In een der eerste dagen van de maand October 1815, omstreeks een uur
vóór zonsondergang, kwam een voetreiziger in de kleine stad D. aan. De
weinige inwoners, die zich op dit oogenblik aan hun ramen of voor
hun deuren bevonden, oogden dien man met een soort van ongerustheid
na. Niet licht zou men iemand van ellendiger voorkomen hebben kunnen
ontmoeten. Hij was van middelbare grootte, gezet en forsch, en in de
kracht zijns levens. Hij kon zes- of acht-en-veertig jaar oud zijn. Een
pet met lederen klep bedekte gedeeltelijk zijn met zweet bepareld
en door zon en lucht gebruind gelaat. Zijn grof geelkatoenen hemd,
dat aan den hals met een klein zilveren ankertje was vastgehecht, liet
de harige borst bloot; hij droeg een das, als een touw ineengedraaid,
een versleten blauwlinnen broek, die aan de eene knie geheel kaal was,
aan de andere een gat vertoonde; een ouden, gehavenden kiel, waarvan
een der ellebogen met een stuk groen laken gelapt en met bindgaren
saamgetrokken was; op den rug een vollen, zorgvuldig dichtgegespten
en nieuwen soldatenransel; in de hand een dikken, knoestigen stok;
zijn voeten waren zonder kousen, zijn schoenen met spijkers beslagen;
zijn hoofdhaar was kort en zijn baard lang.
Het zweet, de hitte, de voetreis, het stof gaven aan den geheelen
persoon iets zeer haveloos. Het haar scheen nog kort geleden kaal
geschoren; 't stond nu steil op en was borstelig.
Niemand kende den man. 't Was duidelijk, dat hij de stad slechts
doortrok. Van waar kwam hij? Uit het zuiden. Misschien van de zeekust;
want hij kwam door dezelfde straat in de stad, waar zeven maanden
geleden keizer Napoleon gepasseerd was, toen hij van Cannes naar
Parijs ging. Deze man moest wel den geheelen dag geloopen hebben; want
hij scheen zeer vermoeid. Vrouwen uit het vlek nabij de stad hadden
hem onder het geboomte van den Boulevard Gassendi zien stilstaan en
drinken bij de pomp, aan 't einde der wandelplaats. Hij had zeker
grooten dorst, want de kinderen die hem volgden zagen hem, een paar
honderd schreden verder, weder stilhouden en drinken bij de pomp van
het marktplein. Aan den hoek der straat Poichevert sloeg hij linksom
en ging naar 't Stadhuis. Hij trad binnen; een kwartier later kwam
hij er weder uit. Een gendarme zat aan de deur op de steenen bank,
waarop generaal Drouot den 4den Maart klom, om aan de ontstelde
inwoners van D. de proclamatie van de golf Juan voor te lezen. De
man nam zijn pet af en groette den gendarme onderdanig. Zonder zijn
groet te beantwoorden nam hem de gendarme nauwkeurig op en trad toen
het raadhuis binnen.
Destijds was te D. een goede herberg, het "Kruis van Colbas." Zij werd
gehouden door zekeren Jacquin Labarre, een man, die zeer gezien was,
wegens zijn verwantschap met een anderen Labarre, die te Grenoble het
logement de "Drie Dauphins" hield en bij de guides gediend had. Tijdens
de landing des keizers hadden allerlei geruchten over dit logement de
"Drie Dauphins" geloopen. Men verhaalde, dat generaal Bertrand, als
voerman vermomd, er in de maand Januari dikwerf geweest was en toen aan
de soldaten eerekruisen en aan de burgers handen vol gouden Napoleons
had uitgedeeld. De waarheid is, dat, toen de keizer te Grenoble
aankwam, hij had geweigerd in het Hôtel der Prefectuur zijn intrek te
nemen; hij had den maire bedankt, en gezegd: "Ik ga bij een braaf man,
dien ik ken;" waarop hij naar de "Drie Dauphins" was gegaan. De roem
van dezen Labarre verbreidde zich tot op vijfentwintig mijlen afstands,
tot aan Labarre in het "Kruis van Colbas." Te D. heette het van hem:
"Hij is de neef van Labarre te Grenoble."
De man begaf zich naar deze herberg, de beste in den omtrek. Hij trad
de keuken binnen, die gelijkvloers met de straat was. Al de fornuizen
brandden, en een groot vuur vlamde vroolijk in den haard. De kastelein,
tevens kok, liep ijverig van de eene braadpan naar de andere, en
bereidde een heerlijken maaltijd voor de voerlieden, die men in een
belendend vertrek luid hoorde lachen en spreken. Wie gereisd heeft,
weet dat niemand beter eet dan voerlieden. Een vette marmot, te midden
van witte patrijzen en boschhoenders, draaide aan een lang spit voor
het vuur rond; op de fornuizen werden twee groote karpers uit het
meer van Lauzet en een forel uit het meer van Alloz gebakken.
De kastelein, hoorende dat de deur geopend werd en iemand binnenkwam,
zeide, zonder de oogen van zijn fornuizen op te slaan:
"Wat wenscht mijnheer?"
"Te eten en te slapen," antwoordde de reiziger.
"Niets gemakkelijker dan dit," antwoordde de hospes. Maar terzelfder
tijd draaide hij het hoofd om, bekeek den vreemde van het hoofd tot
de voeten en vervolgde toen: "mits betalend."
De man haalde een groote lederen beurs uit den zak van zijn kiel
en antwoordde:
"Hier is geld."
"Dan ben ik tot uw dienst," zei de kastelein.
De man stak zijn beurs weder in den zak, ontdeed zich van zijn ransel,
legde dien bij de deur op den grond, en zette zich met zijn stok
in de hand op een bankje bij het vuur. D. ligt in het gebergte. De
Octobermaand is er koud.
Inmiddels zag de kastelein, terwijl hij heen en weder liep, telkens
den reiziger aan.
"Wordt er gauw gegeten?" vroeg de man.
"Aanstonds," zei de hospes.
Terwijl de aangekomene zich warmde, en den kastelein Labarre den rug
toekeerde, nam deze een potlood uit zijn zak en scheurde een stuk
van een oud dagblad af, dat op een tafeltje aan het venster lag. Op
den witten rand schreef hij een paar regels, vouwde het snippertje
dicht, zonder het te verzegelen, en gaf het aan een knaap, die hem
tot keukenjongen en lakei te gelijk scheen te dienen. De herbergier
fluisterde hem een paar woorden in 't oor, en de jongen liep ijlings
heen in de richting van 't Stadhuis.
De reiziger had van dat alles niets gezien. Hij vroeg nog eens:
"Wordt er spoedig gegeten?"
"Aanstonds!" herhaalde de kastelein.
De knaap kwam terug; hij bracht het papier weer mede. De kastelein
opende het haastig, als iemand die een antwoord verwacht. Hij scheen
opmerkzaam te lezen, toen schudde hij het hoofd en scheen een oogenblik
na te denken. Eindelijk trad hij naar den vreemde, die in niet zeer
aangename overwegingen verdiept scheen, en zeide:
"Ik kan u niet herbergen."
De man richtte zich ten halve op.
"Hoe? Vreest ge dat ik u niet zal betalen? Wilt ge vooraf geld? ik
heb u immers gezegd dat ik geld heb."
"Daarom is 't niet."
"Waarom dan?"
"Ge hebt geld..."
"Ja," zei de man.
"Maar ik," zei de hospes, "ik heb geen kamer."