aan den muur had gehangen, en toen verscheidene bedienden verklaarden,
dat de Japansche dolk, waarmede de moord gepleegd was, steeds op
dezelfde plek van het rek had gehangen, werd Humber in de
gevangenisauto, geboeid en streng bewaakt, naar het kantoorgebouw en
vervolgens naar de kamer gebracht, waar zich het drama had afgespeeld,
en men gelastte hem daar, te trachten een mes van het wapenrek te
nemen, hetwelk men op dezelfde plaats had gehangen, welke vroeger het
moordwapen had ingenomen.
Jerry Humber behoorde zeker niet tot de kleine mannen, maar ofschoon
hij zich zoover hij kon uitrekte, en op zijn teenen ging staan, was het
hem onmogelijk, het mes te bereiken.
Maar Scotland Yard was nog volstrekt niet overtuigd en verzekerde nu,
dat de Japansche dolk zich dan in den nacht van de misdaad op een
andere plaats moest hebben bevonden, onder het bereik van den
moordenaar.
Dat was ongetwijfeld een verklaring, maar zij voldeed allerminst aan
John Raffles, die glimlachend de schouders ophaalde, toen hij er van
las, en bij zichzelf de opmerking maakte, dat het wel zeer toevallig
zou zijn, dat juist op dien avond de Japansche dolk van het wapenrek
was genomen.
Wanneer Bates dat gedaan had, dan zou hij daarvoor zeker op een stoel
hebben moeten klimmen, want hij was klein van gestalte.
Intusschen hadden Raffles zoowel als Charly in het geheim hun onderzoek
voortgezet naar de personen, die in het bezit waren van de beide
sleutels, die op de kleine zijpoort en op de achterdeur van het
kantoorgebouw pasten.
Dit had hen evenwel niet veel verder gebracht, want niet alleen kon
geen van de personen, die zulke sleutels bezaten, ook maar een
oogenblik verdacht worden, om even afdoende als duidelijke redenen, en
ten tweede bleek het nog al eens voor te komen, dat er met deze
sleutels tamelijk nonchalant werd omgesprongen, en dat ook anderen, die
tot het personeel behoorden, er zich van konden bedienen.
En het ging bijna niet aan, het onderzoek uit te strekken, tot het
geheele mannelijk personeel, waaronder zich verscheidene kerels als
boomen bevonden, die een voor een gemakkelijk den onderkant van het
wapenrek zouden kunnen bereiken.
Daarenboven—de stem, welke Raffles dien nacht vernomen had, was die van
een beschaafd man geweest.
Intusschen gaven Raffles en Charly hun pogingen volstrekt niet op en
zij werden eerder aangespoord door den ondervonden tegenslag, dan dat
deze hen moedeloos maakte.
In verschillende vermommingen gingen zij rond onder het
fabriekspersoneel, bezochten de wijnhuizen en slijterijen waar zij wel
kwamen, hun schaftlokalen en vergaderzalen, en luisterden daar scherp
naar ieder woord, dat hen op het spoor zou kunnen brengen.
Wel werd er veel over Bates gesproken, en dan steeds in verachtelijken,
minachtenden zin—maar nooit hadden zij eenig houvast aan deze op
woesten toon geuite kritiek op de gedragingen van den doode.
Wel bleek het dat de arme Lucie niet het eenige slachtoffer was geweest
van den wellusteling, die zich nimmer bekommerde om het onheil dat hij
stichtte, en slechts voor zijn persoonlijk genot scheen te leven, en
somtijds werden er ook namen genoemd, maar dit kon hen niet wijzer
maken.
Nimmer vernamen zij iets dat van eenige waarde voor hen was bij het
onderzoek dat zij hadden ingesteld.
Intusschen was Holborn van zijn reis teruggekeerd en hij had zich
aanstonds ter beschikking van de justitie gesteld, maar zooals Raffles
wel vreesde, bleek uit het verslag in de Times, dat men aan zijn
verklaringen al heel weinig had.
Holborn bleek vrijwel op de hoogte te zijn van den levenswandel van
zijn compagnon, met wien hij dan ook alleen zakenrelaties onderhield,
en die hij overigens zelden of nooit ontmoette, terwijl de beide
gezinnen van de compagnons elkander vermeden, maar hij was niet bij
machte eenige verklaring te geven omtrent den persoon van Jerry Humber,
dien hij alleen zeide te kennen als een voortreffelijk en zeer ijverig
teekenaar, die het ver zou brengen.
Hij had echter als zijn persoonlijke meening te kennen gegeven, dat hij
den jongen man zeer zeker niet in staat achtte tot het plegen van die
misdaad.
Volgens zijn overtuiging zou men hem spoedig moeten ontslaan, daar zijn
onschuld wel aan het licht zou komen.
„Waarom denkt Holborn dat eigenlijk?” vroeg Charly aan Raffles, toen
beiden het desbetreffende bericht gelezen hadden.
„Dat kan ik je niet zeggen,” antwoordde Raffles. „Natuurlijk is het
maar een persoonlijke meening—sympathie voor den jongen man, denk ik.
„Want hij kan onmogelijk weten, of Jerry Humber werkelijk de misdaad
heeft gepleegd of niet. Ik zou hem echter wel eens graag willen
opzoeken—wie weet kan hij me wel eenige inlichtingen verschaffen.”
„Maar hij heeft alles toch al aan den rechter-commissaris medegedeeld,”
riep Charly uit.
Raffles haalde de schouders op en hernam:
„De rechter-commissaris, die is dien nacht niet om half een in het
kantoorgebouw geweest. Die weet veel minder dan ik—en dat kan ik aan
Holborn laten voelen.”
„Dan zou je je identiteit aan hem moeten verraden.”
„Ik zal stellig niet aarzelen om dat te doen, wanneer dat bevorderlijk
kan zijn aan ons onderzoek.”
„Waar wil je hem opzoeken?”
„Ik denk wel, dat hij nu op zijn kantoor zal zijn,” zeide Raffles, na
een blik op zijn horloge te hebben geworpen. „Het is nu drie uur. Wil
je mij vergezellen?”
„Ik verlang niets liever.”
Toen de beide mannen dit gesprek voerden, kwamen zij juist van een
onderzoekingstocht terug, en zij droegen nog een vermomming, hetgeen
hun goed te stade kwam bij hun plan.
„Waarvoor zullen wij ons uitgeven?” vroeg Charly.
„Het komt er niet op aan,” zeide Raffles. „Wij zijn eenvoudig
bezoekers, die hem over een zeer dringende zaak moeten spreken, en als
wij bij hem zijn toegelaten, zeg ik eenvoudig, dat het lot van Jerry
Humber mij ter harte gaat en als het noodzakelijk mocht zijn, zal ik
zelfs niet aarzelen te zeggen, dat ik er dien nacht geweest ben, en wie
en wat ik ben.”
De beide vrienden verloren geen tijd, maar lieten zich in een huurauto
aanstonds naar het fabrieksgebouw in de Penningtonstreet rijden, en
verlangden daar van den portier, dat deze hen zou aandienen bij
mijnheer Holborn.
De man, die Raffles blijkbaar in het geheel niet herkende in zijn
nieuwe vermomming, scheen een oogenblik te aarzelen, maar toen Raffles
verzekerde, dat hij voor een zeer gewichtige zaak kwam, ging de man
heen, om eenige minuten later terug te keeren met het verzoek, hem te
willen volgen.
De twee vrienden bestegen een trap en werden vervolgens in de
ontvangkamer gelaten—dezelfde, waar het misdrijf was afgespeeld.
„Mijnheer Holborn is op dit oogenblik in gesprek, heeren, maar hij is
aanstonds tot uw dienst.”
Raffles en Charly bleven alleen.
Het was hier zeer stil in het betrekkelijk kleine vertrek en het werd
Charly nu wel duidelijk, waarom Raffles dien nacht niets vernomen had
van de misdaad, waarvan dit vertrek getuige was.
Na ongeveer tien minuten ging de deur weder open en Holborn trad
binnen.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheeren, als ik u een oogenblik heb laten
wachten,” zeide hij.
Raffles was langzaam opgestaan, onder den invloed van een gevoel, dat
hij niet aanstonds meester kon worden—de stem van den man, die zooeven
gesproken had, was dezelfde stem, welke hij eenige nachten geleden
achter de gesloten deuren vernomen had....
Raffles wist zich echter onmiddellijk te beheerschen en trad Holborn
tegemoet met een glimlach op het gelaat, terwijl hij zeide:
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer Holborn, als wij u komen lastig
vallen, maar—ik liet u reeds zeggen dat het een zaak van gewicht
betreft. Minder misschien voor u dan voor een onzer vrienden—voor Jerry
Humber.”
Op het hooren van dezen naam was Holborn een weinig verbleekt en een
lichte trilling werd aan zijn mondhoeken zichtbaar.
„Gij stelt belang in dien jongen man?” vroeg hij toen.
„Zeer veel, mijnheer Holborn. Gij zijt natuurlijk op de hoogte van deze
droevige zaak, nietwaar? En uit het verslag in de Times meen ik te
mogen opmaken, dat gij mijnheer Humber voor onschuldig houdt?”
„Ik—ik kan niet aannemen, dat hij de daad gepleegd heeft,” zeide
Holborn en zijn bleek gelaat vertoonde weer dezelfde krampachtige
trilling.
„Ik acht het volkomen buitengesloten, mijnheer Holborn,” hernam Raffles
glimlachend. „Gij ziet daar dat wapenrek, nietwaar? Welnu—Humber was
veel te klein om bij den dolk te kunnen reiken! Daarvoor moet men een
buitengewoon lang man zijn—zooals gij zijt bijvoorbeeld.”
Geruimen tijd bleef het zeer stil in het vertrek en men hoorde niets
anders dan het regelmatig getik van de kostbare pendule op den
schoorsteen.
Holborn slikte een paar maal, alsof hij iets in zijn keel had, dat hem
hinderde, en hernam toen, met een stem die heel anders klonk:
„Waarom zegt gij dit, mijnheer. Wat bedoelt gij met die woorden?”
„Ik bedoel, mijnheer Holborn, dat gij zoo lang zijt, indien gij hier
bijvoorbeeld dien noodlottigen avond geweest zijt, en tegenover Bates
had gestaan, gemakkelijk dien dolk had kunnen grijpen, teneinde hem te
treffen.”
Weer bleef het eenigen tijd stil en toen zeide Holborn iets, waarop
Raffles ondanks alles toch niet was voorbereid.
„Dus gij waart de inbreker?” vroeg Holborn toonloos.
„Hoe—hebt gij mij gehoord?”
„En gezien!” antwoordde Holborn met een pijnlijken glimlach.
„En gij hebt mij niets in den weg gelegd?”
„Niets. Ik had daar mijn redenen voor. Misschien zult gij ze later wel
vernemen. Zeg mij nu, wat gij weet en wat gij van mij wilt.”
„Wat het laatste betreft, mijnheer, ik wil niets van u,” antwoordde
Raffles. „Ik ben uw rechter niet. Alleen wil ik er u opmerkzaam op
maken, dat het uw plicht is, aanstonds de waarheid luide te
verkondigen. Gij hebt in geen geval het recht een ander voor uw misdaad
te doen boeten.”
Holborn boog het hoofd en zeide op zachten toon:
„Ik hoopte—ik was er van overtuigd, dat de onschuld van den jongen man
binnen enkele dagen glashelder zou zijn aangetoond. Ik vermoedde—dat
men wellicht later den inbreker voor den dader zou houden—dat men dien
echter mogelijk niet zou ontdekken—daarom liet ik u rustig begaan,
ofschoon ik u zag heengaan—nadat het geschied was. Indien ik u slechts
vijf minuten eerder gezien had—dan zou het misschien niet gebeurd
zijn....”
Holborn wierp Raffles een schuwen blik toe en vervolgde:
„Gij hebt niet het uiterlijk van een beroeps-inbreker—gij zijt toch
niet....”
„Noem den naam, mijnheer,” zeide Raffles rustig.
„John Raffles?”
„Ja.”
„Ik had het dadelijk moeten begrijpen. Ik had al veel van u hooren
praten—langen tijd hield ik u voor een schim.... ik weet nu beter. En
zeg mij nu wat gij denkt te doen?”
„Niets, mijnheer Holborn,” hernam Raffles kalm. „Niet ik heb iets te
doen, maar gij! Begrijpt gij mij niet? Neem uw snelste auto en ga u
aangeven! Dat is alles wat gij te doen hebt.”
Holborn sloeg de handen voor het gelaat en liet zich kreunend op een
stoel vallen.
Maar eensklaps sprong hij weder op en riep op hartstochtelijken toon:
„En toch kan ik er geen berouw over gevoelen. Toch zou ik het weder
doen, als hij weer tegenover mij stond met zijn valsch lachende
tronie—het beest....”
„Waarom heb gij hem gedood?” vroeg Raffles.
„Omdat.... neen, ik kan het u niet zeggen,” riep Holborn wanhopig.
„Gij zult het niettemin aan den rechter moeten mededeelen,” hernam
Raffles. „Bedenk dat men u zeer streng zal straffen, wanneer gij blijft
zwijgen.”
Holborn scheen een hevigen tweestrijd in zijn binnenste te voeren.
Toen kwam het als een schreeuw over zijn lippen:
„De schurk had mijn zuster—mijn kleine lieveling, een toonbeeld van
reinheid en lieftalligheid, geschandvlekt. Ik betrapte hem er bij, dat
hij hier zijn afscheidsbrief aan het arme kind schreef, dat hij met
geweld had weten te dwingen, hem ter wille te zijn—zoo als hij het
reeds tientallen andere ongelukkigen had gedaan! Mijn eigen zuster, een
kind nog haast.”
Snikkend alsof zijn hart zou breken, liet Holborn zich op de rustbank
vallen en verborg het gelaat in de handen.
Zijn trekken waren verwrongen, toen hij het weder ophief en vervolgde:
„Ik verdacht hem reeds eenigen tijd—had echter geen bewijzen. Zijn half
begonnen brief zeide mij alles. Ik zag bloed voor mijn oogen. Ik
schreeuwde hem mijn haat en minachting in het gelaat, ik spuwde hem in
het laffe gezicht. Toen—toen beging hij de onvoorzichtigheid, iets van
mijn zuster te zeggen—iets wat ik hier niet kan herhalen en dat ook
nooit zal doen, al zou het mij den strop kosten. Daarmee bezegelde hij
zijn lot. Hij moet op mijn gezicht zijn doodsvonnis hebben gelezen,
want hij werd bang, en trok de lade open, waarin zijn revolver lag.
Maar voor hij er gebruik van had kunnen maken, had ik den Japanschen
dolk van het rek gerukt en hem neergestooten—lachend, John Raffles,
lachend en overtuigd, dat ik een goed werk deed! En nu moogt gij mij
beoordeelen zooals gij wilt—mijn leven is toch gebroken. Mijn zusje
verkwijnt, en gaat uit als een kaars die langzaam opbrandt. Zij is niet
meer te redden....”
Raffles had zwijgend, diep ontroerd toegeluisterd en trad nu op Holborn
toe om hem de hand op den schouder te leggen.
Zijn heldere stem was omfloersd toen hij zeide:
„Gij hebt een evenmensch van het leven beroofd en hebt u diep
bezondigd. Maar niet ik zal u rechten. De naam van uw zuster mag echter
in geen geval in deze zaak van laaghartig verraad en schande gemengd
worden. Vertrek, zoo spoedig gij uw zaken geregeld hebt van hier—naar
Zuid Amerika. Ik wil aannemen, dat gij in zelfverdediging gehandeld
hebt, en dat hij u zeker zou gedood hebben indien gij hem niet vóór
waart geweest. Maar zoodra gij daar in veiligheid zijt, stelt gij den
rechter van instructie telegrafisch op de hoogte van de waarheid. Jerry
Humber moet in ieder geval zoo spoedig mogelijk bevrijd worden. Ik zal
zwijgen.....”
Eenige maanden later huwde Jerry Humber met Lucie Macloed en toen er
weder een jaar later een kindje kwam, kregen de gelukkige ouders een
zeer groote gift van „een onbekenden schenker” dien zij echter meenden
te kennen.