Javert beet hem toe:--"Noem mij mijnheer den inspecteur."

"Mijnheer, hernam Jean Valjean, ik wenschte u een paar woorden onder

vier oogen te zeggen."

"Spreek maar hardop," antwoordde Javert, "men spreekt altijd hardop

tot mij."

Jean Valjean hernam zacht:

"Ik wilde u een verzoek doen..."

"Ik zeg, dat ge hardop moet spreken."

"Maar dit mag alleen door u gehoord worden..."

"Wat gaat mij dit aan? ik luister niet!"

Jean Valjean keerde zich dicht tot hem en zeide schielijk en zacht:

"Vergun mij drie dagen. Drie dagen, om het kind van deze ongelukkige

vrouw te halen. Ik zal alles betalen. Ge kunt mij vergezellen, zoo

gij wilt."

"Houdt ge mij voor den gek?" riep Javert. "Ik dacht niet, dat ge zoo

dom waart. Ge wilt drie dagen om u uit de voeten te maken! Ge zegt,

dat ge het kind van deze deern wilt halen. Ha! ha! niet slecht! niet

slecht!"

Fantine beefde.

"Mijn kind!" riep zij, "mijn kind gaan halen! 't Is dus niet

hier! Zuster, spreek, waar is Cosette? Ik wil mijn kind! mijnheer

Madeleine, mijnheer de maire!"

Javert stampvoette.

"Is daar de andere ook? Wilt ge zwijgen, deern! Vervloekt land,

waar galeiboeven overheden zijn en publieke vrouwen als gravinnen

verpleegd worden! O, 't zal alles veranderen, 't is hoog tijd!"

Hij zag Fantine strak aan en vervolgde, terwijl hij de das, den

hemdsboord en den rokskraag van Jean Valjean opnieuw vatte: "Ik zeg u,

dat hier geen mijnheer Madeleine en geen mijnheer de maire meer is. Er

is hier een dief, een roover, een galeiboef, die Jean Valjean heet;

en dat is degeen, dien ik hier vasthoud."

Fantine richtte zich op, en op haar stijve armen en handen steunende,

aanschouwde zij Jean Valjean, Javert en de liefdezuster; zij opende den

mond om te spreken, maar slechts een gereutel kwam uit haar keel, haar

tanden klapperden, zij stak angstig de armen uit, opende stuiptrekkend

haar handen, en tastte om zich, als iemand die verdrinkt; toen zonk

zij eensklaps in het hoofdkussen neer.

Haar hoofd stiet tegen het hoofdeinde van het bed, en zonk op de

borst terug, met open mond en strakke, doffe oogen.

Zij was dood.

Jean Valjean legde zijn hand op de hand van Javert, die hem vasthield,

en opende ze, alsof hij de hand van een kind had geopend; toen sprak

hij tot Javert:

"Ge hebt deze vrouw gedood."

"Komt er een eind aan?" riep Javert woedend, "ik ben hier niet om

praatjes aan te hooren. Laten we daarmee ophouden; de wacht is beneden;

terstond voort of de duimschroeven."

In den hoek der kamer stond een oud ijzeren bed, in tamelijk slechten

toestand, dat tot rustbed diende, wanneer de zusters waakten. Jean

Valjean trad naar dit bed, brak er in een oogwenk een ijzeren stang af,

't geen voor zijn gespierde vuist slechts kinderspel was, en met dit

wapen in de hand zag hij Javert aan, die naar de deur terugweek. Toen

ging Jean Valjean met de stang in de hand langzaam naar Fantine's

bed. Hier gekomen keerde hij zich om en zeide tot Javert met een

nauwelijks hoorbare stem:

"Ik raad u niet, mij op dit oogenblik te storen."

't Is zeker, dat Javert beefde.

Het denkbeeld kwam in hem op de wacht te roepen, maar Jean Valjean

kon van dit oogenblik gebruik maken om te ontsnappen. Hij bleef dus,

nam zijn stok bij het dunne eind en ging tegen den deurpost staan

zonder Jean Valjean uit het oog te verliezen.

Jean Valjean rustte met zijn elleboog tegen het hoofdeinde van het

bed en hield zijn hoofd in de hand; hij zag strak op Fantine, die

bewegingloos lag uitgestrekt. Aldus bleef hij peinzend, zwijgend en

blijkbaar aan niets van deze wereld meer denkende, staan. Op zijn

gezicht en in zijn houding was alleen een onbeschrijfelijk medelijden

te lezen. Na eenige oogenblikken boog hij zich tot Fantine en sprak

haar fluisterend toe.

Wat zeide hij haar? Wat kon deze man, een veroordeelde, zeggen tot

deze vrouw, die dood was? Wat beteekenden zijn woorden? Niemand ter

wereld heeft ze gehoord. Hoorde de gestorvene ze? Er zijn aandoenlijke

illusiën, die misschien verheven werkelijkheden zijn. Ontwijfelbaar

is het, dat zuster Simplicia, de eenige getuige van dit tooneel,

dikwerf verhaald heeft, dat, toen Jean Valjean Fantine toefluisterde,

zij duidelijk op haar bleeke lippen en in haar strakke oogen een

onbeschrijfelijken glimlach zag verschijnen. Jean Valjean nam Fantine's

hoofd met beide handen en vlijde het op het kussen evenals een moeder

haar kind zou doen, bond het bandje van haar hemd dicht en streek

het haar onder heur muts. Daarna sloot hij haar oogen.

Fantine's gelaat glansde op dit oogenblik in een wonderbaar licht.

De dood is de ingang tot het groote licht.

De hand van Fantine hing uit het bed. Jean Valjean knielde voor die

hand, lichtte ze zacht op en kuste ze.

Toen richtte hij zich op, en zeide tot Javert:

"Nu ben ik tot uw dienst."

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 171 / 177 题