„Wat gij mij te zeggen hebt, mijnheer, dat zult gij mij zeggen in

tegenwoordigheid van deze getuigen, anders niet,” hernam Macloed,

terwijl hij zich hoog oprichtte. „Deze heer weet alles, meer behoef ik

u niet te zeggen. En hij weet het, zooals misschien nog tientallen

anderen het zullen weten. Omdat gij de laaghartigheid hebt gehad, in

het openbaar te pochen over iets, hetwelk ieder man van eer vol

schaamte in zichzelf zou verbergen. Gij kijkt mij verwonderd aan en gij

vraagt u misschien af hoe een eenvoudige werkbaas het wagen durft, u op

deze wijze aan te spreken, maar ik wil u zeggen, dat ik op dit

oogenblik niet uw ondergeschikte ben, maar de vader van het meisje, dat

gij met geweld tot de uwe hebt gemaakt. Er is nu geen patroon en geen

werkman, er is nu slechts een misdadiger en de vader van het

slachtoffer.”

„Laat dien toon varen, Macloed,” hernam Bates met een kort gebaar van

ongeduld, en terwijl zijn wenkbrauwen zich fronsten. „Ik kom hier met

de beste bedoeling van de wereld en gij hebt niet het recht mij zoo toe

te spreken, alvorens gij mij hebt aangehoord.”

„Zeg dan wat gij mij te zeggen hebt, mijnheer. En dat in

tegenwoordigheid van dezen grijsaard, die een vriend van ons is

gebleken te zijn en maak het kort. Ik weet niet of ik geduld genoeg zal

hebben naar u te luisteren en ik kan mij ook volstrekt niet

voorstellen, wat gij mij te zeggen zult hebben.”

„Luister dan,” zeide Bates, terwijl hij ongevraagd op een stoel

plaatsnam en zijn hoogen hoed naast zich nederzette, terwijl hij zijn

handschoenen begon uit te trekken. „Ik kom u zeggen, dat ik het

gebeurde oprecht betreur en dat ik alles wil doen wat in mijn vermogen

is, om het zooveel mogelijk weder goed te maken.”

De oude werkbaas deed een stap naar zijn patroon toe, keek hem recht in

het gelaat en riep toen:

„Goed maken, hoe denkt gij wel zoo iets te kunnen goed maken? Laat ons

eens een oogenblik het ondenkbare aannemen, dat gij haar zoudt

aanbieden uw vrouw te worden. Denkt gij soms, dat zij niet duizendmaal

liever alle schande en oneer zou willen dragen, die misschien het

gevolg zullen zijn van uw wandaad, dan uw vrouw te worden? Wel, zelfs

zonder dat ik het haar gevraagd heb, weet ik dat zij het zou weigeren.”

„Dat was mijn bedoeling ook niet,” antwoordde de fabriekseigenaar en

een oogenblik vloog er een hatelijk lachje over zijn zinnelijk gelaat.

„Er zijn nog wel andere manieren, om.... zulk een vergrijp te

herstellen en het gepleegde onrecht weder goed te maken.”

„Zoo, waarlijk? Ik ben nieuwsgierig om die te vernemen,” hernam Macloed

op schamperen toon. „Voor mij bestaat er maar één manier, om een jong

meisje van zulk een schandvlek weder schoon te wasschen, maar laat eens

hooren?”

Bates scheen een oogenblik verlegen te zijn, hoe hij de zaak moest

aanpakken en bekeek zijn glad gepolijste nagels.

Toen hief hij, alsof hij zooeven een ingeving had gekregen met een ruk

het hoofd op en zeide op eenigszins onzekeren toon:

„Zie eens, waarde Macloed. Ik weet wel, dat mijn optreden ongewoon is,

want in de meeste gevallen zou de man, die in mijn toestand verkeerde,

zich niet vertoonen in de woning van de ouders van het meisje, dat zich

een oogenblik vergeten heeft.”

Met een paar vlugge stappen stond Macloed nu vlak vóór zijn werkgever

en keek hem met woeste blikken aan, terwijl de haren van zijn baard als

borstels van een everzwijn overeind gingen staan en zijn geheele

lichaam trilde van nauwelijks bedwongen drift. Toen barstte hij uit:

„Wat wilt gij daarmede zeggen, mijnheer Bates? Gij zult het toch niet

wagen vol te houden, dat mijn dochter, mijn lieve Lucie ook maar één

seconde naar uw vleierijen heeft willen luisteren. Gij zult toch niet

durven beweren, dat gij haar niet met geweld hebt moeten dwingen. Gij

zult mij toch niet wijs willen maken, dat Lucie u hooger stelde dan de

straatsteenen, waarover zij liep. Zich vergeten, zijt gij gek

geworden.... herroep dat woord aanstonds, of ik sta niet voor mijzelf

in.”

Maar nu trad Raffles, die tot op dit oogenblik zwijgend ter zijde had

gestaan op hem toe en zeide op overredenden toon:

„Laat u niet door uw woede medesleepen, goede Macloed. Iedereen die

Lucie kent, zal wel aanstonds begrijpen dat deze „heer” liegt. Laat hem

rustig uitspreken. Gij weet nog steeds niet wat hij u wil aanbieden.”

Bates wierp Raffles een giftigen blik toe en zeide toen op zachten

toon:

„Ik heb niet het genoegen dezen heer te kennen, maar in zekeren zin

heeft hij het bij het rechte eind. Gij moet mij behoorlijk laten

uitspreken en niet telkens in de rede vallen. Ik kom nu aan het

eigenlijke doel van mijn bezoek. Wij willen dan in het midden laten, of

je dochter al dan niet vrijwillig aan mijn verlangens heeft toegegeven.

De hoofdzaak is, dat er zich misschien omstandigheden zullen voordoen,

die het wenschelijk maken, dat.... kortom, er zal waarschijnlijk geld,

heel wat geld noodig zijn en ik ben geneigd je daar bij te steunen. Ik

zal je bewijzen dat ik niet tot de gierigen behoor en om je van mijn

goede bedoelingen te overtuigen, bied ik je nu vijf honderd pond

sterling aan, als je de zaak laat rusten en ik er naderhand nooit meer

iets van hoor.”

Met een schreeuw als van een gewond dier was Macloed, die zich door

Raffles naar een stoel had laten leiden, weer opgesprongen. Al het

bloed scheen hem naar het hart te zijn terug gevloeid en zijn stem

klonk rauw, toen hij uitbarstte:

„Geld, geld dus! Ik vermoedde het reeds. Hij biedt mij geld in ruil

voor de eer van mijn dochter. Ik zal u toonen....”

Maar hij kon niet verder gaan, want op dat oogenblik werd de deur open

geworpen en Jerry Humber snelde het vertrek binnen, bleeker dan een

doode en met een uitdrukking van krankzinnige woede.

Met opgeheven vuisten stormde hij op den fabriekseigenaar toe, greep

hem bij de borst en schudde hem door elkaar zooals een kat het een muis

doet, terwijl hij op heeschen toon uitriep:

„Ellendeling! Ik heb je zien aankomen. Ik heb je gevolgd en ik heb

ongezien willen weten, wat je zou durven voorstellen aan den vader van

het meisje, dat ik lief heb, meer dan mijn leven. Je biedt dus geld,

nietwaar? Je bent schatrijk, je bezit millioenen. Wat beteekent voor

jou vijf honderd pond?

„Het is een handjevol goudgeld en je arbeiders brengen het spoedig

genoeg weer in je brandkast, maar voor je slachtoffer is het een heel

kapitaal. Is het niet zoo?

„Het is meer dan zij in drie jaren verdient. Het is een prachtig en

schitterend aanbod. En je zult niet kunnen gelooven, dat iemand zoo

stom zal zijn, het af te slaan, niet waar? Vijf honderd pond sterling

voor de eer van een onschuldig meisje. Het is goed betaald. Maar hier

staat iemand voor je, schoft, die vijf duizend, die vijf honderd

duizend pond wel eens niet voldoende kan achten, die met je geheele

vermogen geen genoegen zou nemen, en liever zou zien, dat de vrouw, die

hij lief heeft, van honger en gebrek voor zijn oogen zou omkomen, dan

dat zij een penning zou aannemen uit de handen van een gewetenloozen

lafaard, die met geld de gevolgen van zijn misdaad denkt te kunnen

afkoopen. Neen, tracht je niet los te rukken, mijn linkerhand is

voldoende om je vast te houden en weet je wat ik met de rechter doe?

Daarmee sla ik je in je opgeblazen gemeene gelaat.” En op hetzelfde

oogenblik daalde de vuist van den jongen man met kracht neer op het

vale gelaat van den fabriekseigenaar. Dadelijk stroomde het bloed en de

neus zwol dik op.

„Bah, ik heb me bezoedeld,” riep Jerry uit met een klank van namelooze

minachting in zijn stem, terwijl hij Bates van zich af wierp met zulk

een kracht, dat hij in den hoek van het vertrek rolde.

De fabrikant kwam langzaam weer overeind, met een uitdrukking van haat

op zijn gelaat die menigeen schrik zou hebben aangejaagd, maar die aan

Jerry Humber slechts een minachtend lachje ontlokte.

Bates had zijn zakdoek uit zijn zak gehaald en veegde het bloed van

zijn gelaat, terwijl hij op schorren toon zeide:

„Ik heb hier niets meer te zoeken. Mijn goed bedoeld voorstel is

afgeslagen, de gevolgen komen voor jullie rekening. Wat Macloed

betreft, hij is een oud man en als hij wil dan kan hij op de fabriek

terug komen, maar jij Humber, jij bent van morgen af ontslagen. Jij

kunt vanmiddag naar de kas gaan voor een week loon.”

Hij had met bevende hand zijn hoogen hoed van den vloer genomen en

strompelde naar de deur terwijl hij met de linkerhand zijn zakdoek

tegen zijn gehavenden neus drukte.

Halverwege keerde hij zich nog eens om en zeide op gesmoorden toon, met

een blik van giftigen haat in zijn zwarte oogen:

„En wat die meid, je dochter betreft, daar zou ik maar niet zooveel

opschudding over maken. Zij is niets anders dan een....”

Maar voor de schurk het woord had kunnen uitspreken was Raffles bij hem

en met een kracht, die Macloed en den jongen teekenaar onbegrijpelijk

voorkwam, greep hij Bates in de borst, tilde hem als een kind van den

vloer, droeg hem in die houding met twee stappen het vertrek uit, greep

hem op de gang gekomen met de linkerhand in zijn kraag vast, sleepte

hem zoo als een hond, die in het water heeft gelegen achter zich aan,

opende de straatdeur en wierp den fabrikant op straat.

Bates rolde over het trottoir, zijn chauffeur kwam verschrikt van de

auto af, die hem hier had gebracht, hielp zijn meester overeind en

opende snel het portier nadat Bates hem een paar woorden had

toevertrouwd.

Daarna hielp de man zijn meester instappen, deed vlug het portier weder

dicht, keek nog eens naar het huis om, en reed tenslotte haastig met de

prachtige auto weg.

Maar Raffles trad het vertrek weder binnen, zijn handpalmen over elkaar

strijkend, als iemand die iets heel vies heeft aangeraakt en zeide:

„Dat was een onsmakelijk karweitje, goede vrienden, en dat toch moest

worden opgeknapt. Men kan gelukkig zijn handen wasschen, en dan raakt

men de herinnering aan die walgelijke aanraking wel weer kwijt.”

Jerry had zich doodbleek op een stoel laten neervallen, en staarde met

een uitdrukking van wanhoop voor zich uit.

Raffles legde hem de hand op den schouder en zeide op bemoedigenden

toon:

„Gij moet het hoofd ophouden, mijn waarde Humber. Wat doet het er alles

welbeschouwd toe, hoe het oordeel is van dien kerel, dien wij zooeven

wat hardhandig hebben verwijderd?

„En wat uw verloren betrekking betreft. Ik ben er evenals gij van

overtuigd, dat iemand van uw kennis, uw jeugd en uw ondernemingsgeest

binnen enkele dagen wel weder een nieuwe betrekking zal hebben, en

niets zal mij aangenamer zijn dan u daarbij behulpzaam te mogen wezen.

Ik heb veel connecties. Ik ken vele fabrikanten, ook op het gebied van

den machinebouw en ik zal gaarne uw voorspraak zijn.”

„Ik dank u, mijnheer,” zeide de jonge man toonloos, die maar half

scheen te hebben gehoord, wat Raffles zeide.

„Als ik u een goeden raad mag geven, waarde Jerry, dan moet gij maar

liever in het geheel niet naar de fabriek terugkeeren. Laat een ander

uw loon maar halen. Het is veel beter, als gij Bates niet meer

terugziet. Wie kan zeggen of gij u niet door uw drift laat verleiden en

er erger dingen gebeuren dan een bloedneus.”

„Ik moet er zijn, om mijn eigen teekenbehoeften terug te halen,

mijnheer,” hernam Humber op doffen toon. „Wat het loon betreft, dat wil

Macloed misschien wel voor mij innen.”

„Dat zal ik doen, Jerry. Dat beloof ik je,” zeide de werkbaas, die zich

nauwelijks kon beheerschen, zoozeer had de woede en drift hem

aangegrepen. „Maar wat het terugkomen op zijn vervloekte fabriek

betreft, Bates kan lang wachten, eer ik daar weder een voet zet.”

„Dan verlaat ik u nu, maar ik zeg u niet voorgoed vaarwel, want ik wil

weten, hoe het met u gaat,” zeide Raffles, terwijl hij de beide mannen

de hand drukte, „en wat uw huwelijk met Lucie betreft, waarde Humber.

Ik hoop, dat het zoo spoedig mogelijk moge plaats vinden en dat ge

beiden zoo gelukkig moogt worden, als gij verdient.

„Wat Bates aangaat, bekommer u niet over hem, hij zal gestraft worden

op een wijze, die hem zal heugen.”

En vóór Macloed en Jerry Humber nog iets hadden kunnen zeggen, was de

grijsaard verdwenen, die op zulk een zonderlinge wijze in hun leven was

getreden.

Raffles zocht haastig de huurauto op, die door Henderson werd bestuurd

en zeide op zachten toon tot den trouwen reus:

„Rijd me eens spoedig naar ons huis in de Victoriastreet, Henderson.

Daar moet je wachten, maar aan den tweeden ingang.”

Een kwartier later stond de auto stil voor één van de vier of vijf

huizen, welke Raffles op verschillende punten van Londen bezat of

gehuurd had en die voor het meerendeel waren ingericht en gebouwd op

een wijze, die hem zeer dienstig was bij het ten uitvoer brengen van

zijn avontuurlijke plannen.

Het huis in de Victoriastreet stond bij voorbeeld door middel van een

tunnel, waardoor met groote snelheid een electrisch wagentje reed, in

verbinding met een onderaardsche werkplaats, welke zich bevond onder

het tuinhuis, dat achter in den tuin stond, welke zich uitstrekte

achter het huis van Lord Aberdeen in de Regentstreet en met deze zelfde

tunnel was nog slechts korten tijd geleden een ernstig ongeluk gebeurd,

waarbij het slechts weinig had gescheeld, of de identiteit van zijne

Lordschap ware verraden.

Bovendien bezat het huis twee ingangen in twee verschillende straten,

benevens eenige geheime bergplaatsen en het was dus voortreffelijk

geschikt om te worden gebruikt, wanneer Raffles het om de een of andere

reden noodzakelijk achtte snel van uiterlijk te veranderen, of

tijdelijk als Lord Aberdeen van het tooneel te verdwijnen.

Hij ging het huis binnen en een oogenblik later was hij op één der

kamers van de eerste verdieping bezig, zijn uiterlijk een algeheele

verandering te laten ondergaan.

De grijsaard verdween en maakte plaats voor een man in de kracht van

zijn leven, met zwart glanzig haar, een puntbaardje, een fraai opwaarts

gerichte knevel en een eenigszins gebruinde gelaatskleur.

Raffles stak zich in een voortreffelijk gesneden wandelkostuum, zette

een hoogen hoed op, voorzag zich van een lederen portefeuille, ging

voor den spiegel staan en bromde tevreden in zichzelf: „Ik geloof wel,

dat ik er nu eenigszins uit zie als een Fransch industrieel. Nu nog een

klein accent en de heeren Bates en Holborn zullen mij wel aanzien voor

een Franschen klant, die hun voor eenige tien duizenden ponden komt

afkoopen.”

Hij sloot alle geheime vakken weder zorgvuldig dicht en verliet nu het

huis langs een omweg.

In de zijstraat stond de auto te wachten. Raffles trad haastig op

Henderson toe en beval:

„Rijd me nu eens vlug naar de fabriek van de heeren Bates en Holborn in

de Penningtonstreet, Henderson.”

Henderson knikte, het portier sloeg dicht en de auto reed weg om

ongeveer drie kwartier later stil te staan voor het kantoorgebouw van

de groote machinefabriek.

Raffles had zich van allerhande papieren voorzien, onder meer van

visitekaartjes en een daarvan overhandigde hij aan den portier, die hem

was tegemoet getreden, terwijl hij met een sterk Fransch accent, maar

in vloeiend Engelsch verzocht de beide firmanten te mogen spreken.

Terwijl de portier met het kaartje verdween, liet Raffles zijn blikken

om zich heen dwalen.

Hij bevond zich in een zeer groote hal, die haar licht ontving door een

zeer groote glazen overkapping, en die door eenige manshooge schotten

verdeeld was in een aantal kantoorlokalen, waar men achter de ruiten

talrijke typistes, klerken, boekhouders en andere leden van het

kantoorpersoneel aan het werk kon zien.

Rechts was de loge van den portier en voor zich zag Raffles een groote

dubbele glasdeur, en daarachter het begin van een breede trap, die naar

de overige verdiepingen voerde.

Met het oog van een kenner bekeek hij de verschillende sluitingen,

prentte zich de plaats der deuren in het geheugen, overtuigde zich van

den loop der electrische geleidingsdraden en had zich juist een goed

denkbeeld gevormd van de inrichting, toen de portier weder terugkeerde

met het verzoek, hem te willen volgen.

Achter den man aanloopend, besteeg Raffles de trap, welke hij reeds

door de glazen deur op den achtergrond door de vestibule had gezien,

totdat de portier stilstond voor een zware eikenhouten deur.

Hij klopte aan, opende de deur, liet den bezoeker binnen gaan en sloot

de deur weder zachtjes achter hem.

Raffles stond tegenover Bates, maar deze zou eerder aan zijn eigen

identiteit hebben getwijfeld, dan ook maar een oogenblik aan te nemen,

dat de man, die daar zooeven was binnengetreden en wiens uiterlijk op

het eerste gezicht een Franschman verried, de grijsaard was, die hem

slechts korten tijd geleden op zulk een hardhandige wijze uit de woning

van den werkbaas Macloed had geworpen.

Bates zag er, om de waarheid te zeggen, verre van aantrekkelijk uit met

zijn dikken neus en zijn blauw opgezwollen oogen.

Hij wees zijn bezoeker een stoel, na te zijn opgestaan om hem te

begroeten en zeide met een vaag lachje, als om zijn uiterlijk te

verontschuldigen:

„Ik ben in de fabriek uitgegleden over een vette poetsdoek, en met het

hoofd tegen de machine aangevallen. Let er maar niet op, als ik u

verzoeken mag.”

„Verontschuldig u niet, mijnheer,” riep Raffles haastig uit, „zooiets

komt overal wel eens voor.”

„Neem dan plaats en deel mij het doel van uw bezoek mede, mijnheer

Chambert.”

En nu begon Raffles een verhaal op te disschen, dat hij van te voren

zorgvuldig bedacht had. Hij deelde Bates mede, dat hij pas een nieuwe

fabriek had geopend en daarvoor nog eenige machines noodig had, welke

in Frankrijk niet te vinden waren, maar die, naar men hem had gezegd,

door de heeren Bates en Holborn vervaardigd werden.

Maar terwijl hij sprak gaf hij zijn oogen goed de kost en niets ontging

aan zijn scherpen blik, noch de plaatsing van de groote brandkast, noch

de inrichting, noch de alarmseinen, noch het balkon, dat langs de drie

vensters liep, noch de brandtrap, waarvan hij een stuk door een der

vensters kon zien en die van het balkon af gemakkelijk te bereiken

moest zijn.

Van tijd tot tijd trad er, na bescheiden te hebben geklopt, een klerk

met eenige papieren binnen om zijn meester iets te vragen en toen zag

Raffles door de deur, welke een oogenblik was open gegaan, in een

aangrenzend kantoorlokaal een dertigtal kantoorklerken, die ijverig

zaten te schrijven.

Er was nog een andere deur, behalve die van de gang, welke blijkbaar

toegang gaf tot het vertrek van den secretaris, of misschien van den

boekhouder.

Het gesprek duurde ongeveer een half uur en Raffles maakte er een einde

aan, toen hij genoeg gezien en opgemerkt had en hij vertrok weder met

de mededeeling, dat hij zeer waarschijnlijk gebruik zou maken van het

aanbod van Bates, dat hem billijk toescheen.

Toen deze wilde schellen om een bediende teneinde den bezoeker uit te

laten, zeide Raffles haastig dat dit volstrekt onnoodig was, want dat

hij den weg wel zou vinden, en daarop verliet hij aanstonds het

vertrek.

Maar hij scheen den weg toch wel een weinig te zijn vergeten, want hij

dwaalde geruimen tijd door het kantoorgebouw, voor hij eindelijk weder

langs de loge van den portier ging, die beleefd aan zijn pet tikte.

Toen Raffles weder op straat stond, bromde hij voor zich heen:

„Nog dezen nacht, mijnheer Bates, zal ik je een bezoek brengen, dat je

lang zal heugen, of mijn naam is geen John Raffles.”

HOOFDSTUK V.

HET EINDE VAN BATES.

Den volgenden dag zaten Raffles en Charly in de eetzaal van het gebouw

van de Windsorclub waar zij den lunch gebruikten.

Raffles was in een voortreffelijk humeur en nog zelden had Charly zoo

genoten van zijn geestige, sarcastische opmerkingen.

Er waren slechts weinig leden, want het was tamelijk laat geworden, eer

de beide vrienden zich naar het clubgebouw konden begeven.

De goed afgerichte kellners liepen er geruischloos heen en weder en

ruimden de tafels op, of dekten ze weder voor den tijd dat de eerste

clubgenooten zouden verschijnen voor het diner.

Juist toen Raffles midden in een belangwekkend verhaal van een

jachtavontuur was, trad de oberkellner buigend op hen toe en zeide op

fluisterenden toon:

„Heeft Mylord al van het groote ongeluk gehoord, dat een onzer leden is

overkomen?”

„Een der leden van de Windsorclub?” kwam Raffles. „Neen, ik weet nog

niets. Wat is er geschied? Wien betreft het?”

„Mijnheer Arthur Bates, Mylord. Het staat in de middag-editie van de

Times. Hij is gisteravond vermoord in zijn eigen fabriek.”

Raffles was half van zijn stoel opgerezen, zeer ontsteld over deze

mededeeling.

Hij wisselde nu een snellen blik met Charly en zeide toen tot den ober,

die zeer ontdaan scheen te zijn:

„Dat is een vreeselijk bericht, dat je me daar verteld, Hudson.

Mijnheer Bates was een trouw lid van de club. Heb je misschien de

Times, waarin dat bericht voorkomt?”

„Ik heb hem maar meteen meegebracht, Mylord. Ik dacht wel, dat uw

Lordschap als vice-president er belang in zou stellen,” zeide de

oberkellner, terwijl hij Raffles het blad overhandigde. „Er staat een

lang verslag in en ik geloof dat zij al half en half vermoeden, wie het

gedaan heeft.”

Raffles had zwijgend het blad open gevouwen en eenigen tijd, nadat de

ober zich verwijderd had, bleef hij in gedachten voor zich uitstaren.

Toen zeide hij op fluisterenden toon tot Charly, die zeer ontsteld was,

door hetgeen hij zooeven vernomen had:

„Dat is wel een vreeselijke straf. Wie van de beide mannen, die hij zoo

zwaar beleedigd heeft, zou die hebben toegepast?”

Charly antwoordde niets en Raffles schoof hem het blad toe met de

woorden:

„Lees het mij eens voor, wij kunnen het er wel voor houden, dat een

blad als de Times zich bij dergelijke zaken alleen tot de feiten zal

bepalen en er zich niet aan te buiten gaat de zaak op te smukken en te

verfraaien met eigen fantasie.”

Charly vouwde het Cityblad open en na eenigen tijd zoeken had hij het

bericht gevonden. Met zachte stem begon hij te lezen:

„Moord en inbraak in een machinefabriek.

In den afgeloopen nacht is de heer Arthur Bates, lid van de bekende

firma Bates en Holborn, het slachtoffer geworden van een inbraak in

zijn fabriek.

Toen de dagportier Hayman hedenmorgen om zeven uur op zijn post

verscheen, was daar nog niemand aanwezig, maar enkele minuten later

zouden de schoonmaaksters verschijnen, teneinde, zooals gewoonlijk,

de kantoorlokalen te reinigen.

Deze vrouwen kwam dan ook juist bijtijds en de portier gaf, zooals

gewoonlijk, aan één harer den sleutel, waarmede men de deur kon

openen, die toegang gaf tot het privékantoor van mijnheer Bates,

waarop Hayman zelf aan zijn werk ging, de post in ontvangst nam,

sorteerde en andere kleine werkzaamheden verrichtte.

Maar er konden nog geen tien minuten verloopen zijn, vóór de

werkvrouwen naar boven waren getrokken, of zij kwamen allen hevig

opgewonden en schreeuwend, doodsbleek en aan alle leden trillend,

zijn loge binnen snellen.

Op zijn verbaasde vraag wat hen mankeerde, schreeuwde een van de

vrouwen ademloos, dat de heer Bates vermoord was en dood in één der

vertrekken van zijn kantoor lag met een mes in de borst. Ten

uiterste ontzet door deze mededeeling, ijlde Hayman de trappen op,

zoo snel als zijn trillende beenen hem wilden dragen, en een

oogenblik later had hij zich overtuigd van de vreeselijke waarheid.

Arthur Bates lag op zijn rug op het dikke tapijt van een soort

kabinet, waar hij wel eens particuliere zaken afdoet en zijn

vrienden ontvangt, en in zijn borst stak het heft van het

moordwapen. De portier zag evenwel dadelijk, dat de schoonmaaksters

zich vergist hadden, toen zij van een mes spraken. Het was één der

Japansche dolken, die op het wapenrek prijkten, hetwelk tegen een

der muren was opgehangen.

Zonder een oogenblik tijd te verliezen snelde de portier naar de

groote werkkamer, waar de heeren Bates en Holborn hun zaken plegen

af te doen, en wilde daar de telefoon ter hand nemen, teneinde de

politie te waarschuwen, maar daarin kon hij niet slagen, daar de

telefoondraad doorgesneden bleek te zijn. En nu pas bemerkte hij,

dat de deur van de brandkast open stond. Het meubel vertoonde geen

krasje en er moest een zeer fijn instrument gebruikt zijn, om het

slot te openen, tenzij er een valsche sleutel was gebruikt, maar de

kostbare inhoud was zoo goed als geheel verdwenen. Buiten zichzelf

van ontzetting ijlde de portier weder naar zijn loge, greep de

telefoon en stelde de politie op de hoogte, die een kwartier later

verscheen in den persoon van een inspecteur, vergezeld van twee

detectives en agenten van politie.

Onderweg had de inspecteur den gerechtsgeneesheer van zijn woning

gehaald en aanstonds bemoeide deze zich met het slachtoffer, maar

op het eerste gezicht was te zien, dat hier geen menschelijke hulp

meer kon baten. De dood moest reeds vele uren van te voren zijn

ingetreden en het lichaam was reeds koud en stijf.

Lord Lister No. 0383: De Fabrieksbaas · 第 2 / 4 段