Sprotje knikte nog eens, overtuigder: "Ja, de erfenis ...."

Vierentwintig gulden, in een ronde som, had de uitdrager voor hun

boedeltje beloofd. Van haar aandeel, rekende Sprotje uit, kon ze een

half jaar het ontbrekende bijpassen.... Maar dan was het ook op .... En

dan?.... Als ze voor dien tijd eens geen vollen dienst vond!.... Met

wondende stooten herinnerde zij zich al haar vergeefsche tochten,

een anderhalf jaar geleden, de afschuwelijke en vernederende tochten,

als zij met haar doodmoede lichaam telkens weer andere, vreemde

gangen door en trappen opsleepte, en na vijf minuten, die haar toch

een eeuwigheid schenen, alweer buiten stond, met alwéér in haar ooren

de onverschillige terugwijzing of het geveinsd-vriendelijke afschepen

van wel-nader-laten-hooren, dat haar nog smadelijker leek.

Dagen lang, onder haar werken, onder het gaan naar haar dienst, onder

het gaan weer naar huis, en de avonden, en de nachten, als zij den

slaap maar niet vatten kon, maalde zij over die acht stuivers tekort en

over de twaalf gulden van de erfenis, die zij, acht stuivers bij acht

stuivers, zou moeten uitgeven, zonder dat één stuiver ooit waarlijk

van haar was geweest.

En onder dien angst en dat tergende tellen, begon, knagender met den

dag, het verdriet in haar op te komen over den dood van haar moeder

.... Als zij 't haar moeder nog maar eens vragen kon .... zij overzag

nu zoo goed, hoe die eerst onvrindelijk zou zijn en smalen op haar

stumperigheid, en dan toch helpen op het eind.

Soms dacht zij ook: Waarom was zij, met haar zwakke lichaam, maar

niet liever dood gegaan, in plaats van haar moeder, die altijd een

flink mensch was geweest!

Op het eind van de week, ziek van al het tobben, vroeg ze een onderhoud

met haar Mevrouw.

--Het was goed .... om vier uur kon ze op het balcon komen ....

Sprotje had plots een brandende spijt van maar niet dadelijk, op

den man af, te hebben gevraagd wat ze vragen wou,--nu liep zij nog

den ganschen dag met haar nieuwen angst rond. Maar zij dorst al

sinds lang zoo brutaal niet meer te zijn, als ze wel geweest was;

de laatste maanden hadden haar murw gemaakt ....

Om lang over vieren tikte zij.

"Binnen," riep Mevrouw ongeduldig.

Die zat in een roodgeverfden, rieten stoel aan het balconhek. Haar

bolle, witte kuif stond gedegen boven haar sterke, donkere gezicht;

alleen de ontevreden-klaaglijke mondhoeken zeiden iets van zich

ongezond voelen of niet lekker zijn.... Sprotje meende vaak gemerkt

te hebben, den laatsten tijd, dat Mevrouw zich verbeeldde aan dezelfde

kwaal te lijden als haar moeder ....

Naast haar stond de juffrouw, kleiner en smal en bleek, en als

altijd in een groengrijzige tint van kleeren, die haar nog bleeker

maakte. Boven haar betrokken gezicht met de fletse oogen en de wijde

neusgaten viel het zwarte haar zwaar uiteen en van achter was het

strak opgekamd van den gelig uitgeholden nek. Voor de juffrouw was

Sprotje nog banger dan voor Mevrouw. Zij had er niet op gerekend,

dat die thuis zou zijn. In een nieuwe bedremmeldheid bleef zij staan.

"Nou, Marie ...." zei Mevrouw. En toen Sprotje nog zweeg: "Je wou

toch niet komen vragen, hoop ik, of je nou voor dag en nacht zou

kunnen dienen? Ik begrijp wel, bij je thuis zal er veel veranderen...."

En dan plotseling heftig-afwerend, alsof men haar beleedigd had:

"Daar kan niets van inkomen .... ik hou van mijn vrijheid 's avonds

.... 'k heb ook geen ruimte ...."

"Het leege kamertje boven heb ik noodig voor mijn boeken," zei de

juffrouw minzaam uit de hoogte.

"'k Wou vragen, Mevrouw," zei Sprotje met een ijle, trillende stem, "of

U mij niet als vroeger op achttien stuivers in de week kon brengen."

Mevrouw keek verbaasd, dan gebelgd, dan spottend.

"Je werkt minder dan vroeger," zei ze .... "al sinds een week ligt

er verstelgoed te wachten in de keuken .... je zou de fijne servetten

uitwasschen .... die hangen nog vuil boven ...."

Maar de juffrouw, met een onverschillig gezicht, had iets gemompeld

van: och .... enfin .... Marie was al zoo lang bij hen ....

"'k Heb je zóóveel faciliteiten gegeven in de laatste maanden," morde

Mevrouw nog hoogmoedig tegen; "telkens een kwartier vroeger weg,

tweemaal een Zondagmiddag vrij, verleden week een heelen dag ...."

"Waarom wou je eigenlijk opslag hebben?" vroeg zij dan argwanend.

"'k Mot een kosthuis nemen .... ze vragen een-twintig in de week

....dat kan 'k niet betalen," zei Sprotje gewurgd.

De gezichten van moeder en dochter, plots, hadden een spitsing van

aandacht, een uitdrukking van misnoegen daarna ....

"Als je vierentwintig stuiver moet betalen en je verdient er

hier achttien, dan kom je er toch nog zes te kort .... hoe wou je

daarmee?" vroeg Mevrouw onaangenaam.

Sprotje stamelde iets van: de meubels .... de erfenis .... Ze zei

het zoo verward, dat zij voelde niet geloofd te worden.

Mevrouw en de juffrouw hadden elkaar aangekeken; in hun blikken was een

wisseling van raadvraging en waarschuwenden drang. Sprotje kreeg een

hooge kleur; haar handpalmen werden koud en nat; zij had zooveel van

achterdocht in dezen dienst geleerd .... zij wist, dat men dacht: zes

stuivers iedere week te kort,--die zal ook haar slag slaan als ze kan!

Sprotje had het laatste jaar geen cent oneerlijk meer genomen, maar

met een duizelige schaamte herinnerde zij zich plots hare kleine

bedriegerijen van den winter daarvoor .... Zij voelde zich daar staan,

alsof al haar gedachten en al haar daden zóó naakt aan het licht waren.

En alweer praatte, met een scherpte, die sneed door haar hersens,

de stem van Mevrouw:

"Stel, dat ik je op achttien stuivers bracht .... hooger gaan doe ik

in geen geval.... dan zou jij toch nog niet geholpen zijn ...."

Er was een oogenblik van moeilijke stilte.

"Nee ....," stootte Sprotje heesch uit.

"Enfin ....," besloot ongedurig Mevrouw Verscheer, "'t is nog zoo

kort geleden met je moeder, hè ....? we zullen nog eens zien .... ik

zal nog eens zien .... 'k zal er over denken."

Maar de juffrouw had kribbig met de schouders geschokt, knikte dan

verholen-dringend van nee.

Mevrouw zag haar vragend aan, even nog besluiteloos.

En plotseling, onwillig, zei ze:

"Ja, eigenlijk wil ik ook liever geen dienstmeisje houden, dat niet

het noodige bij mij verdienen kan .... Ik wil je niet haasten,

maar als het staat zooals je zegt, moet je toch liever naar iets

anders uitzien. Laten wij 't op half November houden .... met de zes

weken ...."

Toen, op haar lijfspreukelijken toon, begon zij nog een klein relaas

over het voordeel van een vollen dienst voor grootere meisjes: meer

gevoel van verantwoordelijkheid, meer opgaan in het werk .... meer

gehechtheid en trouw aan de meesters .... Sprotje knikte star; een

jachtige bleekheid trok haar gezichtje saam, en haastig ging zij heen.

Den Zondag daarop, 's middags na vieren--wat met hun werk het beste

uitkwam--waren Sprotje en Ant verhuisd naar hun zolder-achterkamer aan

de Vliet, bij Diepelink. Het was een laag en niet ruim, maar proper

vertrek. Aan den eenen zijwand lag het meegebrachte kermisbed gespreid,

aan den anderen kant van het kapvenster stond het geel houten ledikant,

dat voor Ant was bestemd, en waarin Sprotje slapen zou.

"'k Hou m'n eigen spullen," had Ant beslist.

Er stonden verder alleen maar een tafeltje met waschgerei en twee

stoelen en een oude kist; doch aan den kaligen achtermuur pronkte,

mooi glimmend in zijn donkerbruin hout, met de koperen sleutelgaten en

trekkers, Sprotjes ladekast. De potkachel van Ant, zijn twee korte

pijpstompjes in elkaar gestoken er boven op, school met hun oude

strijkplank in den hoek.

Onwennig naast elkaar op den rand van het ledikant, zaten de twee. Ze

keken elkaar aan met oogen, die vroegen, wat ze toch begonnen waren,

en hoe zij het leven hier uit zouden houden, hier in dit vreemde

vertrek, waar wat dingen waren zonder verband, en waar zij zitten

konden op die twee stoelen, maar niet aan een tafel.

Onder het raam, als de have van landverhuizers, bolden de twee

rood-bonte kussentijken, waarin zij hun kleeren hadden meegebracht.

Werktuigelijk ging Sprotje háár zak losbinden, haalde een paar stukken

er uit, borg die in een schuif van de ladetafel.

Sprotje's verder leven · 第 4 / 7 题