Ant zei: "Hadden we de keukenlamp maar gehouden."

Zij stond op, verschikte de pijp-eindjes op het kacheldeksel, keek

er na, hoe die aan één kant gedeukt waren bij het overbrengen.

Voor de uitgetrokken lade op haar knieën liggend, was Sprotje

heimelijk te huilen aangevangen. De dompe angst, die haar bezat sinds

het onderhoud met haar Mevrouw, die werd in dit trieste uur verdoofd

door de nog nijpender pijn van haar verlangen naar hun huisje, dat

zij daareven verlaten hadden. Er was een knagend heimwee in haar hart

naar hun stille, donkere keuken, naar het plaatsje, waar je zoo wijd

over de weilanden zag, naar het plekje bij het voorkamer-raam met

den leunstoel, die nu verkocht was, en de zeildoektafel ook .... De

strijkplank, met vervuilde lappen erom, stond daar in den hoek,

verlaten, zonder zin .... nooit meer zou haar moeder, bedrijvig

tusschen het versche strijkgoed, er achter staan .... haar moeder,

haar moéder, die zij zoo weinig gemist had, toen ze ziek werd,

die ze vroeger zoo weinig had lief gehad! Nu herinnerde zij zich,

als gloed-doorschenen droomen, de middagen, dat zij samen thuis

waren, en, het werk gedaan, vóór in den schemer te praten zaten,

of achter, in den rooden schijn van het stervend kolenvuur .... zij

zag de verweerde hand, die haar het kommetje overreikte, zij zag

de gebogen gestalte, zooals die, de armen gesteund op de knieën,

dan zelve boven haar dampende koffie zat.. zij zag de stille bruine

oogen, die tuurden.. En dat dit nu nooit meer terug kon komen, en

dat die keuken niet meer bestond, dat daar aan het Dijkje nu een

paar kale hokjes waren met niets van haar moeder meer erin .... En

nu was zij hier in deze vreemde kamer, met Ant .... Ant bleef het

eenige, dat haar eigen was, maar 't leek haar of die hier dezelfde

Ant niet meer was, of Ant plots veel losser van haar was geworden,

dan vroeger. Haar moeder, die was de band tusschen hen geweest,

die was ook het vaste àchter haar geweest, dat haar dekte tegen de

menschen, en nu stonden zij ieder alleen, Ant alleen, en zij alleen,

en aan elkaar zouden zij maar zoo luttel steun hebben, en tegen de

wereld had zij geen beschutting meer.

De heete, wreede tranen al bitterder te borrelen aanvingen. Toen

Sprotje plots voelde, dat achter haar Ant ook op het punt stond te

gaan huilen, droogde zij schielijk haar oogen, kwam beschaamd overeind

en ging voor het raam naar buiten kijken. Zij merkte nauwlijks wat

zij zag.

Als zij wat later naar haar zuster dorst omzien, zat die in een botte

bedruktheid, als een hond, die zich op een vreemd erf weet ingesloten

en geen uitweg meer ziet.

Geen van beiden dachten zij eraan, eenige eigen schikking te maken

in de ruimte, die nu voor een maand althans de hunne was. Eindelijk

ging Ant haar kleeren bergen in de kist; Sprotje hurkte weer voor

haar ladekast.

En plotseling luidde er, kordaat, een tikje tegen de kamerdeur. Sprotje

schrok op, ging kijken. In het zolder-portaaltje stond een jong meisje,

zoo groot als Sprotje zelf; het was een meisje met een aardig, blozend

gezicht en krullend, roodblond haar; zij had groote, vrijmoedige

blauwe oogen en zij keek daar Sprotje zoo goedwillig mee aan, dat

het die plotseling heel wonderlijk te moede werd.

Het meisje zei:

"De boterhammen zijn nog niet klaar, maar de kommesale kenne bij ons

altijd benêe komme, as ze der plezier in hebbe...."

Sprotje keek verrast. Zij kende nog niemand uit het huishouden, en

over dit meisje had Ant haar nauwelijks gesproken. Wat die een lieve

stem had! en wat een vriendelijke oogen!--

--Dus ze gingen met haar mee .... ?--vroeg het meisje nog eens.

Sprotje knikte van ja, keek dan Ant aan. Ant stond op. Gedwee volgden

zij beiden het montere meisje naar beneden.

Zij moesten omzichtig loopen langs de vreemde trap, die middenin een

scheeve kromming maakte, waarbij men de voeten niet dan dwars kon

zetten op de smalle treden.

Het meisje, dat in een ommezien onder was, zei:

"O! de trap zal wel wenne ...."

"En wij ook ....!" lachte zij.

Het was Sprotje op eenmaal of, bij dat heldere lachen, haar eigen

ellende lichter werd en zachtjes afliet van haar hart.

Bijna welgemoed kwam ze de keuken binnen.

Daar, in den al schemerigen avondstond, zaten twee oude vrouwen

weerszij de tafel. Dat waren de grootmoeder en tante Bartje.

Sprotje keek gespannen-nieuwsgierig. Zij had bloo goeden dag geknikt

en niets gezegd.

De twee oude vrouwen, de grootmoeder met haar blanke kornet op,

breed en weldoorvoed en rustig van gebaren, maar met rappe, gewikste

bakers-oogjes, en tante Bartje, mager, slokjes, druk, en kippig

knipperend, omdat zij zich half blind keek op het fijne naaiwerk,

dat zij nog dagelijks afleverde,--de twee oude vrouwen, ieder in een

laaggerugden boerenarmstoel, dien de grootmoeder heelemaal vulde,

en tante Bartje maar half, waren stilbedrijvig in de weer voor het

avondmaal.

Tante Bartje sneed de boterhammen tegen een doek op haar buik, en de

grootmoeder smeerde.

Het meisje met het roode krulhaar, dat Hilletje bleek te heeten,

zorgde voor de koffie.

Moeder Diepelink zelf was er op uit.

Sprotje voelde, dat zij keek, maar zij kon het niet laten. Zij vond

die twee oude vrouwen zoo eerbiedwaardig en zoo vertrouwd; zij had

dadelijk begrepen, wie van de twee de baker was; die vond zij de

deftigste. Maar tante Bartje leek haar liever, en het liefste vond

zij Hilletje, die maar stil liep te zingen en een gezicht trok of ze

altoos plezier in 'r leven had.

Het was een huishouden van drie vrouwen, dat van de Diepelinks:

de grootmoeder, de moeder en het dochtertje. De grootmoeder hád

gebakerd, de moeder bakerde nog; de oude en de jonge vrouw Diepelink

heetten ze in de bakerdiensten, al was de jonge zoo jong niet meer,

een goede vijftig, en sinds jaren reeds weduwe zelf. En als moeder

Diepelink aan het bakeren was, kwam grootmoeder Diepelink's zuster,

die op een hofje woonde, zoolang tot hulp in huis; de grootmoeder was

wat zwaar ter been geworden, bukken of tillen, dat ging zoo niet meer

.... en Hilletje was den dag door op de kleermakerij van Werst.

-- Wat was het hier gezellig in die keuken, dacht Sprotje, en wat

rook de koffie, die zij zetten, lekker.

Ze was blij, dat zij in dit huis terecht waren gekomen. Toch dorst

zij nog bijna niets te zeggen.

Ant, met haar wat stugge vrijpostigheid, had zich dadelijk, zonder

veel praatjes, op haar gemak gezet, zei eens wat, of zweeg, en deed

of ze al heelemaal thuis was. De twee oude vrouwen gedroegen zich

ook kalm-bekend tegen háár; zij waren vriendelijk; zij vonden het

blijkbaar een geschikte kostgangster.

Maar Sprotje kende niemand. Sprotje, met haar bleeke en schuw-glurende

gezicht, werd terdege opgenomen, en men had kennelijk met haar vrij

wat minder op dan met Ant.

Toen zij, tegen het eind van het boterham-eten, met haar ouwelijke

wijsneuzigheid, en nuffiger sprekend dan ze anders deed, omdat ze

zoo verlegen was, vroeg: hoeveel jaar de grootmoeder wel gebakerd

had,--antwoordde die als terloops en snibbig: "zeker meer jaren dan

jij er oud ben."

Dat bracht Sprotje nog meer van haar stuk.

Een tijdje later bleek uit de gesprekken, dat tante Bartje, op haar

hofje, nog altijd den naam had, het fijnste klein-kindergoed van de

heele stad te naaien. Toen voelde zij op eenmaal een groote vereering

voor tante Bartje. Zij had graag meer willen vragen, maar dorst toch

niet, en zij deed maar haar best in het algemeen gepraat kleine,

belangstellende dingen mee te zeggen, die echter niemand oplette.

Toch vond Sprotje het zoo samen zitten in de schemerige keuken, en

later bij de groote, heldere petroleumlamp, eer prettig dan naar, en

zonder de zwarte zorgen over het geld en over een dienst, zou zij zich

al heel wat getroost hebben gevoeld. Het heerlijkst vond ze, dat, een

enkele maal, Hilletje afzonderlijk iets tot haar zei. Dan kleurde ze,

lachte, en zocht gauw iets even vriendelijks om terug te kunnen zeggen.

Maar tegen het eind van den avond ontstond er plots een klein geschil,

dat vele dagen daarna nog herhaaldelijk een aanleiding tot stekeligheid

zou blijven aan de maaltijden: de oude vrouwen waren niet tevreden

met de verdeeling der twee slaapgelegenheden tusschen Ant en Marie.

--De oudste zuster hoorde in het ledikant te liggen, en de jongste

op den grond, niet andersom ....

't Was de baker vooral, die haar meening zei met een onverholen

afkeuring voor de aanmatiging van Marie en de toegefelijkheid van Ant.

--Wie betaalde de kamerhuur? en wie bracht beddegoed mee? De oudste

toch? Gaf dat dan de jongste recht om het beste te nemen?

--Ja, dat vond tante Bartje ook.

--In háár tijd zou dat anders geweest zijn, begon de grootmoeder

opnieuw, .... dan hield zij zich in, bedacht dat zij tegen een meisje

sprak, dat nog zoo pas haar moeder verloren had ....

Maar die bangschieterige wijsneuzigheid kon ze anders niet luchten,

en haar kribbigheid werd weer sterker dan haar goede wil.

Sprotje moest al 'r best doen om haar tranen in te houden.

"Kom ...." zei Ant, "'k slaap goed zooals ik slaap .... 'k heb m'n

heele leven geen ledikant gehad...."

Maar Sprotje werd tot de bekentenis gebracht, dat zij thuis ook op

den grond lag .... Met een vernederende manier om over de schuldig

bevondene heen te praten, doorplozen de grootmoeder en tante Bartje,

spaarzaam van woorden, maar met veelbeteekenende gezichten, het

geval,--tot Hilletje op eens, rood-boos wordend, kattig uitviel:

"Da' ledekant zou ommers toch te klein zijn voor een groote as Ant

.... Merie ken der maar net in ...."

Toen Sprotje zich zoo verdedigd voelde, had zij nog meer moeite,

haar tranen te bedwingen, maar zij was Hilletje toch heel dankbaar,

al begreep zij niet, waarom die zoo haar partij koos.

Boven, alleen met Ant, stelde zij voor nog van slaapplaats te

verwisselen. Maar Ant deed onverschillig:--ze had het al gezegd

.... zij lei waar ze lei .... en ze had maling aan die oude wijven ....

--Gek! .... hoe kwam het toch, dacht Sprotje, dat Ant tegenwoordig

zoo vaak praten kon, als Sien vroeger deed?

Zij vond het liggen op de gladde matras, tusschen de keurige geelhouten

beschotjes zoo heerlijk, dat ze de volgende dagen niet meer repte

van veranderen. En dank zij die voor haar ongewoon goede ligging,

sliep zij nu veel rustiger en lieten haar 's nachts ten minste de

zorgen respijt. Driemaal droomde zij van Hilletje. Eens droomde

zij ook van Juffrouw Jonkers. Maar in haar droom, zooals dat gaat,

had zij Hilletje en Juffrouw Jonkers verward; zij zat met de eene

in de keuken van Diepelink en het bleek de andere te zijn. Dat was

een vreemde ervaring, toen zij wakker werd, en zij moest er dien dag

telkens over denken.

Zij moest hoe langer hoe váker aan Hilletje denken, als zij niet

bij haar was; en het maakte haar iedere maal gelukkiger, wanneer,

tegen een bedekte bemerking der oude vrouwen in, de dan plotseling

bits-bijdehande stem van het roodharige meisje tot haar verdediging

uitviel.

Sprotje begreep toen al wel, dat het kittige Hilletje haar grootmoeder

en oudtante niet zoo bijster goed gezind was, en het plezieriger

vond als haar meer gulhartige en pretmakende moeder het huishouden

deed,--doch haar dankbaarheid was daar niets minder om. Zij bezon zich

ook verscheidene malen, of zij aan Hilletje niet haar nood zou klagen,

vragen of die geen dienst voor haar wist .... maar dan leek het haar

plots of juist Hilletje de laatste was, bij wie ze met die zwarigheden

moest aankomen, en zij kropte al de angsten op in haar hart.

Zij had zich, die dagen, weer in twee diensten aangemeld; de eene was

gebleken in een smederij te zijn; de juffrouw had goedig maar heel

bezwaarlijk gedaan .... Nee, ze zocht toch eigenlijk een ouder meisje,

was haar besluit geweest. Het tweede dienstje was bij een juffrouw

met een lange kanten muts op en gouden krullen aan haar slapen;

die gaf twaalf stuivers in de week en de volle kost; zij moest er

den volgenden dag terug komen, maar toen was de juffrouw voorzien.

De tweede Zondag, dat Sprotje bij Diepelink was, werd een heuglijke

dag voor haar.

Den avond te voren had Hilletje gevraagd:

"Hoe laat ben jij morgen vrij? .... dan kom ik je halen."

"Waarom?" verbaasde zich Sprotje.

"Om te gaan wandelen," zei Hilletje .... "wat is daar voor geks aan?"

Met een glansvol hartje had Marie dien avond in bed wakker gelegen;

en den volgenden morgen, pas in haar dienst, moest zij het aan haar

Mevrouw vertellen, tegen wie zij, deze weken, uit zichzelve nog niet

weer gesproken had:

"Vanmiddag komt me vrindin me afhalen .... om te gaan wandelen!"

Sprotje had nog nooit een vriendin gehad.

In een plotselinge oplaaiing van gevoel was zij vol van de liefste

gedachten over het meisje, dat haar zoo goedgezind bleek. Met een bijna

pijndoende teederheid dacht zij aan Hilletjes gezicht, aan haar handen,

haar stem, en tegelijkertijd was er angst in haar hoofd, dat zij niet

vroolijk en niet aardig genoeg zou wezen op zulk een wandeling, bezon

zij zich op verhalen en grapjes, die de andere zouden kunnen vermaken.

Met een popelend hart wachtte Sprotje dien Zondagmiddag den klokkeslag

van vier.

Arm in arm, als twee verknochte vriendinnen, wandelden Hilletje en zij

den Waterveldschen weg af.... het eenige, wat Sprotje de heerlijkheid

van dat uur even verduisterde, was, dat zij zichzelf in haar onfraaie

kleeren en met haar mutsje, niet waardig vond, zoo gelijk-op te loopen

naast Hilletje, die een mooie korenblauwe japon droeg, en een hoed

met twee trossen seringen, zóó prachtig, dat ze echt leken.

Het was een zacht-warme dag in het begin van October. Zij wandelden

langs den Singel, en zaten daar. Op het breede bleekblauwe water

wiegde her en der het warm goudbruin der saamgevlotte najaarsbladen,

en door de ijle, gelende boomen zag de hemel teer glanzig en strak,

als van zachte zijde.

De meisjes zaten dicht naast-een op de bank, die zoel aanvoelde van

de middag-lange zonnekoestering; zij ondervonden vaag het zomersche

herfstuur en spraken weinig.

Soms lachte Hilletje plots in een giechertje zacht-luid op en begon

een verhaal. Sprotje luisterde met een verre aandacht vol gelukkigheid.

Zij dacht, dat zij nog nooit zoo gelukkig was geweest als dezen middag.

Diep in haar hoofd was nog wel de onrust van iederen dag, maar zij

vergat die bij lange poozen en een uitkomst leek haar zekerder.

En de gansche week daarop, in den weerglans dier schoone uren, deed

zij luchter en beter haar werk.

Eenmaal, een avond, ging zij ook met Hilletje mee boodschappen doen,

de stad in, doch dat was zoo heerlijk niet, want zij was te moe van

den dag in haar dienst.

Langzamerhand waren de twee oude vrouwen, grootmoeder Diepelink

en tante Bartje, beter jegens haar gezind geraakt. Zij wisten nu

wel, dat Marie zwak was, en dat die niet uit luiheid 's avonds zoo

weinig behulpzaam deed. Zij hadden niet meer, als de eerste dagen,

zijdelingsche schimpscheuten tegen jonge bleekneuzen, die altijd

op 'r zeven gemakken waren, en de grootmoeder zei nooit meer,

met haar vinnig-vriendelijke stem, als er iets uit de kast moest

gekregen of van het vuur: "Allé, meisje, rijs jij eens overeind,

dan schimmelen je beenen niet." Met een klein-vergenoegd gezichtje

haalde tante Bartje 's avonds haar duurste en fijnste werk uit de

mand, mikte, pikte, kriebelde haar petieterigste steekjes door de

ragge stof, van te voren al gevleid door het eindelijke, verlegen

vraagje, dat nooit uitbleef .... Sprotje boog begeerig naar voren,

voelde met aarzelende vingers het open zoompje aan, de kantjes, de

stikseltjes:--was dat een pronklakentje? .... een doopmutsje? .... een

dagponnetje? .... hadden overdag de kindertjes van die lange ponnetjes

aan, om beter het luiergoed te bedekken? om netjes te zijn als ze

uit de wieg kwamen? ....

Sprotje, met een vaag-hevig verlangen, zag al dat kleine, fijne goed

onder haar oogen uitgestald. Zij dacht aan Sien .... iederen dag

konden zij bericht verwachten .... zulk mooi goed zou Sien toch wel

niet hebben! Zij herinnerde zich woord voor woord wat Sien gezegd had,

bij haar moeders bed .... van de zeegroene gordijntjes en het kanten

kleed .... Zij zag Sien zitten met haar zware lichaam en haar vreemde

gezicht .... Zij zag haar moeder, hoorde die spreken, zoo ongekend

zacht en liefdevol, over het kindje, dat geboren zou worden .... Zij

zag zichzelf zitten, 's avonds, bij juffrouw Jonkers ....; zij had

een wollen doek op schoot, en de Juffrouw bracht haar het slapende

Wilmpje .... Zij zag het weeke, witte halsje binnen het flanellen

nachtponkraagje, zij zag het vlassen haartje, en boven de kleine,

roode slaapwang, het flauwe, blauwe oogstreepje, dat knipperde of

hij wakker zou worden en dan wassig-vast weer toeviel ....

Een mengeling van onverklaarbare, vreemd-zachte en woeste gevoelens

kwam er door Sprotjes hart gevaren .... En dadelijk daarop moest zij

dan aan Hilletje denken. Zij zag Hilletjes ronde, roze wangen, en haar

blauwe oogen met de lange wimpers, en het dichte, roodblonde krulhaar

.... en zij was zeker, dat zij nog nooit van iemand zooveel gehouden

had als zij nu van Hilletje deed, ook zelfs van juffrouw Jonkers niet.

Maar den volgenden Zondag leek haar de wandeling, die zij samen

maakten, iets minder prettig en iets minder vertrouwelijk, en zij

wist niet, of dit aan Hilletje lag dan wel aan haar. Het weer was

helder en zomersch als de eerste maal, en zijzelf was uitgerust

als iederen Zondagmiddag, wanneer zij in haar stille keuken de twee

lange middaguren boven "Bunyans' Christenreize naar de Eeuwigheid"

had zitten droomen .... misschien tobde zij ditmaal meer over haar

dienst, die verliep, en de nieuwe, die zij maar niet vinden kon

.... 't Was al bijna half October!

Toch was zij zeker, dat zij dien dag nog meer hield van Hilletje dan

al de dagen ervoor; alleen, het samengaan maakte haar zoo blij niet,

gaf haar een onrustigheid en een zorg, die zij niet verstond.

En den derden Zondag kwam Hilletje niet langer alleen, om Sprotje af

te halen; er was nog een ander meisje bij, een dat ouder was..--Ook een

vriendin, zei Hilletje,--die had gevraagd eens een keer mee te gaan..

Sprotje voelde plots een nijpende teleurstelling;--dan, even ook, een

gevleidheid, dat zij nu nóg een kameraad kreeg, een zoo groot meisje

al .... Maar de teleurstelling bleef het sterkste, maakte haar stug,

en zij praatte heesch, omdat het schreien haar stak in de keel.

Het nieuwe meisje, donker van uiterlijk en zwaar voor haar jaren,

praatte en lachte druk en luid. Zij deed lange verhalen aan Hilletje,

waarvan Sprotje weinig begreep, maar 't ging over verboden dingen,

dat hoorde zij wel; het maakte haar belust en het vervulde haar met

een vreemde vijandschap voor het nieuwe meisje, en voor Hilletje ook.

Marie kon Hilletje onder het wandelen nu ook geen arm geven:--dat

stond niet, met je drieën; en zij liepen los naast elkaar, tot, na

een tijdje, in een gegiechel en fluisterend gepraat, de twee anderen

elkaar onder den arm namen, en Sprotje, verlaten en zonder praten,

alleen er naast ging.

Zij begreep toen, dat Hilletje de stille wandelingetjes met haar alleen

te saai had gevonden; er verhardde iets in 'r hart; maar door den wrok,

die haar brokte in de keel, en haar gekneusden trots, voelde zij hooger

een kwellende liefde en een bitter verdriet. Zij nam zich vast voor,

een volgenden Zondag zulk een wandeling met z'n drieën af te slaan,

maar toen zij 's avonds er op dorst zinspelen, zei Hilletje dadelijk

bits: "nou, graag of niet" en deed zeer beleedigd.

Den volgenden dag, toen Sprotje uit haar dienst kwam, vond zij plots,

aan den hoek van 't Plantsoen en den Waterveldschen weg, Hein van

der Kamp op haar staan wachten.

In het begin van den zomer, kort na Siens trouwen, en toen haar moeder

pas ziek was, had zij den jongen vaak gezien; tweemaal was hij ook bij

hen binnen geweest, als hij van zijn oliemolen langs kwam .... Toen

opeens, was hij weggebleven, en tusschen al de lotgevallen van die

tijden door, had Sprotje niet dikwijls meer aan hem gedacht.

Zij zag dadelijk, dat hij kwaad was; zijn altijd wat rooie en

ongemakkelijke kop stond grimmig naar haar toe en hij kauwde barsch

op zijn snorretje.

"'k Heb jou gisteren met die meid van Vieredag zien loopen," zei hij;

"da's geen portuur voor een meissie as jij."

Sprotje op haar beurt werd boos.

"Dat zal jij zeker weten," beet ze van zich af; "Hilletje van Diepelink

loopt er toch ook mee."

"Mot die meid van Diepelink zelf weten", zei Hein; "maar die andere

zal jou niet verteld hebben, dat ze vroeger ook op den Waterveldschen

weg het gediend .. omdat ze daar weg is gejaagd."

Hij begon weer nijdig op z'n wittige snorretje te kauwen. "Da's nou

die meid, waar 'k verkeering mee heb gehad .... maar 'k mocht ze niet

.... en twee maanden later was ze uit 'r dienst gezet...."

Sprotje kleurde hevig, juist als de eerste maal, toen Hein over die

verkeering praatte; zij voelde zich geheel onzeker, en wist niet,

wat te zeggen, noch hoe te kijken.

"En waar zitten jullie nou tegenwoordig?" vroeg de jongen, eensklaps

weer goedig en als uitgewoed.

"Bij vrouw Diepelink," zei Sprotje .... "daar liggen we in de

kost." Zij was nog niet over de ontredderdheid van haar gevoelens heen,

en in die verwarring sprak duidelijker op dan ze wou, een toon van

kleine behaagzucht. Zij was er trotsch op, bij zulke nette menschen

te wonen.

"'k Was nog wel 's bij je moeder angekomme, toen die zoo ziek lag;

en later, met de begrafenis...," zei de jongen; "maar as 'k dacht: nou

gaan 'k 's, dan dacht ik meteen: most die madam 'r 's zitte!... Want

ik ken ze nog altijd niet uitstaan, die zuster van jou.... En toen

op een dag waren 'r andere mensche in jullie huisie...."

"Je kwam ook nooit meer 'ns langs," zei Sprotje verwijtend, en met

een blos alweer.

"'t Wi'k wel geloove...," verweerde zich de jongen; "'k ben nou an de

oliemolen van die broer van m'n baas, buiten de Weteringpoort ... daar

waren 's op ééne keer drie knechten tegelijk ziek ... en later ben

'k der gebleven ... met twee kwartjes opslag na de drie maanden."

"En nou mot 'k er van door," zei hij dan gehaast; "'k mot gaan eten."

Hij vroeg nog waar vrouw Diepelink precies woonde. En in een

plotselinge vastklamping aan dit wezen, dat zij zich zoo toegedaan

voelde, zei Sprotje schor en zoo maar verward-fel naar hem heen:

"Hein, me volk het me opgezeid ... weet jij geen dienst voor mijn?"

"Die dienst, waar je al drie jaar ben?" vroeg de jongen geschrokken.

Het meisje knikte.

"Waarom?" vroeg hij weer. Hij zag ontdaan, of hem iets naars was

overkomen.

Marie kreeg plots de tranen in de oogen; zij trok schril de schouders

op.

"Om het loon," zei ze dan. "'k Most meer loon, ... 'k kan der zoo

niet komme ... maar dat woue ze niet."

Toen werd de jongen heel wonderlijk van binnen, beschaamd en ontroerd

tegelijk, dat dit meisje, dat hij altijd zoo vreemd en teruggetrokken

had gekend, hem nu zoo hulpeloos haar vertrouwen gaf. Maar plotseling,

waarom dat wist hij niet, hij had in geen jaren daar meer aan gedacht,

herinnerde hij zich de twee gulden, waarvoor Merie op dien regenavond

Sien had verraden; en als een stekende pijn en een afkeerig wantrouwen

tegelijk, ging het door hem heen, dat zij misschien oneerlijk was

geweest. Zijn kop werd vuurrood, zijn gedachten verdwaalden door

elkaar....

Marie, geheel van streek, zag voor zich neer, veegde zich de haren

van het voorhoofd.

"Nou, 'k zal zien, dat 'k 's voor je rondkijk," zei de jongen; zijn

stem klonk bijna barsch en toch week, en meteen, na een bruusken knik,

ging hij door.

Sprotje, de daaropvolgende dagen, leefde in een onontwarbare woeling

van gevoelens en gedachten. Het berouwde haar niet, dat zij Hein over

dien dienst gevraagd had, ofschoon zij niet begreep, waarom hij opeens

zoo boos was geworden en nog minder, hoe Hein een dienst voor haar

zou kunnen vinden; zij moest telkens aan hem denken, maar nog meer

moest zij denken aan Hilletje en hun oneenigheid. Zij dacht ook veel

aan haar moeder, en aan juffrouw Jonkers. Maar geen gevoel kon zij

duidelijk nagaan; zij kon met niets in het rechte komen. Zij meende

een zelfde innigheid te voelen voor juffrouw Jonkers en voor Hilletje,

maar werd zich dan opeens bewust, dat zij nooit zoo aan juffrouw

Jonkers' wangen en oogen had gedacht als aan die van Hilletje. Aan

Heins oogen en wangen had ze ook nooit gedacht, en toch werd ze voor

hem soms dezelfde weekheid gewaar als voor Hilletje, maar meer nog

dacht zij aan hem met de behoefte van bescherming-zoeken, zooals zij

nu, achterna, dacht aan haar moeder.

Doch al die dierbare en beangstigende gevoelens, wanneer zij,

nieuwsgierig en begeerig en terugschrikkend, ze door zich heen

voelde trekken, werden steeds weer vertroebeld en vergald door den àl

klimmenden angst voor den vijftienden November. Zij was nog weer op

de enkele diensten, die in de "Bode" stonden, afgegaan. Op de Oude

Gracht, in een deftig huis, had zij de Mevrouw niet eens gezien,

was dadelijk afgewezen door de keukenmeid; een zwarte japon en witte

manchetten waren daar vereischte; zij had dat niet begrepen. De

Juffrouw van een galanteriewinkel was heel toeschietelijk geweest,

deed dadelijk of ze haar al gehuurd had, maar toen Sprotje vroeg,

hoeveel ze verdienen kon, bleek het loon maar zestien stuivers te

zijn en de halve kost. Zij begreep niet, hoe en waar ze nog iets zou

moeten vinden. En wat toch, wat toch, als ze niets vond! Ze kon soms

vurig loopen bidden op straat, om redding; andere dagen was zij zoo

moedeloos, dat zij tot een gebed geen macht meer had.

Den volgenden Zondag ging Sprotje nog eenmaal met Hilletje en Anna

Vieredag uit. Zaterdags-avonds was zij de minste geweest, had, toen

de andere niets zei, zelf gevraagd--haar slapen klopten van angst en

verlangen--of de twee haar weer kwamen halen. "Goed," was Hilletjes

onverschillig antwoord geweest.

Vaag slechts had Sprotje er zich rekenschap van gegeven, dat zij liever

Hein boos maakte, dan Hilletje voor goed te verliezen; doch tevens

voelde zij zich daar bleek en beverig om, als wie iets schuldigs doet.

Dien Zondag was de wandeling met hun drieën haar een nog grooter

kwelling dan de eerste maal. Zij begreep hoe langer hoe killer,

dat Hilletje niets om haar gaf; en zij was zoo ongelukkig, dat zij

voortdurend liep te strijden met haar tranen. De meisjes, aldoor

aan 't gekken met elkaar, zagen het niet eens. Toen hoorde Sprotje

plotseling den naam: van der Kamp.--Zij hadden 't over Hein, en

Hilletje, proestend, zei iets, waarover Anna Vieredag, met een knik

in haar middel, leelijk begon te lachen.

Sprotje voelde heftig haar hart hameren en het bloed naar haar hoofd

jagen; een felle weerzin tegen de twee steeg haar opeens naar de keel

en tegelijk een heet verdriet naar haar oogen. Zij werd als blind en

doof van binnen; zij draaide zich om en liep weg. De twee meisjes,

nog lachend, bleven waaierig staan, riepen haar terug. Hilletje,

bang opeens, dat zij thuis klagen zou, kwam haar achterop geloopen,

en naast haar, met de hand op 'r arm, praatte erg lief en overredend

van "kom meid, wees nou niet zoo flauw, la' we nou prettig verder

wandelen...." Doch toen Sprotje, huilend en wild nee-knikkend,

doorging, liet ze haar met een duw los en schold: "akeligheid!.... 'k

wil nooit meer met je uit, hoor!"

Maar Sprotje voelde nauwelijks pijn daarvan; brandend huilde ze nog

even; toen liep ze, inwendig als versteend, naar huis. Sinds dien

middag was haar wonde genegenheid voor het roodharige meisje plotseling

saamgeronnen en verkild; en zoo, in enkele weken, verliep de eenige

vriendschap, die zij in haar leven ooit gehad had, of ooit hebben zou.

Wel bleef zij lang nog in haar droomen van Hilletje vervuld, maar er

was dan altijd iets, dat niet heerlijk uitliep, en dat haar wakker deed

worden met een wrang en stekend gevoel in de keel, of zij bitter had

moeten schreien en niet had gekund. En overdag en 's avonds ontweek

zij Hilletje zooveel dat ging; zij vermeed steeds haar aan te zien

of haar te betrekken in iets, wat zij zei.

En toen uit Sprotjes leven de plotselinge en zoo korte glans dier

genegenheid was weggevaagd, toen zij 's morgens niet meer kon opstaan

met het verlangen naar Hilletjes klare, vroolijke stem, en den dag

door niet de warmte in haar hartje voelen van een vriendschap zoo

nieuw voor haar, en 's avonds gaan slapen met in haar geheugen,

versch, al hetgeen Hilletje dien dag tegen haar gezegd had,--toen,

in de plotseling weer leege dagen, hernam haar des te heviger de

angst voor de werkeloosheid, die dreigde.

Met een heimwee-vol verlangen dacht zij nog vaker nu aan haar moeder;

met een vreemd, wee verlangen begon zij ook zich ongerust te maken

over Hein, dien zij in geen tien dagen gezien had.

Toen de laatste October aanbrak voelde zij zich als van angst

verwurgd. "Over veertien dagen!" dacht ze maar; "over veertien

dagen." Zij wanhoopte iets te vinden. Er waren bijna geen diensten

open, en geen voor een halfwas als zij. Bij een slagersjuffrouw ging

zij zich aanbieden:--of ze wel eens meer had gediend .... ? maar ook in

een drukke zaak .... ? en de slager zelf, die juist in de binnenkamer

een kop koffie slurpte, vroeg met een spottenden lach, of zij er wel

trek in zou hebben een vloer vol bloed aan te dweilen ....

In de Hanekamp had zij 't geprobeerd:--Ja, uit oude bekendheid .... zei

men daar...., maar in een huishouden met zeven kinderen .... zij moest

zelf maar eens bekennen, of zij dat aan zou durven. Zij had wel willen

zeggen van ja, maar zij voelde, dat zij toch zou worden afgescheept.

Zij dacht er iederen dag aan, haar Mevrouw te smeeken nog te mogen

blijven. Zij spiedde in huis en luisterde bij de deuren om gewaar te

worden, of er al een ander was genomen .... Toen zij op een morgen

begreep, dat haar plaats was vergeven, leek het haar, of dit nu het

einde was van alles.

Over geen veertien dagen meer zou de dag komen, dat zij 's morgens niet

naar den Waterveldschen weg had te gaan, dat zij met haar armen over

elkaar bij Diepelink moest blijven, of op straat kon gaan zwerven; dat

zij heel haar kostgeld van haar erfenis zou moeten geven .... en dan,

eindelijk, als een nacht-zwarten afgrond, zag zij den dag, dat zij

niets meer zou kunnen betalen .... een duister, wijd water was het,

dat smorend om haar heen sloot.

Zij dacht wel vaag: haar voogd .... de oom uit het Kerspel, dien zij

twee- of driemaal had gezien voor haar moeders begrafenis, maar hij

was nog veel armer dan zij ooit geweest waren. Wat zou die helpen?

Haar gezicht werd zoo minnetjes, dat de oude vrouwen haar vaak met

zorg aankeken, en te vragen begonnen.

"Niks .... 'k heb niks ....," zei Sprotje angstig ontwijkend. Zij was

doodsbang voor dat vragen. Juist de menschen, waar ze in huis lag,

mochten niets weten, juist die niet. Dat waren de menschen, waar zij

geld aan zou moeten betalen, als zij geen geld meer had. Iedere maal

dat zij voor haar bord middageten aanschoof, had zij 't nijpende

gevoel van ze bij voorbaat al te bedriegen.

Soms bekende zij zich wel, dat zij verkeerd deed, zoo te zwijgen:

de Diepelinks moesten eens diensten weten! Ze zei telkens: 'k mot

't zeggen .... Ze kon niet. Soms hoopte zij maar, dat men plotseling

alles weten zou ....

Ant, sinds weken, zag zij bijna niet. Die kwam aan 't eten te laat,

sloeg haastig wat naar binnen, was weer weg. Wat die toch had?

"Wat loopt Ant altijd naar de haven?" had Hilletje eens aan tafel

gevraagd.

En Sprotje was gaan rekenen; veertien dagen vóór haar moeders dood

was Busselaar bij hen geweest; den dag vóór de begrafenis was hij

niet verschenen en de tweede week bij Diepelink evenmin. Zij waren

nu bijna vijf weken in hun kosthuis,--'t was weer de tijd, dat hij

met zijn "Duif" een dag voor anker kwam liggen.

Ant wachtte .... Ant, na weken van morrelende onrust, was of kwam aan

de haven. Met haar domp-hartstochtelijken aard had zij zich blindweg

en voorgoed als vastgezogen aan den man, die, sinds meer dan twee jaar

nu al, haar in het ongewisse hield. Tijden lang, iedere veertien dagen,

had hij een middag en een avond als een doodgeloopen boot in hun keuken

vastgemeerd gezeten, of hij nooit weer heen zou gaan .... gevreeën

eigenlijk had hij haar niet. Hij had maar koffie gedronken en van

de koeken gegeten, die hij zelf meebracht; soms had hij wijdloopige

verhalen gedaan. Hij had haar 'ns onder de kin gepakt of in de dij

geknepen en gevraagd: "zou jij wel graag op een schip leven?" "zou

jij wel een weduwnaar van over de veertig willen hebben?" "zou jij

wel aan 't roer willen staan, als de knecht eens ziek was?"

Over haar antwoorden had hij lang nagedacht, doch ze niet verder

besproken; hij had maar, met zijn groote, vleezige handen over zijn

stoppelig schippersbaardje gewreven, of nadenkend het gouden ringetje

in zijn oor betast. En bij een volgend bezoek had hij weer soortgelijke

vragen gedaan.

Ant, zonder eenige zekerheid ooit, had een oer-fel gevoel van bezit

over hem gekregen, en nu hij tweemaal uitbleef, was er enkel de drift

in haar, hem terug te halen, hem mee te drijven naar waar zij woonde,

hem aan tafel te zetten, koffie te schenken en door haar doening

en blikken aan ieder te zeggen: "die man is van mij." De angst van

haar dagen was, dat hij niet zou weten, waar zij gebleven waren,

en in zijn vreemde lauwhartigheid zich ook geen moeite geven, dat

uit te vinden. Als ze hem maar eerst zag, hem maar in 'r bereik had!

Doch toen zij na veel wachten en vragen, wanneer de "Duif" toch wel

eindelijk zou binnenloopen, begreep, dat de beurt al voorbij was,

of niet kwam ditmaal, toen verviel zij in een stompe verslagenheid,

die dagen lang duurde.

Den vierden November was het een feest in het huis van de

Diepelinks. Moeder Diepelink kwam terug uit een rijke bakerdienst,

waar zij meer dan zes weken gebleven was. In den namiddag kwam

zij aanzetten, een gezellige, goedlachsche vrouw, met een blozend,

welgedaan gezicht binnen den blauw-blanken schulprand van haar kornet.

Zij bracht een klapmand en een korfje vol zoetigheden en vleeschwaren

mee, alles presenten uit haar dienst: koeken en hoofdkaas en fijne

appelen, een halve flesch pons en Utrechtsche theerandjes en twee

gerookte palingen .... en zij deed de wonderbaarlijkste verhalen over

het goede leven, dat zij gehad had en over de vijf en tien guldens,

die haar bij 't doopmaal en de kraambezoeken waren toegestopt. Hilletje

was buiten zichzelf van plezier. Haar moeder weer thuis en een tafel

vol om van te smullen! Wat een lol!

Zij kreeg direct uit den vollen buidel een kwartje cadeau, wat de

twee oude vrouwen afkeurend de hoofden deed schudden--dadelijk weer

verwennen! dadelijk weer geld voor snoepgoed!--doch het verstoorde de

feestvreugde niet. Zelfs Ant werd aangestoken door al die lustigheid,

praatte luid en liet zich door het meisje de kamer rondtollen.

Sprotje haatte op dat oogenblik Hilletjes uitgelaten stem! Met

een ziekbleek gezicht en een hart vol warsheid van die pret zag zij

toe. Den vierden November! Begreep dan niemand, hoe ellendig zij eraan

toe was? Zag Ant dan niets? Zag tante Bartje dan niets? Zelfs Hein

liet haar in den steek, dacht zij smartelijk .... niemand, die zich

ook maar iets om haar bekommerde!

Met een verbeten mond en oogen, die telkens vol tranen schoten,

zat zij boven haar avondbrood.

Ze waren bij Diepelink aan haar vreemde buien wel gewend. "Niks .... 't

is niks ....," lei de grootmoeder stil aan moeder Diepelink uit,

"ze is nou wat verlegen, .... nou der weer een vreemde bij is ....,

dat trekt morgen wel over ...." En zoo, zonder booswil, lieten ze haar,

daar aan 't eind van de tafel, met haar bittere gedachten alleen.

Maar toen, tegen het slot van den maaltijd, de twee oude vrouwen en

Ant, met glimmende vingers en monden, nog de laatste stukken vette

paling aan 't uitpluizen waren, en achter in de keuken de moeder

en Hilletje, onder veel gegiechel en heimelijke knuffelarijen,

't druk hadden met de glazen en 't warme water voor de pons, toen

werd het Sprotje op eenmaal te zwaar. Met een ruk ging haar stoel

op zij, en zonder een woord of een groet was zij weg, de deur uit,

op straat. Even was wel een duizelige schrik over die daad door haar

heengeflitst; maar de daad zelf had haar in een staat van uiterste

opwinding gebracht. Met een leeg, heet hoofd liep zij het donkere

grachtje af en er kwam een verdwaasdheid in haar denken, een star

kijken op één ding: Ze moest, ze móést nu een dienst .... er waren

diensten.... zij móest nu den dienst vinden, die voor haar was.

Zij liep twee, drie straten door.

Ze moest naar de drukkerij gaan, dacht ze dan weer, waar dadelijk as

ie uit was, de Advertentiebode tegen het raam werd geplakt .... hij

kwám dien avond uit .... 't was Vrijdag .... Altijd stonden daar

troepen jongens en meiden te wachten, die werk zochten .... Je kon

ook naar binnen gaan, en vragen ....

In een droom voerden de slepende voeten haar voort.

Toen zij, in de nauwe en duistere steeg, dicht bij de twee felle,

lichtstralende ruiten was geraakt en daarvoor de luidruchtige

bende saamscholen zag, ging zij snel en schuw terug, en sloeg de

Lammerenmarkt op. Met zinlooze oogen tuurde zij de rijïng der duistere

of schemerende gevels langs .... àl die huizen, àl die huizen .... en

waar was het huis, waar waren de menschen, die voor haar dagenlange

sjouwen het beetje geld wouen geven, dat zij noodig had?

Eens schrok zij van zichzelf .... had zij daar niet de opwelling gehad,

zoo maar als een bedelmensch, te bellen aan een rijklichte voordeur,

en te vragen .... ja, wàt zou ze vragen?

Zij liep plotseling in 't Plantsoen .... zij werd daar bang, omdat het

er zoo eenzaam was; in de verte, onder een gaslantaren, onderscheidde

zij flauw de bank, waar zij eens, dien eenen heerlijken Zondagmiddag,

met Hilletje gezeten had .... Zij haastte naar de lichte straten terug;

met de mouw van haar jurk veegde zij de tranen weg, die heet over 'r

wangen beefden. Zij kwam in de buurt van de Veen-válkstraat.... Tijd

en duur was plotseling voor haar verzwonden. Zij zag de kamer van

juffrouw Jonkers, 's avonds .... de Juffrouw zat in den rieten stoel

en zij aan den overkant der tafel.... rood scheen het lamplicht over

het rood-en-zwarte wollen kleed, en Wilmpje sliep in zijn wagen,

achter de open kastdeur..

Een snikken barstte in haar uit.... toen er menschen naderden, ging

zij schielijk een donker bordesportaal in. Dan liep zij weer terug.

Er was een angstwekkende wisseling in haar hoofd van schril-duidelijke

herinneringsbeelden en van wemelende, zwarte gapingen, of alle

denken haar begaf; zij werd zóó moe, dat zij, als in een koorts,

op brijzelende voeten liep.

Bij lange poozen vergat zij het doel van haar doellooze zoeken. "Een

dienst....," vaagde het nog door haar hoofd, doch de eigenlijke

bekommernis van haar hart was zij in haar uitgeputheid vrijwel

vergeten.... een dichterbije angst alleen was gebleven: wat zouden

ze tegen haar zeggen, bij Diepelink, als ze weer terug kwam, straks?

Toen zij op eenmaal, met een schok van bezinning, zich vond loopen

bij den grooten molen op den Wal, waar laag bij het nachtzwarte

getorente de arbeidershuisjes stonden met een enkel verlicht venstertje

nog maar--toen zag zij plotseling zich daar loopen, als kind, met

haar twee guldens in de hand genepen en haar pak kleeren onder den

arm.... Zij stond stil; een wonderbaarlijke klaarheid was even in

haar ijle hoofd: van toen tot nu, al de jaren door, zag zij haar

leven één ellende en één worsteling; en zij zag, dat dit wel altijd

zoo blijven moest. "Hein!" dacht ze dan. En het vreemde, woeste en

weeke, dat pijn deed en lust gaf, gudste door haar heen.

Maar plots, in het duister van het eenzame nachtpad, voelde zij

een heeten blos haar kille wangen overtijgen. Zij was nu groot,

volwassen, achttien jaar bijna! Zij mocht hier niet loopen als ze

deed toen ze een kind was...... en zij mocht zulke slechte gedachten

niet hebben.... zij moest goed blijven, eerzaam blijven..

Stil en verslagen, als een afgestraft dier, liep zij den langen en

moeizamen weg terug van den molen naar de Vliet, naar het huisje,

waar zij thuis lag.

Daar, toen het over tienen werd, was het huishouden in rep en roer

geraakt. Hilletje werd naar bed gestuurd; de vrouwen, met haar

wat opgewonden feestvier-hoofden, haalden zich de buitensporigste

onderstellingen in den zin. Ant stelde ze wel gerust.... Merie wás zoo

wat vreemd.... 't was al meer gebeurd....; maar de vrouwen waren niet

tot kalmte te brengen. Als ten leste de onrust geen uitweg meer vond,

werden zij boos. Niemand dorst gaan slapen.

Doch toen zij Marie, verwezen en schril-wit, plotseling op den

keukendrempel zagen staan, zweeg hun boosheid. Zij schrokken allen

geweldig. Wat was er gebeurd?.. Sprotje werd bij 't fornuis gezet,

kreeg heete pons, werd naar bed gebracht. Den volgenden morgen kon

zij niet naar haar dienst gaan. En Ant dwong haar te spreken.

"Nee... maar... zoo'n kind!" zei tante Bartje;--waarom in 's hemelsnaam

had ze 't niet eerder gezegd!

Vrouw Diepelink maakte zich eerst nog kwaad: van de stiekemheid

hield ze niet. Dan kwam haar goedhartige aard toch weer boven. Ze

had bij de halve stad gebakerd, bij de halve stad had ze een wit

voetje....! ze zou zien, wat ze doen kon.... Maar zoo'n meid, die

den tijd liet vergaan en niets zei! Waar vondt je nog iets na één

November?.... Afijn, ze zou 'r best doen....

En drie dagen later had Sprotje een dienst.

"De eene z'n nood, da's de ander z'n brood," zei vrouw Diepelink,

toen zij met het bericht thuis kwam, waar Marie zich aan kon melden.

't Was een dienst van buitenshuis slapen, maar zij kreeg éen-twintig

in de week en den vollen kost. Dat was een blijdschap! Ze zou nu

een kwartje aan de kamerhuur meebetalen, werd er uitgemaakt, en

twintig centen geven voor koffie 's avonds en 's morgens; dan hield

ze nog vijftien stuivers over voor haar kleeren en de rest. Wat een

rijkdom! Sprotje tracteerde 's avonds op bolussen, maar ze kon er

zelf niet meer dan één eten, zoo ziekig was ze nog.

Een laatste week ging zij naar Mevrouw Verscheer ter Gouwe; en toen,

eindelijk, braken er betere dagen voor haar aan.

Sprotje's verder leven · 第 5 / 7 题