Daaronder stond:
Aangeklaagd wegens diefstal, inbraken, vrijheidsberooving,
beleediging van beambten, bespotting der autoriteiten, vergrijpen
tegen stedelijke verordeningen, betreffende het rijden met rijwiel
of auto, enz. enz. in meer dan negen en dertig gevallen.
De advocaat boog zich over de akten en zette de openbare aanklacht op
papier, een combinatie van logische gedachten en gevolgtrekkingen, in
welk net Raffles verward moest raken, zonder een enkelen uitweg te
kunnen vinden.
Terwijl de advocaat schreef, was het doodstil in de kamer. Slechts af
en toe kraakte het in een der oude eikenhouten meubelen.
Zwijgend keken de schilderijen uit hun omlijstingen neer op den laten
werker.
De advocaat keerde het blad papier om—maar met een onderdrukten kreet
sprong hij op.
Deze bladzijde was reeds beschreven.
Hij vertrouwde zijn oogen niet.
Opnieuw boog hij zich over het blad, hij zette zijn lorgnet op—maar het
veranderde niet; dit blad was reeds beschreven.
In koortsachtige haast sloeg hij de vorige bladzijden op—hij wist
zeker, hoeveel hij geschreven had—hij wist zeker, dat de volgende
bladen nog leeg waren geweest.
„Ik ben opgewonden!” sprak hij tot zichzelf. „Dat komt van de alcohol!”
Daarop nam hij zijn horloge in de hand en volgde driemaal den langzamen
cirkelgang van de secondewijzer.
„Maar ik ben toch volkomen nuchter!” riep hij woedend uit. „En dit blad
is nog altijd beschreven!”