Afkomst.--Geboorte.--Jeugd.
In de Middellandsche Zee, door de straat van Bonifacio van Sardinië
gescheiden, bevindt zich een groot bergachtig eiland Corsica met
slechts enkele kleine kustplaatsen als Ajaccio en Bastia. Het was
bedekt met onafzienbare strooken bijna ondoordringbaar struikgewas,
maquis geheeten en bewoond door eene bevolking van Italiaansche en
Grieksche afkomst, die in hare zeden, gewoonten en begrippen nog heden
ten dage weinig verschilt van hetgeen ze eeuwen geleden reeds was,
waartoe de geïsoleerde ligging van het eiland in niet geringe mate
heeft meegewerkt.
Nog sterker dan op Sardinië is men daar van meening, dat de belangen
van de familie, van het geslacht, de clan, op maatschappelijk en
financieel gebied moeten gaan voor die van ieder ander en de tijd heeft
dat beginsel nog dieper doen wortel schieten. Daar heeft de vader nog
de beschikking over het leven van zijn zonen; het oppergezag berust nog
bij het hoofd van den stam, den vader, of na diens dood den oudsten
zoon; ieder lid van een familie is hoofdelijk verantwoordelijk voor
het welzijn en den voorspoed van al de anderen; elk begrip van recht,
van algemeen belang is nog ondergeschikt aan dat van de belangen van
den clan.
De volksklasse, grootendeels bestaande uit visschers en geitenhoeders,
sluit zich aan bij die familie, welke de rijkste is, den meesten
invloed bezit, of haar het beste beschermt en zij blijft deze ook
trouw, zoolang de eenmaal aangegane verbintenissen behoorlijk worden
nageleefd.
Kapitaal in klinkende munt wordt er weinig aangetroffen. Belasting,
pacht, landhuur, alles wordt in natura betaald en daarvoor dienen
de kastanjes van de bergen, de geiten uit de maquis, het vee uit
de gemeenschappelijke weide, benevens graan, olijfolie, wijn en
visch. Van geitenhaar wordt in de bergen laken geweven. Zijn er dus
levensbehoeften in overvloed, toch kent het volk geen weelde en gemak,
want daarvoor ontbreekt het noodige geld en wie dit wil verdienen,
moet het eiland verlaten en naar Italië of Frankrijk gaan.
In 1746 had Corsica zich vrij verklaard van de heerschappij der
Genueezen; een opstand was hiervan het gevolg geweest. In 1755 had
Pascal Paoli, een vrijheidlievend en schrander staatsman, zich aan
het hoofd van de beweging gesteld, daarin krachtig gesteund door de
aanzienlijke geslachten, waardoor de onafhankelijkheid van het eiland
tien jaar lang was gehandhaafd. Toen was in dezen toestand verandering
gekomen, daar Engeland Paoli zijn hulp had aangeboden, maar door het
aannemen van dezen steun ontstond onder Paoli's partij verdeeldheid,
daar velen de geheime bedoelingen van Engeland begrepen. Ook Frankrijks
minister de Choiseul doorzag die, en zond troepen naar het eiland,
zoogenaamd om de souvereiniteitsrechten van Genua te helpen handhaven,
maar inderdaad om een landing der Engelschen met kracht van wapenen
te beletten. Tevens deed Choiseul Genua ernstige bedreigingen hooren,
omdat deze republiek vele Jezuïeten, die uit Frankrijk waren verbannen,
op Corsica gastvrijheid had verleend. Zich niet krachtig genoeg
gevoelende om weerstand te bieden, opende Genua onderhandelingen en
stond in 1768 zijn rechten op Corsica aan Frankrijk af, behoudens de
vrijheid van latere terugname tegen vergoeding der gemaakte onkosten.
Door deze oplossing van het vraagstuk verrast, wendde Paoli zich thans
tegen den nieuwen vijand, doch leed in Mei 1769 bij Ponte Novo een
zoo geduchte nederlaag, dat hij met ruim driehonderd volgelingen,
die hem niet wilden verlaten, op een paar Engelsche schepen zijn
toevlucht zocht en zich naar Engeland liet overbrengen.
Tijdens zijn verzet tegen Genua was de in 1746 te Ajaccio geboren
advocaat Carlo Maria Buonaparte of Bonaparte een zijner getrouwste
aanhangers geweest. Uit Italië afkomstig en van adellijken bloede, was
hij reeds op achttienjarigen leeftijd gehuwd met de toen veertienjarige
Laetitia Ramolino, eveneens van adellijke afkomst, verwant aan het
grafelijke geslacht des Col' Alto's en reeds op dien jeugdigen leeftijd
een vermaarde schoonheid. Toen Paoli de wapenen begon te keeren
tegen Frankrijk, had Bonaparte aan dit verzet geen deel willen nemen;
hij had het eiland verlaten en was eerst naar Ajaccio teruggekeerd,
toen het Fransche gezag hier voor goed was gevestigd. (1769).
Evenals het meerendeel zijner bloedverwanten, zooals de Benielli's en
de Paravicini's, was Carlo niet met aardsche goederen gezegend, maar
hij was schrander, sluw en op 't kantje af van brutaal; hij had in één
woord zelfvertrouwen en durf. Zoodra Corsica Fransch was geworden,
had hij begrepen van hoeveel nut en voordeel zijn wetenschappelijke
ontwikkeling doch vooral zijn kennis van de Fransche taal hem kon
zijn, aangezien zoo goed als niemand op het eiland die taal machtig
was. Het nieuwe gouvernement zou hem dus noodig hebben.
Zoodra hij de kans schoon zag, was hij begonnen dit nieuwe arbeidsveld
te exploiteeren. Telkens kon men hem nu te Parijs vinden in het
voorvertrek van dezen of genen minister, beleefd en onderdanig, waar
dit pas gaf, doortastend en taai, zelfs brutaal, als 't noodig was,
maar altijd gewapend met een request en den strijd niet opgevende,
voordat hij de verlangde handteekening had verkregen.
Op die manier wist hij o. a. te bewerken, dat het gouvernement
hem concessie verleende voor den aanleg van moerbeziënperken en
kweekerijen, voor het droogleggen van de zouthoudende moerassen,
enz. Hij was hierdoor veel op reis, altijd vervuld met nieuwe plannen
tot vermeerdering van den invloed en den welvaart van zijn familie,
wier zaakwaarnemer en pleitbezorger hij was. Veel tijd om zich met
zijn gezin, dat steeds in sterkte toenam, te bemoeien, had hij niet,
maar het huishouden was bij Laetitia in goede handen. Toen hij in
1785 overleed waren er van de twaalf kinderen nog acht in leven.
Den 15en Augustus 1769 werd hem een zoon geboren, die den naam ontving
van Napoleon, terwijl een jaar te voren Jozef het levenslicht had
aanschouwd. Hoewel gezond, had Napoleon een delicaat gestel, niet te
verwonderen, als men weet, dat zijn moeder, tijdens haar zwangerschap,
door den opstand van Paoli hiertoe gedwongen, weken lang ver van
haar woning in de bergen had rondgezworven en dus menigen bangen,
slapeloozen nacht had doorgebracht.
De eerste paar jaren rustig en stil, werd de kleine wereldburger met
zijn groot hoofd weldra een ondeugend, lastig en opvliegend baasje,
koppig als een ezel en daarbij zoo vechtlustig, dat ieder het met hem
te kwaad kreeg en vooral Jozef het vaak bij hem moest ontgelden. Wel
wachtte hem dan thuis de roede, want Laetitia spaarde deze niet, doch
om een pak slag meer of minder bekreunde hij zich bitter weinig. Onder
de strafoefening gaf hij geen kik en na afloop liep hij weer weg alsof
er niets was gebeurd. Aan al die ondeugende streken paarde hij echter
een zekere ridderlijkheid, want eens werd hij gestraft met een pak
slaag en vier dagen huisarrest op water en brood, omdat hij druiven
zou gekaapt hebben, 't geen een vriendinnetje had gedaan, maar hij
verried haar niet en zijn onschuld bleek pas, toen dit meisje zich
zelf kwam aangeven.
Hoorde hij, zooals zijn moeder later heeft gezegd, tot "le plus diable"
van hare kinderen, over zijn lust tot leeren had men echter geen
reden tot klagen. Van "de nonnen" had hij een weinig lezen en tellen
geleerd en op zijn achtste jaar op een jezuïetenschool geplaatst,
maakte hij daar spoedig zulke vorderingen, dat zijn vader voor hem
in den tuin een hokje liet maken, waar hij rustig kon werken, zonder
dat hij door het spelen der kleintjes--Lucien was in 1775, Elisa
(Marianne) in 1777 geboren--werd gestoord.
Altijd vervuld met plannen voor de toekomst, handig gebruik makende
van een koninklijk besluit van 1770, waarbij alleen die Corsicanen in
den Franschen adelstand zouden worden opgenomen, wier adelbrieven van
twee eeuwen vroeger dagteekenden, steunende bovendien op zijne positie
als assessor, lid van den Raad der Twaalf Edelen en afgevaardigde
van den Corsicaanschen adel aan het hof van Versailles, wist Carlo
steeds meer gunsten te verwerven. Door zijn vriendschap met graaf
de Marbeuf, gouverneur van het eiland, werd hij o. a. geholpen aan
twee studiebeurzen, een voor Jozef en een voor Napoleon; voor rijks
rekening zouden ze in Frankrijk worden opgeleid, Jozef tot geestelijke
en Napoleon tot militair. De jongen was in de wolken van geluk;
zijn liefste wensch zou worden verwezenlijkt. Had hij reeds vroeger
elk stuk papier, elke plank en schutting volgeteekend met soldaten,
nu zou hij zelf soldaat worden, een heusche, een echte.
Op het einde van 1778 vertrok Carlo met zijn twee zoons naar Frankrijk
om te Autun, waar de Marbeufs broeder bisschop was, eerst wat beter
Fransch te leeren spreken, want ze kenden nog weinig meer dan gebroken
Italiaansch en Corsicaansch patois. Het verdriet voor de eerste maal
moeder te verlaten was niet erg groot, bovendien had Napoleon zijn
broer bij zich en nog wel Jozef, aan wien hij zich nauw verbonden
gevoelde. In April werden ze reeds gescheiden, en ging Napoleon naar de
Koninklijke Militaire School te Brienne, een instelling, waar strenge
tucht heerschte, de leiding van het onderwijs zoo goed als geheel in
handen was van een aantal, voor het meerendeel onbeschaafde, weinig
ontwikkelde geestelijken en waarop alleen kinderen van adellijke
afkomst werden toegelaten.
Jozef schreide bitter bij het afscheid van zijn broertje--och, de
dreumesen waren samen nauwelijks twintig jaar oud--doch de kleine
Napoleon vergoot geen traan; zijn gezichtje bleef strak en elke uiting
van droefheid onderdrukte hij. Toch was hij, de latere jaren hebben
dit bewezen, Jozef toen reeds meer genegen dan deze hem.
Te Brienne, waar hij ruim vijf jaar gebleven is, begon voor den
leergierigen jongen in den volsten zin des woords een nieuw leven. In
het begin werd hij gefolterd door heimwee naar zijn geboorteland,
waarover hij met niemand kon spreken, en hij voelde zich in een kring
van jongens, die hem allen vreemd en dus vijandig waren en wier taal
hij ternauwernood verstond, zeer eenzaam en ongelukkig. Hij bleef dan
ook het liefst alleen en kreeg daardoor den naam trotsch en eenzelvig
te zijn; alleen aan Bourrienne legde hij zijn hart wel eens open,
dezelfde dien hij als consul tot eerste secretaris heeft genomen en
dien hij pas heeft ontslagen, toen hij de onloochenbare bewijzen van
's mans brutale schraapzucht en oneerlijke practijken tegenover de
leveranciers voor het leger in handen had. [1]
Weldra bleek met welk een reusachtigen werklust, met welk een taaie
werkkracht die magere, kleine knaap met zijn grijze, zonderling
lichtende oogen, was bezield. Niet alle studievakken waren hem
intusschen even lief; geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde waren
zijn beste vakken en daarin maakte hij groote vorderingen, maar in
de talen bleef hij een kruk en zijn schrift was bijna onleesbaar.
In de verhouding tot zijn kameraden kwam langzamerhand ook eenige
verbetering; in den winter van 1783, terwijl de sneeuw zeer hoog lag,
werd hij door hen zelfs tot aanvoerder gekozen bij den aanval en de
verdediging van uit sneeuw gebouwde wallen en het is zijn eerste roem,
als bewoners uit Brienne naar zijn sneeuwvesting komen zien. Zijn
vrije uren bracht hij het liefst in de bibliotheek door, waar hij
zich in de studie van Plutarchus of in de lectuur van een wijsgeerig
of letterkundig werk verdiepte; vooral de daden van de Grieksche en
Romeinsche helden boeiden hem, ze prikkelden zijn eerzucht, terwijl
hij bovenal voor Leonidas en zijn volk groote bewondering had, zoodat
zijn kameraden hem de Spartaan noemden.
Door de geringe mate van ontwikkeling en kennis der leeraren en
door de slechte verdeeling der leerstof bleef zijn wetenschappelijke
opvoeding niettemin gebrekkig, die hij dan ook in zijn luitenantstijd
van meet af weer onder handen heeft moeten nemen, doch leesbaar
schrijven zonder taalfouten heeft hij zich nooit meer kunnen eigen
maken. Van het Duitsch verstond hij later slechts enkele woorden,
zelfs Italiaansch sprak hij gebrekkig en voor het Spaansch had hij
steeds een tolk noodig, terwijl hij de Grieksche en Latijnsche
klassieken alleen door eenige meestal slechte vertalingen heeft
leeren kennen. Lucien en Jozef, die een meer academische opleiding
hadden genoten, al legden ze nooit een examen af, taxeerden hem als
wetenschappelijk man dan ook volstrekt niet hoog. In hun oog was hij
en is hij gebleven een soldaat, die succes heeft gehad zonder meer.
Ongeletterd was hij dus, maar wat hij bezat van nature, wat geen
leeraar ter wereld bij machte was geweest hem aan te brengen en hetgeen
zijn neuswijze broers misten, was zijn stijl de imperatoria brevitas,
zooals Frédéric Masson dezen schrijftrant noemt; met zijn korte,
krachtige glasheldere volzinnen, die als met de etsnaald het beeld
teekenden, dat hij het leger wilde inscherpen. Dien stijl dankte hij
aan zijn genie en hierin heeft hij zelfs Caesar overtroffen.
Toen de Keralio, inspecteur-generaal van het militair onderwijs
in 1784 zag welke reusachtige vorderingen Napoleon vooral in het
laatste jaar had gemaakt, was hij hierover zoo bijzonder tevreden,
dat hij over het bezwaar van zijn te jeugdigen leeftijd heenstapte
en hem voordroeg voor de Militaire School te Parijs. "Die knaap van
vijftien jaar met zijn onderdanig karakter en zeer geregeld gedrag,
die zich door zijn kennis van de wiskunde zoo gunstig onderscheidde,
zou een uitmuntend zeeman worden," schreef hij in zijn rapport.
Zoodoende vertrok Napoleon in October 1784 met vier andere jongens
onder geleide van een pater naar Parijs. Van een plaatsing bij
de marine kwam evenwel niets; het toch reeds zeer beperkte aantal
plaatsen was reeds door eenige hoog-adellijke jongelui met protectie
ingenomen. Napoleon zou derhalve den cursus volgen voor de artillerie.
Korten tijd te voren had Jozef aan zijn vader te kennen gegeven liever
niet tot geestelijke, maar evenals zijn broer tot artillerieofficier te
worden opgeleid. Treffend is de brief, welke Napoleon naar aanleiding
daarvan aan zijn vader schreef. "Laat hij maar hier komen te Brienne
Pater; Patrault, dien u kent, heeft mij beloofd hem wiskunde te
leeren. Wat zal ik blij zijn, als ik hem in October hier zie. Dan
is dat ook weer een zorg minder voor u en Jozef zal wat in zijn
schik wezen."
Hoewel hij zijn moeder in al die jaren in 't geheel niet, zijn
vader slechts een paar maal had gezien en er wegens de zeer hooge
portkosten slechts weinig brieven werden gewisseld, was de knaap met
zijn gedachten dus nog steeds bij huis en bij de zorgen, waaronder
zijn ouders gebukt gingen, want zij waren arm en het gezin was in de
laatste jaren nog toegenomen; in 1778 werd Louis, in 1780 Pauline,
in 1782 Caroline en in 1784 Jérome geboren.
Zijn wensch betreffende Jozef zou evenwel niet worden vervuld; in
Februari 1785 stierf zijn vader, ver van huis, te Montpellier aan
maagkanker en Jozef, die toen alleen bij hem was, had beloofd naar
Ajaccio terug te keeren om daar zijn moeder tot steun te wezen. De
brieven door Napoleon in die kommervolle dagen aan zijn moeder gericht,
getuigen van zijn kinderlijke liefde en hartelijke belangstelling
in al wat er ginds geschiedde. Aan zijn oud-oom Lucien, aartsdiaken
van Ajaccio, schrijft hij o. a. "Het zal onnoodig zijn U te zeggen,
hoe ik getroffen ben geweest door het ongeluk, dat over ons is
gekomen. Wij hebben in hem een vader verloren en God weet welk een
vader hij in zijn medegevoel en gehechtheid voor ons was... Gods wil
is onveranderlijk en Hij alleen kan ons troosten..."
Intusschen werkte hij aan de Militaire School te Parijs even hard
als te Brienne. Uitgezonderd Bauer, zijn onderwijzer in 't Duitsch,
die hem een domoor vond, waren al zijn andere leeraren zeer over
hem tevreden. Vooral Laplace, de beroemde wiskunstenaar, was met
hem ingenomen; zijn leeraar in de fraaie letteren noemde hem "een
stuk graniet, in een vulkaan verhit," en de heer de l'Esquille, die
hem les gaf in de geschiedenis, schreef in zijn rapport over hem:
"Corsicaan van geboorte en karakter, zal hij het ver brengen, als de
omstandigheden hem gunstig zijn."
Den 10en October 1785, dus nauwelijks zestien jaar oud, werd
hij als de 42e op een ranglijst van 58 cadetten bevorderd tot
tweede-luitenant,--zijn brevet dagteekende echter van den 1en
September--ingedeeld bij het artillerie regiment la Fère en aangewezen
om garnizoen te houden te Valence, een stadje aan de Rhône in het
zuiden van Frankrijk. Binnen een jaar had hij met succes een examen
afgelegd, waarvoor een ander meestal drie- of viermaal zooveel tijd
noodig had.
Reeds aan de Militaire school had hij een bewijs geleverd van zijn
scherpen blik op militaire aangelegenheden. Deze school was een
koninklijke instelling, telde jongelieden van den hoogsten adel onder
haar leerlingen, waarvoor jaarlijks twee duizend francs kostgeld werd
betaald, zoodat er groote weelde heerschte. In een hervormingsontwerp,
dat hij aan den directeur, markies de Timbrune, ter beoordeeling gaf,
schreef hij o. a.: "Zou het niet beter zijn, als de cadetten zich
zelf leerden bedienen en munitiebrood tot ontbijt kregen? Zou het
geen aanbeveling verdienen, als zij hun kleeding en schoeisel zelf
leerden schoonmaken? De meesten zijn arm; de dienst wacht hen. Aan een
matigen leefregel onderworpen, zouden zij hierdoor krachtiger worden,
de weersveranderingen beter kunnen verdragen, de vermoeienissen van
den oorlog moedig doorstaan en aan hun soldaten eerbied en blinde
trouw inboezemen."
Zelf heer en meester geworden, deed hij deze beginselen terstond in
practijk brengen. Aan de school te St. Cyr bewoonden de aanstaande
officieren der infanterie b.v. gezamelijk één kamer en aten uit de
militaire keuken. De cadetten aan de cavalerieschool te St. Germain
poetsten zelf hun paard en leerden het zelf pakken, zadelen en
beslaan.--"Voordat men over soldaten bevel voert, moet men zelf eerst
soldaat worden, en al de technische onderdeelen van het vak nauwkeurig
kennen; dan wordt hierdoor het onschatbare voordeel verkregen, dat men
zijn ondergeschikten in al hun diensten nagaan en tot gehoorzaamheid
kan dwingen."
Op denzelfden grondslag van eenvoud en degelijkheid vestigde hij
later ook de meisjesscholen te St. Dénis, Ecouen en elders, bestemd
om dochters van leden van het Legioen van Eer, een orde in 1802
door hem ingesteld, een behoorlijke opvoeding te geven. Al de op die
scholen benoodigde kleedingstukken moesten door de leerlingen zelven
worden vervaardigd. Stemmig, geheel in den trant der geestelijke
zusterscholen, was het costuum. Van het bezoeken van schouwburgen
of andere publieke vermakelijkheden was geen sprake. Hij verlangde,
dat de meisjes "eerbare vrouwen en goede huishoudsters zouden worden."
Niet weinig trotsch op zijn luitenantsrang bij het wapen, spoedde hij
zich in zijn nieuwe uniform naar de familie Permon, die hij reeds
te Ajaccio had leeren kennen en die nu te Parijs woonde, maar de
ontvangst viel niet mee, want Cécile, de jongste dochter des huizes,
zei lachend, dat hij met zijn spillebeenen in die geweldig groote
modellaarzen wel wat geleek op de Gelaarsde Kat en Laure, de oudste,
die later met Junot huwde en door Napoleon tot hertogin van Abrantès
werd verheven, stemde met haar in. Toch werd hij niet boos, want
een dag of wat later zond hij haar als speelgoed een koets met een
gelaarsde kat er voor en het sprookje van Perroult ten geschenke.
Met zijn kameraad en vriend, den eveneens nieuw benoemden luitenant
des Mazis, kwam hij begin November 1785 te Valence, huurde bij juffrouw
Bou, een oude vrijster, in 't Café du Cercle naast de biljardzaal voor
acht francs per maand een kamer, zoo armoedig gemeubeld dat "zelfs een
blind paard er geen schade kon aanrichten" en hij begon hier het leven
van den onbemiddelden officier in een klein garnizoen. Door den abt de
Saint-Ruff, een kennis van de Marbeufs, werd hem echter den toegang
geopend tot de voornaamste salons en vooral mevrouw de Colombier was
zeer vriendelijk voor hem, terwijl, naar men zegt, Napoleon korten tijd
een oogje had op haar dochter Caroline. In weerwil van zijn armoede,
want van een tractement van ongeveer elfhonderd francs, vielen niet
veel kromme sprongen te maken, genoot hij in dien eersten tijd volop
van hetgeen zijn nieuwe positie hem aanbood. Hij at met zijn kameraden
aan één tafel, leerde dansen, ging veel uit, werd overal vriendelijk
ontvangen, was voorkomend en beleefd, babbelde mee over alles en nog
wat en liet een jaar later bij zijn vertrek met verlof naar Ajaccio
niets dan aangename herinneringen achter; alleen had men hem zeer
beschroomd en nu en dan zwaarmoedig gevonden.
Hoe goed hij zich later, toen hij tot grootheid en macht was gekomen,
de personen herinnerde, die zich tegenover hem welwillend hadden
betoond; hoe erkentelijk hij zelfs nog was voor ieder blijk van
genegenheid, hem in zijn jeugd geschonken, valt op te maken uit de
lange lijst van personen uit dien tijd, aan welke hij een stoffelijk,
tastbaar bewijs hiervan gaf. Noch zijn leermeesters uit Brienne,
noch die van de Militaire School te Parijs, heeft hij vergeten;
aan allen heeft hij een positie geschonken, die een aanmerkelijke
verbetering bracht in hun lot!
De weduwe van zijn weldoener de Marbeuf verleende hij een jaargeld van
15000 francs; haar zoon benoemde hij tot baron van het Keizerrijk en
kolonel van een regiment lichte cavalerie; Caroline de Colombier
schonk hij de functie van hofdame bij zijn moeder, den heer
Bressieux, met wien zij in 1792 huwde, die van administrateur bij het
boschwezen. Camilla Hari, zijn min, de vrouw van een Corsicaanschen
schipper, gaf hij rijke geschenken en deed haar tegenwoordig zijn bij
zijn kroning en zelfs op zijn sterfbed beval hij haar nog aan bij de
uitvoerders van zijn laatsten wil, opdat zij en haar kinderen toch
nimmer gebrek zouden lijden.
Aanvankelijk door ziekte verplicht tot tweemaal toe verlenging van
verlof aan te vragen, bleef hij van half September 1786 tot Juni
1788 op Corsica en keerde toen eerst naar zijn inmiddels naar Auxonne
verlegd regiment terug; alleen van October tot December 1787 was hij
tijdelijk naar Frankrijk opgeroepen met het oog op de vrees van oorlog
met Pruisen ten behoeve van Nederland.
Toen hij na een afwezigheid van zeven jaar in zijn ouderlijk huis
terugkeerde, had hij zich eensklaps omringd gezien door een troepje
broertjes en zusjes, die hij vroeger slechts kort of in 't geheel niet
had gekend. Alleen Marianne-Elisa was afwezig, door haar plaatsing
als leerlinge op de Koninklijke meisjesschool te St. Cyr; Lucien
was dertien, Louis tien, Pauline acht, Caroline zes en Jérome vier
jaar. Met dat clubje speelde en ravotte hij als een schooljongen,
die met vacantie is; vooral Paulette, zooals Pauline door hem altijd
genoemd werd, was zijn lieveling en deze kon met haar guitig, mooi
gezichtje, haar aangeboren bevalligheid en looze streken geen kwaad
bij hem doen.
Terwijl hij te Ajaccio dus eenige vergoeding vond voor de volslagen
vreugdelooze jaren zijner jeugd, met volle teugen kon genieten van het
zoolang ontbeerde familieleven, terwijl hij zelf weder half Corsicaan
werd, ontdekte hij tevens, dat kommer en zorg zijn moeder met den dag
meer terneer drukten en dat de armoede haar aangrijnsde. Met den dood
van zijn vader was de steun, die de familie zoo lang van de Fransche
gouverneurs en ambtenaren had genoten, langzamerhand verdwenen;
verleende voorrechten waren ingetrokken, contracten niet meer
nagekomen; bovendien zagen de oude, Paoli trouw gebleven aanhangers
in de Bonapartes en hun aanhang thans geen echte patriotten meer,
doch slechts francisés, zooals ze werden genoemd. Hulp was voor hen,
ook van die zijde dus niet te verwachten.
Na Carlo's dood had oom Lucien, de aartsdiaken, het beheer
der geldzaken op zich genomen, maar sinds eenige maanden leed
hij aan heftige jichtaanvallen, zoodat hij het bed niet meer kon
verlaten. Zuinig, bij het gierige af, toonde hij zijn belangstelling
in het lot zijner nicht thans nog alleen door het bijeenschrapen
en in zijn matras verstoppen van elken franc, dien hij kon machtig
worden. Wel zou Jozef de aangewezen persoon zijn geweest, om als
oudste zoon de leiding der zaken thans in handen te nemen, maar Jozef
studeerde te Pisa in de rechten en Napoleon bleef dus alleen over.
Met dezelfde ijver en toewijding, welke hij tot nu toe had aan den dag
gelegd bij al wat hij op zich nam, toog hij dus aan den arbeid, schreef
brieven en verzoekschriften, diende zijn moeder als secretaris en was
haar tolk bij al haar onderhandelingen met de Fransche regeering. In
het najaar van 1787 in Frankrijk tijdelijk terug, trok hij naar Parijs
om hier met dezelfde onverzettelijke driestheid en taaiheid, welke
zijn vader hadden gekenmerkt, voor haar te solliciteeren en toen in
Juni 1788 zijn verlof om was, verliet hij zijn moeder slechts noode
om zich te Auxonne weder aan zijn beroep te wijden. Van den jeugdigen,
overmoedigen luitenant, die de pretjes najoeg en op iedere danspartij
werd gezien, was intusschen weinig meer overgebleven. 't Geen hij
in zijn ouderlijk huis had gezien, vervulde hem met zorg; zooveel
schulden, zooveel mondjes te vullen, wat moest daarvan het einde
wezen! Reeds vroeg had hij den ernst van het leven leeren kennen;
thans had hij begrepen, dat hij, de oudste zoon bijna, de eenige, die
een bezoldigde betrekking bekleedde, al zijn krachten moest inspannen
om zijn moeder te steunen. Werken, studeeren, kennis verzamelen waren
hiertoe de middelen en wel wetende, dat aan zijn wetenschappelijke
opvoeding nog zoo goed als alles ontbrak, begon hij van meet af aan
te studeeren.
Eerst wilde hij zijn vak volkomen onder de knie hebben, want aan
de school te Parijs was hem hiervan weinig meer onderwezen dan
het infanteriereglement en de grondbeginselen van den dienst in
vestingen, zelfs het gebruik en de bediening van een kanon kende
hij niet eens. Met grooten ijver begon hij dus aan zijn verdere
ontwikkeling en uit dien tijd is de stapel geschriften afkomstig,
die hem toen reeds stempelden tot een man van studie en ernstig
nadenken. De 38 cahiers met aanteekeningen en opmerkingen van zijn
land, zijn geschiedenis van Corsica, zijn studiën over de Sorbonne,
over de bul Unigenitas, zijn Memorie over het opstellen van kanonnen
tot het verkrijgen van worpvuur, zijn kort begrip der geschiedenis van
Engeland, zijn uittreksels uit Herodotus, Buffon, Plato en anderen,
zijn aanteekeningen op Neckers economische en wetgevende theorieën en
over Rousseau's leerstellingen zijn bewijzen te over voor zijn leer-
en werklust. Geen meteoor, geen plotseling te voorschijn getreden
wondermensch is hij geweest, geen man, wien de mantel van het genie
was om de schouders geworpen zonder meer. Van 't geen hij later als
krijgs- en als staatsman, als administrateur en als bewindvoerder, in
één woord op elk gebied heeft gewrocht, heeft hij zelf in die eerste
jaren als officier den grondslag gelegd; zijn aangeboren schranderheid,
zijn genie hielpen hem verder.
Te Auxonne trok hij weldra de aandacht van generaal du Teil, directeur
der artillerieschool en hieraan had hij te danken, dat hij, hoewel
piepjong officier door dezen werd aangenomen als lid eener commissie
van proefneming, een onderscheiding, die hem zoo verheugde, dat hij
zijn oom Fesch, een halfbroeder van zijn moeder, hierover een brief
schreef (Augustus 1788), maar hetgeen de jaloezie zijner kapiteins
tegelijkertijd niet weinig opwekte.
Intusschen leefde hij zoo armoedig en voedde hij zich zoo slecht,
dat de regimentsdokter zich over hem ongerust begon te maken. Om zijn
moeder te doen gelooven, dat hij volmaakt gezond was, schreef hij
deze intusschen: "Werken en nogmaals werken is al wat ik hier tot
ontspanning kan doen. Slechts eenmaal in de acht dagen kleed ik mij
om uit te gaan. 't Is ongeloofelijk zoo weinig ik sinds mijn ziekte
slaap. Om tien uur naar kooi, ben ik om vier weder op. Eens per dag
eet ik, om drie uur. Hierbij bevind ik mij zeer wel."
Zijn gezondheidstoestand en zijn brandend verlangen naar huis deden hem
in 1789 opnieuw zes maanden verlof vragen; de slechte verbindingswegen,
de groote afstanden en de zeereis in aanmerking genomen, was een
zoo lang verlof in die dagen niets vreemds. In September te Ajaccio
gekomen, vond hij al zijn broertjes en zusjes, Elisa, die zich nog
te St. Cyr bevond, uitgezonderd, bijeen en de bevolking in gisting
door al hetgeen inmiddels te Parijs was gebeurd en door de gedachte,
dat een omwenteling, in naam der vrijheid ondernomen, ook haar van
de vreemde overheersching zou bevrijden.
Van jongsaf volbloed-republikein, door 't geen hij aan de School te
Parijs had verduurd nog in die begrippen versterkt, trouw aanhanger
der stellingen van Rousseau, wierp hij zich te Ajaccio terstond midden
in den strijd, sprak luid en levendig in de revolutionnaire clubs,
en wist te bewerken, dat er alom nationale gardes werden opgeroepen
en dat de witte cocarde werd vervangen door de driekleurige. Dit
succes eenmaal verkregen, miste hij echter het noodige kapitaal om
stemmen te werven en zijn invloed te bevestigen; de afgunst kwam in
't spel. Men werd bevreesd, dat hij en zijn bloedverwanten de families,
die op het kussen zaten, zouden verdringen. Zijn vroegere relaties met
de Marbeuf en zijn jarenlang verblijf in Frankrijk werden hem thans
tot een verwijt gemaakt; de Bonapartes heetten geen echte Corsicanen,
geen patriotten meer en van al de materieele voordeelen, welke de
nieuwe toestanden meebrachten, kwam het leeuwenaandeel aan de vrienden
van Paoli. Zoo kreeg Jozef slechts een ondergeschikt baantje van 900
francs bij het directoire van het district Ajaccio en werd oom Fesch
slechts groot-vicaris; Lucien en hij zelf kregen niets.
Toch gaf hij de hoop niet op zijn familie vooruit te helpen. Na een
ballingschap van twintig jaar teruggekeerd, was Paoli overal met
geestdrift ontvangen en letterlijk oppermachtig geworden. Napoleon
zond hem zijn te Valence geschreven "Geschiedenis van Corsica"
waarvan Mirabeau o. a. had gezegd, dat die kleine historie een genie
van den eersten rang scheen aan te kondigen en tevens zijn "Open brief
aan Matteo Buttafuoca" een gloeiend smaadschrift op dezen adellijken
landgenoot "die Paoli kort te voren in de Nationale Vergadering had
gebrandmerkt als een man, die aristocraat, democraat, noch royalist,
in staatszaken slecht was te vertrouwen en in alles arglistig te
werk ging."
Zijn verloftijd was inmiddels half October verstreken, doch hierom
bekreunde hij zich niet, want de aanbevelingsbrieven, welke hij
van het districtsbestuur van Ajaccio had weten te verkrijgen en
o. a. inhielden, dat hij tot tweemaal getracht had naar Frankrijk
terug te gaan, doch dat tegenwind dit telkens had belet, waren zoo
vleiend, dat zijn kolonel bij zijn terugkeer (Januari 1791) hiermede
volkomen tevreden was en hem aan den minister zelfs voordroeg voor
de uitbetaling van zijn traktement tot den dag van terugkomst.
In Auxonne was hij thans niet meer alleen, want Louis, toen even
dertien jaar, had hij meegebracht. "Dan had zijn moeder een zorg
minder," had hij gezegd en hij zou hem wiskunde en latijn leeren en
later ook een artillerieofficier van hem trachten te maken. [2]
Een hokje van een kamertje met een slecht bed zonder gordijnen, een
tafel, een koffer, een kast en twee stoelen vormden in de kazerne te
Auxonne het verblijf van den toekomstigen Keizer, daarnaast in een nog
schameler gemeubeld vertrekje sliep de latere koning van Holland. Zelf
kookte Napoleon zijn potje, droog brood was zijn ontbijt, maar hij
had geen centime schuld; zelf overhoorde hij Louis zijn vragen voor
de Heilige Communie; trouw vergezelde hij hem naar de mis. Overigens
vertoonde hij zich slechts zelden in het openbaar. Zijn dienst, Louis'
lessen en zijn eigen studiën namen te veel tijd in beslag om veel uit
te gaan, maar wanneer hij zich een enkele maal ten huize van kapitein
de Gassendi of van de familie Chabert vertoonde, kon hij zeker zijn
van een hartelijke ontvangst, waartoe zijn gedrag tegenover Louis
in niet geringe mate bijdroeg. Wie zijn brieven uit dien tijd over
zijn broertje leest wordt getroffen door hun liefderijken, bijna
vaderlijken toon; hij prijst hem over zijn ijver, zijn werklust, zijn
goede vormen in gezelschap, waarin hij zich zoo gemakkelijk beweegt,
hetgeen juist Napoleon zelf niet bezat, ja, hij voorspelt wonderen
van hem en schreef aan Jozef. "Hij zal de beste worden van ons vieren."
In diezelfde dagen stelde hij zijn Dialogue sur l'amour op schrift
met den voor een jong officier vrij zonderlingen uitval, dat de liefde
meer kwaad doet dan goed en schadelijk is voor de gemeenschap en het
persoonlijk belang der menschen; zelf zal hij daar later wel eens
anders over denken dan als luitenant van de artillerie.
Een kleine verbetering in zijn omstandigheden kwam door zijn benoeming
tot eerste-luitenant (Mei 1791); tevens werd hij naar Valence
teruggeplaatst. Hier betrok hij terstond zijn vroeger kwartier bij
juffrouw Bou weder; hij werd een ijverig bezoeker van de club der
vrienden van de Constitutie en zette zich aan de beantwoording eener
prijsvraag, uitgeschreven door de Academie te Lyon en tot onderwerp
hebbende: "Het bepalen der waarheden en gevoelens, den mensch in te
prenten, ter bevordering van zijn eigen geluk."
Zijn arbeid werd niet bekroond; een der beoordeelaars noemde dien een
in krasse bewoordingen uitgedrukt droombeeld; een ander vond het geheel
te slecht gesteld en geschreven, om de aandacht te verdienen. Toch
bevatte het geschrift een reeks oorspronkelijke denkbeelden en verheven
gevoelens, en teekende het den vurigen aanhanger der republikeinsche
beginselen.
Door bemiddeling van generaal du Teil, die zijn beschermer was
gebleven in weerwil van Napoleons sterk geavanceerde begrippen, kreeg
hij in October 1791 weder eenige maanden verlof. De verkiezingen
waren op handen en hij wilde zijn broeder Jozef met alle macht ter
zijde staan om een goed bezoldigde staatsbetrekking--het doelwit
van elken rechtgeaarden Corsicaan--te veroveren. Door den dood
van oom Lucien, 16 October, was het kleine kapitaal, dat de man
door jarenlange spaarzaamheid had bijeengeschraapt, aan de kinderen
gekomen; er was dus geld om stemmen te koopen en helpers te werven;
in de woning van moeder Laetitia stroomde de wijn, de gansche familie
der Bonapartes kwam in 't geweer en door een daad van geweld, die in
een goed geordenden staat als volkomen onwettig zou zijn beschouwd,
doch die op Corsica gold voor een wonder van handigheid en durf,
wist Bonaparte zich te doen verkiezen tot luitenant-kolonel van
een der nieuw opgerichte bataljons vrijwillige nationale garde, op
een tractement gelijkstaande aan dat van kapitein bij zijn wapen,
honderd twee en zestig francs in de maand.
Wat een overwinning op de tegenpartij, die Pozzo di Borgo gekozen
had willen zien, wat een blijdschap in de woning der weduwe! Dat
Bonaparte die betrekking aanvaardde, was geheel in overeenstemming
met den inhoud eener wet, waarbij de officieren van het staande leger
hiertoe werden gemachtigd.
Nu begon Paoli weder met de Bonapartes te rekenen. Wel had hij over
Napoleons open brief aan Matteo Buttofuoco zijn afkeuring te kennen
gegeven en hem bronnen geweigerd voor zijn geschiedenis van Corsica,
maar in dien toestand was verandering gekomen, want Paoli begreep voor
zijn plannen de Bonapartes noodig te hebben. Na jarenlang verblijf
in Engeland met zijn parlementaire staatsinrichting had Paoli een
afkeer gekregen van de in Frankrijk heerschende toestanden en, hoewel
hij zijn plannen nog verborgen hield, streefde hij naar Corsica's
onafhankelijkheid, hetgeen Napoleon reeds had begrepen.
Onder deze omstandigheden was het verklaarbaar, dat Napoleon niet
veel lust had naar zijn standplaats terug te keeren, toen zijn
verlof ten einde liep en onder voorwendsel van zijn benoeming tot
luitenant-kolonel, bleef hij te Ajaccio. Toch begreep Napoleon, die wel
wist, dat zijn onmiddellijke chef, zijn kolonel, hem volstrekt niet
genegen was, dat hij gevaarlijk spel speelde en daarom zond hij een
langen brief aan zijn vriend, den Commissaris van Oorlog te Valence en
zette hem den stand van zaken uiteen. "Heiliger en dierbaarder plichten
dan die van den dienst strekken tot mijn rechtvaardiging en maken,
dat ik geen zelfverwijt gevoel," schreef hij o. a. en later nog weder:
"Onder zulke bedenkelijke omstandigheden behoort een goed Corsicaan
zich op zijn eerepost, dus in zijn land te bevinden."
Men leefde onder abnormale omstandigheden. De regeering te Parijs zag
dat stoutmoedig optreden van den Corsicaanschen artillerieofficier,
die zijn opleiding geheel aan Frankrijk had te danken, Fransch sprak en
op zijn eiland voor haar dus van groot nut kon wezen, waarschijnlijk
niet ongaarne, doch zijn kolonel dacht er anders over en deed hem
schrappen van de lijst der actief dienende officieren; Napoleon had
zijn betrekking verloren.
Bovendien was in April te Ajaccio een oproer uitgebroken, waarbij
niet alleen bloed had gevloeid, doch waarbij Napoleon een zeer
vreemdsoortige rol had vervuld en dit verergerde zijn toestand nog;
hij werd daarom naar Parijs geroepen om zich te verantwoorden.
Inmiddels was hij tot kapitein benoemd en in dien rang bleef
hij gehandhaafd, terwijl het hem niet zooveel moeite kostte zijn
houding bij het oproer te rechtvaardigen; ook voor het eigendunkelijk
wegblijven van zijn regiment werd een oog dichtgeknepen. Al was hij in
zijn rang gehandhaafd toch gelukte het hem niet in de eerstvolgende
maanden een plaats bij de artillerie te herkrijgen en zien we hem
van Mei tot September 1792 doelloos en arm te Parijs. Wel woonde
hier de familie Permon nog; wel vond hij zijn vriend de Bourrienne,
die intusschen gehuwd was, terug, maar zijn trots en zijn neiging tot
alleen zijn, beletten hem veel gebruik te maken van de gastvrijheid,
welke beiden hem aanboden. Eenige malen ging hij Elisa bezoeken te
St. Cyr; voorts leefde hij veel op straat, vervuld met de vraag
wat hij, op Corsica teruggekeerd, doen zou, een aanhanger worden
van Paoli en dan met de Engelschen heulen, of Frankrijk getrouw
blijven. Dat ijdelheid, eerzucht en gouddorst bij de meeste menschen
ook te Parijs de drijfveeren hunner daden waren, was hem niet lang
verborgen gebleven; doch te Parijs was het strijdperk ruimer; de kans
van slagen dus grooter. Bovendien bezat Frankrijk een leger, hier zou
hij dus echte soldaten te commandeeren krijgen, terwijl op Corsica
hoogstens eenige vrijwilligers onder zijne bevelen zouden staan.
In de Juni- en Augustusdagen van 1792 woonde hij te Parijs tooneelen
bij, die hij nimmer zou vergeten en hem een grooten afschuw van de
anarchie deden krijgen; op de journée van den 20 Juni volgde hij de
menigte en verbaasde zich er over, dat men het volk de Tuilerieën
had laten binnengaan; hoe gaarne zou hij toen artillerie tot zijne
beschikking hebben gehad. Op gevaar af van zelf te worden gevangen
genomen sprong hij den 8en Augustus bij den heer Permon zelfs
ridderlijk in de bres, toen een troep kerels, onder leiding van een
lid van het comité der sectie, waarin de woning van dezen heer lag,
zonder lastgeving een huiszoeking wilden doen.
Hoe hij over den toestand dacht, toonde hij in een brief aan
Jozef. "Een ieder zoekt zijn voordeel; laaghartiger dan ooit wordt
er geïntrigeerd en lasteren is een der middelen om op het kussen te
komen. Die hier aan 't hoofd staan zijn povere kerels; wie dat gedoe
van nabij bekijkt, moet bekennen, dat de volkeren slechts half de
moeite waard zijn, om hun gunst te verwerven. De geschiedenis van
Ajaccio ken je; die van Parijs is precies dezelfde; alleen zijn de
menschen hier misschien nog kleinzieliger en boosaardiger en zijn ze
nog grootere bedillers en vitters dan daar.."
Voorts schreef hij aan Lucien, die ook in de politiek was getreden
en op zijn zeventiende jaar reeds in de volksvergadering te Ajaccio
stond te wauwelen en een proclamatie tot de Corsicanen had gericht,
"dat zijn stuk een prul was met woorden te veel en ideeën te weinig
en dat men met hoogdravenden bombast bij het volk niet moest aankomen."
Maar nadat hij den 10en Augustus heeft bijgewoond, die bergen lijken in
de straten, die stapels doode Zwitsers voor de Tuilerieën heeft gezien,
als trouwe soldaten gevallen bij de verdediging van het paleis van
hun Koning; nadat hij tot de ontdekking is gekomen hoe geweldig de
dierlijkste hartstochten bij het volk der hoofdstad zijn ontketend,
bevangt hem bange bezorgdheid voor het leven zijner familie, want
ook op Corsica is het oproer.
Een paar dagen later komt het decreet, dat de school te St Cyr
wordt gesloten, dat de leerlingen zijn ontslagen en onder het
genot van reiskosten--20 sou per uur--naar haar woonplaats kunnen
terugkeeren. Geen bruidschat dus van drieduizend francs, geen uitzet
heeft Elisa meer te wachten en zij is al vijftien jaar.
In de eerste dagen van September grijpen te Parijs moordtooneelen
plaats, die in afschuwelijkheid al het tot nu toe gebeurde overtreffen;
en nog altoos heeft Napoleon zijn aanstelling niet en laat het
departement van oorlog bedolven onder stapels gewichtiger werk, hem
wachten. Waar moet hij met het meisje heen! Bij zich houden kan hij
haar niet.
Eindelijk wordt het lang verwachte brevet hem uitgereikt; nu vraagt
hij verlof zijn zuster naar Ajaccio terug te geleiden. Dit wordt
hem toegestaan; ook ontvangt hij de machtiging het bevel over zijn
bataljon nationale vrijwilligers weder op zich te nemen.
't Werd een reis met hindernissen; van Lyon moest ze per schip, de
Rhône af, worden voortgezet. Te Marseille was geen scheepsgelegenheid
en wachten dus de boodschap; maar eindelijk (October) werd Ajaccio
toch bereikt, en voor de eerste maal in dertien jaar zag Laetitia al
haar kinderen bijeen. Wel heerschte er vreugde, doch de toekomst was
donker. Jozef was niet verkozen tot afgevaardigde naar Parijs. Liever
lui dan moe, prat op zijn rechten als hoofd der familie, aangenaam
geprikkeld als de broertjes hem "graaf" noemden, daarbij tamelijk
onwetend, was hij blijkbaar niet in den smaak der kiezers gevallen.
Wederom had Napoleon over Paoli's ontvangst niet te klagen, doch hij
zelf was koel en geretireerd; reeds had hij een keuze gedaan. In hem
zou de oude demagoog geen partijgenoot vinden. In dit besluit werd
hij nog versterkt na terugkomst van een expeditie naar het eiland
Sardinië, welks vorst, de Koning van Savoije, met de Fransche Republiek
in oorlog was (28 Februari 1793).
Overtuigender dan ooit was hem op dezen totaal mislukten tocht,
waarbij hij de artillerie gecommandeerd had, gebleken, dat Paoli
heulde met de Engelschen en verraad pleegde.
Toch had deze bijna ongelooflijke toestand, waaraan Frankrijk alleen
door het zenden eener troepenmacht een einde had kunnen maken, nog
lang kunnen voortduren, wanneer Lucien door een dollen zet de bom
niet had doen barsten.
Vol eigenwaan, oordeelende over menschen en zaken, alsof hij een
ervaren man was, het hoofd vol stopwoorden en holle phrasen, die hij
met veel aplomb debiteerde en die zijn onwetende omgeving en vooral
zijn vrouwelijke familieleden in hem een ster van de eerste grootte,
een genie, deden zien, had deze mislukte leerling van Brienne en van
het gymnasium te Aix op zijn vijftiende jaar de studie er aan gegeven,
omdat er voor hem geen beurs meer beschikbaar was.
Hij was toen thuisgekomen en begonnen met het volkladden van stapels
papier en de politiek was alles voor hem, waarin hij dan ook spoedig
een heel heer meende te wezen. Bij Paoli was het hem mislukt diens
secretaris te worden, maar omdat hij vloeiend Italiaansch en Fransch
sprak, goed zijn woordje kon doen en een gunstigen indruk maakte, was
hij door den Franschen gezant de Sémonville bij diens komst te Ajaccio
als tolk gekozen en met dezen was hij later naar Toulon gereisd.
Nauwelijks hier, was hij naar zijn politieke club geloopen en had
daar een krachtige speech afgestoken tegen Paoli, hem beticht
van landverraad en tevens een adres opgesteld aan de Nationale
Conventie. Deze ontving dat juist in de dagen, toen het verraad van
Dumouriez ook bekend werd. (April)
"Ik heb onze vijanden een beslissenden stoot toegebracht. Daarop hadt
jelui niet gerekend" schreef hij aan zijn broers. Maar op hetgeen
thans volgde had hij zeker niet gerekend.
Opgeroepen voor de rechtbank te verschijnen op last der Nationale
Conventie, wierp Paoli het masker af, beval de inhechtenisneming der
gansche familie Bonaparte en legde beslag op haar eigendommen. Terwijl
Lucien kalmpjes te Toulon zat, zag zijn moeder haar huis dus plunderen
en in vlammen opgaan, konden Jozef en Napoleon ternauwernood het
leven er afbrengen en achtten zich allen gelukkig, toen ze na dagen
lang omzwerven onder de hoede van eenige hun trouw gebleven herders
en bergbewoners aan boord konden komen van een Fransch schip, dat
voor de bezetting van Calvi te Toulon munitie zou gaan halen.
Geld, papieren, brieven, eigendomsbewijzen, alles was met één slag
verloren. Laetitia was straatarm geworden en 't was wel zeer hard
voor haar na vier en twintig jaar in vrede geleefd te hebben nu
alles verstrooid en verwoest te weten, maar als echte Corsicaansche
toonde ze haar rouw aan de buitenwereld niet, bleef kalm en bedaard
en schonk haar achttienjarigen zoon, die haar dit alles berokkend had,
volkomen vergiffenis.
Eerst te Toulon, later als het ook hier niet meer veilig is, in
een aangrenzend gehucht, zocht ze een onderdak en leefde in de
eerstvolgende drie maanden met haar kroost uitsluitend van rations
levensmiddelen, die haar als vluchtelinge door de Nationale Conventie
werden verstrekt en van hetgeen Napoleon, die terstond naar Nizza
was vertrokken, van zijn traktement als kapitein der artillerie kon
missen. Meer dan de helft stond de zoon haar af.
Napoleon was het meegeloopen, want door generaal du Teil, die te Nizza
commandeerde, was hij terstond belast geworden met de bewapening
der kustbatterijen aldaar, later met het transport van munitie
daarheen. Zijn achterstallig tractement, ongeveer drie duizend francs,
zou hem worden uitbetaald, terwijl hij door een vriend te Ajaccio
weder in het bezit kwam van eenig nog te vorderen geld en van een
deel van zijn goed.
Bij dit alles was hij een heftig republikein gebleven, hetgeen
o.a. bleek uit zijn Souper de Beaucaire, een later voor rijks rekening
in druk verschenen vlugschrift, waarin hij o.a. de onmacht van den
federalistischen opstand aantoont en de Marseillanen aanraadt weder
één te worden met de Conventie.
Ook Jozef had intusschen niet stilgezeten; terstond was hij naar
Parijs vertrokken en had hier van de Conventie gedaan gekregen, dat
een bedrag van 600.000 francs ter beschikking werd gesteld van de
uitgeweken Corsicaansche families. Door den afgevaardigde Saliceti,
uit Bastia afkomstig en een vriend van den huize, waarschijnlijk
hierin gesteund, had hij tevens kunnen zorgen, dat het aandeel der
Bonapartes hierin niet het kleinste was.