"Dat kan niet."
"Waarom?"
"De stal is geheel vol paarden."
"Nu," hernam de man, "dan een hoekje op den zolder. Een bos stroo. Dat
zal zich na den maaltijd wel vinden."
"Ik kan u niet te eten geven."
Deze op gematigden doch vasten toon gedane verklaring verraste den
vreemde. Hij stond op, en zeide:
"O! maar ik sterf van honger. Sedert zonsopgang ben ik op reis geweest;
ik heb twaalf uren afgelegd. Ik betaal; ik wil eten."
"Ik heb niets," antwoordde de hospes.
De man begon te lachen en zeide, zich naar den haard en de fornuizen
wendende:--"Niets? En wat is dat dan?"
"Dat alles is besteld."
"Door wie?"
"Door de voerlieden."
"Met hoevelen zijn ze?"
"Met hun twaalven."
"En daar is eten genoeg voor twintig menschen."
"Zij hebben alles besteld en vooruit betaald."
De man ging weer zitten en zeide zonder drift:
"Ik ben in een herberg, ik heb honger en blijf."
Toen bracht de hospes den mond aan zijn oor en fluisterde op een toon,
die hem deed ontstellen:--"Ga heen!"
De reiziger zat nu neêrgebogen en stiet met de ijzeren punt van zijn
stok eenige gloeiende spaanders in 't vuur; eensklaps keerde hij zich
om, maar toen hij den mond opende om te antwoorden, staarde de hospes
hem strak aan en voegde er zacht bij:
"Houd u toch stil! Wilt ge, dat ik u uw naam noem? Ge heet Jean
Valjean. Wilt ge nu dat ik u zeg, wie ge zijt? Toen ik u zag
binnenkomen, vermoedde ik iets en zond naar 't Stadhuis; ziehier wat
men geantwoord heeft. Kunt ge lezen?"
Dit zeggende, reikte hij den vreemde het opengevouwen papier, dat
uit de herberg naar 't Stadhuis was gegaan en van 't Stadhuis naar
de herberg terug. De man sloeg er een blik op, en na eenig zwijgen
hernam de herbergier:
"Ik ben gewoon jegens iedereen beleefd te zijn. Ga heen." De man boog
het hoofd, raapte zijn ransel op en vertrok zwijgend.
Hij ging op goed geluk af, rechtuit door de hoofdstraat, dicht langs
de huizen, als een gedeemoedigd, verslagen mensch. Geen enkelen
keer zag hij om. Zoo hij 't gedaan had, zou hij den herbergier van
het Kruis van Colbas voor zijn deur hebben gezien, omringd van al
zijn gasten en van een menigte voorbijgangers, luid sprekende en
hem met den vinger nawijzende. Hij zou tevens uit de wantrouwende
en verschrikte blikken dier lieden afgeleid hebben, dat zijn komst
spoedig een gewichtig nieuws voor de geheele stad zou zijn.
Maar van dat alles zag hij niets. Bedrukten en bedroefden zien niet
om. Zij weten al te goed, dat het ongeluk hen volgt en vervolgt.
Zoo ging hij eenigen tijd voort, op goed geluk af en door hem onbekende
straten; en hij vergat zijn vermoeienis, zooals dit bij treurigheid
het geval is. Maar eensklaps voelde hij een hevigen honger. De nacht
naderde; hij zag om zich heen, of hij niet ergens een legerplaats
kon ontdekken.
De fraaie herberg was voor hem gesloten; nu zocht hij een minder
logement, een armoedige kroeg. Aan het einde der straat werd juist een
licht ontstoken; een dennetak, aan een ijzeren stang hangende, kwam
als uithangbord scherp uit in de dunne schemering. Hij ging er heen.
't Was inderdaad een herberg: de herberg in de straat Chaffaut.
De reiziger stond even stil en keek door het raam der herberg in het
lage vertrek, dat door een kleine, op de tafel staande lamp en een
groot vuur op den haard verlicht werd. Er waren eenige mannen die
zaten te drinken. De hospes warmde zich. Boven het vuur hing aan een
ketting een pot te koken.
Deze kroeg, die tevens een soort van logement is, heeft twee deuren:
de eene aan de straat, de andere aan een kleine plaats vol mest.
De reiziger waagde 't niet, door de straatdeur binnen te gaan. Hij
sloop naar de plaats, stond weder stil, lichtte bedeesd de klink op
en deed de deur open.
"Wie is dáár?" vroeg de waard.
"Iemand die hier wenschte te slapen en te eten."
"Goed. Men kan hier slapen en eten."
Hij trad binnen. Al de drinkers wendden zich om. De lamp bescheen hem
aan de eene, het haardvuur aan de andere zijde. Men zag eenigen tijd
naar hem, terwijl hij zijn ransel aflegde.
De hospes zeide toen:--"Hier is 't vuur. Het avondeten is aan de
kook. Warm u intusschen, kameraad."
Hij zette zich aan den haard en strekte zijn vermoeide en gewonde
voeten naar het vuur uit; er kwam een heerlijke geur uit den
pot. Zijn gezicht, zoover men het onder de, in de oogen gedrukte,
pet kon zien, nam een vluchtigen schijn van welbehagen aan, gepaard
aan die smartelijke uitdrukking, welke de gewoonte van lijden aan
het gelaat geeft.
Voor 't overige had hij een forsch, schrander en treurig
voorkomen. Zijn gelaatsuitdrukking was zonderling; ze scheen op
het eerste gezicht deemoedig, maar ging ten laatste tot strengheid
over. Zijn oogen vlamden onder de wenkbrauwen, als een vuur in een
kreupelbosch.
Ondertusschen bevond zich onder de lieden aan tafel een vischkooper,
die, vóór hij naar de herberg in de straat Chaffaut was gegaan,
zijn paard bij Labarre op stal had gebracht. Het toeval wilde, dat
hij dien zelfden morgen den vreemdeling met het ongunstige uiterlijk
tusschen Bras d'Asse en... (de naam is mij ontgaan; ik meen dat 't
Escoublon is) ontmoet had. En deze man, die zeer vermoeid scheen,
had hem verzocht achter op zijn paard te mogen zitten, waarop
de vischkooper had geantwoord door sneller voort te rijden. Deze
vischkooper had zich, een half uur te voren, bij de groep bevonden, die
Jacquin Labarre omringde, en hij had toen zijn onaangename ontmoeting
van dien morgen aan de lieden van het Kruis van Colbas verhaald. Nu
gaf hij den hospes ongemerkt een wenk. De hospes kwam tot hem, zij
wisselden eenige fluisterende woorden met elkander. De vreemdeling
was intusschen weder in zijn overpeinzingen verdiept.
De hospes ging nu naar den haard, legde ruw zijn hand op den schouder
van den man en zeide:
"Ge moet u dadelijk voortmaken."
De vreemdeling keerde zich om en antwoordde gelaten:
"Zoo! weet ge?"
"Ja."
"Men heeft mij ook in de andere herberg afgewezen."
"En men jaagt u uit deze."
"Waarheen moet ik dan gaan?"
"Waar ge wilt."
De man nam zijn stok en ransel en ging heen.
Toen hij de herberg verliet, wierpen eenige kinderen, die hem van
het Kruis van Colbas gevolgd waren en hem schenen gewacht te hebben,
met steenen naar hem. Hij keerde zich toornig om en dreigde hen met
zijn stok, waarop de kinderen als een zwerm vogels uit elkander stoven.
Hij ging voorbij de gevangenis. Aan de deur hing de ijzeren ketting
van een schel. Hij belde. Een getralied raampje werd geopend.
"Mijnheer de portier," zeide hij, eerbiedig zijn pet afnemende,
"zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn mij open te doen en dezen nacht
te huisvesten?"
Een stem antwoordde:
"Een gevangenis is geen herberg. Laat u gevangennemen en men zal de
deur voor u openen."
Het raampje werd gesloten.
Toen kwam hij in een enge straat, waar veel tuinen waren. Sommige
waren slechts door hagen omsloten, 't geen de straat een vriendelijk
aanzicht gaf. Tusschen deze tuinen en hagen zag hij een huisje
van één verdieping, waarvan het raam verlicht was. Hij keek door
dit raam, evenals hij door dat der herberg had gedaan. 't Was een
ruime kamer, welker muren gewit waren, en waarin een bed met gedrukt
katoenen gordijnen stond; in een der hoeken stond nog een wieg en
verder eenige houten stoelen; aan den wand hing een jachtgeweer
met dubbelen loop. Een gedekte tafel stond in het midden van het
vertrek. Een koperen lamp verlichte het grove tafellaken, de als
zilver blinkende kan met wijn en een dampenden rooden schotel. Aan
deze tafel zat een veertigjarig man, met vroolijk open gelaat, die
een kindje op zijn knieën liet dansen. Naast hem zat een zeer jonge
vrouw met een zuigeling aan de borst. De vader lachte, het kind lachte,
de moeder glimlachte.
Peinzend bleef de vreemdeling een oogenblik voor dit liefelijk
huiselijk tooneel staan. Wat ging er in hem om? Hij alleen zou 't
kunnen zeggen. Waarschijnlijk dacht hij, dat dit vergenoegde huis
gastvrij zou zijn, en, waar zooveel geluk woonde, hij misschien eenig
medelijden zou vinden.
Zacht klopte hij tegen de glasruit.
Men hoorde niet.
Hij klopte nogmaals. Nu hoorde hij de vrouw zeggen:--"Man, ik geloof
dat er geklopt wordt."
"Neen," antwoordde de man.
Ten derden male klopte de vreemde.
De man stond op, nam de lamp en deed de deur open.
't Was iemand van hooge gestalte, half boer, half handwerksman. Hij
droeg een groot schootsvel, dat tot aan zijn linkerschouder reikte en
waarin een hamer, een roode zakdoek en een kruithoorn staken, al welke
voorwerpen door den gordelriem als in een zak werden vastgehouden. Hij
wierp het hoofd achterover, en zijn open hemd, dat wijd omgeslagen
was, liet een gladden, naakten hals, als van een stier, zien. Hij had
zware wenkbrauwen, groote zwarte bakkebaarden, vooruitstekende oogen,
een breed uitloopend gezicht, en bij dit alles de niet te beschrijven
uitdrukking, dat men zich te huis gevoelt.
"Vergeving, mijnheer," zei de reiziger. "Zoudt gij mij tegen betaling
een bord soep en een hoekje om te slapen in gindsche schuur in den
tuin willen vergunnen. Zeg, wilt ge? tegen betaling?"
"Wie zijt ge?" vroeg de meester des huizes.
De man antwoordde: "Ik kom van Puy-Moisson en heb den geheelen dag
geloopen. Ik heb twaalf uren afgelegd. Wilt ge? Tegen betaling?"
"Ik kan een eerlijk man, die betaalt, niet weigeren te logeeren,"
zei de boer. "Maar waarom gaat ge niet naar de herberg?"
"Er is geen plaats."
"Hoe! niet mogelijk! 't Is geen kermis of marktdag. Zijt ge bij
Labarre geweest?"
"Ja."
"Nu?"