De landsadvocaat was een van de meest gevreesde juristen in Londen.
Zijn welsprekendheid overtrof alles wat men ooit in Engelsche
rechtszaken had gehoord; zijn logica was scherp—maar het was jammer,
dat hij aan zijn bekwaamheden een groote mate van zelfingenomenheid
paarde.
Het gebeurde slechts zelden, dat een beschuldigde, die in handen viel
van den landsadvocaat, het gerechtsgebouw op vrije voeten weer verliet,
of hij schuldig dan wel onschuldig was.
Hoogst zelden gelukte het een verdediger, het fijne net, dat de
openbare aanklager wist te spannen, te vernietigen.
Het proces tegen Raffles, den grooten onbekende, naderde.
Nog slechts twee dagen moesten verloopen en heel Londen wachtte
gespannen.
De dames en heeren uit de voornaamste kringen vochten om de
entreekaarten, want het gold hier een sensatiezaak, zooals Londen ze
zelden beleefde.
De landsadvocaat was vrijgezel.
Zijn enorme rijkdom maakte hem volkomen onafhankelijk. Hij bezat een
bijna vorstelijk huis in Regentpark. Het was geheel volgens zijn eigen
smaak ingericht.
Somber en grijs zag het er uitwendig uit en ook van binnen was het
somber, antiek en zonder eenige moderne opschik of weelde.
Het was twaalf uur in den nacht toen de advocaat de trap van zijn
woning opging. Hij zond zijn bediende reeds in de gang heen, want hij
wilde nog werken en wenschte daarbij niet gestoord te worden.
Hij nam plaats bij de tafel in zijn studeerkamer en haalde een lijvigen
aktenbundel te voorschijn, waarop in dikke, ronde letters stond: