk te heulen, verliet,
door Lafayette overgehaald, het land.
Onafgebroken zette de Constituante inmiddels haar arbeid voort. Zoo
decreteerde zij o.a. gelijkheid voor de wet voor alle staatsburgers
zonder onderscheid van rang of stand en de verplichting van allen
tot het betalen van belasting; de verbeurdverklaring van al de
geestelijke goederen (zij kwamen ter beschikking van den staat), de
afschaffing van alle kloosters en geestelijke orden en de afschaffing
der parlementen. Dan werd voor alle Franschen eenzelfde rechtspleging
ingesteld, eindelijk het rijk gesplitst in 83 departementen, verdeeld
in districten en gemeenten.
Den 4en Februari 1790 verscheen de koning vrijwel onverwacht, doch
luide toegejuicht in de zittingzaal. Hij verklaarde de nieuwgetroffen
regeling met alle macht te steunen, zijn zoon nu reeds tijdig op den
nieuwen stand van zaken voor te bereiden en hem tevens te gewennen
zijn geluk in dat van zijn volk te zoeken.
Parijs juichte over die woorden en was dien avond geïllumineerd;
de goede verhouding tusschen vorst en volk scheen wederom hersteld.
De tijd leerde anders. Tusschen het hof en de geestelijkheid, die in
hun verzet volhardden en de koningin, die naar de vertoogen van den
rechtschapen Lafayette niet wilde luisteren, stond de koning. Deze
was veel te zwak om zijn gezond verstand, dat hem ried met den toch
niet te keeren stroom mede te gaan, te laten heerschen over zijn hart,
dat hem dreef naar de emigrés en over zijn geloof, dat hem voerde naar
de geestelijkheid. Juist de besluiten over de geestelijke goederen,
die aan den staat waren gekomen en waardoor een volkomen verandering
in de verhouding van staat en kerk ontstond, hadden den koning pijnlijk
getroffen. [4]
In Juni vaardigde de Constituante een decreet uit tot afschaffing
van alle adellijke titels, waardoor de woede van den adel ten top
steeg. Den 14en Juli, op den verjaardag dus van den val der Bastille,
was het Champ de Mars getuige van een indrukwekkende plechtigheid. Toen
legden de koning benevens de deputaties uit alle departementen, in
tegenwoordigheid van wel een half millioen juichende toeschouwers,
met wapperende banieren om een reusachtig altaar geschaard, na
een door Talleyrand, bisschop van Autun bediende mis, den eed op
de nieuwe grondwet af. Aan Maria Antoinette werd een geestdriftige
ovatie gebracht; ze hief den dauphin in de hoogte en riep: "Ook ik
en mijn zoon deelen in de gevoelens van de natie."
De verbroedering scheen dus algemeen; vreedzaam en rustig bewoog een
reusachtige volksmenigte zich op den avond van dit federatiefeest bij
't licht van een illuminatie in de Champs Elysées, maar die kalmte
en die rust waren slechts schijnbaar.
Den volgenden morgen begon de strijd opnieuw; terwijl er reeds uit
de Constituante een voorstel werd ingediend om ook de geestelijkheid
een afzonderlijken eed op de constitutie te doen afleggen, werden
tevens maatregelen genomen ter verbetering van het leger, de laatste
steunpilaar van het koninklijk gezag. Ook hierin, vooral bij de
infanterie heerschte sterke gisting. De officieren met hun chef,
generaal Bouillé aan de spits, waren koningsgezind en met reden,
want zij genoten al de gunstbewijzen; verdienste telde niet mee,
protectie deed alles; de minderen, in de hoop op meer soldij en
betere behandeling, hingen de volkspartij aan. Te Metz en daarna te
Nancy brak een oproer uit, dat door Bouillé slechts met moeite werd
onderdrukt. (31 Augustus.)
Necker zag, dat hij in den berooiden staat der schatkist geen
verbetering kon brengen; de roekelooze financieele politiek der
Constituante, die met de uitgifte van assignaten was voortgegaan, was
tegen zijn zin; hij nam dus ontslag. Het ministerie werd heengezonden,
omdat het 't vertrouwen van de Vergadering had verloren. Duportails,
de nieuwe minister van oorlog, ontnam Bouillé een groot deel van
zijn gezag.
Van vluchten naar het leger of naar het buitenland had de koning
tot nog toe niet willen hooren, al deed zijn omgeving hiertoe het
voorstel; terwijl hij dien zomer verblijf hield te St. Cloud, was
er wel gelegenheid, doch de vrees voor den burgeroorlog, als gevolg
hiervan, had hem weerhouden.
Thans ziende, dat de Constituante schier dagelijks machtiger werd
en vreezende, dat hem zelf weldra geen schaduw van gezag meer zou
overblijven, begon hij over zulk een vlucht te denken. Hij polste
dus Bouillé.
Intusschen werd in December een wet afgekondigd, waarbij alle
geestelijken verplicht werden een specialen eed op de grondwet af
te leggen. De paus, door Lodewijk XVI hiervan terstond onderricht,
stelde het geven van een antwoord, op de vraag of hij met deze regeling
genoegen nam, onder allerlei voorwendsels uit; om deze reden onthield
de koning zijn sanctie voorloopig aan de wet, doch ten laatste zwichtte
hij voor den op hem uitgeoefenden drang.
Groot waren de gevolgen van deze wet. Er ontstond een scheuring
onder de katholieke bevolking; de band tusschen Rome en de Fransche
geestelijkheid was verbroken, deze voortaan gesplitst in beëedigde en
onbeëedigde priesters, welke laatsten in niet geringe mate meewerkten
om de contra-revolutie in 't land aan te wakkeren.
Ook 's konings houding tegenover de revolutie was thans beslist
vijandig; van een eerlijk aanvaarden geen sprake meer. Wel ontving
het hof sinds eenige maanden raad van Mirabeau, maar, evenmin als
de vergadering dit deed, vertrouwde het hof den grooten staatsman,
die een der krachtigste medewerkers was geweest bij de omverwerping
van het ancien régime, maar die ook, doch 't hof zag dit niet in, aan
het koninklijk gezag zijn grootsten steun had verleend. Zijn ideaal
"de verzoening van het koninklijk gezag met de volkssouvereiniteit"
zag hij niet verwezenlijkt.
Den 2en April 1791 overleed de geniale man. Den dag na zijn dood
schreef Camille Desmoulins: "Met hoe groote ontroering heb ik naar
dien almachtigen kop staan kijken, dat prachtige magazijn van ideeën,
thans door den dood ontruimd." Deputaties uit alle oorden des lands
omstuwden de baar, gansch Frankrijk droeg rouw. Een zijner grootste
figuren was heengegaan. Zijn lijk werd naast dat van Descartes in de
tot een Pantheon herschapen kerk van Genoveva bijgezet. [5]
In den nacht van 20 op 21 Juni kwam het plan van den koning om te
vluchten tot uitvoering; generaal Bouillé zou hem behulpzaam zijn,
terwijl ook de keizer Leopold van Oostenrijk steun had toegezegd. In
alle stilte vertrok de koninklijke familie uit het paleis, in de
richting van Montmédy. Waarschijnlijk zou het zijn geslaagd, als niet
's konings eigen onvoorzichtigheid alles had bedorven. Telkens stak
hij het hoofd buiten het met zes paarden bespannen en dus toch reeds
zeer in het oog vallende rijtuig.
De gevolgen bleven niet uit. Te St. Menehould werd hij door den
zoon van den postmeester Drouet, een volbloed republikein, herkend
en te Varennes aangehouden. Als gevangene, onder bewaking van drie
commissarissen van de Constituante, begeleid door duizenden gewapende
burgers, werd hij naar Parijs teruggebracht, waar een dreigende
bevolking hem den 25en Juni ontving.
Eigenaardig, niet een kreet van verontwaardiging, doch van vrees uitte
men in Frankrijk, toen de vlucht bekend werd; men voelde zich verlaten,
zoodat de terugkeer met groote vreugde werd begroet, wel een bewijs
hoe royalistisch de Franschen nog waren. Was dit de stemming buiten
Parijs, ze was het niet van de hoofdstad. Daar veroorzaakte de vlucht
de eerste beweging ten gunste van de Republiek, waartoe de club der
Cordeliers het initiatief had genomen.
Vooral in deze dagen kwamen de clubs en politieke vereenigingen
meer op den voorgrond en deden hun invloed gelden. De invloedrijkste
was de Bretonsche Club, aanvankelijk te Versailles gevestigd, doch
in October 1789 verplaatst naar Parijs en herdoopt in "Genootschap
van de vrienden der constitutie;" ze hield haar zittingen in het
voormalige Jacobijnenklooster, waardoor de naam "Jacobijnen" ontstond,
die de aristocraten als spotnaam aan hare leden gaf. IJveraars voor de
constitutioneele monarchie, behoorden ze volstrekt niet in de eerste
jaren tot de uiterste linkerzijde; pas na den val van het koningschap
veranderde het karakter van de club en nam zij den naam aan van
"Genootschap der Jacobijnen, vrienden van de vrijheid en gelijkheid."
Veel democratischer was de Club der Cordeliers, geleid door mannen
als Marat, Danton en Camille Desmoulins; waren zij meer republikeinsch
gezind, hun invloed beperkte zich alleen tot Parijs.
Onmiddellijk na het bekend worden van de vlucht had de Constituante
den koning in de uitoefening van zijn macht geschorst en deze onder
haar toezicht aan de ministers opgedragen, dit bleef ook na terugkeer
gehandhaafd, zoodat feitelijk een voorloopige republiek was ingesteld
tot den 14en September, den dag waarop door den koning een eed op de
constitutie werd afgelegd.
De Club der Cordeliers trachtte afschaffing van het koningschap te
verkrijgen, hiermede in de hand gewerkt door enkele Jacobijnen, die
alleen Lodewijk XVI wilden doen vervallen verklaren van den troon. De
Nationale Vergadering wist met kracht deze plannen te verijdelen,
door het gepeupel op het Champ de Mars met behulp van de troepen
onder Lafayette uiteen te jagen.
Was deze poging om de republiek te vestigen mislukt, zij was oorzaak
tot scheuring van de Jacobijnenclub en de oprichting van de Club der
Feuillants onder leiding van Bailly en Lafayette.
De Constituante had haar reuzentaak voltooid. Ze werd ontbonden en
vervangen door een Wetgevende Vergadering, waarin op voorstel van
Robespierre geen leden van de Constituante mochten zitting hebben. Deze
wel onbaatzuchtige, doch onpractische bepaling was, jammer genoeg,
oorzaak, dat Frankrijks beste krachten op het gebied van wetgeving
en staatsbestuur ongebruikt bleven.
De koning en de koningin hadden zich moeten schikken in den toestand,
door de grondwet geschapen. Met den titel van Koning der Franschen,
het opperbevel over het leger, het recht van veto en een civiele
lijst van vijf en twintig millioen francs, liet de toekomst zich nog
zoo slecht niet aanzien.
De geestelijkheid was van haar reusachtige bezittingen beroofd,
de adel had opgehouden een afzonderlijke orde te wezen.
In het Wetgevende Lichaam hadden mannen van groote bekwaamheid als
Vergniaud, Guadet, Brissot en anderen zitting gekregen. Zij en hun
geestverwanten, eerst Brissotins genoemd, kregen na 1792 den naam
van Girondijnen, omdat de meesten uit het Zuiden afkomstig waren. In
de vergadering vormden zij aanvankelijk de meerderheid, sloten zich
eerst aan bij de Feuillants, voorstanders van de constitutie van 1791,
doch werden later meer democratisch gezind; ze wanhoopten aan het
voortbestaan van het koningschap; denkers, plannenmakers en redenaars
dachten zij zich een republiek met al haar deugden, met gestrenge
zeden en gelijke rechten voor allen; mannen van de daad waren ze niet.
Stuurden de Jacobijnen meer aan op de republiek en algemeen kiesrecht,
daarbij vooral steunende op de lagere volksklassen, de Girondijnen
wilden van dien steun niet weten; niet de hoofdstad, doch geheel
Frankrijk moest de revolutie besturen, meenden zij.
Reeds dadelijk deed de nieuwe vergadering van zich
spreken. Achtereenvolgens vaardigde zij een decreet uit tegen
de emigrés, die niet binnen zekeren tijd in het land zouden zijn
teruggekeerd en een tegen de priesters, die den van hen gevorderden
eed nog niet hadden afgelegd. [6] Dan eischte zij van het Duitsche
Rijk de ontwapening der aan de grenzen opeengehoopte emigrés,
bij wie een massa officieren zich inmiddels hadden aangesloten;
stelde 's konings broeder, den graaf van Provence, die tegelijk met
de koninklijke familie Parijs had verlaten en een menigte andere
edelen den 1en Januari 1792 in staat van beschuldiging, wegens
het eigendunkelijk nederleggen hunner functiën en verklaarde ten
slotte den 20en April den oorlog aan Oostenrijk, waar Keizer Leopold
overleden en door Frans II opgevolgd was. Lafayette, afgetreden als
commandant der Nationale Garde, was benoemd tot commandant van het
leger in 't centrum; de generaal Dumouriez "een talentvol officier,"
maar een intrigant tevens, werd met het opperbevel belast.
Thans beweerden de Girondijnen, die sterk tot den oorlog hadden
aangezet, zou de koning kleur moeten bekennen, het bewijs moeten
leveren, dat hij volkomen ter goeder trouw was, toen hij de
grondwet had bezworen. Ook zou hij zijn vrienden, de emigrés,
en zijn raadslieden, de geestelijken, thans openlijk afvallig
moeten worden. Wel had de koning zijn goedkeuring gehecht aan de
oorlogsverklaring, doch tegelijkertijd stond hij met de buitenlandsche
mogendheden in verbinding en leverde Marie Antoinette zelfs kort voor
de oorlogsverklaring het plan de campagne der Fransche generaals aan
de Oostenrijkers in handen! Zijn telkens gebleken onwil om de andere
decreten goed te keuren, had de verbittering tegen hem en zijn omgeving
bij het Parijsche volk niet weinig doen toenemen.
Alles scheen samen te moeten werken om deze ten top te voeren. Een
troepenmacht, de Oostenrijksche Nederlanden in 't laatst van April
binnengerukt, doch slecht geoefend en door gebrek aan bekwame
officieren slecht aangevoerd, werd bij Bergen aangegrepen door een
paniek, riep: Verraad! en sloeg op de vlucht; een andere afdeeling
onder generaal Dillon trof bij Lille hetzelfde lot. Dillon werd
zelfs door zijn eigen soldaten vermoord. Dat woord verraad vond
luiden weerklank te Parijs. Daar ontstond onder de volksklasse een
geprikkelde stemming, nog verhoogd door de verbittering over de
ellende en de opruiende taal van tal van volksleiders.
Een reeks nieuwe figuren was op den voorgrond getreden, afkomstig
uit de reeds genoemde clubs, zooals Marat, een voormalig arts,
gevaarlijk door den reusachtigen invloed, welke hij door zijn blad
l'Ami du peuple over het volk wist te verkrijgen; Danton vol wilde
hartstochten, met een herculische gestalte en een stem als een
bazuin, die, hoewel niet bloeddorstig van aard, in oogenblikken van
hartstochtelijke opgewondenheid niet bevreesd was uit te voeren,
hetgeen Marat in zijn moordzucht had bedacht.
De derde was Maximilaan Robespierre, een uit Arras afkomstig advocaat,
die in de Nationale Vergadering door de zwaarwichtigheid zijner
betoogen en zijn onbeholpen redenaarstrant zich nog al eens belachelijk
had gemaakt. Langzamerhand meer meester geworden over het woord en
den vorm, was hij met zijn schelle hooge stem begonnen op de tribune
bij de Jacobijnen leerstellingen te verkondigen, die, hoofdzakelijk
uit Rousseau geput, wel niet uitmuntten door oorspronkelijkheid, maar
door zijn meestal ongeletterde toehoorders gaarne werden gehoord. De
roep, die van hem uitging, dat hij, hoewel zeer arm, toch volstrekt
onomkoopbaar was en een hoogst zedelijk leven leidde, in die dagen
van partijstrijd reeds een aanbeveling bij de massa en de slimheid,
waarmede hij bij zijn betoogen in de club zijn eigen persoon steeds
aan het welzijn der natie wist te verbinden, hadden tengevolge, dat
zijn aanhang en invloed dagelijks aangroeiden. Camille Desmoulins
vond hem "een Aristides," Marat echter "een manneke," Condorcet "een
wezen zonder een enkele gedachte in 't brein, zonder eenig gevoel in
't hart." Napoleon heeft hem den zondebok der revolutie genoemd.
De demagogen, krachtig door het volk gesteund, kregen aanhoudend
meer invloed op de gemoederen. Het tijdperk, waarin de sansculottes
Frankrijk het ontzettende juk hunner tirannie zouden opleggen,
naderde snel.
Den 20en Juni begon het voorspel. Toen trok een bende van meer dan
acht duizend gewapende mannen en vrouwen onder leiding van Santerre,
een rijken bierbrouwer uit den faubourg St. Anthoine, eerst naar
de Wetgevende Vergadering en vervolgens naar de Tuilerieën, drong
daar tot de vertrekken des konings door, riep hem toe: "Bekrachtig
de besluiten," "Jaag de priesters weg," "Kies tusschen Coblentz
en Parijs," bespotte den vorst op allerlei wijze en was na eenige
uren pas tot heengaan te bewegen op dringend verzoek van Pétion,
den nieuw gekozen maire. Al dien tijd had de koning onmiskenbare
bewijzen gegeven van kalmte en zedelijken moed.
In de volgende dagen namen de oproerige bewegingen in de voorsteden,
waar voortdurend groot gebrek bleef heerschen, een aanhoudend
gevaarlijker karakter aan. Lafayette, verontwaardigd over de
gebeurtenissen van den 20en, rekenende op zijn groote populariteit
onder de bevolking en de nationale garde, kwam naar Parijs om in de
Wetgevende Vergadering tegen de grievende behandeling van den koning te
protesteeren, doch zonder succes. Ook het hof en in 't bijzonder Marie
Antoinette was van de door Lafayette aangeboden hulp niet gediend,
zoodat hij onverrichter zake naar het leger terugkeerde. Geruchten,
dat veertigduizend Pruisen en evenveel Oostenrijkers, onder het
opperbevel van den hertog van Brunswijk, de grenzen naderden, dat
de koningin met deze vijanden heulde en dat het hof in stilte de
maatregelen van de vergadering tot verdediging, tegenwerkte, deden de
ronde in de clubs. Het volk, dat de tribunes vulde, schreeuwde en wilde
maatregelen en toen het ministerie den 11en Juli een overzicht gaf van
Frankrijks hachelijke verhouding tegenover het buitenland, besloot de
president die mededeeling met een even plechtig, als indrukwekkend:
"Burgers, het vaderland is in gevaar!" Dienzelfden dag reeds deden
vijftien duizend vrijwilligers zich inschrijven als soldaat.
In die dagen ontstond de Marseillaise, het lied der revolutie, gedicht
en op muziek gezet door Rouget de l'Isle, een jong genieofficier,
vooral populair geworden door de 500 fédérés, die van Marseille naar
de hoofdstad trokken, het lied, dat later met de legers door Europa
zou gaan en dat thans nog het Fransche volkslied is.
Te midden van de groote geestdrift, die zich van allen had meester
gemaakt, werd het even hooghartige als laatdunkende manifest van den
hertog van Brunswijk in de hoofdstad bekend. Parijs werd daarin met
verwoesting bedreigd, wanneer de koninklijke familie nog eens zou
worden beleedigd; nationale gardes, met de wapens in de hand gevat,
zouden als "oproerlingen tegen hun koning" worden gestraft. 't Was
olie in het vuur! Den 3en Augustus eischten de sectiën, waarin de
hoofdstad was verdeeld, de vervallen verklaring des konings; in den
nacht van 9 op 10 Augustus installeerde zich op het stadhuis een
ultra-republikeinsche commune, alleen uit Jacobijnen samengesteld en
den 10en Augustus werden de Tuilerieën, die slechts enkele honderden
Zwitsers en nationale garden als verdedigers hadden, door het grauw
bestormd.
Bij de verdediging ontbrak alle leiding en eenheid, want Mandat,
de tijdelijke commandant der nationale garde, was reeds te voren
afgemaakt op de trappen van het raadhuis.
Beducht voor het leven van vrouw en kroost, zocht de koning, zonder
bevelen achter te laten, zijn toevlucht in de vergadering, vond achter
den president, in de benauwde loge van den verslaggever der Feuillants,
een plaatsje en zond van hier aan de Zwitsers bevel, het kasteel niet
te verdedigen. Deze order kwam te laat. Reeds was het bloedbad op de
pleinen, in den tuin en in de kamers begonnen. Bij honderden vielen de
brave Zwitsers op hun post. Bonaparte, die na den storm de Tuilerieën
bezocht, verklaarde later zelf, dat hij in niet een zijner veldslagen,
in zoo een kleine ruimte zooveel lijken had gezien als daar op het
voorplein bijeen lagen.
Onder den indruk van het gebeurde en onder drang der commune nam
de vergadering het besluit tot schorsing van het koningschap en
tot de bijeenroeping van een Nationale Conventie door algemeen
kiesrecht gekozen, terwijl een nieuw ministerie zou optreden, waarin
Danton minister van Justitie werd. Den 13en Augustus werd de geheele
koninklijke familie overgebracht naar het groote torengebouw van het
voormalige klooster le Temple en hier streng bewaakt. Alleen achter
sterke muren beweerde de steeds in macht en driestheid toenemende
commune, kon zij instaan voor de veiligheid der aan haar hoede
toevertrouwde personen.
Het drama van de koninklijke familie begon haar ontknooping te naderen;
geen Franschen verdedigden den 10en Augustus de woning meer, maar
Zwitsers en de trouw van deze dapperen is te Lüzern, naar een ontwerp
van Thorwaldsen, vereeuwigd door een in de rotsen uitgehouwen leeuw,
met een speer doorboord, rustende op een veld van leliën.
Te Parijs waren thans slechts twee officieele machthebbende
lichamen overgebleven, de Wetgevende vergadering en de Commune,
bij welke laatste Robespierre reeds eenigen tijd te voren benoemd
was tot openbaar aanklager. De eerste zorg van dezen raad met haar
ultra-revolutionnaire neigingen was, thans meester te worden over de
politie. Het Comité van Algemeene veiligheid werd daarvoor ingesteld en
te Parijs een Comité van toezicht opgericht, met Marat als voorzitter,
dat onmiddellijk aan het werk toog door de arrestatie van honderden
aristocraten, zoogenaamde "verdachten." De groote gemeenten volgden
dit voorbeeld.
Tevens werd door den drang der Jacobijnen een revolutionnaire rechtbank
opgericht. Van haar vonnissen was geen appèl.
Op voorstel van Danton begon einde Augustus de arrestatie van alle
slechte burgers, die zich sinds den 10en Augustus verscholen hielden.
Daar kwam den 2en September het bericht, dat Verdun was ingesloten;
Longwy "de ijzeren poort van Frankrijk" was reeds gevallen en mocht
dat met Verdun het geval worden, dan lag de weg naar Parijs voor den
vijand open.
Toen kwam de afschuwelijke raad van Marat, die voor geen wreedheid
terugdeinsde, dat het eenige middel om het vaderland te redden,
zou wezen, de ter doodbrenging van alle gevangenen!
Een der vreeselijkste tooneelen van de omwenteling speelde zich te
Parijs af. Van 2-6 September had in de gevangenissen de Abdy, la Force
enz. een ware slachting plaats onder "alle vijanden des vaderlands"
hoofdzakelijk edelen en geestelijken. Rede en menschelijkheid waren
verdwenen; het lijk van Prinses de Lamballe, een vriendin van Marie
Antoinette, werd geschonden en met haar hoofd op een piek liep men
voor de Temple op en neer!
De Vergadering was met ontzetting geslagen, maar deed niets om
aan het bloedbad een einde te maken; ook Danton was lijdelijk
toeschouwer. Alleen Roland, minister van binnenlandsche zaken,
had den moed alle autoriteiten verantwoordelijk te stellen voor
het gebeurde. Ten slotte beval de Vergadering een onderzoek naar
de raddraaiers, hetgeen tot niets leidde. Eenige enragés droegen de
schuld. Zij hadden gemeend "verraders" voor zich te hebben!
Deze bloedige Septemberdagen brachten de revolutie meer in discrediet,
dan men toen vermoedde.
Den 21en September verdween de Wetgevende Vergadering. Een Nationale
Conventie, reeds dadelijk 749 leden tellende, trad in haar plaats,
schafte den volgenden dag de koninklijke waardigheid af en verklaarde
bij monde van haar president Pétion, Frankrijk tot een Republiek.
Het succes van den hertog van Brunswijk in het noorden was niet van
langen duur. In Dumouriez, den voormaligen minister van oorlog,
die Lafayette had vervangen, vond hij een even talentvolle als
dappere tegenpartij, die hem, door het bezetten der passen van het
Argonnerwoud, den toegang afsloot tot het hart van het land. Den 20en
September bij Valmy, liet de dappere Kellerman aan den hertog zien,
met welk een heldenmoed en doodsverachting dat leger van schoen-
en kleermakersjongens, zooals de emigrés de soldaten der Republiek
met minachting betiteld hadden, onder een daverend: Allons enfants,
de la patrie met gevelde bajonet op zijn oude beproefde krijgers
instormden en ze terugsloegen.
"Van deze plaats en van dit uur dateert een nieuw tijdvak in de
wereldgeschiedenis," zei de bij het Pruisische leger aanwezige Goethe
op den avond van Valmy tot de aanwezigen bij het wachtvuur. Hij
begreep de beteekenis van dien dag; "het revolutionnaire Frankrijk
kon en wilde Europa weerstaan."
Gebrek, groote ontberingen, ziekte en slecht weer waren ten slotte
oorzaak, dat de hertog terugtrok.
Van deze omstandigheid trok Dumouriez partij. Flink versterkt in
aantal, maar slecht gevoed, geschoeid en gekleed, rukte zijn leger in
November d.a.v. de Zuidelijke Nederlanden binnen, behaalde niettemin
den 6en bij Jemappes een glansrijke overwinning en bezette het gansche
land tot aan de boorden van de Maas.
Had de Nationale Conventie met algemeene stemmen de Republiek
ingesteld, van eensgezindheid onder de leden was geen sprake. De
Jacobijnen, naar de hoogere banken, welke ze in de Vergadering
innamen, ook wel montagnards genoemd, sloten zich nauw aan bij de
revolutionnaire Commune; de Girondijnen duchtten dien grooten invloed,
wilden de leiding aan de hoofdstad ontnemen, vreesden voor het optreden
van een tiranniek triumfiraat Robespiere, Danton en Marat en werden
in hun strijd tegen de Jacobijnen gesteund door de middenpartij in
de vergadering, de "plaine" of "marais" genoemd.
Thans kwam de vraag, wat men met den koning doen zou, dezen strijd nog
geduchter maken. In December stelden Robespierre, Couthon en St. Just
dezen namens de Jacobijnen in staat van beschuldiging. Het vinden van
een ijzeren kistje in de Tuilerieën met brieven uit het buitenland,
die verrieden, dat de koning met Pruisen en de emigrés in 't geheim
betrekking had aangehouden--een feit, dat door hem onverstandig genoeg
werd ontkend--verergerde zijn toestand.
Met bijna algemeene stemmen werd hij den 15en Januari 1793 schuldig
verklaard aan samenzwering tegen de vrijheid en de veiligheid van
den Staat. Een poging der Girondijnen, het uit te spreken vonnis
aan het oordeel van het volk te onderwerpen, waarin zij een middel
zagen om den invloed van Parijs te fnuiken, mislukte. Wel stelden de
grijze Malesherbes en Desèze alles in het werk om hem te verdedigen,
wel trachtten Brissot en enkele Girondijnen uit vrees voor een
buitenlandschen oorlog het vonnis uit te stellen, doch het een noch
het ander had succes. Louis Capet, zooals hij thans naar een zijner
voorouders genoemd werd, onderging op den 21en Januari 1793 zijn
vonnis; hij werd geguillotineerd, hetgeen hij waardig en gelaten
onderging.
De laatste schakel met het ancien régime was verbroken!
De Jacobijnen hadden gezegevierd, de macht der Girondijnen volkomen te
breken, werd thans hun doelwit. Al de vorsten van Europa wierpen ze
den handschoen voor de voeten; zij zouden de vrijheid brengen aan de
gansche wereld. Alle dwingelanden wilden zij van den troon stooten;
vrijheid, gelijkheid en broederschap voor de tirannie van eeuwen in
de plaats doen treden.
Een macht van 300.000 werd onder de wapenen geroepen om de eer der
Republiek te handhaven zoowel in het buitenland, als in het binnenland;
in dit laatste met name in de Vendée en Bretagne was n.l. een opstand
onder de boeren uitgebroken, die weldra schrikwekkende afmetingen
aannam.
Bij het leger onder Dumouriez, die door de Jacobijnen niet ten
onrechte sterk verdacht werd van allesbehalve ultra-republikeinsche
beginselen, gingen de zaken inmiddels niet naar wensch. Een aanval op
de Vereenigde Nederlanden, in overleg met het ministerie van Oorlog
door Dumouriez beproefd, mislukte. De Oostenrijkers en de Pruisen
rukten België weder binnen en de slag bij Neerwinden (18 Maart 1793)
was voor de Republiek noodlottig.
Dumouriez, die in stilte het plan had gevormd den oudsten zoon van
Philippe Egalité, die als generaal onder hem diende, bij welslagen,
door zijn leger tot koning te doen uitroepen, dan naar Parijs te
rukken, en aan den druk der Jacobijnen met één slag een einde te
maken, wachtte het oogenblik niet af, waarop hij door de Conventie ter
verantwoording zou worden geroepen. Hij knoopte vredesonderhandelingen
aan met den Oostenrijkschen Kolonel Mack en toen hem bleek, dat zijn
soldaten de Republiek getrouw bleven, liep hij naar de Oostenrijkers
over. De laatste dertig jaren zijns levens heeft deze talentvolle,
maar steeds intrigeerende man in ballingschap doorgebracht, hij is
in Engeland overleden.
Het verraad van Dumouriez, de ongunstige toestand der legers en de
gevaren, waaraan het land was blootgesteld, drongen de Conventie
weldra tot een nieuwen maatregel. Den 6en April 1793 werd het Comité
de Salut Public ingesteld. Het zou bestaan uit twaalf leden, die in
't geheim moesten beraadslagen, ook zouden zij op de handelingen
van het uitvoerend bewind toezicht houden en achter de zaken
spoed zetten. Aanvankelijk gevormd door de neutrale leden van de
Conventie, geraakte het spoedig geheel in handen van de Bergpartij, met
Robespierre, St. Just, Couthon, Collot d' Herbois en Billaud-Varennes
als leiders. De werkzaamheden werden door verschillende onder-comité's
verdeeld, terwijl het zich in de provincie door afgevaardigden
deed vertegenwoordigen. Aan dit lichaam ondergeschikt, was het
Comité van Algemeene Veiligheid, eveneens van twaalf leden, belast
met het opsporen en arresteeren van allen, die verdacht werden van
contra-revolutionnaire neigingen, terwijl ten slotte de Revolutionnaire
Rechtbank, met den beruchten Foucquier Tinville als openbaar aanklager,
zich onledig hield met het vonnissen der gevangenen.
De Conventie met haar tal van kleurlooze leden werd in de handen van
het Comité de Salut Public een willoos werktuig. Door de afgevaardigden
van het Comité waren de legers aan dit laatste onderworpen; door de
wet der verdachten beschikte dit over de bijzondere personen; door
de genoemde rechtbank over het leven van allen. In de volksmassa,
die in de clubs beraadslaagde, vond het zijn steun.
Het antwoord van Europa op Frankrijks uitdaging had niet lang op zich
laten wachten. Over dien koningsmoord, "de verfoeilijkste daad, die
in de historie was opgeteekend," zooals Pitt in het parlement zei,
diep verontwaardigd, beducht voor de ver strekkende gevolgen, welke
de omwentelingen ook voor hun onderdanen kon brengen, bang voor hun
eigen troon, verklaarden tal van vorsten met Oostenrijk en Pruisen
aan de spits, den oorlog aan de Republiek.
Van deze coalitie was Engeland onder den alvermogenden minister Pitt
de ziel. Het had geweigerd de vervallenverklaring van den koning te
erkennen en zich hierom reeds den 1en Februari 1793 door de Conventie
den oorlog zien verklaren. Ditzelfde lot was ook aan de Republiek
der Vereenigde Nederlanden te beurt gevallen. Binnen zes maanden
had Pitt zeven verbonden gesloten en zes tractaten tot het verleenen
van geldelijken steun. Ook Spanje met zijn nieuwen minister Godoy,
bijgenaamd de Vredevorst, had zich op zijn raad, evenals het geheele
Duitsche Rijk bij de coalitie gevoegd.
Door het grauw gesteund, meester over den gemeenteraad, heerschten de
Jacobijnen met hun 800 clubs in de departementen, van nu af zoo goed
als onbeperkt. Wel werd Marat als president der club door de Conventie
voor de rechtbank gedaagd wegens opruiïng tegen de gematigden in dit
staatslichaam, maar hij werd vrijgesproken en in zegepraal rondgedragen
(24 April).
Van dit oogenblik trad het grauw zelf vermeteler op, overstroomde de
publieke tribune in de zittingzaal en sprak mede in het debat. Een
poging, door de Girondijnen beproefd om de daden van den gemeenteraad
door een commissie te doen nagaan, waardoor heel wat gruwelen aan
het licht zouden zijn gebracht, werd door het grauw verijdeld, de
commissie ontbonden.
De verbittering tegen de gematigden, thans beschuldigd van
het heulen met den vijand en de emigrés en van het aansporen
tot een contra-revolutie, werd door de Jacobijnen aanhoudend
meer opgezweept. Telkens deed de Commune zich in de Conventie
gelden. Henriot, de commandant der nationale garde, geheel op de
hand der Jacobijnen, deed ten slotte zelfs vuurmonden in batterij
komen voor de Tuilerieën om de zittingzaal in elkander te schieten,
als aan den wil des volks niet werd voldaan! Den 31en Mei viel de
partij der Girondijnen; hun aanvoerders werden gevangen genomen;
anderen namen de vlucht (2 Juni).
Van nu af had de Conventie haar vrijheid van beraadslagen totaal
verloren. Robespierre met zijn aanhang nam de teugels in handen. Het
schrikbewind begon!
Na den val der Girondijnen kwam het geheele zuiden met Lyon,
Marseille en Toulon aan de spits in verzet; zelfs vormden zich
hier gewapende benden om naar Parijs te marcheeren. Tegenover hen
stonden de aanhangers der Conventie. In het westen, aan de Loire,
in de Vendée en in Bretagne was de gansche bevolking als één man
tegenover de afgevaardigden uit de Conventie opgetreden. Hier stonden,
door de emigrés en Engelsch goud gesteund, Stofflet en Charette aan
het hoofd der royalisten tegenover de regeeringstroepen.
Ook bijzondere personen gaven bewijzen van hun afschuw over hetgeen
in Parijs gebeurde. Zoo toog Charlotte Corday, een vijf en twintig
jarig mooi meisje uit Caën, een volbloed aanhangster der omwenteling
op deugdzamen grondslag, naar de hoofdstad, zocht Marat op, die in
de departementen den meesten schrik had verspreid, en stootte hem
een mes door het hart, om, zooals zij voor de rechtbank verklaarde,
"haar land vrede te schenken." Onwrikbaar kalm hoorde zij haar
doodvonnis aan; even kalm betrad zij het schavot. (15 Juli). Half
Parijs volgde de begrafenis van Marats hart in den tuin van de club
der Cordeliers. Toen zijn inboedel werd ontzegeld, vond men slechts
een assignaat van vijf francs, zijn gansche bezitting.
De Conventie was dus van alle zijden door gevaren omringd; zoowel in
het binnen- als in het buitenland stond de vijand. Daarbij dreigde
hongersnood, door het blokkeeren van alle havens door Engeland.
Het Comité de Salut Public trok alle macht aan zich en heerschte
onbeperkt.
Door de levée en masse riep het Comité het gansche volk onder de
wapenen tegenover den buitenlandschen vijand; alle mannen tusschen
18 en 40 jaar werden opgeroepen en voor het einde van het jaar
beschikte men reeds over een leger van 650.000 man; Carnot, lid van
het Comité leidde de operaties. Het gebrek aan geoefendheid moest
vergoed worden door het aantal en de geestdrift der troepen, terwijl
steeds aanvallend moest worden opgetreden; een hevig kanonvuur en
dan onder het zingen van de Marseillaise, of het "Ça ira" er met
de bajonet op in. Commissarissen bij het leger zorgden voor strenge
tucht, zonden generaals, die nederlagen leden, op naar Parijs, waar
ze werden geguillotineerd (de Beauharnais en Custine o. a.) Er moest
overwonnen worden en er werd overwonnen, al was het ten koste van
vele slachtoffers.
Einde 1793 was Frankrijk bijna geheel van vijanden gezuiverd. Voor
een inval behoefde de Republiek niet meer te vreezen.
Tegenover den vijand in het binnenland trad de beruchte wet der
suspects met volle kracht in werking. De gevangenissen vulden
zich met leden uit de gegoede burgerij en den handelsstand; alle
vreemdelingen, alle aanhangers van een constitutioneel koningschap,
of van een gematigde republiek, werden--voorloopig heette het--in
hechtenis genomen.
Over het geheele land werden afgevaardigden van het Centrale Comité
verspreid met uitgebreide macht. Over de steden in opstand werd de
banvloek uitgesproken, te Lyon de bevolking door de afgevaardigden
Collot d'Herbois en Couthon voor een gedeelte over de kling gejaagd;
te Toulon gebeurde ongeveer hetzelfde onder Fréron en Barras, "den
roofvogel der revolutie;" in Nantes maakte zich Carrier berucht.
In Parijs stond op de Place de la Concorde de guillotine bijna niet
stil. Den 16en October viel het hoofd van Maria Antoinette, nadat haar
reeds geruimen tijd te voren haar kinderen waren ontnomen en na een
verhoor, dat in bijzonderheden afschuwwekkend is. Den 31en d. a. v. zag
men een en twintig der in Juni gevangen genomen Girondijnen, onder
het zingen der Marseillaise, het schavot beklimmen; den 6en December
deelde hetzelfde lot de hertog van Orleans, een beginselloos man,
veracht door de koningin, door den koning verdacht te streven naar
het oppergezag, door het volk niet vertrouwd, al had hij ook zijn
naam verwisseld voor dien van Philippe Egalité.
In de jaartelling en in den godsdienst werd nu ook een volslagen
omkeer gebracht.
De gregoriaansche tijdrekening werd door de republikeinsche vervangen;
deze dagteekende van het jaar I der vrijheid. Het jaar begon dus op
22 September 1792 toen het koningschap was gevallen; iedere maand
telde nu dertig dagen verdeeld in drie decades; den laatsten van
iedere decade was 't rustdag. De maanden werden genoemd naar het
jaargetijde, waarin zij vielen, zooals October nu Vendémiaire heette,
daarop volgde Brumaire, Frimaire enz. De vijf of zes overschietende
dagen, jours complémentaires genoemd, dienden voor feestelijkheden,
gewijd aan het genie, den arbeid, de schoone daden, de belooning,
de meening en de omwenteling.
Een nieuwe godsdienst, die der Rede, werd afgekondigd en de hoofdkerk
de Nôtre Dame, op voorstel van Chaumette, lid der Commune herdoopt
in een republikeinsch gebouw, den Tempel der Rede. Ook buiten Parijs
volgde men dit voorbeeld, werden kerken "onchristelijkt" en feesten
gegeven, waarbij jonge vrouwen als godinnen der rede fungeerden. Welk
een toestand!
Intusschen bleef de valbijl haar werk verrichten; den 11en November
viel het hoofd van den edelen Bailly; den 15en ontving de Conventie
van Fouché en Collot d'Herbois uit Lyon een brief, waarin zij pochten
op de door hen gehouden strafoefeningen en een uit Rouen, meldende,
dat de oud-minister Roland zelfmoord had gepleegd. Enkele dagen
tevoren was diens jonge vrouw te Parijs onthoofd, welk lot weldra
ook prinses Elisabeth, zuster des konings, onderging.
Al die onschuldig gevallen hoofden, die gruwelijke dwingelandij waren
ten slotte oorzaak, dat in den boezem der Conventie en zelfs onder
de leiders ontevredenheid ontstond. Had Robespierre zich al verzet
tegen de anarchistische neigingen van Hébert, die vooral in zijn blad
"Le Père Duchesne" door Camille Desmoulins "een der riolen van Parijs"
genoemd, hun uiting vonden, hij werd hierin gesteund door Danton en
Camille Desmoulins, die steeds op meer gematigdheid aandrongen en aan
het schrikbewind een einde wilden zien. Van dit laatste was Robespierre
volstrekt niet gediend en nadat eerst Hébert ten val was gebracht,
boetten weldra Danton en Camille Desmoulins onder de valbijl voor hun
"onzuivere beginselen als republikein en hun gematigdheid."
Thans stond Robespierre alleen, gesteund door zijn trawanten als
St. Just en Couthon. Doodsangst heerschte alom. Niemand zag uitkomst.
Toch was deze niet meer zoover af.
Robespierre had den eeredienst vervangen door dien van het Hoogste
Wezen; in Juni (20en Prairial) zou deze in geheel Frankrijk worden
ingewijd. Plechtige feesten moesten hiermede gepaard gaan en de
volksmenner had zich door de Conventie doen aanwijzen om daarbij als
hoogepriester op te treden. Op weg naar het feestterrein stapte de
dictator met een glans van trots en bevredigde ijdelheid op zijn
gezicht een pas of vijftien voor zijn medeleden uit. Dit wekte
reeds den toorn op. Het woord "Tiran!" moest hij hooren.--"Tiran,
er zijn nog Brutussen!" beet Bourdon hem toe. Hij zon op wraak.--Een
paar dagen later diende hij in de Conventie een wet in, waarbij de
Revolutionnaire Rechtbank het recht verkreeg alleen op overtuiging
van de schuld vonnis te vellen, terwijl tegenover samenzweerders de
wet geen verdedigers toeliet. Wel kwam men tegen deze schandelijke
wet in verzet, doch het baatte niet; ze werd aangenomen.
Foucquier Tinville greep deze nieuwe wet terstond aan als een middel
om in de propvolle gevangenissen ruimte te krijgen. Van verhoor was
bijna geen sprake; als het begon, stonden de schavotkarretjes buiten
reeds te wachten op hun vracht, la fournee.
"Hier heb je de winners in de loterij van Sinte
Guillotine!" schreeuwden de kleine nieuwsventers onder de vensters
der gevangenen. Het Avondblad noemden de bewaarders de lijst der
gevangenen, die den volgenden dag zouden worden voorgebracht.
Het aantal doodvonnissen nam op schrikbarende wijze toe, bedroeg
in twee maanden meer dan anders in een jaar. Veilig voelde zich
niemand meer.
Het voortbestaan van het schrikbewind werd door velen overbodig
geacht; niet alleen was er geen vijand meer op de grenzen, maar
Jourdan had bij Fleurus in de Zuidelijke Nederlanden overwonnen;
de opgestane steden waren ten onder gebracht, het vaderland dus niet
meer in gevaar. Waarvoor dan dat bloedige werk van de Revolutionnaire
Rechtbank?
De ellende duurde voort alleen ten genoegen van den machtigen dictator
en zijn aanhang; tot die overtuiging kwam men algemeen, toch duurde
het lang voor de moed er was hem aan te vallen en neer te werpen.
In het comité van algemeene veiligheid beraamde men het plan tot zijn
val; Billaud-Varennes en Collot d' Herbois, leden van het Comité
de Salut Public namen er aan deel. Den 7en Thermidor (25 Juli)
werd in de Nationale Conventie een lang rapport voorgelezen, waarin
men te velde trok tegen hen, die in weerwil van de overwinningen,
nieuwe plannen tot vervolging beraamden. Het was de eerste openlijke
pijl op Robespierre gericht. Deze verscheen den volgenden dag in
de Conventie, verdedigde de genomen maatregelen, beschuldigde zijn
tegenpartij, maar 't succes was niet groot. In zijn club, waar hij 's
avonds zijn redevoering herhaalde, werd hij enthousiast toegejuicht,
Billaud-Varennes en Collot d' Herbois werden echter uitgejouwd en
zelfs buiten de vergadering gezet.
Den 9en Thermidor was de beslissende dag. Als Robespierre de zaal
der Conventie binnentreedt en St.-Just het woord neemt om zijn
verdachtmakingen tegen zijn tegenpartij te beginnen, wordt hij dadelijk
in de rede gevallen. Billaud-Varennes neemt het woord, waarschuwt de
Conventie voor het dreigende gevaar, klaagt Robespierre aan, noemt
zijn medeplichtigen in de Commune en brandmerkt zijn gedrag en zijn
streven naar het oppergezag met bittere vlijmende taal.
Als hij zwijgt zijn alle oogen op Robespierre gericht. Deze vliegt
naar de tribune, maar een dreunend: "Weg met de tiran!" weerklinkt. Aan
het woord laat men hem niet komen. "Het bloed van Danton verstikt je"
bijt men hem toe. Met algemeene stemmen wordt tot gevangenneming van
hem, Couthon en St.-Just besloten. Onder gejuich voeren de gendarmes
hen weg.
Thans werpt de commune het masker af. De gevangenen worden bevrijd
en naar het stadhuis gevoerd, terwijl Henriot het grauw opruit en
zelfs kanonnen tegen de Tuilerieën in batterij doet komen, maar de
kanonniers weigeren vuur te geven.
De Conventie stelt Henriot, Robespierre en de commune buiten de wet,
benoemt Barras tot commandant der nationale garde ter verdediging
van het gouvernement. Het verzet is gebroken en den 10en Thermidor
worden Robespierre, Couthon, St.-Just en een twintigtal aanhangers
geguillotineerd, eenige dagen later door een zeventigtal leden der
commune en twaalf van de de Revolutionnaire Rechtbank gevolgd.
Frankrijk herademde, nu het zich bevrijd voelde van den man, die vriend
en vijand had opgeofferd om zich tot dictator te doen verheffen; men
verpersoonlijkte in hem al het buitensporige van het schrikbewind en
geloofde de Republiek gered, tot rust gebracht door zijn val.
Al was dit overdreven, toch kregen de gematigden onder de
Thermidoristen de leiding in handen. Zij beperkten de groote macht
van het Comité de Salut Public, schaften de beruchte wet van Juni
1794 omtrent het vonnissen af; de commune moest haar gezag aan de
conventie afstaan; de club der Jacobijnen met haar 800 afdeelingen
in de departementen werd gesloten.
Carrier, Fouquier Tinville lieten het leven onder de valbijl, anderen
werden naar Cayenne verbannen. Een laatste poging in Mei 1795 om
het door honger gekwelde gepeupel in oproer te brengen, werd met
kracht onderdrukt.
De voorstad Saint-Anthoine, de bakermat van zooveel ongerechtigheden,
werd toen tevens ontwapend.
Inmiddels hadden de legers der Republiek schitterende bewijzen gegeven
van hetgeen zij onder vaderlandsliefde verstonden. Slecht gekleed en
gevoed, vaak slecht bewapend, hadden ze in de Vendée onder Westerman en
Kléber den opstand in 't begin van 1794 zoo goed als geheel onderdrukt,
Pichegru had na Jourdans overwinning bij Fleurus de Engelschen naar
Holland gedreven en den 20en Januari zelfs Amsterdam bezet. Ook in 't
zuiden aan de Pyreneën en in Italië hadden die jonge, maar energieke
krijgers zich tegenover de Spanjaarden en Piëmonteezen ais helden
gedragen.
Met Pruisen en met Spanje werd eindelijk vrede gesloten (5 April
en 22 Juli 1795). Ten slotte schafte de Conventie de democratische
grondwet van 1793 af--tot uitvoering was zij nog niet gekomen--en
droeg het uitvoerend bewind op aan een Directoire van vijf leden,
de wetgevende macht aan twee raden, dien der Vijfhonderd, welke de
wetten zou voordragen en dien der Ouden, welke ze moest onderzoeken
en er over beslissen. Ter voorkoming van een royalistische meerderheid
had de Conventie bepaald, dat twee derden van haar leden in de nieuwe
vertegenwoordiging zou overgaan. De in groote getale teruggekeerde
royalisten zagen hierdoor hun macht gefnuikt en begonnen een opstand
in de straten van Parijs.
Het was op den voor Bonaparte zoo gedenkwaardigen 13en Vendémiaire.