Raffles begaf zich terug naar het Metropol-hotel.
Charly Brand wachtte reeds op hem met groot ongeduld.
„Eindelijk!” riep Charly hem toe. „Ik ben doodelijk ongerust over je!
Als dit avontuur maar goed afloopt!”
Raffles ontdeed zich van zijn pels, nam in den ruimen leunstoel plaats
en sprak:
„Het zal evengoed afloopen als zoovele andere, Charly!”
„Alle couranten staan vol over je onbegrijpelijke handelwijze,” sprak
Charly na een poosje. „Vertel mij toch eens, hoe het mogelijk is, dat
de politie je in de gevangenis denkt, terwijl je tegelijkertijd
bezoeken aflegt, bij de overheidspersonen zelf!”
„Och, dat hangt van een kleinigheid af!” antwoordde Raffles lachend.
„Ik heb je immers verteld, dat ik op mijn reis naar Londen werd
overvallen door een of ander sujet. Eerst was ik van plan, dien kerel
zijn vrijheid weer te verschaffen, maar ik ben er achter gekomen, dat
hij niet minder dan drie moorden op zijn geweten heeft. Hem zal ’k dus
zijn rechtvaardige straf niet onthouden.
„Maar ter zake:
„Die kerel overviel mij, toen hij meende, dat ik sliep. Hij gaf mij een
slag op de hersens, die ten gevolge had, dat ik een paar seconden lang
duizelig was. Ik deed echter, alsof ik bewusteloos was.
„De kerel nam mij toen alles af, wat ik bij mij had: mijn geld, mijn
papieren, die op naam van lord Lister waren gesteld,—enfin, alles!
Daarop haalde hij een mes te voorschijn en wilde mij de keel afsnijden.
„Je begrijpt, mijn jongen, dat ik mij toen niet langer bewusteloos
hield, van dergelijke dingen moet ik niets hebben.
„Ik sprong daarom plotseling op, gaf een slag tegen zijn reeds
opgeheven arm en gaf den schurk zulk een geweldigen trap, dat hij als
een blok hout tegen de deur van de coupé vloog, welke blijkbaar zoo
slecht gesloten was, dat zij openvloog en de kerel hals over kop van
den spoordijk afrolde.
„Mijn plan stond dadelijk vast.
„Ik wist, dat zich politiemacht in den trein bevond en dat men mij aan
het station in Londen gevangen wilde nemen. Ik moest dus zorgen, dat
dit laatste hun niet kon gelukken en tevens wilde ik mijn geld
terughebben, dat de schurk mij ontstolen had.
„Je weet, beste Charly, ik bezit een middel om mij totaal onkenbaar te
maken. Ik maak er zelden gebruik van, omdat het altijd een paar dagen
duurt eer ik door middel van warme baden, massage, enz. de uitwerking
van het middel weer heb uitgewischt.
„Het is een bijtend vocht, dat de huid als perkament verdroogt en tot
rimpels samentrekt.
„Wilde ik aan het gevaar ontkomen, dan moest ik dit middel nu
aanwenden. Daar ik altijd een baard bij mij heb, kon ik mijzelf binnen
vijf minuten veranderen in een grijsaard van zeventig jaar. Met mijn
haarverfkam voltooide ik de vermomming. Ik streek er mede door mijn
haar, dat oogenblikkelijk sneeuwwit werd.
„Daarop boeide ik mijzelf en leverde mij zoo aan de politie over, die
van haar kant de goedheid had, mij het gestolen geld terug te brengen
en den gevluchten bandiet voor Raffles te houden, hoewel er veel
phantasie voor noodig is om eenige gelijkenis tusschen ons beiden te
ontdekken.
„De kerel was echter in het bezit van mijn papieren en de politie kwam
natuurlijk niet op de gedachte, dat ook die weleens gestolen konden
zijn.
„De misdadiger heeft alle reden, om zijn identiteit te verbergen, want
dan kwam hij ongetwijfeld op het schavot. Hij gaat daarom veel liever
voor Raffles door en zoodoende gelukte het tot in dit oogenblik om het
bedrog door te zetten. De gevangene behoeft slechts alles te bekennen,
wat ik doe.
„Als de politie dien zoogenaamden Raffles eens had uitgevraagd, zou het
geheele bedrog aan het licht zijn gekomen.
„Natuurlijk heb ik in den laatsten tijd de gevangenis voortdurend in
het oog gehouden en zoo was het mij bijvoorbeeld mogelijk, om twee
minuten nadat de pseudo Raffles door den rechter van instructie was
verhoord, dien heer op te bellen en hem mede te deelen, dat het
nutteloos was, mij voortdurend lastig te vallen. Ik had den
gevangenwagen zien voorrijden en kon er mij toevallig van overtuigen,
dat de valsche Raffles juist van een verhoor teruggebracht werd.”
„En wat moet er nu gebeuren, beste vriend?” vroeg Charly, die den
spreker vol bewondering had aangehoord.
„Eerst zullen wij onze rekening hier betalen, Charly, want wij zullen
weer van woning moeten veranderen. En daarop zal ik morgen een bezoek
gaan brengen bij mijn advocaat Newman.”
„Je bedoelt dien dr. Newman, die de verdediging op zich heeft genomen
van den voorgewenden Raffles?”
„Ja. Het is noodig, dat ik hem nog van eenige kleinigheden op de hoogte
breng.”
„En dan?”
Raffles leunde behaaglijk in zijn stoel achterover, en keek zijn vriend
glimlachend aan.
Daarop deelde hij hem een nieuw plan mede, bij welk verhaal Charly
Brand in komische wanhoop de handen boven zijn hoofd samensloeg.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Twee dagen waren voorbijgegaan.
De groote rechtzaal in het Paleis van Justitie was overvol. De openbare
aanklager was zenuwachtiger dan men dit van hem gewend was.
Toen de beklaagde werd binnengebracht, werd een algemeen gemompel
vernomen. De voorname dames en heeren, die de verhandeling bijwoonden,
deelden elkaar hun opmerkingen mede, fluisterden elkaar toe, welken
indruk de groote onbekende op hen maakte.
Over het algemeen was men teleurgesteld. Men had zich hem veel
eleganter, grooter, knapper gedacht. Ook scheen hij reeds door het
gevangenisleven geleden te hebben. Zijn gang was min of meer sleepend
en toen hij de eerste vragen van den voorzitter beantwoordde, zag men
menigeen onder het publiek de schouders ophalen.
„Hij spreekt als een echte plebejer!” meende de een. „Hebt gij zijn
handen gezien?” vroeg een jonge dame. „Hij heeft handen als een
slager!—En zijn oogen! Daar zou ik nooit verliefd op worden!”—
Andere dames protesteerden. Zij vonden Raffles bekoorlijk,
verrukkelijk! Ja, eenige van haar werden beurtelings bleek en rood, als
zij naar hem keken en een dame tusschen de twintig en vijftig viel van
verrukking in onmacht.
In de advocatenbank had de verdediger van Raffles plaats genomen.
Op de eerste drie dagen der zitting viel niets bijzonders voor. Raffles
verdedigde zich zeer onhandig, raakte verward door de vele strikvragen,
die hem gedaan werden, sprak zichzelf dikwijls tegen—in het
kort—niemand twijfelde eraan of hij zou tot minstens twintig jaar
veroordeeld worden.
Men stelde geen belang in hem.
Op den vierden dag kregen de pleiters het woord.
De openbare aanklager was opgestaan.
De rede, die hij hield, was zeer zeker een meesterstuk van
welbespraaktheid. Als een stroom vloeiden de woorden van zijn lippen.
De geheele akte van beschuldiging was in elkaar gezet als een hecht
gebouw, waaraan geen enkel steentje ontbrak!
Het was een vurige, overtuigende rede, waarvan echter elke zin en elk
woord wel overwogen was.
Een zucht ging door de menigte, toen de openbare aanklager zweeg.
Twintig jaar had hij geëischt.
„En die krijgt hij ook!”—was de publieke opinie.
Nu stond dr. Newman, de verdediger van Raffles op.
„Edelachtbare Heeren!” zoo begon hij.
„Ik moet heden een pleidooi voor u houden, dat de grootste verwondering
zal opwekken.
„Er is hier sprake van een lange reeks strafbare handelingen, gepleegd
door mijn cliënt. Ik zal niet op de zaak zelf ingaan; ik wil alleen
wijzen op de beweegredenen en bedoelingen, die mijn genialen cliënt
bewogen hebben om te handelen zooals hij deed.
„Raffles is zonder twijfel een genie, dat heeft zelfs de openbare
aanklager erkend. Raffles heeft nooit, geen enkelen keer, de geldsommen
welke hij zich toeeigende voor zichzelf gebruikt. Raffles is geen dief,
zooals de openbare aanklager dit noemt. Raffles is ook geen inbreker,
Raffles is zelfs, volgens menschelijke opvatting, niet eens verplicht
om hier als beklaagde te verschijnen, om zich door zijn medemenschen te
laten veroordeelen en straffen!
„De maatschappij is integendeel dezen genialen man grooten dank
verschuldigd, want hij is het, die tracht om eenigszins goed te maken,
wat er in onze onrechtvaardige, verdorven maatschappij aan
wantoestanden bestaat.
„Raffles heeft ontelbare tranen gedroogd. Hij heeft ongelukkigen voor
den dood bewaard, door hun tijdig hulp te verschaffen.
„Raffles heeft meisjes en vrouwen, die reeds aan den rand van den
afgrond stonden, op het laatste oogenblik de reddende hand gereikt.
„Den kapitalisten kost het geen moeite om rechtvaardig te zijn en hun
dochters voor schande te bewaren. Maar zij, die ellendig en arm zijn,
die geen brood hebben om hun honger te stillen, die niet kunnen
genieten van zonneschijn en frissche lucht,—zij hebben geen beschermer
of raadgever, alleen vijanden, die klaar staan om hen in den afgrond en
het verderf te storten, door middel van de voordeelen, die verbonden
zijn aan het bezit van hun kapitaal.
„Raffles heeft begrepen, dat de dochters der armoede een beschermer
noodig hebben, maar ook heeft hij begrepen, dat de armen recht hebben
op een deel van de enorme kapitalen, welke zich in handen van enkelen
ophoopen. Raffles heeft begrepen, dat de ongelukkigen, de vertrapten,
de onterfden, die door onrechtvaardigheid terneergedrukt worden en hun
ellendig lot moeten dragen, aanspraak mogen maken op hulp en redding.
„En omdat hij inzag, dat geen enkele van hen, die zich de
rechtvaardigen noemen, zich het lot dier armen en ongelukkigen aantrok,
daarom trad hij op om de weenenden te troosten, de wanhopigen te
redden, den bedroefden zonneschijn te brengen, de vallenden te steunen
en hun, die door de maatschappij wreed werden verstooten, den weg te
wijzen om recht te vinden.
„Raffles had in het bezit moeten zijn van ontelbare millioenen, als hij
al het grenzelooze leed, dat er uit den weg te ruimen valt, uit eigen
middelen had willen bestrijden.
„Dit vermogen bezat Raffles niet.
„Dit vermogen echter zijn zij, die alleen den zonnigen kant van het
leven hebben leeren kennen, schuldig aan de armen en ongelukkigen.
„En dit vermogen wil Raffles teruggeven aan hen, die lijden. Hij
strooit het geld met kwistige hand onder hen, die het behoeven en de
maatschappij is den grootsten dank schuldig aan dezen zeldzamen man,
die zooeven door den openbaren aanklager zoo scherp veroordeeld werd.
„Is het niet gelukkig, dat Raffles de schurkenstreken van Arthur Hopp
heeft ontmaskerd? De wandaden van den man, die steeds is beschouwd als
een der steunpilaren van de maatschappij? Arthur Hopp werd gisteren
gevangen genomen. Hij evenals zijn zoon hebben zich onmogelijk gemaakt
voor de menschelijke samenleving.
„Dat is het werk van Raffles—inderdaad geen slecht werk! De
vijftigduizend pond, die Raffles den heer Hopp heeft ontnomen, had deze
van de armen gestolen. En aan wie heeft Raffles ze gegeven? Aan de
armen!
„En juist omdat deze man nimmer iets uit eigenbelang heeft ondernomen,
omdat hij den armen heeft teruggegeven, wat hun wederrechtelijk
ontnomen was, eisch ik de vrijspraak van Raffles bij verstek!”
In ademlooze spanning hadden gezworenen en publiek geluisterd.
Toen de advocaat zweeg, sprong de voorzitter verschrikt op met den
uitroep:
„Raffles bij verstek vrijspreken? Raffles staat hier, immers!”
„Ik moet tot mijn leedwezen mededeelen, dat Raffles zijn belofte heeft
gehouden: Hij is niet als beklaagde verschenen!”
Ademlooze stilte volgde. Men had een speld kunnen hooren vallen.
De voorzitter wendde zich tot beklaagde:
„Dat beteekent dus, dat gij Raffles niet zijt?”
Beklaagde zweeg.
De advocaat echter verhief zich opnieuw en vervolgde:
„Ik meen te mogen gelooven, dat alles wat ik ten gunste van mijn cliënt
heb gezegd, de rechters heeft getroffen, vooral omdat zij zelf weten,
dat alles wat ik beweerd heb, op waarheid berust. En daarom zou de
mogelijkheid kunnen bestaan, dat de heeren, misschien uit groote
bewondering voor Raffles, dezen ellendeling, die hier als beklaagde
voor ons staat, zouden vrijspreken.
„Deze man echter is een werkelijke misdadiger, een drievoudig
moordenaar, een van hen, van wie niets meer te redden valt, die
misdaden plegen uit zucht tot kwaad en die dus aan de gerechtigheid
moeten worden overgeleverd. Ik stel dezen beklaagde dus in handen van
het gerecht.”
Weer ontstond een pauze.
Daarna stelde de president den beklaagde verschillende vragen. En deze,
die begreep, dat er geen uitweg meer voor hem overbleef, dat zijn
identiteit was vastgesteld, bekende, dat hij Frits was, de reeds lang
gezochte dief en moordenaar.
Beklaagde werd weggebracht naar zijn cel, waar hij zou blijven totdat
zijn zaak opnieuw in behandeling zou komen.
Daarop wendde de president zich met doodsbleek gelaat tot den
verdediger:
„Maar waar is Raffles?”
De advocaat haalde glimlachend de schouders op.
Nu verhief zich de openbare aanklager in zijn volle lengte met de
woorden:
„De verdediger schilderde ons Raffles uit als een ridderlijk mensch,
waaraan de besten onder ons een voorbeeld zouden kunnen nemen. Hoe komt
het dan, dat deze man zijn woord niet houdt. Mijzelf heeft hij zijn
eerewoord gegeven, op de openbare zitting te zullen verschijnen. Hij is
niet gekomen.”
Weer glimlachte de verdediger.
„Gij vergist u! Hij is er. Wilt gij zoo vriendelijk zijn na afloop
dezer zitting advocaat Dr. Newman uit zijn woning te bevrijden, waar
hij is opgesloten? Ik ben Raffles!”
Met een enkele beweging trok de spreker zijn pruik af en wreef met zijn
vingers de plooien en rimpels uit zijn gelaat.
En allen zagen Raffles. Daar stond hij, met fier opgericht hoofd,
tusschen het publiek en de gezworenen, glimlachend om zich heen
kijkend.
En voordat iemand der aanwezigen van zijn verbazing bekomen was, was
hij met een enkelen sprong, tusschen de verbaasde politieagenten door,
verdwenen.
„Raffles!”
Ontelbare monden stieten tegelijk dit woord uit en in het volgende
oogenblik snelde iedereen naar de deuren om jacht te maken op Raffles,
den grooten onbekende.
In een ommezien stond het geheele gebouw op stelten; men holde de
trappen af, de gangen door—maar Raffles was verdwenen.
Ook in de omliggende straten werd hij niet gevonden.
Raffles was echter het huis niet ontvlucht. Kalm had hij een kleine
deur geopend, die zich naast de publieke zaal bevond en naar een klein
vertrekje leidde, waar de gezworenen samenkwamen om over het lot van
een beklaagde te beslissen.
Daar had hij aan de tafel plaats genomen en een paar regels op papier
gezet. En toen het in het gerechtsgebouw weer rustig was geworden,
omdat men op straat naar Raffles zocht, had hij jas en hoed genomen,
zich gekleed en met opgeslagen kraag het gebouw verlaten.
„Is Raffles al gepakt?” vroeg hij in het voorbijgaan aan een paar
opgewonden politieagenten.
„Neen, heer, dokter, dat is de duivel in eigen persoon!”
Raffles verliet lachend door een zijdeur het gebouw.
Toen de gezworenen zich in het kleine vertrek hadden verzameld, vonden
zij op tafel het briefje van den volgenden inhoud:
„Ik moest mijn pelsjas en hoed nog even hier vandaan halen. Ik
groet u hartelijk! Tot weerziens!
„RAFFLES.”
Zoo eindigde dit avontuur van den grooten onbekende.