Het was zijn eigen schrift. Hij was dus krankzinnig of—

Ja, was er dan een andere mogelijkheid?

Maar moest hij dan gelooven, dat hij gek was? Neen! Een dergelijk geval

was in zijn familie nooit voorgekomen! En dat dit zoo opeens gekomen

was—neen! Neen!

Hij boog zich over het papier, want hij bedacht, dat hij nog niet

gelezen had wat er op het papier stond.

In het kleine, krabbelige schrift, dat geheel overeenkwam met zijn

eigenaardig karakter, stond er het volgende:

„Zonder twijfel zal ik mij niet meer herinneren, dat ik deze regelen

neergeschreven heb, want mijn stemming verandert elk uur.

„Maar zooveel is zeker, dat ik op de een of andere wijze een weg moet

zoeken om mijzelf duidelijk te maken dat, wat waarheid is en wat ik in

een helder oogenblik begrepen heb.

„Raffles is onschuldig!

„Raffles is volkomen onschuldig! Ik zal deze woorden zoolang herhalen,

totdat ik ze eindelijk geloof, want het zou grenzenloos onrechtvaardig

zijn om Raffles te veroordeelen!

„Verder beveel ik mijzelf op dit oogenblik, mij niet van mijn plaats te

begeven, mijn hand niet van het papier weg te nemen, geen oogenblik te

trachten op te staan of naar een revolver te grijpen, maar doodstil,

als onder den invloed van persoonlijk magnetisme, te blijven zitten.

„En dan beveel ik mijzelf, het hoofd langzaam op te heffen en mijn oog

te richten op het groote portret in olieverf van Chamberlain, dat

tegenover mij hangt.—”

De advocaat vergat, zijn mond te sluiten; langzaam, heel langzaam hief

hij zijn hoofd op en keek naar het portret, dat vlak tegenover hem hing

en een gevoel van verlamming maakte zich van hem meester.

De advocaat uitte een kreet van verrassing en schrik. Hij wendde het

hoofd af en keek daarna weer opnieuw naar het schilderij dat in zijn

zware eikenhouten lijst aan den donkeren muur hing—en opnieuw stiet hij

een half onderdrukten gil uit—het hoofd van Chamberlain leefde, het

bewoog de oogen, het zag hem aan met een dreigenden blik. Een glimlach,

die niet bij dat gelaat paste, speelde om den mond, een brutaal

glimlachje, dat nu zoo waar overging in een luid, ongedwongen lachen,

en nu—waarachtig, nu kwam de geheele figuur uit de omlijsting te

voorschijn en naderde den advocaat.

Nu had deze echter zijn zelfbeheersching terug gekregen.

Buiten zichzelf van woede sprong hij op en riep:

„Ellendeling! Hoe durft gij het wagen, zoo met mij te spelen? Wie zijt

gij?”

De ander glimlachte, streek met zijn blanke, goedverzorgde hand over

zijn onberispelijken rok en antwoordde:

„Raffles!”

Vernietigd, gebroken, zuchtend zonk de advocaat in zijn stoel terug.

„Raffles!” herhaalde hij. „Raffles! Raffles en altijd weer Raffles!

Maar zijt gij dan de duivel in eigen persoon? Hoe komt gij hier?”

„Langs den gewonen weg, mijnheer, langs de trap en door de deur. Ik was

echter tot mijn spijt genoodzaakt om gebruik te maken van een valschen

sleutel!”

De advocaat keek den ongenoodigden bezoeker aan.

Inderdaad, het was dezelfde persoon, die in de gevangeniscel achter

slot en grendel zat. Zijn hand greep naar de telefoon, maar bliksemsnel

belette Raffles hem dit.

„Geen alarm, mijnheer! Ik begrijp, dat mijn bezoek u verbaast. Maar ik

wil het u niet langer lastig maken. Ik zou uw woning al verlaten hebben

voordat gij thuis kwaamt, maar toevallig verscheent gij tien minuten

eerder dan ik had berekend.”

„Zijt gij dan al langer hier?” vroeg de advocaat, terwijl zijn arm

heel, heel langzaam, zoodat Raffles het onmogelijk kon merken, naar

beneden gleed in de schuiflade, waarin de revolver lag.

„Gij staat mij zeker toe om plaats te nemen? Ik vermoed, dat gij

verschillende vragen tot mij te richten zult hebben.”

En Raffles nam plaats, haalde zijn cigarettenkoker te voorschijn, bood

die den advocaat aan en vroeg:

„Kan ik u dienen? Uitstekende sigaretten! Regelrecht uit Constantinopel

ingevoerd!”

De advocaat hief met afwerend gebaar zijn hand op.

„Ik dank u! Ik rook geen sigaretten!”

Raffles glimlachte, streek een lucifer af en eenige oogenblikken later

blies hij de fijne, blauwe, geurige rookwolkjes om zich heen.

Op hetzelfde oogenblik werd een lade met kracht opengerukt en de

advocaat stond met een opgericht hoofd als een God der Wraak voor den

indringer, wien hij een zesloops revolver voorhield.

„Op de knieën, ellendeling! Het spel is uit—gij zijt in mijn macht!”

Maar Raffles bleef kalm zitten. Hij strekte zijn lange beenen nog

verder uit, blies den cigarettenrook behaaglijk in de lucht, trok de

wenkbrauwen op en vroeg:

„Waarom windt gij u zoo op? En waarvoor is het noodig, dat ik kniel?

Dat strijdt ten eenenmale met mijn principes. Als gij zoo ongastvrij

zijt, zal ik liever uw woning verlaten.”

„Neen, dat zult gij niet!”

„Niet? Ik dacht, dat gij mij graag kwijt zoudt zijn! Ik heb echter den

tijd!”

„Geen gekheid, alstublieft! Als gij niet binnen drie seconden de armen

in de hoogte strekt, jaag ik u een kogel door de hersens.”

„Maar dat zou immers een moord zijn! Gij bevindt u immers niet in

levensgevaar! Bedenk eens, welk een vreeselijke aanklacht gij dan tegen

uzelf zoudt moeten houden! Gij zult toch niet een onschuldig mensch,

zooals ik ben willen doodschieten?”

De advocaat dacht er niet over om Raffles dood te schieten. Hij wilde

hem alleen een kogel door den rechter arm jagen, opdat hij zich niet

meer zou kunnen verdedigen.

Toen dus zijn laatste bevel niet werd opgevolgd, stond de advocaat op

om zijn bediende te bellen.

„Doe geen moeite!” sprak Raffles. „Ik heb de bel afgezet!”

„In ’s hemels naam, denkt gij dan aan alles?”

„Ja, aan alles, mijnheer!”

Maar de voorname ambtenaar had er nu genoeg van om zich te laten

beetnemen. Hij pakte den indringer woedend beet en trachtte hem op den

vloer te werpen. Was het echter slechts toeval of bezat Raffles een

buitengewone kracht en behendigheid—inplaats van Raffles viel de

aanvaller zelf op het tapijt.

In het volgende oogenblik echter stond de advocaat weer tegenover

Raffles, hij hief zijn revolver op en hield die met uitgestrekten arm

zijn tegenstander voor de oogen.

„Op de knieën of ik schiet, er moge van komen wat er wil!”

„Ik zei u immers al, dat ik niet kniel!” antwoordde Raffles op

onverschilligen toon. „Waarom? Ik ben niet van plan, mijn pantalon

stoffig te maken!”

„Ik schiet!”

„Gerust, mijnheer! Dat ding geeft immers toch geen vuur!”

„Gij vergist u! Ik heb de revolver zelf geladen!”

„Best mogelijk! Maar ik haalde de patronen er weer uit!”

De advocaat drukte af.

Inderdaad, de revolver was niet geladen!

Bevend van woede zonk hij in zijn stoel terug en met vonkelende oogen

keek hij den man aan, die zijn gevaarlijk spel dreef met iedereen, die

zijn weg kruiste.

„Nu zult u wel inzien, mijnheer, dat het de verstandigste partij is om

mij weer te laten heengaan.”

Raffles keek op zijn horloge.

„Ik moet over een half uur weer in de gevangenis terug zijn, mijnheer,

ik moet mij dus het genoegen ontzeggen, u verder gezelschap te houden.”

Raffles haalde een revolver te voorschijn.

„Deze is geladen! Ik verzoek u het mij op geen enkele manier moeilijk

te maken om uw huis te verlaten, ik zou anders genoodzaakt zijn vuur te

geven!

„Vaarwel en denk nog eens aan mij!

„A propos—op de terechtzitting kom ik niet, Edelachtbare!”

De advocaat antwoordde:

„En als ik het je nu eens vriendelijk, verzocht, Raffles? Gij bezit

immers zoo bijzonder veel moed! Zijt gij bang om te verschijnen?”

Raffles glimlachte.

„Volstrekt niet! Als het u genoegen doet—”

„Zeer zeker, Raffles. Dus je komt?”

„Met genoegen! Omdat gij het zoo gaarne hebt, mijnheer de advocaat, zal

ik u dat pleizier doen!”

„Op uw eerewoord?”

„Op mijn woord van eer!”

De advocaat knikte.

„Vaarwel!”

Raffles maakte een beleefde buiging, hoffelijk als een echte gentleman

en ging naar de deur.

De advocaat was hem ondanks de hem afgeperste belofte, graag achterna

gesneld, maar Raffles hield zijn revolver steeds gereed.

Eerst nadat hij de deur achter zich gesloten had, stak hij het

gevaarlijke wapen weer bij zich, terwijl hij mompelde:

„Waar zoo’n cigarettenknipper al niet goed voor is!”

En met langzame schreden daalde hij de trap af.

De advocaat wachtte eenige oogenblikken, daarna snelde hij naar de deur

om zijn bediende te roepen.

Maar de deur was op slot. Woedend zocht hij naar den sleutel—maar

Raffles had er blijkbaar voor gezorgd, dat die aan de buitenzijde in

het slot stak, en had de deur gesloten, toen hij heenging.

Toen liep de jonge advocaat naar de telefoon om het dichtbij gelegen

politiebureau op te bellen—maar eer er iemand kwam, was er van Raffles

geen spoor meer te ontdekken.

Wel deed hij nog de onaangename ontdekking, dat Raffles uit zijn

brandkast vijfhonderd pond had meegenomen.

Op de plaats, waar het pakje papiergeld had gelegen, vond hij een

briefje van den volgenden inhoud:

„De verdedigers vragen tegenwoordig een groot honorarium, mijnheer. En

omdat ik een knap jurist noodig heb, ben ik zoo vrij, dezen uit uw

middelen te betalen, want gijzelf dwingt er mij toe, een advocaat te

nemen. Het is dus niet meer dan billijk, dat gij zelf mijn verdediger

betaalt!”

Lord Lister No. 0014: De verwisselde detective · 第 16 / 17 题