In den toon, waarop hij deze twee woorden sprak, lag iets wilds, iets
razends. Deze toon is onmogelijk weder te geven of te beschrijven;
't was geen menschelijke spraak, maar een gebrul.
Hij handelde niet als gewoonlijk; hij gaf geen kennis van de zaak,
hij vertoonde het dwangbevel niet. Voor hem was Jean Valjean een soort
van geheimzinnigen, onvatbaren strijder, een nevelachtige worstelaar,
dien hij sedert vijf jaren omspannen hield, zonder hem te kunnen
vatten. Deze gevangenneming was geen begin, maar een einde. Hij
vergenoegde zich met te zeggen: Kom, spoedig!
Terwijl hij dit zeide, deed hij geen schrede voorwaarts; hij sloeg op
Jean Valjean dien blik, welken hij als een haak uitwierp en waarmede
hij gewoonlijk de rampzaligen als met geweld tot zich trok.
't Was deze blik, die Fantine twee maanden vroeger tot in het merg
van haar gebeente had voelen doordringen.
Op Javert's stem had Fantine de oogen weder geopend. Maar mijnheer
de maire was er: wat had zij te vreezen?
Javert trad tot in 't midden der kamer en riep:
"Nu! komt ge?"
De ongelukkige zieke zag rondom zich. Er was niemand dan de
liefdezuster en de maire. Wie kon deze smadelijke oproeping
gelden? Haar alleen! Zij rilde.
Toen zag zij iets ongehoords, iets zoo ongehoords, dat zelfs in de
gedrochtelijkste koortsbeelden haar zoo iets niet verschenen was. Zij
zag den politieagent Javert mijnheer den maire bij den kraag vatten;
zij zag mijnheer den maire het hoofd buigen. Het was haar, alsof de
wereld onderging.
Inderdaad, Javert had Jean Valjean bij den kraag gevat.
"Mijnheer de maire!" riep Fantine.
Javert lachte luid, een vreeselijke lach, die al zijn tanden liet zien.
"Hier is geen mijnheer de maire meer!"
Jean Valjean deed geen poging om zich van de hand te bevrijden,
die den kraag van zijn jas vasthield. Hij zeide:
"Javert...."