"Zijt ge bij... hoe heet hij--in de straat Chaffaut geweest?"
De verlegenheid van den vreemdeling vermeerderde; hij stamelde:
"Hij wilde mij evenmin herbergen."
Het gelaat van den landman nam een achterdochtige uitdrukking aan, hij
beschouwde den vreemdeling van het hoofd tot de voeten, en eensklaps
riep hij met een zekere huivering:
"Zoudt gij soms die man zijn?"
Hij sloeg opnieuw een blik op den vreemde, trad drie stappen achteruit,
zette de lamp op de tafel en nam het geweer van den wand.
Intusschen was de vrouw op de woorden van den boer: "Zoudt gij soms
die man zijn?" opgestaan, had haar beide kinderen in de armen genomen
en zich schielijk achter haar man in veiligheid gesteld, terwijl
ze den vreemdeling met ontzetting aanzag, en, met afwerend gebaar,
"struikroover" fluisterde.
Dit alles geschiedde in minder tijd dan noodig is om het zich voor te
stellen. Na eenige oogenblikken den man aanschouwd te hebben, evenals
men een adder aanziet, ging de heer des huizes weder naar de deur,
en zeide:
"Ga heen!"
"Ik bid u," hernam de man, "slechts een glas water!"
"Een geweerschot!" zei de boer.
Toen sloot hij met kracht de deur dicht en de vreemde hoorde hem er
twee zware grendels voorschuiven. Een oogenblik later werd het luik
voor het venster gedaan en met een ijzeren boom gesloten, waarvan
het gerucht buiten gehoord werd.
Het werd hoe langer hoe donkerder; de wind woei koud van de Alpen. In
de avondschemering zag de vreemde in een der tuinen aan den weg een
soort van hut, die van graszoden gebouwd scheen. Stoutmoedig sprong
hij over de houten heining in den tuin en naderde de hut, die tot
ingang een zeer lage opening had en overigens op die woningen geleek,
welke de [Fransche] straatwerkers aan den kant der wegen voor zich
bouwen. Hij meende ongetwijfeld, dat het inderdaad het verblijf van
een straatwerker was; hij leed koude en honger; hij had zich aan
den honger onderworpen, maar hier was ten minste een schuilplaats
tegen de koude. Deze soort van verblijven zijn gewoonlijk des nachts
onbewoond. Hij kroop op den buik in de hut. 't Was er warm, en hij
vond er een tamelijk goed strooleger. Een oogenblik bleef hij op
dit bed uitgestrekt, zonder zich te kunnen bewegen, zoo vermoeid was
hij. Maar wijl de ransel op zijn rug hem hinderde en deze hem zeer
geschikt voor een oorkussen kon dienen, begon hij een der riemen los
te gespen. Op dit oogenblik hoorde hij een nijdig gebrom. Hij hief de
oogen op en zag in de opening der hut den kop van een reusachtigen dog.
Hij lag in een hondenhok!
Daar hij zelf sterk en onverschrokken was, nam hij zijn stok,
gebruikte zijn ransel tot schild, en kroop zoo goed hij kon uit het
hok, evenwel niet zonder zijn lompen nog haveloozer te maken.
Hij verliet eveneens den tuin, maar langzaam achteruit tredende en
steeds de batonneerkunst in praktijk brengende, ten einde den dog in
bedwang te houden.
Toen hij, niet zonder moeite, weder over de heining was gekomen en zich
opnieuw alleen, zonder nachtverblijf, zonder dak, zonder schuilplaats
op de straat bevond, zelfs van dat strooleger en uit dat ellendig hok
verjaagd, liet hij zich op een steen eer vallen dan hij er zich op
zette, en, zoo het schijnt, moet een voorbijganger hem hebben hooren
uitroepen: Ik ben zelfs geen hond!
Weldra stond hij weder op en ging verder, buiten de stad, in de
hoop een boom of een hooiberg op het veld te zullen vinden om hem
te beschutten.
Zoo ging hij met gebogen hoofd eenigen tijd voort. Toen hij zich
verre van eenige menschelijke woning zag, sloeg hij de oogen op, en om
zich heen. Hij was op een veld en zag voor zich een dier met stoppels
bedekte hoogten, welke na den oogst kaal geschoren hoofden gelijken.
Aan den horizon was alles donker; 't was niet alleen de nachtelijke
duisternis, 't waren lage wolken, die op den heuvel schenen te rusten
en den geheelen hemel bedekten. Maar wijl de maan opging en er aan
de kim nog eenig licht schemerde, vormden de wolken aan den hemel een
soort van wit gewelf, waaruit op aarde eenige helderheid nederdaalde.
De aarde was dus meer verlicht dan de hemel, wat steeds eene bijzonder
onaangename uitwerking doet; en de omtrek van den lagen nietigen
heuvel kwam flauw en bleek tegen den donkeren horizon uit. Dit geheel
tooneel was somber, akelig, benauwend. Er was op het veld en op den
heuvel niets, dan een wanstaltige boom, die, op eenige schreden van
den reiziger, al huiverende verdorde. Deze man bezat blijkbaar niets
van den fijnen, geestigen zin, waardoor men voor de geheimzinnige
opvatting der dingen vatbaar is; in deze lucht, in deze vlakte en in
dezen boom was echter iets zoo sombers, dat hij, na een oogenblik
stilgestaan en gemijmerd te hebben, eensklaps omkeerde. Er zijn
oogenblikken, waarin de natuur ons vijandig schijnt.
Hij keerde dus terug. De poorten van Digne waren gesloten. Deze stad,
welke in de religie-oorlogen meermalen belegerd is geweest, was in 1815
nog door oude muren met vierkante torens omgeven, die sedert geslecht
zijn. Door een opening in den muur ging de man de stad weer binnen.
't Kon omstreeks acht uur in den avond zijn geweest. Wijl hij de
straten niet kende, begon hij weder op goed geluk af zijn wandeling.
Zoo kwam hij aan de prefectuur, vervolgens aan het seminarie. Toen
hij over het plein der hoofdkerk ging, hief hij tegen de kerk zijn
vuist op.
Op den hoek van dit plein is een boekdrukkerij. Daar werden het eerst
de proclamatiën des keizers en der keizerlijke garde aan het leger
gedrukt, die van het eiland Elba medegebracht, door Napoleon zelven
gedicteerd waren.
Uitgeput van vermoeidheid en geen hoop meer hebbende, strekte de man
zich op de steenen bank uit, die bij de deur dier drukkerij stond.
Een oude vrouw kwam juist uit de kerk. Zij zag dezen man in den
donker liggen.
"Wat doet ge hier, vriend?" vroeg zij.
Op ruwen, strengen toon antwoordde hij:--"Gij ziet immers, goede vrouw,
dat ik mij te slapen leg."
De goede vrouw, welke dien naam inderdaad verdiende, was de markiezin
de R.
"Op deze bank?" hernam zij.
"Gedurende negentien jaren heb ik op een houten bed geslapen," zei
de man, "nu heb ik er een van steen."
"Zijt gij soldaat geweest?"
"Ja, goede vrouw, soldaat."
"Waarom gaat ge niet naar de herberg?"
"Wijl ik geen geld heb."
"Helaas," zei mevrouw R. "ik heb slechts vier stuivers in mijn beurs."
"Schenk ze mij."
De man nam de vier stuivers. Mevrouw de R. hernam:--"Voor dit weinige
kunt ge in een herberg niet slapen. Hebt ge 't reeds beproefd? Ge kunt
onmogelijk den nacht zoo doorbrengen. Ge hebt ongetwijfeld honger en
zijt koud. Men had u uit menschlievendheid moeten huisvesten."
"Ik heb overal aangeklopt."
"En?"
"Men heeft mij overal weggejaagd."
De "goede vrouw" legde haar hand op den arm van den man en wees
hem aan de andere zijde van het plein een laag huis, naast het
bisschoppelijk paleis.
"Gij zegt, dat ge overal hebt aangeklopt?"
"Ja."
"Hebt ge dáár aangeklopt?"
"Neen."
"Klop daar dan aan."