LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 383 DE FABRIEKSBAAS.
DE FABRIEKSBAAS.
HOOFDSTUK I.
DE FABRIEKSBAAS.
Sedert eenige dagen bevatten bijna alle bladen, die te Londen
uitkwamen, het verhaal van een geheimzinnigen, in vodden gehulden,
ouden man, die zich sedert een paar weken bij verschillende
instellingen van liefdadigheid, tehuizen voor dakloozen, gasthuizen en
andere inrichtingen kwam aanmelden, en dat niet om onderstand te
vragen, zooals natuurlijk de portiers van die inrichtingen aanstonds
meenden, zoodra zij den haveloozen man zagen aankomen, die moeilijk op
een stok geleund ging, maar integendeel, om een gift weg te schenken.
In de meeste gevallen bedroeg deze waarlijk koninklijke gift vijf
honderd pond sterling in een enkel bankbiljet.
De geheimzinnige grijsaard had een grijs linnen zak bij zich, die met
deze kostbare biljetten wel geheel volgepropt scheen te zijn, want
geldswaardig papier van minder waarde gebruikte hij maar hoogst zelden.
De onbekende schenker van deze groote giften vertoefde altijd slechts
zeer kort op de plaats van zijn bestemming.
Meestal vroeg hij den directeur te spreken, maar ook gaf hij vaak zijn
bankbiljetten van vijf honderd pond aan een hoofdverpleegster en zelfs
wel eens, zonder een woord van dank af te wachten, eenvoudig aan den
portier om dan dadelijk weer rechtsomkeert te maken en weder heen te
strompelen, leunend op zijn zwaren stok, het witte hoofd naar den grond
gebogen, de hand van zijn linkerarm op den rug tot een vuist ineen
gebald.
Het kon niet uitblijven, of te eeniger tijd werden de rondgangen van
dezen geheimzinnigen schenker bekend.
Men zag hem meestal in de arme wijken van de onmetelijke wereldstad, nu
eens in Houndsditch, dan weder in het Cockney district, in de buurt van
de dokken. Op den eenen dag in het Zuiden, dan weder in het Noorden en
overal liet hij zijn biljetten van vijf honderd pond achter.
Een globale berekening, door een blad gepubliceerd, bewees al spoedig,
dat de vrijgevige grijsaard binnen een paar weken een bedrag van niet
minder dan vijftig duizend pond had weg geschonken en zoo kon het niet
uitblijven, of sommige personen begonnen argwaan te koesteren en
vroegen zich af, of de bankbiljetten wel echt waren, welke de grijsaard
met zijn eerwaardig uiterlijk en zijn langen witten baard bij
tientallen aan inrichtingen van liefdadigheid achterliet.
Maar er behoefde geen seconde aan te worden getwijfeld. De
bankbiljetten waren volkomen echt.
Eenige directies hadden ze naar de Bank van Engeland ter onderzoek
opgezonden en het antwoord luidde, dat de biljetten zoo echt en
degelijk waren, als men ze maar kon verlangen.
Nog nimmer had de grijsaard, hij moest wel minstens vijf en zeventig
jaar zijn, zijn naam willen noemen, en ook had hij altijd geweigerd een
kwitantie voor zijn gift in ontvangst te nemen.
Zoodra men het hem wat lastig begon te maken met vragen en er bij hem
op aandrong, toch een kwitantie in ontvangst te nemen, liep hij zoo
vlug hij kon weg om zich te onttrekken aan dezen rompslomp, zooals hij
het noemde.
Deze of gene directeur had hem al eens gevraagd, of hij bij de
eenigszins langdurige voortzetting van zijn rondgang langs de
gasthuizen niet straatarm zou worden, maar de geheimzinnige grijsaard
had eenvoudig geglimlacht, en de verklaring afgelegd dat hij oud werd
en het geld hem toch van geen nut meer was.
Familieleden bezat hij niet en als hij wilde, zou hij nog geruimen tijd
kunnen voortgaan, zijn biljetten van vijf honderd pond weg te geven.
Niemand wist waar hij woonde en de grijsaard scheen er zeer bepaald op
gesteld te zijn, dat men hem niet volgde, teneinde dit te ontdekken,
want zoodra hij slechts het vermoeden koesterde, dat men hem na ging,
riep hij een huurauto aan en verdween daarmede snel.
Maar het verwonderlijkste was misschien wel het volgende:
Eens had de portier van een instelling, waarvan de directeur het er
bepaald op gezet had, den naam en de verblijfplaats van den edelen
weldoener te leeren kennen, zeer duidelijk letters en nummers van de
huurauto gezien, waarmede de geheimzinnige grijsaard snel wegreed, toen
hij zag dat men hem iemand uit de inrichting achterna zond.
De portier had dit nummer aan den directeur medegedeeld en deze was er
vlug bij geweest om bij verschillende maatschappijen navraag te doen
naar den chauffeur, die deze auto gereden had, teneinde van dezen man
te vernemen, waar hij den grijsaard had moeten brengen.
Maar tot groote verwondering van dezen directeur moest hij vernemen,
dat op dien dag en dat uur een huurauto van dat nummer onmogelijk in de
bewuste straat kon zijn gezien, daar het voertuig juist den dag te
voren in reparatie was gedaan en de eerste dagen zeker niet gereed zou
zijn.
Aanvankelijk hield de portier stijf en sterk staande, dat hij een auto
met dat nummer wel degelijk had zien wegrijden, maar tenslotte begon de
man te twijfelen en eindelijk meende hij, dat hij zich dan zeker wel
vergist zou hebben.
Intusschen was dit kleine voorval wel geëigend om de groote
belangstelling voor den edelen weldoener te vermeerderen.
Men wist toen nog niet dat de grijsaard zijn rondgang even plotseling
zou staken, als hij dien begonnen was en dat men binnen een paar dagen
niets meer van hem zou vernemen....
Het was in het begin van den winter, die zeer fel had ingezet, toen de
geheimzinnige grijsaard met zijn gewone boodschap aanschelde aan de
deur van een eenvoudig huis in een der volksbuurten, een van die
toevluchten voor onbehuisden, die maar al te vaak met geldnood te
kampen hebben en meestal moeten bestaan van giften, daar de lieden, die
hier hun toevlucht komen zoeken, zoo weinig betalen, dat de instelling
daarvan onmogelijk kan rondkomen.
Een man in grijs linnen werkpak gekleed opende de deur en vroeg wat hij
wenschte.
„Ik kom niet om onderdak vragen, goede vriend,” antwoordde de grijsaard
glimlachend. „Is de directeur te spreken?”
„Daar komt hij juist aan, vadertje,” hernam de man in het linnen pak,
die meende, met een zwerver te doen te hebben, die misschien een
fantastisch verhaal zou komen opdisschen over zijn rampspoeden en
waarschijnlijk zou eindigen met gratis een bord soep te vragen.
De directeur, een man met een vriendelijk gelaat, trad op den grijsaard
toe.
Deze had reeds de hand in zijn grijs linnen boodschappenzak gestoken en
haalde er een van zijn bankbiljetten van vijf honderd pond uit.
Aanstonds scheen de directeur te begrijpen, met wien hij te doen had.
Hij was dus niet eens verrast, toen de vreemdeling hem het biljet
toestak met de woorden:
„Ik denk, dat gij dit wel zult kunnen gebruiken, mijnheer. Ik zelf zal
er toch niet lang van kunnen profiteeren.”
De directeur nam het biljet aan en zeide op ontroerenden toon:
„Ik dank u, mijnheer, uit naam van de ongelukkigen, die bij mij een
toevlucht komen zoeken en die ik niet steeds kan helpen, zooals ik dit
zou wenschen. Uw gift is mij zeer welkom. Ik verzeker u, dat die goed
besteed zal worden.”
„Daar ben ik van overtuigd, mijnheer,” hernam de grijsaard en reeds
wendde hij zich weder naar de deur.
„Wilt gij geen kwitantie, mijnheer,” riep de directeur hem achterna.
„Dat is volstrekt niet noodig.”
„Maar wilt gij mij dan tenminste toestaan, u mijn inrichting te laten
zien, opdat gij weet waaraan gij uw geld besteedt.”
„Ook dit is volkomen overbodig, mijnheer. Ik ken uw tehuis zeer goed,
dat verzeker ik u. Gij kunt er van overtuigd zijn, dat ik altijd een
grondig onderzoek laat instellen naar de inrichtingen waaraan ik mijn
kleine giften schenk.”
Hij lichtte even zijn verschoten hoed op en het volgende oogenblik had
hij het huis verlaten.
Met gebogen hoofd ging hij verder, nu en dan omziende, teneinde zich te
overtuigen dat men hem niet volgde.
De grijsaard bevond zich op dat oogenblik in de buurt van White Chapel
en wel in de buurt van de koninklijke munt, die niet ver van de Tower
is gelegen.
Hij liep langzaam verder, zonder zich te overhaasten en al dien tijd
volgde hem een ledige huurauto, achter welks stuurwiel een reusachtig
gebouwd chauffeur gezeten was, een man met een nek als van een stier,
en verbazend breede schouders en vuisten als smidshamers, die er naar
uitzagen, alsof zij met het grootste gemak het stuurwiel zouden kunnen
versplinteren, dat zij met vasten greep omklemd hielden.
De grijsaard sloeg nu de Dockstreet in, welke in de richting van de
groote Londensche dokken loopt.
Hij stond nu en dan een oogenblik stil, om een klein stukje papier te
raadplegen, dat blijkbaar een aantal namen bevatte, namen van
instellingen, welke hij dien dag wilde bezoeken.
Maar er zou iets geschieden, hetwelk zijn plannen voor dien dag zouden
wijzigen...
De Dockstreet loopt uit op Smithfield.
Daar op den hoek van laatstgenoemde straat en Penningtonstreet verheft
zich een reusachtig fabrieksgebouw, waar machines, draaibanken,
fraisbanken, persen en dergelijke vervaardigd worden, en die het
eigendom is van de heeren Bates & Holborn.
Het is een geweldig complex gebouwen, voor het grootste gedeelte
omgeven door een twee meter hoogen muur, en dat in onmiddellijke
verbinding staat met de Londensche dokken.
Rondom een groote binnenplaats, van waar een aantal spoorlijnen naar de
dokken voert, onder een geweldige poort door, verheffen zich de
verschillende fabrieksgebouwen, die daar in den loop der jaren zijn
verrezen, en daar nu zwart berookt, log en onwrikbaar oprijzen.
De fabriek telt bijna drie duizend arbeiders, en sedert het begin van
den oorlog had zij volop werk gehad.
Een schier eindelooze muur strekte zich uit langs Penningtonstreet,
slechts hier en daar onderbroken door een zwaar ijzeren hek.
Het was bij één van deze hekken, dat de grijsaard een grooten oploop
waarnam, een groep van schreeuwende en tierende mannen, die
verontwaardigd schenen te zijn.
Eén van de beide vleugels van het hek stond open, en daarachter stond
een portier met bleek gelaat, en die zich blijkbaar in het geheel niet
op zijn gemak gevoelde.
Toen de grijsaard naderbij kwam, nog altijd gevolgd door de langzaam
rijdende huurauto, bemerkte hij dat de groep uit een dertigtal tierende
en opgewonden mannen bestond, die zich verdrongen rondom een boom van
een kerel, massief gebouwd en met een kop, die zeer veel herinnerde aan
dien van Richepin, dezelfde overvloed van verwarde grijze lokken,
dezelfde rechte, groote neus, dezelfde hoekige wenkbrauwen, als een
puntdak boven de scherpe, doordringende oogen, dezelfde waaiervormig
geknipte ruige baard. De man was zeer bleek, er lag een woeste
uitdrukking op zijn gelaat.
Hij zelf sprak niet, maar des te meer schreeuwden de mannen, die om hem
heen stonden.
De grijsaard was nu zoo dicht genaderd, dat hij duidelijk hoorde, wat
de opgewonden mannen schreeuwden.
„Als jij eruit gaat, Jim, dan gaan wij allemaal mee! Het is een
schande, dat de patroon je om zoo’n bagatel op straat werpt! Wij zijn
allemaal wel eens driftig op onzen tijd, en het zal hem goed doen, als
één van ons dien schurk van een Bates eens de waarheid zegt! Als je
binnen een uur niet weer in dienst bent genomen, leggen wij allemaal
het werk neer! Hij heeft je niet eens een behoorlijke reden voor het
ontslag kunnen opgeven! Wij willen jou als werkbaas op de afdeeling, en
niemand anders! Laat hij oppassen, die Bates, of het zal hem nog eens
slecht vergaan!”
Terwijl de mannen zoo schreeuwden en dreigden stond de zwaar gebouwde
man in het midden, dien zij als Jim hadden aangesproken, met gebogen
hoofd en gebalde vuisten tegenover hen, voor zich uitstarende zonder
een woord terug te zeggen.
Maar nu hief hij eensklaps het hoofd op, legde den mannen met een
gebaar het zwijgen op, en zeide met vaste stem:
„Dat mogen jullie in geen geval doen, kameraden! Wat er is tusschen
Bates en mij—dat gaat jullie niet aan! Wel wil ik je zeggen, dat hij de
grootste schurk is, dien ik ken en dat hij zich voor mij in acht zal
moeten nemen, maar dat alles mag voor jullie geen reden zijn om het
werk neer te leggen.”
„Het is wel om minder gedaan, Jim,” riep één van de fabrieksarbeiders
uit. „Als wij niet eens meer mogen staken om een onrechtvaardig
ontslag, waarom moeten wij het dan doen?”
„Ik wil niet, kameraden, dat jullie om mijnentwege het werk er bij
neerlegt,” hernam de werkbaas. „Wat ik op te knappen heb met Bates, dat
zal ik zelf wel doen. De winter is begonnen en jullie vrouwen zouden je
slecht ontvangen, als je nu thuis kwam met de boodschap, dat je ter
wille van een werkbaas de staking had uitgeroepen. Ga dus weer rustig
terug en doe geen domheden. Ik dank jullie voor je vriendschap en goede
bedoelingen.”
„Maar waarom wil je niet dat wij staken, Jim?” riep dezelfde arbeider
van zooeven. „Een jaar geleden heb je zelf aangedrongen op een staking,
toen één van de machinisten om een wissewasje aan den dijk werd gezet.
Ook midden in den winter, en ofschoon je zes kinderen te eten moet
geven.”
„Dat was wat anders,” bromde de werkbaas op grimmigen toon. „Wat er met
den machinist gebeurd was, mocht het licht zien, maar ik wil niet dat
er iemand ontdekt, wat er tusschen Bates en mij bestaat, versta je, dat
wil ik niet. Er zijn dingen, die iedereen voor zich houdt, omdat je het
zou besterven als anderen het wisten en gaan jullie nu dadelijk aan het
werk. De patroons zullen toch al woedend zijn, dat jullie mij zijt
nageloopen. Jullie hoort nog wel van mij.”
Schoorvoetend en als met tegenzin, grommend en terwijl sommigen de
vuisten dreigend naar de fabriek uitstaken, gingen de arbeiders het hek
weder binnen, hetwelk de portier weer haastig achter hen sloot.
De werkbaas bleef alleen.
Hij wendde zich langzaam af en wilde heen gaan, na een blik van woesten
haat op de fabriek te hebben geworpen, toen hij een hand op zijn
schouder voelde.
Hij keerde zich onwillig om en keek in het gelaat van den grijsaard,
die gehoord had wat er zooeven was gezegd.
„Wat is er vader,” vroeg de werkbaas met gefronste wenkbrauwen.
„Zeg mij eens eerst, of je mij niet herkent, Jim Macloed.”
De werkbaas keek den grijsaard verrast aan en riep na eenige aarzeling:
„Welzeker, gij zijt de brave man, die een paar dagen geleden vijf
honderd pond sterling zijt komen brengen voor de weduwen- en weezenkas,
die de arbeiders van de fabriek onder elkaar hebben opgericht, en
waarvan ik het beheer voer.”
„Het verheugt mij dat ge mij herkent. Wilt ge mij toestaan dat ik u
help?”
Jim Macloed boog het hoofd en een smartelijke uitdrukking kwam er op
zijn krachtig gelaat en toen klonk het op doffen toon:
„Ik ben niet te helpen, mijnheer. Wat mij geschied is, dat is nooit
meer goed te maken.”
HOOFDSTUK II.
EEN SCHURK TEN TOONEELE.
Macloed had één van de spijlen van het hek gegrepen en stond daar nu
gebogen als een man, die het lot voor altijd heeft neergeslagen.
Zijn gelaat was smartelijk verwrongen en achter zijn oogen voelde hij
de tranen branden, welke hij met geweld terug trachtte te houden.
De grijsaard naderde hem opnieuw, legde hem weder de hand op den
schouder en dwong hem zoo, hem in het gelaat te zien.
Toen hernam hij op een toon, vol innige deelneming:
„Ik wilde, dat gij in mij een vriend zou zien. Gij kunt mij vertrouwen.
Ik weet reeds veel van u, van de fabriek daar ginds, van haar beide
eigenaren. Ik ken de beide compagnons persoonlijk en ik weet zeer
nauwkeurig wat zij waard zijn. Ik kan ook heel wat van uw
familieomstandigheden....”
Macloed wendde hem met een ruk het gelaat toe en riep:
„Wat weet gij van mijn familieomstandigheden, wat? Ik had u nooit
tevoren gezien, voor gij bij mij kwaamt met uw gift.”
„Ik heb altijd veel belang in u gesteld, vriend Macloed,” hernam de
grijsaard op zachten toon. „Wilt gij mij niet zeggen om welke reden men
u ontslagen heeft. Misschien kan ik dat ontslag wel ongedaan maken. Ik
beschik over meer macht, dan gij denkt.”
Macloed schudde het hoofd en antwoordde op doffen toon:
„Gij kunt mijn ontslag niet ongedaan maken, mijnheer, en zelfs, al
zoudt gij het kunnen, dan nog zou het mij onmogelijk zijn, weder te
gaan werken op de fabriek, waar de ellendeling het bevel voert, die....
die....”
Een droge snik belette hem, verder te gaan.
Hij drukte zich de handen voor de oogen en zijn geheele sterke lichaam
trilde van ingehouden smart.
„Dan is het dus wel iets zeer ernstigs geweest, dat er bestaat tusschen
den man, bij wien gij twintig jaar in dienst zijt geweest, en u?”
„Iets zeer ernstigs, mijnheer, en ik wilde dat ik het u ook kon zeggen,
maar ik kan het niet. Het wil mij niet over de lippen.”
„Zeg het dan niet,” hernam de grijsaard op vriendelijken toon. „Ik denk
er niet aan u een geheim te ontlokken, dat gij alleen wenscht te
bezitten, maar in ieder geval zijt ge nu zonder werk. Wilt ge dan
volstrekt niet toestaan, dat ik u op een andere wijze help.”
„Ik heb wat geld over kunnen sparen, mijnheer,” antwoordde Macloed op
gesmoorden toon. „Ik dank u voor uw aanbod. Gij schijnt een edel, een
goed mensch te zijn. Maar Jim Macloed heeft nog nooit een aalmoes
aangenomen. En hij hoopt het ook nimmer te doen. Ik wil u met die
woorden volstrekt niet kwetsen, mijnheer. Ik waardeer uw goede
bedoeling, maar ook een arbeider heeft zijn eergevoel, nietwaar?”
„Ik denk er niet aan, u iets tegen uw zin op te dringen, mijn vriend.
En over een aalmoes moogt gij ook in het geheel niet spreken. Ik had u
slechts willen aanbieden u geldelijk bij te staan, totdat gij een
nieuwe betrekking zoudt hebben gevonden, hetgeen voor u zeker niet
moeilijk zou zijn.”
„Zeg dat niet, mijnheer,” hernam de werkbaas op moedeloozen toon. „Gij
weet niet, welke macht Bates en Holborn bezitten. Als zij willen kunnen
zij het mij in Londen bijna onmogelijk maken, weder een goede
betrekking te vinden. Want zij kennen alle directeuren van
machinefabrieken, die voor het meerendeel in één of ander opzicht van
hun afhankelijk zijn en hen naar de oogen zien. Gij hebt natuurlijk wel
eens gehoord van de zwarte lijst? Zulk een lijst berust bij elken
fabriekseigenaar en daar staan de namen op vermeld van alle arbeiders
die tot geen prijs in dienst mogen worden genomen. Met de redenen
daarvoor er achter: anarchisme, onverbeterlijke drankzucht,
ziekelijkheid en dan ook nog brutaliteit. Geen gewone brutaliteit, wel
te verstaan, maar een zeker verzet tegen de heeren patroons, om
bijzondere redenen, welke ik u echter niet zal noemen. Welnu, ik ben er
zeker van, dat ik reeds morgen op die lijsten zal zijn ingeschreven.”
„Een reden te meer om mijn hulp te aanvaarden. Een man met twintig jaar
trouwen dienst op dezelfde fabriek mag geen honger kunnen lijden. En,
of gij wilt of niet, of gij trotsch zijt of niet, ik zal u bijstaan.
Maar in uw geheimen dringen zal ik nooit, tenzij gij het mij toestaat.
En nu, vaarwel, of liever tot ziens, Macloed. Wij zullen elkander zeker
spoedig terug zien.”
De grijsaard drukte den werkman de hand en wilde zich verwijderen, maar
Macloed riep hem terug en zeide aangedaan:
„Ik zou u alles toevertrouwen, mijnheer, want ik weet dat gij een
vriend van de arbeiders zijt, wanneer het slechts mijn eigen geheim
was, maar het is dat van iemand, die mij zeer, zeer dierbaar is.
Niemand kan zeggen, of dat geheim niet op een andere wijze zal
uitlekken, maar ikzelf kan en wil het niet zeggen, het zou mij breken.”
En zonder af te wachten, wat de grijsaard zou zeggen, snelde Macloed
weg. De oude man bleef hem nog even nakijken en wenkte toen den
chauffeur van de huurauto, die zijn voertuig op een afstand van vijftig
meter had laten stil staan.
Dadelijk kwam de auto aanrijden en de oude man stapte in, nadat hij op
zachten toon tot den chauffeur gezegd had:
„Het is al laat, Henderson, rijd me maar naar huis.”
De chauffeur liet de auto keeren en in snelle vaart reed het voertuig
nu door de drukste straten van Londen en vervolgens langs het Theems
Embankement naar Pall Mall en vandaar naar de Regentstreet.
De chauffeur opende de deur, de auto reed naar binnen, de deuren sloten
zich vanzelf weder en daarop stapte de oude man uit, liep door den tuin
op het huis toe, ging toen door een achterdeur binnen en besteeg met
een vlugheid, die verwonderlijk mocht heeten voor een vijf en
zeventig-jarige, een breede trap op, die naar een tweede verdieping van
het huis voerde, tot hij stil stond voor een wit gelakte deur.
Hij opende deze en trad een fraaie slaapkamer binnen.
En daar gekomen deed de grijsaard iets zeer eigenaardigs. Hij nam een
witte pruik af, en ontdeed zich vervolgens van den eerwaardigen witten
baard, die het benedenste gedeelte van zijn gelaat verborg.
Tenslotte nam hij plaats voor een kaptafel, en begon daar zijn gelaat
te ontdoen van een zeer dun laagje van één of ander kleurmiddel, van de
rimpels, die naast de oogen en naast den neus door de huid schenen te
groeven en die het voorhoofd doorgroefden. Dat alles met behulp van een
kleurloos vocht, hetwelk deze eigenaardige schmink als bij tooverslag
liet verdwijnen.
Binnen vijf minuten had het gelaat van den grijsaard plaats gemaakt
voor dat van een man in de kracht van zijn leven, met doordringende
grijze oogen, een hoog gewelfd voorhoofd en scherp geteekende trekken,
die van een ontembare wilskracht en een buitengewone schranderheid
getuigden.
De man, die daar voor den spiegel zat en de laatste restjes van het
kleursel met een schoone witte lap van zijn gelaat veegde, was John
Raffles, alias Lord Edward Lister, de Groote Onbekende, door de politie
spottenderwijze zoo geheeten, maar bij anderen bekend als de
Gentleman-Inbreker, en die dit huis bewoonde onder het mom van Lord
William Aberdeen, een schatrijk en eenigszins zonderling filantroop,
welbekend bij de meeste Londensche instellingen van liefdadigheid.
Nog terwijl Raffles bezig was, zijn boord aan te doen en zijn das te
strikken nadat hij zijn lompen verwisseld had tegen een rokcostuum, een
waar kunstgewrocht van een der duurste en bekwaamste Londensche
tailleurs, werd er op de deur geklopt en een heldere stem riep:
„Mag men binnen komen?”
„Ben jij het, Charly. Een oogenblikje.”
Raffles trad op de deur toe en draaide den sleutel in het slot om.
Nu trad een jonge man het vertrek binnen, nog in den bloei der jeugd,
met een rond lachend gelaat, waarin twee blauwe oogen glansden, wangen
als van een meisje, maar met een krachtig geteekende kin, die veel weg
nam van den indruk van de vrouwelijke zachtheid, welke het gelaat op
het eerste gezicht maakte.
Het was Charly Brand, de trouwe vriend van John Raffles en diens
metgezel bij de meeste zijner gevaarlijke avonturen, beleefd in alle
werelddeelen, en in verbijsterende opeenvolging, die de zenuwen van een
normaal mensch binnen korten tijd zouden hebben geknakt.
Maar de zenuwen van John Raffles en van zijn getrouwe waren van staal,
en vooral de Gentleman-Inbreker scheen het begrip „vermoeidheid”
slechts van hooren zeggen te kennen.
„Wel, ben je nog al wat kwijt geraakt?” vroeg Charly Brand lachend,
terwijl hij Raffles de hand toestak.
„Ditmaal heb ik den inhoud van mijn linnen zak niet geheel kunnen
wegschenken, want er heeft zich iets voorgedaan, dat mij lang ophield
en verandering in mijn route bracht.”
En nu deelde Raffles in weinige woorden mede, wat hem zooeven in de
Penningtonstreet vóór de fabriek van de heeren Bates en Holborn
wedervaren was.
Charly had aandachtig toegeluisterd en toen Raffles zijn verhaal
geëindigd had, mompelde hij half in gedachten voor zich heen:
„Bates, en mededirecteur van de machinefabriek. Maar die is geloof ik
lid van de Windsorclub, die de eer heeft, jou als vice-president te
kennen.”
„Zou het dezelfde zijn?” kwam Raffles.
„Dat zou me althans niet verwonderen. Bates is sedert een paar maanden
lid, maar ik kan niet zeggen, dat ik veel met hem op heb. Hij is een
bruut, een hartelooze schelm, die alles zou opofferen aan zijn
persoonlijke genietingen. Maar wat kan hij wel gehad hebben met dien
ouden werkbaas, Macloed heet hij, nietwaar?”
„Ja, dat is de naam van dien man. Natuurlijk is het iets, waarmede de
eer van Macloed gemoeid is, anders zou hij er zeker niet zoo zorgvuldig
het stilzwijgen over bewaren.”
„En zeg me nu eens, Edward, of je voor het overige iets bijzonders is
overkomen.”
„Niet in het minst. Men nam overal mijn biljetten van vijf honderd pond
aan en men heeft het mij niet al te lastig gemaakt, maar ik geloof, dat
ik nu den nobelen grijsaard van het tooneel laat verdwijnen, want de
bladen beginnen een weinig al te veel belang in zijn persoon te
stellen, naar mijn zin. Ik heb mij intusschen kostelijk vermaakt, met
die talrijke verklaringen welke de heeren reporters van de omzwervingen
van den onbekenden schenker gaven. Eén was er zelfs zoo brutaal,
boutweg te beweren, dat hij den grijsaard zeer goed kende, maar hem de
gelofte had moeten afleggen, zijn identiteit niet te verraden—en daarop
volgde een uitgebreid relaas van de levenswijze van den geheimzinnigen
weldoener, dien hij nooit van zijn leven gezien en nog veel minder
gesproken had. Men kon daarin lezen, hoe ik mijn dag pleegde te
verdeelen, hoe laat ik op sta, wat mijn lievelingsspijze is, van welken
schrijver ik het meest houd en meer nonsens. Van begin tot het einde
ontsproten aan de rijke fantasie van den journalist, die het
waarschijnlijk in zijn beroep zeer ver zal brengen.”
Raffles raadpleegde zijn horloge en vervolgde:
„Kom, het wordt tijd voor het diner. Wat zou je er van zeggen als we
eens op de club dineeren, al was het maar voor de verandering.”
„Ik heb er volstrekt niets tegen, Edward. De Italiaansche kok is
voortreffelijk en men kan daar rustig van de kunstproducten van dien
artist genieten. Ik ga mij aankleeden.”
Ongeveer een kwartier later bracht Henderson, de chauffeur van Lord
William Aberdeen, maar die op de hoogte was van vele geheimen van zijn
meester en aan talrijke verre reizen en avonturen van Raffles had
deelgenomen, de twee vrienden in de prachtige blauw gelakte limousine
naar het clubgebouw, dat in de Oxfordstreet was gelegen, een groot en
weelderig ingericht huis, op welker eerste en tweede verdieping zich de
lokaliteiten van de Windsorclub bevonden.
Het was ongetwijfeld niet één van de duurste en meest exclusieve
sociëteiten van Londen, maar Raffles had met opzet de Windsorclub
uitgekozen als terrein voor zijn werkzaamheden, omdat men er tamelijk
liberaal was met de ballotage, en men evengoed verarmde edellieden als
lid aannam, die dan echter in ieder geval in staat moesten zijn een
vrij hooge contributie te betalen, als rijke industrieelen, geleerden,
diplomaten en andere personen.
Wel was het bestuur van de Windsorclub indertijd, eenige jaren geleden,
er zeer verheugd over geweest, toen men den schatrijken Lord Aberdeen
eerst als lid, vervolgens als vice-president, zijn intrede in de club
zag doen.
Het was reeds tamelijk laat, toen de beide vrienden de vestibule
binnentraden en hun pelzen en hoeden toevertrouwden aan den
toesnellenden bediende, die ze naar de garderobe zou brengen.
In de fraai ingerichte eetzaal, welke met vijf ramen uitzicht gaf op de
drukke Oxfordstreet, bevonden zich niet veel gasten meer, want over een
kwartier zouden de meeste schouwburgen hun voorstelling beginnen.
Raffles en Charly zochten een vrij tafeltje op, en zij hadden nog
nauwelijks hun bestelling gedaan aan den deftigen ober, of Charly
stootte Raffles onder de tafel met zijn voet aan, wenkte toen naar een
tafeltje, waaraan drie heeren gezeten waren, die zooeven hun maaltijd
beëindigd schenen te hebben.
„Dat is Arthur Bates,” zeide Charly op fluisterenden toon, „die met die
koolzwarte oogen, dat lage voorhoofd en die kale kruin, ofschoon hij
nog geen vijf en veertig jaar is.”
„Zoo, zoo, is dat de schatrijke medeeigenaar van de machinefabriek. Is
dat de man, die Macloed zooals de arbeiders beweerden, zonder eenige
geldige reden op straat heeft gezet?”
Hij keek een oogenblik schuins naar den kleinen man met zijn fonkelende
diamanten op overhemd en manchetten, die blijkbaar heel wat meer had
gedronken dan goed voor hem was, en met luide stem en drukke gebaren
iets aan zijn beide tafelgenooten scheen te verhalen, waarbij hij
zichzelf herhaaldelijk in de rede viel, om zijn champagneglas aan te
spreken, of een vet lachje te laten hooren.
De beide tafeltjes stonden slechts weinige meters van elkander en
terwijl Raffles en Charly zwijgend, zooals het behoort, hun soep
lepelden, konden zij duidelijk verstaan, wat de half beschonken
fabrieksdirecteur verhaalde.
„En ik zeg je, Philip,” zoo wendde Bates zich juist tot één der andere
heeren met een overslaande stem, „dat ik niets moet hebben van jullie
geschilderde demi-mondaines. Neen, ik weet beter waar ik terecht moet.
Dezer dagen nog had ik een avontuurtje met de dochter van een van mijn
werkbazen, een schatje van een kind, Lucie heet ze. Den achternaam zeg
ik jullie niet, een man van eer moet discreet zijn, nietwaar? De
discretie voor alles, zeg ik maar. Een schatje van nog geen achttien
jaar, maar verdere bijzonderheden vertel ik jullie niet. Neen, je
behoeft er niet op aan te dringen. Een blondje was het en ik ben dol op
blond, moet je weten. Prachtige blauwe oogen, en een mondje, een mondje
uit duizenden. En denk je dat de vader het op prijs stelde, dat ik haar
tusschen zooveel anderen had uitverkoren, geen kwestie van. De brutale
schobbejak speelde op en durfde mij zelfs dreigen. Wat had hij soms
gedacht, dat ik het lievertje zou trouwen? Wat zeg jullie er van,
vrienden. Dat was toch al te dwaas, niet waar? „Arthur Bates” heeft de
eer kennis te geven van zijn voorgenomen huwelijk met juffrouw
Lucie.... nu ja de naam doet er niet toe. Ik ben een man van eer en ik
weet mijn fatsoen te houden, maar nu is ze geen mejuffrouw meer en haar
vader kan toch moeilijk verlangen dat ik met een....”
Wit van woede was Charly half van zijn stoel opgerezen, want Bates had
zijn zin beëindigd met een woord, dat zijn bloed aan het koken bracht,
en dat de fabriekseigenaar had laten volgen door een gemeen lachje.
Maar Raffles, die eveneens geen woord gemist had van deze geheele
toespraak, trok hem snel weder op zijn stoel en wierp hem een strengen
blik toe.
„Maar Edward,” begon Charly, op heesch fluisterenden toon, „moeten wij
het dulden, dat in onze tegenwoordigheid die ellendeling op zulk een
wijze spreekt over een arm meisje, dat hij zelf....?”
„Blijf kalm, Charly, de schoft zal zijn straf niet ontgaan, dat
verzeker ik je op mijn woord van eer. Wij weten nu wel ongeveer, wat de
ellendige reden is geweest van het ontslag van Macloed, en die schavuit
daar, met zijn grijnzende tronie zal boeten, of mijn naam is geen
Raffles. Ik verheug mij, dat het toeval ons hierheen heeft doen
gaan—neen niet het toeval... de rechtvaardigheid.”
HOOFDSTUK III.
VERVLOGEN GELUK.
Het was omstreeks negen uur in den morgen van den volgenden dag, toen
een huurauto, weder door Henderson bestuurd, stil hield voor een
eenvoudig huis in de Sloane Street, niet ver verwijderd van de fabriek
der heeren Bates en Holborn.
Daar woonde Macloed en zijn klein gezin, de vroeger zoo gelukkige
werkbaas over wiens hoofd thans het ongeluk scheen te zijn los
gebroken.
Uit de auto stapte John Raffles, weder vermomd als weldoende grijsaard,
die gedurende eenige weken de nieuwsgierigheid had gaande gemaakt van
ontelbaar veel Londenaren.
Hij belde aan, na op zachten toon eenige woorden te hebben gewisseld
met Henderson, die dadelijk wegreed, een hoek van de zijstraat omsloeg
en dicht daarbij bleef wachten.
De deur werd Raffles geopend door een vrouw, met nog bijna geheel zwart
haar en die vroeger zeker heel mooi was geweest, maar op wier bleek
gelaat nu slechts diepe droefheid en zorg te lezen stonden.
Zij keek den vroegen bezoeker verbaasd aan en vroeg toen:
„Wat is er van uw verlangen, mijnheer. Moet gij in ons huisje zijn?”
„Ik zou gaarne mijnheer Macloed spreken,” antwoordde Raffles. „Is hij
thuis?”
„Ja, mijnheer, mijn man is thuis. Uw naam?”
„Mijn naam doet er volstrekt niets toe, goede vrouw. Zeg uw man slechts
dat een oude heer hem wenscht te spreken, met wien hij gisteren een
kort onderhoud had, toen hij de fabriek van Bates en Holborn verliet.”
„Dat zijt gij dus, mijnheer,” kwam vrouw Macloed haastig. „Treed dan
binnen, mijn man heeft over u gesproken, gij schijnt een vriend van hem
te zijn.”
„Ik schijn het niet alleen te zijn, ik hoop te toonen, dat ik het ook
werkelijk ben, goede vrouw,” hernam Raffles. „Ik hoopte natuurlijk dat
gij mij zoudt zeggen dat uw man reeds weder werk gevonden had.”
De vrouw schudde droevig het hoofd en zeide, terwijl zij de deur achter
Raffles sloot:
„Daarop zal voorloopig wel geen kans zijn, mijnheer. Mijn man denkt er
ook al over, het land uit te gaan, desnoods naar Frankrijk en als het
moet naar Duitschland. Hij is een heel bekwaam werkman en er is hier
weinig meer, dat ons bindt.”
Zij had reeds weder een deur van een kleine kamer geopend, waar zij
Raffles binnen liet gaan.
Deze nam plaats op een stoel, dien zij hem had toegeschoven en zeide op
zachten toon, terwijl hij het hoofd schudde:
„Ik vrees, dat het niet zoo gemakkelijk zal gaan, als uw man zich dat
voorstelt, vrouw Macloed. Wat Duitschland aangaat, dat moet hij zich
maar aanstonds uit het hoofd zetten, want daar is volstrekt geen sprake
van. En in Frankrijk is men al blij dat men het eigen werkvolk ten
koste van groote offers aan het werk kan houden. Ook andere onzijdige
landen moeten niets van buitenlandsche werkkrachten hebben en zeker
niet in het speciale beroep van uw man, want ook daar dreigt reeds
werkeloosheid op groote schaal.”
„Als dat waar zou zijn, mijnheer, dan weet ik niet wat er van ons moet
worden,” sprak de vrouw terwijl zij haar boezelaar voor de oogen
bracht.
Met gebukt hoofd ging ze de kamer uit en in de gang gekomen zeide zij
op gesmoorden toon:
„Ik zal mijn man bij u zenden.”
Er verliepen slechts een paar minuten en toen trad Macloed het kleine
kamertje binnen.
Raffles was opgestaan. Hij stak den werkbaas de hand toe, die hem nog
bleeker toescheen dan den vorigen dag.
„Het zal u wel wat verbazen, mij hier te zien, goede vriend,” begon
Raffles. „Laat ik u dadelijk zeggen dat ik slechts gedreven word door
mijn oprechten wensch, u van dienst te zijn. Gij zult nu misschien zelf
wel hebben ingezien dat het voor u niet zoo gemakkelijk zal zijn
opnieuw een betrekking te krijgen.”
„Als het tenminste niet onmogelijk is, mijnheer,” zeide Macloed op
bitteren toon. „Ik heb het al gemerkt. Zij hebben me op de zwarte lijst
gezet. Nog in den loop van gistermiddag ben ik aan vier groote
fabrieken geweest en aan de houding van de portiers zag ik al hoe laat
het was, en ik weet zeker dat er bij twee van die fabrieken plaatsen
open waren.”
„Dat zal dan ook voor u een reden moeten zijn, mijn waarde Macloed, om
mijn hulp niet af te slaan,” hernam Raffles. „Ik weet dat gij die ten
volle verdient. Ik weet nog meer. Het is me thans bekend, waarom ge
gisteren plotseling ontslagen zijt.”
Macloed sprong op van den stoel, waarop hij had plaats genomen, schoof
het meubel met een ruk achteruit en wierp Raffles een verwilderden
straffen blik toe, terwijl hij vreeselijk verbleekte.
Toen kwam het heesch over zijn lippen:
„Wat weet gij dan, hoe weet gij het?”
„Dat kan en wil ik u niet zeggen, vriend, want gij zoudt in dolle drift
in staat zijn tot dingen, die u later zouden berouwen. Laat het u
genoeg zijn, dat ik het weet.”
Maar de werkbaas trad op Raffles toe met gebalde vuisten, terwijl de
nagels hem in de handpalmen drongen, en terwijl hij zich tot het
uiterste inspande om kalm te blijven.
Zijn stem had een schorren klank, toen hij zeide:
„Zeg mij hoe gij het weet, mijnheer. Gij ziet dat ik volkomen kalm ben.
Gij kunt het mij gerust zeggen. Ik kan dien schurk niet meer verachten,
dan ik het nu reeds doe. Ik moet het van u weten, gij moogt mij niet
langer martelen en als gij blijft zwijgen, dan ga ik naar het kantoor,
al zou ik er den portier voor moeten neer slaan, om er te kunnen binnen
dringen. En dan zal ik hem uit den strot wringen, wat gij mij weigert
te zeggen.”
Raffles keek den werkbaas een oogenblik onderzoekend aan, en begreep
toen, dat het verstandiger zou zijn, den ongelukkigen vader thans de
waarheid te zeggen, daar hij die later ongetwijfeld wel op een andere
wijze zou vernemen, en dan misschien op een manier die hem tot razernij
zou prikkelen, en hem in zijn dolle woede tot daden van geweld zou
drijven.
Zonder den armen vader aan te zien, zeide Raffles op gedempten toon:
„Ik weet het, Macloed, omdat ik hoorde, hoe Bates tegenover twee van
zijn vrienden over zijn lage daad opsneed, maar laat ik er dadelijk aan
toevoegen, dat hij uw naam niet heeft uitgesproken. Ik echter begreep
aanstonds, dat ik nu de reden vernomen heb, waarom die schurk u zonder
meer weg zond, met een week loon.”
Macloed had zich weder op zijn stoel laten neervallen en zijn gebalde
vuisten rustten op zijn knieën, terwijl zijn oogen half schuil gingen
achter de ruige wenkbrauwen.
Zoo zat hij een oogenblik onbewegelijk terneer, maar plotseling begroef
hij het gelaat in de handen en barstte in een hartverscheurend snikken
uit.
Dadelijk was Raffles overeind, om hem de hand op den schouder te leggen
en op hetzelfde oogenblik vloog een deur open en stormde een jong
meisje het vertrek binnen, bijna een kind nog, dat zonder op den
bezoeker acht te slaan, naast haar vader neer knielde en het
doodsbleeke, van smart verwrongen gezichtje aan zijn borst verborg,
terwijl zij de beide armen om zijn hals sloeg.
Aanstonds wendde Raffles zich bescheiden af en wendde zich naar het
raam, als om te zien, wat er op straat geschiedde.
Maar reeds had Macloed zich hersteld en zijn dochter met zachten dwang
het vertrek weder doen verlaten.
Hij sloot de deur achter haar, kwam op Raffles toe en zeide met door
tranen nog half verstikte stem:
„Gij weet dus nu wat er gebeurd is, mijnheer, maar ik zweer u bij God,
dat mijn kleine Lucie geen schuld treft. Met geweld—verstaat gij, met
geweld heeft hij haar gedwongen. Hij had haar met een voorwendsel
tijdens het schaftuur op zijn kantoor laten komen, en toen....
toen....”
Macloed kon niet verder gaan.
Hij sloeg met zijn gesloten rechtervuist op zijn borst en kreunde als
een gewond dier.
Toen steunde hij zachtjes:
„Mijn alles, mijn kleine lieveling, zij was zoo teer en zacht,
mijnheer. Het zonnetje van ons huis. Zij lachte en zong den geheelen
dag, ofschoon er op haar afdeeling in de fabriek eigenlijk niet
gezongen mocht worden, maar niemand kon het kind iets kwalijk nemen. En
zij was verloofd, hoort gij, verloofd met een braven jongen, een
teekenaar van de fabriek, met een hart van goud. Mijn God, waarom hebt
ge dat geduld. Waarom moest dit over ons komen. Het zal een vreeselijke
slag zijn voor hem en nu zal hij haar van zich werpen, haar leven is
verbroken.”
„Gij kent mij niet, Macloed, als gij dit zegt,” liet een zachte, maar
heldere mannenstem zich hooren.
Met een ruk en een kreet van verbazing wendde de werkbaas het hoofd
naar de deur, die een oogenblik van te voren reeds geopend was, zonder
dat de beide mannen het bemerkt hadden.
Op den drempel stond een jonge man van omstreeks drie en twintig jaar
met een nog baardeloos open gelaat, dat op dit oogenblik echter
wasbleek was, glanzende bruine oogen en een klassiek gevormd voorhoofd,
dat slechts voor een klein gedeelte bedekt werd door het weelderig
krullende haar.
„Jij, Jerry,” riep Macloed uit. „Ben jij het jongen, en heb je gehoord,
wat ik zeide?”
„Ja, ik hoorde het en ik herhaal, dat je ongelijk had, Macloed,” hernam
de jonge man. „Lucie heeft mij gisteravond geschreven, mij
afgeschreven. Ik kreeg den brief vanmorgen met de eerste post en ik kom
hier om te zeggen, dat ik me niet laat afschrijven, dat ik Lucie innig
lief heb, dat ik even zeker ben van haar schuldeloosheid als van mijn
eigen bestaan, dat ik haar niet kan missen, evenmin als lucht en licht,
en dat ik haar ondanks alles tot mijn vrouw zal maken.”
Macloed uitte een gedempten kreet van ongeloof en vreugde en staarde
den jongen man met groote oogen aan, alsof hij zijn ooren niet kon
gelooven.
Toen stotterde hij:
„Dat is.... dat is.... dat is....”
„Ik weet het wel, Macloed,” hernam de jonge man met een zwak
glimlachje. „Men zal het misschien wel ongewoon noemen en ik wil me
niet beter maken, dan ik ben. Ik heb met mijzelf moeten worstelen. Ik
heb moeite gehad mij los te maken van de afschuwelijke obsessie, dat
mijn lief meisje was aangeraakt, besmeurd door een ellendigen,
gewetenloozen schoft, maar het slot was toch altijd dat ik haar
onmogelijk ontberen kan en dat ik zal trachten goed te maken, wat een
eervergeten schurk aan haar misdreven heeft.”
Jerry had dit nauwelijks gezegd, of met een kreet van innige liefde en
dankbaarheid stormde Lucie Macloed het vertrek binnen, waarvan de deur
open was blijven staan, en wierp zich aan de borst van haar verloofde,
die haar teeder in de armen sloot, terwijl zij uitriep:
„Ik dank je, Jerry, ik dank je. Je hebt gedaan, wat ik niet durfde
hopen, maar ik neem je offer niet aan. Neen, spreek niet. Het is een
offer. Je voelt het zelf nu zoo niet, maar wie weet of je me later niet
verwijten zal en dat zou ik nooit kunnen verdragen. Liever zou ik den
dood zoeken. Je hebt me gelukkig gemaakt door de weinige woorden, die
je zooeven tot mijn vader zei. En daarvoor ben ik je innig dankbaar,
Jerry, maar ik wil en ik mag je offer niet aannemen.”
„Wie praat er van een offer, meisje,” kwam Jerry op verwijtenden toon,
terwijl hij haar over het goudblonde haar streek. „Noem dat woord niet
meer, ik heb je altijd lief gehad. Ik geloof wel haast van het
oogenblik dat je voor het eerst op deze zwakke beentjes door dezelfde
kamer liep en ik bij je vader teekenles nam. En ik heb je nooit anders
kunnen denken, dan als mijn vrouwtje aan mijn zijde. Als wij sterk zijn
en als wij deugdelijk willen, dan kunnen wij dat ééne vreeselijke
vergeten, ons voorstellen dat het niet bestaan heeft, het weg denken en
ik zou mijzelf voorkomen als een hartelooze kerel, als ik je aan je lot
had overgelaten. Zou ik je moeten laten boeten voor iets, dat je schuld
niet is? Je bent in mijn oogen dezelfde gebleven. Je ziel bleef
onbesmet, die heeft met het lichaam niets te maken. Lucie ik heb je
lief en nu, nu vraag ik je nogmaals, wordt mijn vrouw. Ik kan zonder
jou niet leven.”
Besluiteloos keek Lucie van den één naar den ander. Eindelijk bleef
haar blik rusten op Raffles, die zich reeds bij het begin van het
gesprek bescheiden had willen verwijderen, maar door Macloed met een
gebaar was tegengehouden.
Nu deed Raffles een stap naar voren en wat hem maar zeer zelden
gebeurde, zijn stem beefde, toen hij tot het jonge meisje zeide:
„Ik ben u volstrekt vreemd, Miss, en gij behoeft volstrekt geen
rekening te houden met wat ik zeg, maar mij dunkt, dat gij mijnheer
Jerry geen verdriet moogt aandoen, door een voorstel van de hand te
slaan, dat hem als een edel en goed mensch doet kennen. Wat Bates
aangaat, ik geef u de verzekering, dat die schurk zijn straf niet zal
ontloopen.”
Lucie keek Raffles met door tranen benevelde oogen aan, en keek toen
haar vader vragend en eenigszins verbaasd aan.
„Dat is die heer die ons vijf honderd pond heeft gegeven voor onze
weerstandskas, kind,” zeide Macloed op zachten toon.
„Hij heeft zich een vriend voor ons betoond en hij weet alles reeds wat
die ellendeling van een Bates heeft gedaan.”
Raffles wilde hem met een vlug gebaar het stilzwijgen opleggen, maar
Jerry had al begrepen wat de oude Macloed wilde zeggen.
Hij werd zoo mogelijk nog bleeker en voor het eerst verscheen er een
woeste uitdrukking op het gelaat toen hij uitriep:
„Heeft de schoft er in het openbaar over durven spreken, zoodat anderen
het konden hooren? O, die laffe schurk, maar laat hij zich voor mij in
acht nemen, wij zijn nog niet van elkaar af.”
„Ik bid je Jerry, wees kalm,” riep Lucie uit, terwijl zij haar arm met
een wanhopig gebaar om den hals van den jongen man sloeg. „Laten wij
trachten het te vergeten en laat den vreeselijken man aan zijn lot
over.”
„Dat kan ik niet,” riep Jerry op woesten toon. „God is mijn getuige,
dat in mijn gevoelens tegenover jou niets veranderd is, maar mijn bloed
kookt. Ik ben mijzelf niet meester, als ik aan de laaghartige daad van
dien kerel denk. Misschien heeft hij het wel doen voorkomen, alsof je
uit eigen wil zijn zin hebt gedaan. Daartoe acht ik hem in staat. Ik
herhaal, laat hij zich voor mij in acht nemen.”
Nu trad Raffles, die zich bescheiden in een hoek van het vertrek had
teruggetrokken, op Jerry toe en zeide op ernstigen toon:
„Wij kunnen ons allen zeer goed voorstellen, wat er in u omgaat, waarde
vriend Jerry. Uw gevoelens zijn volkomen gerechtvaardigd, maar toch, nu
gij het plan hebt opgevat Miss Lucie tot uw vrouw te maken, nu moet gij
zelf niet meer als wreker willen optreden, laat dat aan anderen over.
Bates zal op harde wijze gestraft worden, daar sta ik u borg voor. Ga
nu weder aan uw werk. Gij moogt uw toekomst niet op het spel zetten,
door weg te blijven.”
Maar Jerry keek Raffles met groote oogen aan en barstte toen uit:
„Wat denkt gij, mijnheer, dat ik zou kunnen blijven werken voor den
man, die het liefste, wat ik op aarde bezit, ontheiligd heeft? Denkt
gij, dat ik het zou kunnen velen, dien man met zijn hatelijken lach om
zijn dikke lippen voor mij te zien? Denkt gij dat ik mij zou kunnen
inhouden om hem neer te slaan? Neen, daartoe zou ik niet bij machte
zijn. Ik blijf nog eenige dagen om geen gelegenheid te geven, mij een
getuigschrift te weigeren en dan ga ik heen. Ik geloof, dat ik niet
onbekwaam ben in mijn vak en ik zal wel elders een betrekking kunnen
vinden.”
„Blijf dan bij dat plan, maar ga dan nu ook heen,” drong Raffles aan.
„Bedwing u zooveel mogelijk. Bedenk dat gij Miss Lucie nog ongelukkiger
zoudt maken dan ze nu reeds is, door u door uw drift te laten
medesleepen en daardoor uw geheele toekomst in gevaar te brengen. Geef
mij in ieder geval uw adres, ik wilde u gaarne eens spreken.”
Jerry haalde een visitekaartje te voorschijn en stak het Raffles toe
met de woorden:
„Hier is mijn adres, mijnheer, een kwartier loopen hier vandaan.”
Vervolgens nam hij het hoofd van Lucie tusschen zijn handen, drukte een
kus op haar voorhoofd, stak den ouden Macloed de hand toe, en stormde
toen weg, alsof ieder oogenblik verzuim hem noodlottig zou kunnen
worden.
Raffles wierp een blik op het kaartje en las:
„Gerard Humber, geeft onderwijs in machineteekenen. Lowstreet 37.”
Daarop trad hij weder op Macloed en zijn dochter toe, die zich aan de
borst van haar vader had geworpen en zeide:
„Gij moet het mij niet ten kwade duiden, dat ik getuige ben geweest van
dit tooneeltje. Gij kunt er verzekerd van zijn, dat er over mijn lippen
nimmer een woord zal komen, met betrekking tot deze zaak. En als Miss
Lucie daaraan iets gelegen is, dan wil ik haar wel de verzekering
geven, dat zij in mijn oogen evenveel hoogachting en liefde verdient
als vroeger.”
Raffles wilde nog iets zeggen, toen de deur opnieuw geopend werd en de
moeder van Lucie binnentrad.
Er lag een verschrikte uitdrukking op het gelaat, toen zij zich, zonder
zich om den bezoeker te bekommeren, tot haar man zeide:
„Daar is mijnheer Bates.”
HOOFDSTUK IV.
BATES EN JERRY.
Met een ruk duwde Macloed zijn dochter van zich af en zijn gelaat
vertrok krampachtig.
Zijn oogen schoten vuur en zijn handen balden zich tot vuisten, toen
hij uitriep:
„Wat, wil die schurk zich hier vertoonen? Is hij dan in het geheel niet
bevreesd, dat ik hem met mijn eigen handen de keel zal dichtknijpen?
Komt hij ons soms nog bespotten na ons ongelukkig te hebben gemaakt?”
„Stel je gerust, Macloed, en blijf bedaard, dat ben ik in het geheel
niet van plan,” liet een stem zich hooren.
Arthur Bates stond op den drempel.
Zijn gelaat was bleek en zijn oogen dwaalden onrustig het vertrek rond,
tot zij tenslotte gevestigd bleven op het gelaat van den hem onbekenden
bezoeker.
Macloed was een stap op hem toegetreden, maar Raffles legde hem
aanstonds de hand op den arm, en diens invloed scheen den werkbaas tot
bedaren te brengen, want hij dwong zich uit alle macht tot kalmte en
vroeg:
„Wat komt gij hier doen? Maak het kort als ik u verzoeken mag.”
Bates scheen een oogenblik te aarzelen en antwoordde toen:
„Wat ik hier heb te zeggen, Macloed, dat is alleen voor jouw ooren
bestemd. Het betreft Miss Lucie.”