Volgens het oordeel van den geneesheer moest de misdaad gepleegd

zijn tusschen 10 uur en 12 uur in den avond.

De politie staat hier voor een raadsel, want het is niet goed in te

zien, waarom de inbreker zijn slachtoffer gedood zou hebben in de

particuliere ontvangkamer waar hij niets te zoeken had, daar zich

hier niets van waarde bevindt en die op tamelijk verren afstand van

de werkkamer is gelegen, waar de brandkast staat.

Zij neemt echter aan, dat de inbreker niet op de hoogte is geweest

van de inrichting van het gebouw en dat de ongelukkige fabrikant

hem in de ontvangkamer overvallen heeft, waarop de inbreker het

scherpe wapen van het rek gegrepen heeft en den fabrikant gedood.

In het vertrek heerschte volstrekt geen wanorde en alle meubels

stonden op hun plaats.

Natuurlijk waarschuwde men aanstonds telefonisch den compagnon van

het slachtoffer, maar de heer Holborn had den vorigen avond Londen

verlaten voor een zakenreis en bevond zich op dat oogenblik in

Schotland.

Zijn zuster gaf echter aan de politie het adres aldaar op en

Holborn seinde, toen men hem een telegram zond, terug, dat hij zoo

spoedig mogelijk zijn reis zou onderbreken, maar dat hij onderweg

door een ongesteldheid was overvallen, die hem noodzaakte, eenige

dagen zijn bed te houden op voorschrift van den dokter.

Trouwens zouden de mededeelingen van den heer Holborn voor de

politie van weinig waarde zijn geweest. Hij was den vorigen avond

reeds om acht uur vertrokken na het diner, om den avondsneltrein

naar Edinburgh te kunnen halen en men had hem alleen maar willen

vragen, welk bedrag er uit de brandkast vermist werd.

Men was hiervoor nu aangewezen op den boekhouder en deze raamde het

bedrag op niet minder dan zes en dertig duizend pond sterling.

Reeds gaan de verdenkingen van de politie een bepaalde richting

uit, maar daar wij tot geen prijs het onderzoek willen

bemoeilijken, zullen wij voorloopig verzwijgen, welke deze

verdenkingen zijn.

In ieder geval staat het vast, dat deze treurige zaak binnen eenige

uren haar oplossing tegemoet kan zien.”

Charly liet het blad zinken en keek Raffles zwijgend en onderzoekend

aan.

Deze had met gebogen hoofd en gefronste wenkbrauwen toegeluisterd en

toen Charly het bericht had voorgelezen zeide hij op ernstigen toon:

„Het is maar al te duidelijk, welke richting de verdenking van de

politie volgt.”

„Maar dat noem ik onzinnig, Edward,” riep Charly uit. „Ik wil nog

aannemen dat—de man, dien wij beiden op het oog hebben, de daad op een

oogenblik van vreeselijke woede zal hebben volbracht, maar dat hij

vervolgens nog den moed zou hebben om de brandkast leeg te halen, dat

is immers volkomen uitgesloten.”

„Dat is ook zoo, Charly,” zeide Raffles laconiek.

„Ik weet bijna zeker, ja ik zou er een eed op willen doen, dat de

inbraak niet gepleegd is door denzelfden man die Bates doodde.”

„Al weer moet ik je gelijk geven, Charly, want de man, die de brandkast

leeg haalde, was ik,” zeide Raffles rustig.

Charly liet zich achterover in zijn stoel vallen en keek Raffles met

een ongeloovigen blik en open mond aan.

Toen kwam het haastig over zijn lippen:

„Meen je dat werkelijk, en zeg je mij dat nu pas?”

„Ik vond nog geen aanleiding, vroeger van dat bagatel te reppen,

Charly,” antwoordde Raffles schouder ophalend.

„Maar ik heb er in het geheel niets van gemerkt,” hernam Charly Brand

uiterst verbaasd en volkomen overrompeld door deze mededeeling van

Raffles.

„Dat is zoo verwonderlijk niet. Wij kwamen om elf uur thuis. Wij hebben

ons toen ter ruste begeven maar ik ben dadelijk het huis weder

uitgegaan, om die kleine werkzaamheid te verrichten. Ik geloof niet dat

ik langer dan anderhalf uur ben weggebleven. Het had werkelijk niets om

het lijf, de brandkast had een cijferslot, maar Bates had haar moeten

openen, terwijl ik daar was, en in een sterk vergrootend spiegeltje had

ik het nummer kunnen aflezen, zonder dat hij het merkte. De rest was

natuurlijk kinderwerk. Ik geloof niet dat ik daar langer dan twintig

minuten ben geweest.”

„Het is alsof ik een sprookje hoor,” hernam Charly hoofdschuddend. „Het

gaat mijn verstand te boven. Je spreekt er over alsof het een

kleinigheid betrof, niet belangrijker, dan wanneer je even naar den

hoek van de straat loopt om sigaretten te koopen.”

„Dat was het ook niet, Charly. Het wordt nu alleen maar belangrijker in

verband met het vreeselijke lot, dat Bates getroffen heeft.”

„Dat is waar ook. Als jij daar geweest bent vannacht, dan moet je

immers van alles goed op de hoogte zijn,” hernam Charly levendig.

„Minder goed, dan je schijnt te denken, mijn waarde,” zeide Raffles,

terwijl zijn blikken op de tafel gevestigd bleven. „Maar dat kan ik je

zeggen, dat Bates om twaalf uur in den nacht nog leefde.”

„Wat zeg je daar? Hoe weet je dat?” riep Charly in de grootste

verbazing.

„Omdat ik hem op dat tijdstip heb hooren praten.”

„Praten? Sprak hij in zichzelf?”

„Neen, hij sprak met een tweeden man.”

„Met.... Jerry Humber?” vroeg Charly aarzelend.

„Neen, het was Humber niet. Het was de stem van een man, dien ik zeker

niet ken.”

„Je hebt hem dus niet gezien?”

„Je vraag is een weinig zonderling, Charly. Als ik den man gezien had

en wist wie het was, zou ik natuurlijk nu reeds zijn opgestaan om de

politie per telefoon op de hoogte te brengen. Er was echter een deur

tusschen ons, en je zult wel begrijpen, dat ik bijzondere reden had om

die deur gesloten te houden.”

„Waar had het gesprek plaats?”

„In de werkkamer van de firmanten.”

„Heb je kunnen verstaan, wat ze spraken?”

„Slechts onduidelijk, maar ik weet wel dat ze met elkander twistten.

Het duurde ook maar kort, zeker niet langer dan eenige minuten, want

toen stierven de stemmen weg en ik verborg mij snel, vreezend dat de

beide mannen te voorschijn zouden treden op de gang die tamelijk helder

verlicht was en mij zouden zien. Zij moeten zich toen echter naar een

ander vertrek hebben begeven. Ik vermoedde, dat Bates met zijn bezoeker

het kantoorgebouw verliet, en toen alles volkomen stil bleef, sloeg ik

mijn slag.”

„Maar dan is het bijna zeker, Edward, dat die vreemde man, wiens stem

je gehoord hebt, de moordenaar is,” riep Charly uit.

„Dat vermoed ik ook,” hernam Raffles bedaard.

„En wie weet, heeft hij Bates neergestooten, terwijl jij bezig was de

brandkast....”

„Dat is volstrekt niet onwaarschijnlijk,” kwam Raffles koeltjes. „De

Times merkt terecht op, dat de beide vertrekken ver van elkander liggen

en het tapijt is zeer dik, en het is zeer wel mogelijk, dat de misdaad

daar heeft plaats gehad, zonder dat ik het bemerkt heb.”

„Vreeselijk,” zeide Charly zachtjes, terwijl hij een huivering

onderdrukte.

„Bates is zeer zwaar gestraft, dat is zeker,” bevestigde Raffles op

gedempten toon. „Zwaarder dan zelfs de laffe misdaad tegenover Lucie

Macloed rechtvaardigde, maar wie kan zeggen, of deze man in zijn leven

niet nog meer wandaden verricht heeft, dat er niet nog andere menschen

zijn, die hij gruwelijk onrecht heeft aangedaan en die zich hebben

willen wreken.”

„In ieder geval verheugt het mij dat je beschermeling Jerry Humber

thans in geen geval gevaar loopt, voor den moordenaar te worden

aangezien,” zeide Charly.

„Waarom denk je dat hij niet voor den moordenaar zou kunnen worden

gehouden,” vroeg Raffles, terwijl hij Charly strak aankeek.

„Waarom? Je verklaart immers zelf, dat Bates om twaalf uur nog in leven

was?”

„Wat zou dat? De politie kan heel goed aannemen, dat de moordenaar

later is gekomen en bovendien, geloof je in ernst dat ze eenige waarde

zou hechten aan de mededeeling van John Raffles, dat hij daar in het

huis is geweest en Bates om twaalf uur in den nacht heeft hooren praten

met een onbekenden bezoeker.”

„Vroeger heeft ze je verklaring ook wel geloofd?”

„Dat waren andere gevallen. Thans kan ze niet anders aannemen, of ik

tracht haar op een dwaalspoor te leiden. Zij zal vermoeden, op zijn

best genomen, dat Raffles wellicht in verbinding heeft gestaan met den

moordenaar en misschien denkt ze wel, dat hijzelf de misdaad heeft

gepleegd.”

„Dat zal zij nooit, Edward. Dat weet je zelf heel goed. Men weet op

Scotland Yard wel, dat je nog nimmer geweld hebt gepleegd en dit ook

nooit zult doen, en dat alleen schurken en misdadigers van de ergste

soort onder jouw hand zijn gevallen.”

„Dat mag zoo zijn, maar in ieder geval zal zij zich stellig niet

ophouden met briefjes van John Raffles, die haar zulk een vreemde

geschiedenis opdischt. Zij zal dan de vraag stellen, waarom hij de

misdaad niet belette, zij zal achterdochtig zijn, en zij zal wel

denken, dat de moordenaar zelf het briefje geschreven heeft, in de hoop

haar van zijn spoor af te leiden.”

„Maar dan, dan, als jij zelf de brandkast geopend hebt, dan is het

immers niet onmogelijk, dat Jerry Humber toch....” stamelde Charly.

„Neen, Charly, daarvan is geen sprake,” zeide Raffles op vasten toon,

„wiens stem het geweest is, weet ik niet, maar stellig was het niet die

van den jongen Humber.”

„Maar wie kan het dan toch geweest zijn?” riep Charly uit.

Raffles haalde de schouders op en antwoordde:

„Ik kan het je niet zeggen. Ik heb er niet het flauwste denkbeeld van,

maar in ieder geval kan ik je wel verzekeren dat de moordenaar een man

van buitengewone lengte moet zijn geweest.”

„Waaruit leidt je dat af?”

„Uit het feit, dat hij den Japanschen dolk gebruikt heeft om Bates te

dooden.”

„Hoe zoo?”

„Toen ik Bates kwam bezoeken, ben ik voorbij die ontvangkamer gekomen,

waarvan de deur open ging en natuurlijk heb ik een blik naar binnen

geworpen. Welnu, het wapenrek in kwestie is zoo hoog opgehangen dat

slechts een man van meer dan middelmatige lengte den onderkant van het

rek bereiken kan, waaraan de Japansche dolken zijn opgehangen.”

HOOFDSTUK VI.

WIE IS DE DADER?

Nog in den loop van denzelfden middag werden de oude Macloed, zoowel

als Jerry Humber op het hoofdbureau van politie ontboden, teneinde daar

aan een streng verhoor te worden onderworpen.

De speurneuzen van Scotland Yard waren er al spoedig achter gekomen na

een onderzoek onder het fabriekspersoneel, welke verhouding er bestaan

had tusschen den patroon aan den eenen kant, den werkbaas en den

teekenaar aan de andere zijde.

Het was gebleken, dat Macloed tot tweemaal toe zich in de hevigste

bewoordingen tegen Bates had uitgelaten en hem zelfs bedreigd had en

ook van Humber was het bekend dat hij met gevoelens van haat tegenover

zijn werkgever was bezield.

Hoewel men op het hoofdbureau van politie nog niet de ware reden kende

van deze vijandige gevoelens, vermoedde men toch genoeg om te kunnen

weten, dat Jerry Humber zijn patroon innig moest haten.

Ook de portier van de fabriek, die tevens waker was en die om acht uur

in den avond verscheen, om pas om zes uur in den morgen weder te

vertrekken, werd verhoord, en zijn getuigenis werd van groot gewicht

geacht en zeer bezwarend voor den jongen Humber.

Het bleek namelijk dat Jerry omstreeks negen uur in den avond zich was

komen aanmelden en toegang had verlangd, teneinde zijn teekengerei, dat

zijn eigendom was, te komen halen.

De avondportier, die den jongen man zeer goed kende, had volstrekt geen

bezwaar gemaakt, hem binnen te laten. Hij had hem echter niet weder

zien vertrekken en dit zou een noodlottige omstandigheid blijken te

zijn.

De nachtportier verklaarde eveneens, dat hij mijnheer Bates ongeveer

één uur vroeger, even nadat hij zijn loge had betrokken, het

kantoorgebouw had zien binnengaan.

Ook hem had hij niet zien vertrekken, maar dit had hem volstrekt niet

verbaasd, want het kwam wel eens voor, dat de patroon tot zeer laat in

den nacht geheel alleen in het groote kantoorgebouw bleef werken.

Overigens had de nachtportier eenige malen zijn loge verlaten, teneinde

zijn ronde te doen in het fabrieksgebouw, zooals zijn plicht was.

Dit alles was voor Jerry Humber zeer bezwarend en zijn toestand werd er

niet minder gevaarlijk om, toen het bleek, dat hij dien nacht pas om

half één was thuis gekomen en geen voldoende verklaring kon geven van

hetgeen hij tusschen negen uur en half een in den nacht had verricht.

De jonge man zeide, dat hij tot bijna tien uur in de fabriek was

geweest om zijn zaken bijeen te zoeken, dat hij daarna geruimen tijd

geloopen had en dat hij tenslotte met een bus naar zijn woning was

gereden, maar het was ongelukkig voor hem, dat er niemand was, die deze

verklaring kon bevestigen.

Wat Raffles en Charly reeds urenlang gevreesd hadden, geschiedde in den

middag. Jerry Humber werd in verzekerde bewaring genomen.

Scotland Yard achtte de bewijzen, welke zich tegen hem opstapelden zoo

drukkend, dat zij niet geaarzeld had het bevel tot arrestatie te geven.

De avondbladen namen nog eenige discretie in acht, maar uit de

berichten bleek maar al te duidelijk, dat men eindelijk op de hoogte

was gekomen van de ware verstandhouding, die tusschen Bates, Macloed,

Lucie en Jerry Humber had bestaan.

Wat de oude werkbaas betreft, hij had een afdoend alibi kunnen

aanvoeren, hij had zijn geheelen avond kunnen verantwoorden, tot diep

in den nacht, en zoo kon Humber, aldus meende Scotland Yard, alleen als

de schuldige beschouwd worden.

Toen Raffles het bericht in de Times las, hij bevond zich toen met

Charly in de conversatiezaal van de Windsorclub, schudde hij het hoofd

en zeide:

„Ik ben er nu zeker van, dat zij het volkomen mis hebben. Zelfs al zou

ik mij vergist hebben aangaande den aard van het stemgeluid dat ik

vernomen heb, maar wanneer het inderdaad te bewijzen is, dat Humber om

half één thuis was, dan kan hij met geen mogelijkheid de daad hebben

verricht, want op dat uur hoorde ik Bates praten.”

„Het is heel jammer, Edward, dat je hem ook niet gezien hebt,” zeide

Charly peinzend.

„Ja, dat is zoo en ik heb er nu spijt genoeg van, dan had ik misschien

de misdaad kunnen voorkomen. Maar al heb ik dien man niet gezien—ik

weet zeker dat ik mij onmogelijk heb kunnen vergissen—het was zonder

eenigen twijfel zijn heesch eenigszins krassend stemgeluid, en er valt

voor mij geen oogenblik aan te twijfelen, of de man die bij hem was om

half één in den nacht zijn moordenaar was.”

Geruimen tijd zwegen de beide vrienden, en toen hernam Charly:

„Ik vermoed dat je het hier niet bij zult laten—dat je alles in het

werk zult stellen, om de onschuld van Jerry Humber daghelder te

bewijzen.”

„Dat spreekt van zelf! Ik zal beginnen met aan Scotland Yard te

schrijven, dat ik om half één daar ginds was, en dat Bates toen nog

leefde. In ieder geval zal dat de heeren detectives misschien doen

twijfelen aan hun onfeilbaarheid, en hen doen overwegen, dat zij zich

misschien toch vergist hebben.”

„Ongetwijfeld, Edward—maar je vergeet een ding! Scotland Yard zal jouw

mededeeling misschien niet voor zich houden—en als de ware moordenaar

het leest en tot de ervaring moet komen, dat jij een gedeelte van zijn

gesprek met Bates kunt hebben hooren, dan zal hij zeker op zijn hoede

zijn, en zich door de vlucht aan alle nasporingen onttrekken, terwijl

hij nu in de veronderstelling moet verkeeren, dat hij in betrekkelijke

veiligheid is, daar men een ander voor den moordenaar aanziet.”

„Misschien heb je wel gelijk, Charly,” hernam Raffles peinzend. „Ik zou

echter de opmerking kunnen maken, dat de werkelijke moordenaar in ieder

geval zeer ongerust moet zijn wegens de inbraak, die onmiddellijk op

zijn misdaad gevolgd is—ja, misschien wel tegelijkertijd gepleegd werd.

Hij moet wel tot het besef komen, dat er na hem nog iemand anders in

het kantoorgebouw moet zijn geweest, en dat het volstrekt niet

onmogelijk is, dat de inbreker iets heeft gemerkt van hetgeen er zich

in de nabijheid afspeelde! Wie weet denkt hij wel, dat de man

voorloopig zwijgt, ofschoon hij alles weet, maar zich gereed houdt om

op het gunstige oogenblik te voorschijn te komen, en hem te dreigen,

alles bekend te maken, wanneer hij niet zijn stilzwijgendheid met een

groot bedrag koopt. Hij zal dus in ieder geval goed oppassen, hoe dan

ook! Toch zal ik nog eenige dagen wachten met het opzenden van mijn

briefje aan Scotland Yard, maar ik zal aanstonds nagaan, wie de

advocaat is van den jongen Humber, en aan dien rechtsgeleerde zal ik

mededeelen, wat ik weet, opdat hij althans zijn cliënt zal kunnen

geruststellen. En intusschen, waarde Charly, zullen wij zelven eens op

onderzoek uitgaan, en eens zien, of wij dit geheim niet kunnen

oplossen.”

„Geloof je ook niet, Edward, dat de misdaad gepleegd moet zijn door een

man, die Bates minstens even sterk haatte, als Humber dit deed?”

„Dat spreekt vanzelf. Het was een moord uit wraak, daaraan behoef je

niet te twijfelen! En ik geloof dat hier eveneens een vrouw in het spel

is, want ik herinner mij nu zeer goed, dat ik een paar malen den naam

Kate heb hooren uitspreken en wel door den geheimzinnigen bezoeker op

een toon van groote woede en verontwaardiging.”

„Maar hoe verklaar je het, Edward, dat de man, die Bates bezocht in het

geheel niet door den nachtportier is gezien?”

„Daar zijn maar twee verklaringen voor, Charly. Ten eerste kan de

nachtportier juist in de fabriek zijn geweest, teneinde daar zijn ronde

te doen en dan spreekt het vanzelf, dat Bates den man moet hebben

verwacht, en hem zelf heeft binnen gelaten, ten tweede kan de bezoeker

door de fabriek zijn binnen gekomen. Ik heb je nog niet gezegd, dat men

de fabriek ook door een kleine fabriekspoort kan binnen gaan, die op de

binnenplaats uitkomt.”

„Maar weet je wel, Edward, dat die omstandigheid je onderzoek zeer kan

vergemakkelijken en beperken?” riep Charly opgewonden uit. „Want dan

moet immers de bezoeker iemand geweest zijn, die niet alleen goed thuis

was in de fabriek, maar die er was aangesteld, en wel in een zeer

aanzienlijke betrekking, daar hij waarschijnlijk den sleutel had van

het kantoorgebouw, dat op de binnenplaats uitkomt?”

„Dat heb ik bij mijzelf ook al overwogen, Charly,” hernam Raffles

bedaard. „Het feit is inderdaad van groot belang en wij zullen er dan

ook gebruik van maken bij ons onderzoek. Ik vermoed dat de boekhouder,

de procuratiehouder, de kassier, de opzichters van de fabriek en nog

een paar beambten wel van sleutels voorzien zijn geweest, omdat men

zich een grooten omweg bespaart, wanneer men in het kantoorgebouw moet

zijn en van den zijkant de fabriek nadert.”

„Maar dan kunnen wij binnen een paar dagen weten, wat wij weten

willen,” hernam Charly. „Het kunnen niet meer dan zeven of acht

menschen zijn, die een sleutel bezitten—en daar de moordenaar volgens

jouw verzekering buitengewoon lang moet zijn, kunnen wij hem binnen

korten tijd hebben ontdekt.”

„Wij zullen daarmee in ieder geval beginnen, Charly,—maar verlies niet

uit het oog, dat degeen, die zich van de sleutels heeft bediend, dit

misschien op onrechtmatige wijze deed, ik wil zeggen, dat hij ze

misschien heeft afgenomen van een van die zeven of acht personen. Maar

wij zullen onmiddellijk met ons onderzoek beginnen.”

„Van avond nog,” riep Charly uit. „Ik kan het denkbeeld niet verdragen,

dat die arme jongen, die zich zoo nobel gedragen heeft, op dit

oogenblik in zijn eenzame cel zit, beticht van een afschuwelijke

misdaad, welke hij niet heeft bedreven.”

Raffles wierp een blik op zijn horloge, en zeide toen:

„Het is natuurlijk het best, wanneer wij de personen, die in aanmerking

komen, onbemerkt kunnen bespieden, zonder hun argwaan gaande te maken.

En des avonds is er natuurlijk niemand op het kantoor meer werkzaam.

Het is jammer, dat Holborn niet in de stad is, anders zouden wij hem

kunnen vragen, wie een sleutel hebben van de kleine zijpoort en van de

achterdeur.”

„Hij zal natuurlijk aanstonds terugkeeren, zoodra hij er de gelegenheid

toe heeft, maar zijn verklaringen zullen wel van zeer weinig belang

zijn, vrees ik,” zeide Charly, die reeds was opgestaan, en ongeduldig

scheen te zijn om met het onderzoek een aanvang te nemen.

„Als ik mij niet vergis is ook de procuratiehouder Marshall lid van de

Windsorclub. Je moet hem eens laten praten—en ik geloof, dat ik

aanstonds aan zijn stem zal kunnen hooren, of hij de bezoeker is

geweest, die een einde aan het leven van Arthur Bates maakte.”

„Ik ben tot je dienst, Edward. Ik zou deze werkeloosheid niet lang meer

kunnen volhouden. Laten wij maar spoedig gaan.”

De beide vrienden stonden op en begaven zich naar de groote

billardzaal, waar een tiental voortreffelijke tafels stonden, waarvan

op dit oogenblik vier in gebruik waren.

De beide vrienden drentelden langzaam rond, op gedempten toon met

elkander pratend, maar zij gaven hun oogen goed den kost, en het duurde

niet lang, of Charly had in een hoek een rijzig man ontdekt, met rossig

haar, die een sigaret rookte, en onverschillig, met beide handen in de

zakken, tegen een stoel aanleunde, en in die houding de verrichtingen

gadesloeg van een paar matadors op het groene laken.

„Dat is hij—dat is Marshall,” zeide Charly fluisterend.

Raffles keek den man met het rossige haar scherp aan, en zeide toen met

een licht schouderophalen:

„Hij is flink lang, die Marshall, en daarom zullen wij het maar eens

probeeren, maar hij heeft alles behalve het type van een geweldenaar,

van den man, die zich door zijn woede tot zulk een misdaad laat

medesleepen—eerder gelijkt hij op een goedig schaap, op een man, die

tranen vergiet als hij een mug ziet dood slaan.”

De beide vrienden waren Marshall, den procuratiehouder, dicht genaderd,

en Charly, die hem tamelijk goed kende, sprak hem aan en vroeg:

„Wel, mijnheer Marshall—ben je niet onder den indruk van het vreeselijk

ongeluk, dat Bates getroffen heeft?”

„Niet heel erg, mijn waarde Brand,” antwoordde Marshall doodbedaard.

„Tusschen ons gezegd en gezwegen, en zonder iets te kort te doen aan

zijn kundigheden als zakenman—Arthur Bates was de grootste schoelje,

dien ik ooit heb ontmoet, en ik dacht er al sterk over, mij van de

firma los te maken, al had ik ook veel sympathie voor Holborn”.

Raffles had nauwkeurig toegeluisterd, en hij nam nu Charly glimlachend

onder den arm en zeide:

„Mijnheer Marshall heeft je zijn indrukken over het uiteinde van Arthur

Bates medegedeeld, en nu zul je wel tevreden zijn, nietwaar? Zullen wij

een kleine partij maken. Ik heb niet veel tijd.”

En terwijl de beide vrienden zich naar een der billarten begaven,

vervolgde Raffles op gedempten toon:

„Die goede Marshall lijkt niet alleen op een schaap, maar hij heeft er

ook de stem van. Ik verwacht ieder oogenblik hem in een gemoedelijk

geblaat te hooren overgaan.”

„Dat is dus al één uitgeschakeld,” kwam Charly.

Maar plotseling scheen hem iets in te vallen.

„Zou hij misschien niet weten, wie er sleutels hebben van de deuren?”

„Misschien heb je gelijk, maar ik vind het wel wat gevaarlijk, hem

daarnaar te vragen. Wij kunnen het immers wel op een andere wijze te

weten komen, en wij doen verstandiger, ons eerst te vermommen, alvorens

wij die vraag stellen.”

„Dat is zoo,” hernam Charly zuchtend, want hij was zeer ongeduldig, en

hij bracht van de partij, welke hij met Raffles speelde, dezen avond

weinig terecht.

Zijn gedachten waren voortdurend bij den gevangene, die daar in zijn

stille cel neer zat, beticht van een misdaad, welke hij niet begaan

had.

HOOFDSTUK VII.

DE STEM.

Er waren een paar dagen voorbij gegaan sedert de misdaad in de fabriek

gepleegd werd en Scotland Yard was nog niet ver gekomen.

Jerry Humber bleef hardnekkig ontkennen, dat hij iets met de misdaad

uitstaande had en bezwoer, dat hij nauwelijks een uur op de fabriek was

geweest en zich om tien uur weder op straat had bevonden.

De politie had nu ook de beklagenswaardige dochter van Macloed aan een

verhoor onderworpen, maar ook dit had haar niets wijzer gemaakt.

Lucie, doodsbleek en nauwelijks zich staande kunnende houden, had

verzekerd, dat zij haar patroon slechts enkele keeren van aangezicht

tot aangezicht had gezien, maar op het einde van het verhoor barstte

zij in tranen uit en jammerde, dat Jerry onschuldig was, en dat zij eer

aan haar eigen schuld zou gelooven, dan aan die van den jongen man, die

haar ondanks alles naar het altaar wilde voeren.

Lord Lister No. 0383: De Fabrieksbaas · 第 3 / 4 段