Bij Toulon en te Parijs.
Door zijn onbesuisden streek te Toulon wel geducht gecompromitteerd,
doch niet ontmoedigd, richtte Lucien tal van adressen rechtstreeks
aan de Conventie en kreeg daardoor eindelijk een baantje van
twaalf honderd francs als magazijnbewaarder te Saint-Maximin; hij
begon hier de bevolking terstond recht te zetten en werd er door de
volksvergadering tot president van het revolutionnaire comité gekozen
in welke hoedanigheid hij een twintigtal eerwaardige burgers zonder
proces liet gevangen zetten. Ook nam hij den naam aan van Brutus en
herdoopte, door Barras hierin geholpen, Saint-Maximin in Marathon,
terwijl hij in Mei 1794 op al dit ultra-republikeinsche gedoe de
kroon zette door een huwelijk met Catharine Boyer, de zuster van den
herbergier, bij wien hij inwoonde, een meisje twee jaar ouder dan hij,
dat lezen kon noch schrijven, doch dat haar negentienjarigen man met
haar fluweelzachte zwarte oogen en haar ongemeen schrander kopje tot
aan haar dood heeft weten te boeien.
Niemand van de familie was bij het huwelijk van Brutus Bonaparte
tegenwoordig en vanaf dit oogenblik zien we Lucien meer op zich
zelf staan.
Louis had Paul en Virginie van Bernardin de Saint Pierre inmiddels
onder handen genomen en dezen beroemden natuurkundige daarop stoutweg
de vraag gesteld, wat er in dit boek waarheid, wat verdichtsel was. Wat
driestheid aangaat waren de broeders dus aan elkaar gewaagd.
Jozef liep het geluk mee. Aanvankelijk aangewezen om in het gevolg
van Saliceti mee te werken bij een krijgstocht tegen Corsica,
die van Toulon zou scheep gaan, doch door een opstand in deze stad
hierin verhinderd, was Jozef in de eerste dagen van September door de
representanten der Conventie dus door Saliceti benoemd tot commissaris
van Oorlog 1e klasse op een tractement van zesduizend francs benevens
rations, vrij logies en bureaukosten.
Toen Laetitia in September besloot met haar jongste kinderen voor
alle zekerheid in Marseille, dat in handen der republikeinen was, een
veiliger verblijf te zoeken, waren de toestanden voor haar dus reeds
aanmerkelijk verbeterd. Haar drie oudste zoons hadden een betrekking
en zij zelve werd door de Conventie van het noodige voorzien.
Opnieuw was het Saliceti, de landgenoot en vriend, die op het lot der
familie invloed uitoefende. Dommartin, de commandant der artillerie
van generaal Carteaux, die van Marseille oprukte tegen het sterke
Toulon was bij Ollioules gekwetst en Saliceti wees Napoleon aan als
zijn plaatsvervanger. Op Corsica had hij zijn talenten reeds leeren
kennen als inspecteur van de artillerie; het vlugschrift Le Souper de
Beaucaire had voldoende bewezen, dat Napoleon een republikein was in
merg en been en een ander knap artillerieofficier was niet dadelijk
bij de hand.
Den 12en September kwam Napoleon voor het door Engelschen, Spanjaarden,
Napolitanen en Piëmonteezen verdedigde Toulon. Hier viel nog zoo
goed als alles te doen. Terwijl de belegerden de batterijen, welke de
binnenreede moesten beschermen en het fort de l' Eguilette, gelegen op
een kaap aan den ingang dezer reede, zoo geducht hadden versterkt, dat
het geheel Klein-Gibraltar werd geheeten, had Carteaux, een onbekwaam
man, letterlijk nog geen schop in den grond laten steken. Toen de
representant Gasparin hem vroeg naar zijn aanvalsplan, antwoordde hij:
de artilleriecommandant schiet de stad drie dagen lang plat; dan kom
ik met drie colonnes en neem haar met storm. Dit plan was echter meer
grappig dan uitvoerbaar en gelukkig werd hij weldra vervangen door
Generaal Dugommier, die tot opperbevelhebber werd benoemd, terwijl
op verzoek van Bonaparte tevens een artilleriechef werd aangewezen
n.l. generaal du Teil, waardoor de zeer onwetende officieren van den
staf werden gedwongen hun aanmatigenden toon tegenover Napoleon wat
te temperen.
Toen du Teil kwam, was het voornaamste werk, dat der voorbereiding
reeds verricht en Bonaparte inmiddels op den 29en September voorloopig
tot Bataljonschef bij de Artillerie benoemd, in welken rang hij den
19en October werd bevestigd. Thans redelijk gesteund, toog hij met
verdubbelde kracht aan het werk; nu reeds bleek hoe het voeren van
het bevel hem letterlijk was aangeboren en hoe hij de kunst verstond
zijn minderen door woord en daad voor zich in te nemen. Hoewel hij
den afgevaardigde Gasparin steeds heeft voorgesteld als de man,
die hem zijn loopbaan als artillerist geopend en hem met zijn gezag
gesteund heeft, bewees hij toen reeds welk een volbloed soldaat er
in hem stak. Steeds in het vuur, slapende bij zijn kanonnen, bij elk
gevecht vooraan, paarde hij aan het gezag zijner meerdere kennis de
in den krijg alles overweldigende macht van het voorbeeld.
Als op zekeren dag in een onder heftig vuur liggende batterij een
artillerist naast zijn stuk wordt doodgeschoten, grijpt hij zelf den
aanzetter uit de hand van den doode en helpt den vuurmond bedienen,
tot hij wordt afgelost; als de Engelsche generaal O'Hara, gouverneur
van Toulon, een uitval beproeft is hij het, die onopgemerkt aan de
spits van een bataljon door de loopgraven nadert en die uitval zoo
krachtig helpt afweren. O'Hara zelf wordt letterlijk tusschen zijn
eigen soldaten gevangen genomen. Den naam van de Batterij der Mannen
zonder Vrees geeft hij aan een stelling, die onder zwaar vuur ligt en
haar verliezen dagelijks ziet stijgen, maar die nooit artilleristen
te kort komt, want daar willen al de artilleristen dienen, omdat hij
zelf het vuur leidt. Enkele paarden werden voor Toulon onder zijn
lijf doodgeschoten en voor de eerste maal werd hij gewond door een
bajonet van een Engelschman.
Hier had Napoleon de gelegenheid de kalmte en onverschrokkenheid van
Junot, toen sergeant bij een bataljon van de Côte d'Or op te merken
bij het springen van een granaat, waardoor het vel papier, dat Junot
voor zich had, met zand werd overdekt, maar hetgeen hem in het minst
niet deed opschrikken. Later werd Junot tot luitenant bevorderd en
nam Napoleon hem tot zijn adjudant.
Had Dugommier in zijn bulletin van den 1en December onder meer ook
Bonaparte genoemd, die hem vooral bij den uitval van O'Hara krachtig
had terzijde gestaan, meer lof oogstte hij in van den generaal du Teil,
zijn onmiddellijken chef; deze schreef aan den Minister van Oorlog:
"Ik kan geen woorden genoeg vinden om U de verdiensten van Bonaparte te
schetsen. Evenveel zakenkennis als schranderheid bezit hij, doch hij is
te vermetel. Ziedaar een flauw beeld van dezen zeldzamen officier. Aan
U, Minister, de taak hem te verbinden aan den dienst der Republiek."
Klein-Gibraltar eindelijk genomen en de verdere verdediging van Toulon
zoodoende onmogelijk geworden (18 December) stak de commandant der
Engelsche troepen de Fransche oorlogsvloot (ruim 50 vaartuigen)
en het arsenaal in brand, ging aan boord van zijn eigen schepen,
zeilde weg en liet de bevolking verder aan haar lot over. Toen
de stad was genomen, maakte de afgevaardigde Barras kort recht en
werden vele verdedigers dood geschoten; zoo wilde het de Conventie,
want alle verraders moesten worden uitgeroeid. Wel had de Republiek
een zware slag getroffen, daar bijna de geheele vloot in vlammen was
opgegaan, maar toch was de vreugde groot, want Toulon verlatende,
hadden de Engelschen hun steunpunt in het Zuiden des lands verloren.
Reeds door de vertegenwoordigers voorloopig tot generaal
brigadecommandant benoemd, zag Napoleon zich in de eerste dagen
van Januari 1794 door het Comité de Salut Public in zijn nieuwen
rang bevestigd en werd hij tevens belast met het bevel over de
artillerie bij het leger van Italië en met de bewapening van de
kust. Twaalf duizend francs tractement met vivres, vrij logies en
emolumenten was een schat van belang. Hij zelf dacht niet eens aan
dat geld, Laetitia zooveel te meer, doch ook zij bleef ondanks dezen
onverwachten voorspoed uiterst zuinig en spoelde b.v. zelve haar
waschgoed in de beek voor haar huis nabij Antibes, waarheen haar
zoon in 't voorjaar zijn hoofdkwartier verlegde en waar zij hem met
de kleintjes gevolgd was.
De zorg voor Louis had hij terstond weder op zich genomen, toen
de knaap uit angst voor 't geen hij te Lyon gezien had niet had
durven doorreizen naar Châlons-sur-Saône om hier de lessen aan
de artillerieschool te volgen; zelfs had hij hem benoemd tot zijn
adjudant en hem den luitenantsrang geschonken bij een afdeeling
vrijwillige artillerie, waarover hij had te bevelen.
In die dagen maakte hij ook nader kennis met de jongste Robespierre,
die met Ricord als vertegenwoordiger der Conventie bij het leger van
Italië was geplaatst, Napoleon voor Toulon reeds aan het werk had
gezien en thans een door Bonaparte uitgewerkt en door den krijgsraad
goedgekeurd veldtochtsplan tegen de Oostenrijkers deed uitvoeren. Het
succes was groot, maar Bonaparte zelf had er niet veel eer van; in
het rapport dienaangaande kwam zijn naam zelfs niet voor. Was hij op
Robespierre's voorstel ingegaan, dan had hij toen in de plaats van
Henriot het commando kunnen krijgen over de nationale garde te Parijs,
doch het vooruitzicht chef te worden over een bende halfgewapende,
slecht gedisciplineerde burgers, trok hem, den volbloed soldaat,
niet aan; hij bedankte dus voor de eer, bleef in het Zuiden en keerde
tegen den zomer naar Nizza terug.
Jozef had inmiddels weder een bewijs gegeven van zijn "handigheid
in zaken" en had te Marseille kennis gemaakt met de oudste dochter
van den in Januari 1794 overleden koopman Clary. Mooi was ze niet,
die Marie-Julie, jong evenmin, maar vroom en milddadig, in den
intiemen kring gevat, geestig en--zeer rijk, want 150.000 francs,
haar bruidschat, belegd in nationale goederen, was bij den lagen
koers der assignaten in die dagen een groot fortuin. Op haar beurt
zag de familie Clary een verbintenis met een heer van adellijke
afkomst, met goede manieren en een gunstig uiterlijk niet ongaarne;
bovendien was Jozefs broer een generaal, die bij de Conventie hoog
stond aangeschreven en dit was vooral in dien tijd een niet gering
te schatten voordeel, want vele rijke kooplieden in Marseille waren
reeds gevallen, de gevangenissen met "verdachten" overvol en nog
dagelijks hadden arrestaties plaats, terwijl de opgelegde boetes vaak
tienduizenden francs beliepen.
Moeder Laetitia en haar dochters waren met het nieuwe familielid,
dat zoo rijk was en zoo bescheiden zeer ingenomen en den 1en Augustus
1794 werd het huwelijk dus voltrokken en voelde Jozef zich nog meer
dan vroeger als oudste het hoofd der familie; wel gaven Louis en
Pauline altijd aan Napoleon de voorkeur, maar het was toch steeds
Jozef, die ten slotte besliste, terwijl Lucien en Marianne alleen
van hem raad aannamen.
Niet zoo geheel ten onrechte vond de familie Bonaparte de
generaalsbetrekking van Napoleon in die dagen nog al precair en al
stond hij thans in hoog aanzien, de eigenaardige toestand in Frankrijk
gaf niet zooveel waarborgen, dat men van zijn hooge functie steeds
zeker was.
Zonder dat hiervan in het zuiden toen nog iets bekend was, hadden te
Parijs inmiddels groote gebeurtenissen plaats gegrepen, die we vroeger
beschreven. Het Schrikbewind was den 9en Termidor gevallen, aan het
rijk van Robespierre was een einde gekomen. Nauwelijks was hiervan
de tijding doorgedrongen tot de representanten Albitte en Laporte,
die zoowel over het Alpenleger als over dat van Italië het toezicht
uitoefenden en Bonaparte toch reeds een kwaad hart toedroegen, of deze
werd beschuldigd van landverraad en op hun last gevangen genomen. Hij
had op intiemen voet verkeerd met de jonge Robespierre en Ricord;
door hen was hij belast geworden met een geheime zending naar Genua
en hier zou hem door den vijand een millioen francs zijn beloofd,
bij elkander genomen, misdaden genoeg om een generaal in die dagen
naar het schavot te helpen. Laetitia had gelijk gehad toen zij de
positie van Jozef met het fortuin zijner vrouw achter zich, heel wat
meer soliede noemde dan die van haar tweeden zoon, al had deze nog
zooveel roem en eer behaald. Nu was hij gekerkerd.
Het krachtige protest, waarmede Bonaparte tegen deze behandeling
opkwam, baatte hem niets. Hij had in zijn veldtochtsplannen met de
waardigheid der representanten niet de minste rekening gehouden;
hij had hun bevoegdheid tot oordeelen over militaire aangelegenheden
niet erkend, geen acht geslagen op hun persoonlijke belangen, bij
veel van die volstrekt niet onbaatzuchtige representanten een zaak
van groot gewicht en hij was dus in zekeren zin hun persoonlijke
vijand geworden. Toen een ernstig onderzoek zijner papieren tot niets
leidde en hij zich omtrent die bevolen reis naar Genua volkomen had
kunnen verantwoorden, waren de representanten wel verplicht den man
voorloopig weder los te laten, "dien zij na de terechtstelling van
den samenzweerder Robespierre als maatregel van algemeene veiligheid
hadden doen gevangen nemen, maar die, zijn locale en militaire kennis
in aanmerking genomen, voor de Republiek van nut kon wezen."
Na dit bijna veertiendaagsch verblijf in den kerker had Bonaparte
blijkbaar spoedig het vertrouwen herwonnen, want half September reeds
werd hij door Saliceti, die bij zijn gevangenneming een vreemde rol
had gespeeld, belast met de voorbereiding eener nieuwe expeditie naar
Corsica, dat nog altijd in Engelsche handen was. Van deze gelegenheid
maakte hij terstond gebruik om Jozef te belasten met de goed betaalde
functie van inspecteur over de hospitalen te Toulon.
De expeditie zelve mislukte echter geheel, want tegen de Engelsche
marine waren de onervaren Fransche zeeofficieren met hun dappere,
doch tuchtelooze schepelingen niet opgewassen. Half Maart 1795 kwam
het bevel de landingstroepen weder te ontschepen en Napoleon had
dus een half jaar tevergeefs rusteloos gearbeid. Na een kortstondig
verblijf te Marseille bij zijn moeder, vertrok hij naar Parijs. Door
een wijziging in de indeeling der legers, die o.a. aan twintig divisie-
en acht en vijftig brigade-generaals de nonactiviteit had gebracht,
was ook hij van zijn commando ontheven en "zijn verdienste en zijn
deugdelijke kennis in aanmerking genomen," als brigadegeneraal
ingedeeld bij het leger in de Vendée, een regeling, waartegen de
toen zes en twintig jarige opperofficier in redelijkheid niets kon
aanvoeren, want hij bleef als chef gehandhaafd en werd niet gesteld
onder de bevelen van een ander.
Veel haast om zijn bestemming te bereiken maakte hij intusschen
niet; hij nam Junot benevens den kapitein der artillerie Marmont als
adjudanten mede, bleef zelfs eenige dagen te Châtillon bij den vader
van Marmont logeeren, gaf Louis, dien hij weder tot zich had genomen,
tegelijkertijd nog dagelijks les in wiskunde met het plan hem op de
militaire school van Châlons te plaatsen, als hij geen brevet van
luitenant der artillerie voor hem machtig kon worden. Eindelijk te
Parijs gekomen, vond hij de toestanden hier geheel gewijzigd.
Enkele dagen te voren was een opstand uitgebroken in de hoofdstad
onder de uiterste Jacobijnen, de zittingzaal der Conventie was
men binnengestormd, bloed had gevloeid en een nieuwe periode van
ellende en doodsangst had gedreigd, maar ten slotte hadden de
gematigden en het goedgezinde deel der burgerij de zege behaald
en de rust was hersteld. Het gevolg hiervan was geweest, dat eene
heftige vervolging was begonnen tegen al wat met Robespierre en de
Jacobijnen in betrekking had gestaan; generaal Menou was benoemd tot
commandant der gewapende macht te Parijs, terwijl het beheer over de
legerzaken o.a. aan een oud-girondijn, den kapitein der artillerie
Aubry was opgedragen; bovendien waren de invloedrijke kennissen van
Bonaparte als Saliceti, Barras, Ricord en Fréron òf verbannen òf onder
toezicht gesteld. Weldra zou hij nogmaals ondervinden hoe gevaarlijk
zijn vroegere vertrouwelijkheid met de Jacobijnsche partijhoofden was
geweest; reeds enkele dagen later ontving hij bericht, dat hij bij het
leger in de Vendée was ingedeeld, niet als generaal der artillerie,
doch als commandant eener brigade infanterie.
Wat was dat! Hij de volbloed-artillerist, met zijn vooroordeel
tegen de officieren van andere wapens, geplaatst bij de infanterie,
gedegradeerd dus! Dit was te veel! Hij liep naar Aubry, vorderde zijn
vroeger commando terug, doch ontving een weigerend antwoord. "Hij
was nog veel te jong voor zulk een positie," zei Aubry, jaloersch op
het succes van zijn wapenbroeder. "Op het slagveld gaat die jeugd
snel voorbij en van het slagveld kom ik, gaf Bonaparte den ander,
die nog nooit kruitdamp had geroken, ten antwoord; zijn protest hielp
hem niet, het besluit bleef gehandhaafd. Om den schijn te redden zond
Bonaparte zijn paarden en bagage vooruit naar Nantes, maar meldde zich
tevens ziek en bleef te Parijs. Ziek was hij werkelijk in den zomer
van 1795, zielsziek, al was daarvan in zijn brieven aan Jozef "zijn
eenigen vriend," zooals hij hem toen steeds betitelde, niet zooveel te
bespeuren. Met een ouden, diep in de oogen gedrukten hoed op, gedoken
in de later zoo vermaard geworden grijze jas, met scheef geloopen
vuile laarzen aan, met bloote slecht verzorgde handen en het lange
haar in twee tressen oreilles de chien langs de ooren afhangende, een
echt beeld van armoede en verwaarloozing, sloop hij langs de straten.
Zijn moedeloosheid vooral betreffende zijn toekomst als officier
bleek duidelijk uit een brief aan Jozef, aan wien hij schreef: "Aan
het leven hecht ik zeer weinig; zonder bezorgdheid sla ik het gade;
ik verkeer voortdurend in den zielstoestand van den soldaat aan den
vooravond van een veldslag. Innig overtuigd, dat wanneer de dood om
ons heen waart om aan alles eensklaps een einde te maken, bekommerd
zijn een dwaasheid is, doet alles mij het noodlot trotseeren. Houdt
die toestand aan, dan zal het slot wezen, dat ik voor een naderend
rijtuig niet eens meer uit den weg ga."
Een enkele maal vertoonde hij zich bij de familie Permon en bij
zijn ouden schoolmakker de Bourrienne, maar in zijn droefgeestigen
toestand bracht zulk een bezoek geen verbetering. In die dagen rees
weder de gedachte bij hem op, om dienst te gaan nemen in Turkije bij
de artillerie van den Grooten Heer, die zijn leger wilde organiseeren
en om officieren had verzocht; dan zou hij niet bij de toen nog zoo
geminachte infanterie [7] behoeven te dienen, want hij zou er als
generaal van de artillerie heengaan en wilde Jozef tevens meenemen,
die, geschrapt van de lijst voor oorlogscommissaris, naar Marseille
en daarop met vrouw en schoonzuster naar Genua was gegaan.
Ook liep hij met huwelijksplannen rond; als hij eens in het huwelijk
trad met Désirée Clary, de schoonzuster van Jozef, "dien gelukkigen
schelm," zooals hij zijn broer had genoemd, toen hij van diens
verbintenis met Julie had vernomen.
Jozef en Julie hadden zulk een huwelijk niet ongaarne gezien, doch,
hoewel Désirée Napoleon wel genegen was, schreef zij hem naar zijn
zin te weinig en langzamerhand verflauwden zijn attenties voor haar.
Niettegenstaande deze voor Napoleon zoo treurigen toestand verloor hij
zijn familie niet uit het oog en bleef niet minder werkzaam voor hen,
wanneer dit noodig was. Lucien had niet alleen zijn baantje weder
verloren, maar was door zijn vijanden uit wraakzucht, voor 't geen
hij indertijd te Saint-Maximin had uitgericht, te Aix gevangen gezet
en liep als zooveel anderen, dus groot gevaar voor zijn leven.
Nauwelijks had Bonaparte hiervan bericht ontvangen, of hij rustte niet
voordat hij van het Comité van algemeene veiligheid een bevel tot zijn
invrijheidstelling had gekregen; hij zond hem zelfs geld, zocht een
baantje voor hem en liet hem ten slotte bij zich te Parijs komen. Ook
voor Jozef was hij werkzaam, en toen de kans op oorlogscommissaris was
verkeken, poogde Napoleon voor hem een consulaat te krijgen in een der
havens van Italië, maar broerlief was bijster kieskeurig. Van zulk een
post op Chio b. v. was hij niet gediend. Consul op een eiland! Wat was
dat nu voor hem, zoo'n knap, zoo'n groot man, die op Corsica reeds
zooveel hooge betrekkingen had bekleed. Iets beters moest Napoleon
voor hem, het hoofd van het geslacht, dus zien machtig te worden en
nogmaals toog Bonaparte aan den arbeid.
Voor Louis, zijn troetelkind had hij op de militaire school inmiddels
een plaats gekregen en met schier vaderlijken trots volgde hij
zijn vorderingen en geraakte over, "dien besten, braven, vlijtigen,
goedhartigen" jongen in zijn brieven niet uitgepraat.
Dan was Jérôme er nog. Die knaap was nu bijna elf jaar en had door den
loop der omstandigheden maar zeer weinig onderwijs genoten, doch hij
verlangde naar Parijs! Broer "Napolione" moest daar een kostschool
voor hem zoeken, maar voorloopig kon hiervan echter niets komen,
want de kostscholen waren gesloten. Aldus aanhoudend vervuld met
de zorg voor zijn familie, doolde de zwaarmoedige jonge man in die
zomerdagen door Parijs, tot Aubry half Augustus werd vervangen door
Doulcet de Pontécoulant.
Door het lid der Conventie Boissy d' Anglas op Bonaparte gewezen als
op "een generaal die van het leger van Italië kwam en blijkbaar met
kennis van zaken daarover sprak," verzocht Pontécoulant "dien jonkman
met zijn doodsbleek, vervallen gelaat, gebogen rug en ziekelijk
uiterlijk" bij hem te komen op het bureau van Oorlog en plaatste hem
bij de afdeeling, belast met het ontwerpen der veldtochtsplannen en
met het toezicht op de operaties te land en ter zee. Deze gelegenheid
om weder aan het werk te komen, greep Bonaparte gretig aan; in de
volgende weken ontwierp hij het plan van aanval op de Oostenrijkers,
dat hij weinige maanden later geroepen zou worden zelf uit te voeren
en waardoor zijn naam in een goudglans zou schitteren voor de oogen
van gansch Europa, tevens verzocht hij de Pontécoulant hem weder te
plaatsen in het actieve leger bij de artillerie.
De officieren aan de bureaux van oorlog, jaloersch op hun jongen
krijgsmakker, die het reeds zoover had gebracht, staken echter een
spaak in 't wiel. Letourneur, de Pontécoulants opvolger, te voren
chef van het personeel bij oorlog, 45 jaar oud en eerst kapitein,
was Bonaparte, die een domoor en betweter zoo vinnig en ongezouten op
zijn plaats kon zetten, volstrekt niet genegen en weigerde aan zijn
verzoek te voldoen. Daarop nam Bonaparte zijn ontslag van het bureau
en begon nogmaals werk te maken van een detacheering bij het leger
van den Sultan. Ook het Comité de Salut Public had daar wel ooren
naar; daarin zaten mannen, die zijn verdiensten erkenden o. a. Jean
Debry. "Eerst behoort het Comité dien opperofficier te beloonen voor
de door hem bewezen diensten en hem dus te bevorderen; dan kan er
later beslist worden als hij bij zijn verzoek mocht blijven," zei
hij o. a. bij de beraadslaging over dit punt. [8]
Gesteund door Barras en Fréron begonnen Bonaparte's kansen dus zeer
mooi te staan. Het geld voor de expeditie was reeds gevonden. Zelf
schreef hij aan Jozef "dat het besluit reeds zou zijn geteekend en
de datum van het vertrek vastgesteld als er te Parijs bij de partij
der reactie niet zooveel gisting heerschte." Binnen enkele dagen zou
echter alles wel zijn afgeloopen schreef hij verder. Dat die partij de
zege zou wegdragen duchtte hij niet. "De genius der vrijheid verlaat
haar verdedigers niet," schreef hij.
Onbezorgd begon hij de toekomst weder in te zien; zijn gansche
wijsbegeerte, waaruit het fatalisme blijkt, dat hij zich toen tot
levensleer en levensregel had gekozen was vervat in zijn: "In 't
verschiet zie ik alleen liefelijke beelden; zelfs al ware zulks het
geval niet, is het toch zaak te leven bij den dag. Een man van moed
rekent niet met de toekomst."
Tien dagen later, op 5 October 1795, 13 Vendémiaire zou in die
toekomst, in zijn gansche bestaan, zijn denken en zijn handelen een
volslagen omkeer worden gebracht.