I.

De klok in het voorgevel-fronton van het Armen-ziekenhuis had

juist twee uur geslagen: de tijd, dat dien dag de bezoekers werden

toegelaten.

Stil, met haar lange, lijdzame gezicht zijwaarts in de kussens,

lag vrouw Plas, en wachtte.

Het was bijna vier weken geleden, dat zij, na veel zwijgend verduurde

pijnen bedlegerig geworden, en eindelijk zelfs geen voedsel meer tot

zich kunnende nemen, naar hier werd overgebracht; 't was maagkanker,

had ze de dokters hooren zeggen; zij wist, dat ze het niet lang meer

maken zou, en zij wachtte nu Sien, die met den middagtrein van drieën

voor haar uit Amersfoort zou overkomen.

Ant, trouw drie maal in de week, als het bezoekuur vroeg was gesteld

en in haar schafttijd viel, zat dat schaftuur uit aan haar bed;

Merie mocht Dinsdags en Vrijdags een kwartier vroeger uit haar dienst

gaan, en ook zij mankeerde nooit. Eens had zij zelfs den Zondagmiddag

vrijaf weten te krijgen. O! zij waren hartelijk te over voor haar,

en het was een vreugde, iedere maal, dat zij ze weer komen zag.

En toch, in het voorgevoel nu van den dood, die zoo nabij was, ging

haar grootste liefde niet uit naar die twee, maar naar de andere

dochter, naar Sien--Sien, die eens zonder een goedendag bijna bij haar

uit huis was getrokken, die op den avond van haar trouwen zelfs in

onmin scheiden kon, en die zij eenmaal slechts terug zag nadien: het

korte, koele bezoek tot afscheid, twee maanden later, toen plotseling

het jonge huishouden de stad verliet.

Ant was zoo oppassend en zoo zorgzaam, en Merie, bij haar zwakke

gezondheid, deed ook zoo braaf haar best in haar moeilijken dienst;

als in een verklaardheid, thans bij 't einde van haar leven, voelde

zij dat zooveel duidelijker en afzonderlijker dan vroeger, en zij was

er zoo dankbaar voor;--maar in de lange, vaag-wakkere nachten zag zij

Siens appel-frissche gezicht en zij hoorde de dartele, eigenzinnige

stem, die nooit veel liefs tegen haar gezegd had, en die haar toch

zoo lief was. Een kwellend verlangen was dan in haar hart, juist naar

de dochter, die haar het minst meer noodig had, en die haar het minst

ook missen zou.... Hoe dat zoo wezen kon?

Moeilijk verlegde de zieke het hoofd in de kussens; haar pluizig,

zwart haar, in enkele maanden grauw geworden aan de slapen, ging

ver schuil in de strakke, witte ziekenhuis-muts en dat gespannen,

zuivere wit stond schril rond haar ingevallen, hoorn-gele gezicht,

waarop, als een schimmig weggewischte teekening, de nu bleek-purperen

ader-koonen voozig verglommen onder de diepgegroefde oogkassen;

en de lange, vale zijstukken der wangen hadden vreemde schaduwen,

alsof reeds de dood daar langs gestreken kwam. Doch haar eigenlijke

gezicht, haar donkere oogen en haar verweerde mond, zij waren, nu

voor een oogenblik de pijnen uitgestorven schenen, van een rust,

die noch het wachten, noch het verlangen te onteffenen vermochten.

Er lagen slechts weinig zieken in de zaal, dien tijd. Twee plaatsen

weerszij van haar waren onbezet; verderop, in het donkerder gedeelte,

gonsde een veelstemmig gepraat om het bed van een jonge vrouw, die

ongesteund rechtop zat midden in haar ledikant. Nog meerdere bezoekers

kwamen door de groote middendeur binnen en gingen allen naar dien hoek.

Vrouw Plas, moeizaam, verlegde opnieuw het hoofd in de kussens,

zag naar de andere zijde der zaal, waar de bedden alle stil waren

of iedereen sliep; rond het laatste hingen de witte gordijnen

dichtgesloten.

Een zuster, klein en donker, kwam door de lage zijdeur, in het

zaalverschiet, binnen; geluidloos schreed ze langs de voeteneinden der

lange rij ijzeren ledikanten en bij elk der drie hooge nis-vensters

gleed schuin een vleug van gouden Septemberzon over haar blauwe

sergen kap.

Toen zij dicht bij het bed van vrouw Plas was gekomen, klaagde die

flauwtjes over het helle licht, dat haar oogen zoo vermoeide. Zonder

gerucht liet de zuster het rieten rolgordijn zakken en ging verder.

"Wel bedankt," mompelde de zieke nog. Dan, in den vredigen schemer,

zakten de ijle, blauwig-doorschenen oogleden zachtjes neer over de

weg-deinende, donkere bollen, en haar gedachten, zonder ontroering

of beklag, vlotten weg langs de weinige wegen van haar afgelegde leven.

Zij zag zich, kind uit een groot steenbakkersgezin, iederen morgen

met hen allen trekken naar de steenbakkerij aan de rivier, waar zij

in guurte en in regen en in brandende zon de steenen droeg van de

droogschuren naar den oven en van den oven naar de schuit .... Zij

zag zich, vele jaren later, getrouwd met Plas, een vrouw van welstand

opeens voor haar doen, maar altijd druk in de weer toch, omdat het

werken haar in het bloed zat. Dan de geboorten der twee kinderen,

en, na zeven jaren, plotseling het ongeluk. En toen, de jaren door,

zij optornend voor 't gezin, en daartusschen, ongewenscht, als een

overmaat van zorg, de geboorte van 't derde kind, van Merietje .... Zij

dacht aan haar drie groote dochters nu, aan Sien .. Sien, die straks

komen zou .... Even toefde ook haar denken bij de twisterige bruiloft,

waarvan de herinnering haar zoolang een onverteerbaar brok was geweest;

zij dacht nu daaraan zoo onbewogen en ver af, met een vage verwondering

alleen, en zij wist, dat alles in haar hart vergeven was en dat er

geen veete meer bestond.

Toen zij de oogen opsloeg, wachtte bij de groote middendeur de zuster,

die aan Sien wees, welken kant zij op moest gaan.

Een blijdschap en een schrik tegelijk flitsten door de zieke heen;

't was of haar gespannen oogen de jonge vrouw wel naar zich toe

wilden trekken, zooals die, mooi gekleed, maar loom en zwaar, dan

langzaam naderde.

"Dag Sien," groette de moeder het eerst.

"Dag moeder," zei Sien; het klonk luid en wel hartelijk, maar haar

oogen zagen ontwijkend ter zijde.

En toen zij op den kleinen stoel, die naast het bed stond, zitten

ging, en wat bezwaarlijk tegen de achter-overe leuning aanzeeg,

spalkte plotseling de ruime, zwart-stoffen mantel open en haar

breed welvend lichaam van ver-zwangere vrouw kwam onverholen aan

het licht. Een pakje, dat zij bij zich had, lei ze naast zich op het

beddetafeltje neer.

De zieke kleurde branderig over de vaal-bleeke verslondenheid van

haar gezicht heen.

"Hoeveel maanden al?" vroeg ze dringend.

"'k Loop op 't laatst," zei Sien verward, als overrompeld; .... "Acht

maanden."

Zij waren nog geen half jaar getrouwd.

De vrouw in het bed sloot de oogen; er kwam een beving om den

weggeslonken mond, en, als voor zichzelf alleen, zoo zacht, zei ze:

"Dat had niet magge wezen."

Maar na een oogenblik keek zij weer op; zij zag, onder het kleurige van

den gelen kapothoed en zijn roode rozen, het vreemd geworden gezicht

met de bruinige vlekken aan de slapen, dat gezicht van reeds moeizaam

moederschap, en waarop de smarten der geboorte als aangekondigd

stonden; zij zag de vermagerde, aderige hand, die krampachtig in de

zijde neep, als om een hinder daar te overwinnen.

Een stil oogenspel, even, was er tusschen hen beiden. De moeder zag

ook, hoe het felle, uitdagende blauw van vroeger als donkerder was

geworden, dieper en inniger, en vol rust, die naar binnen leefde.

"'k Wou toch nog even komme, om je te zien," zei de dochter.

De vrouw in het bed knikte.

En dan, half onverschillig, half vertrouwelijk, begon Sien te

vertellen:

"Hij wou me eerst niet laten gaan .... hij is bang voor wat z'n

familie zal zeggen .... maar dat 's onzin natuurlijk .... as 't kind

er is weten ze 't toch .... en mijn ook een zorg of ze wat zeggen ...."

De zieke knikte nog eens; maar 't was of zij meer beâamde een eigen

gedachte, dan de woorden, die zij hoorde. Er was een groote goedheid

over haar gelaat en met de zorg van oud moederdier voor het jonge,

vroeg ze:

"Jij draagt zwaar .... net as ik in mijn tijd .... maar jij ben ook

gezond, hè?"

"O! gezond!...." zei Sien, "da's puik!.... maar 'k heb veel lasten."

"En is 't ie goed voor je?" vroeg de moeder. Zij vroeg het onbevangen,

of nooit het vertrouwen van moeder en kind tusschen hen verstoord

was geweest, en Sien antwoordde, argloos ook:

"Hij het z'n gebreken, hè?.... maar anders zoo goed as de beste

.... 'k heb geen klagen .... en achttien gulden in de week vast ...."

"Ik zal 't nie meer beleven," zei de zieke, met een plotselinge

zwenking der gedachten, en voor het eerst kwam er iets van verlangen

en nog hangen aan het leven in haar gelaat.

Sien was opgeschrikt. "Wat zeit de dokter?" vroeg ze haastig. "Hei

je veel pijn?"

"Ze hebben 't je geschreven.... 't begin van het eind," zei de zieke;

en verder praatte zij niet over zichzelf.

Toen gaf zij nog, met dezelfde goedheid van oud, uitgeleefd moederdier

over haar zwakke gezicht, al wat zij wist aan raad voor de aanstaande

bevalling.

Een lange wijl zaten zij zonder spreken.

Dan, om wat te zeggen, vroeg Sien naar haar zusters: .... was Merie

wel gezond?.... vree Ant nog met Busselaar?

"Vrijen en niet vrijen.... zoo'n gangetje, hé?" zei de moeder met

een vagen glimlach, waarin nog iets van haar vroegeren, goelijken

spot kwam doorschijnen.

Siens uitzicht trok gaandeweg al meer vervallen en overmoe; de bruinige

schaduwen aan de slapen en bij den mond vertoonden zich sterker nu

haar kleur was gezakt; er kwam een schril licht in haar oogen en een

onnoozele trek om den even open mond.

"Je kon het toch nog wel doen, die reis?" vroeg de moeder met vrees.

Sien gebaarde iets van:--nou nog mooier! Dan zei ze plotseling:

"'t Zal zeker een jongen zijn."

Een lach brak door op 't gezicht van de zieke vrouw.

"Dat dacht ik ook altijd," zei ze, "de beide keeren.. Maar met Merie

niet meer.... die hield zich altijd koest, net als later."

Ze zagen elkaar aan, de oude en de aanstaande moeder; er was een

wereld van gelijke zonnige gedachten en van zorgen tusschen hen in.

"Jij hebt het rijker dan ik het had.... jij mot een dokter

nemen.... geen juffrouw...." zei de zieke nog.

Toen ging, met het opklinken op eens van nader gekomen stemmen,

wat luidruchtig, de groote middendeur open; een groepje bezoekers

verliet de zaal, en tegelijkertijd, bedeesd langs hen henen, vaaltjes

en bleek in haar grijzen regenmantel, schoof Sprotje naar binnen.

Zij scheen dadelijk Sien te zien zitten, want zij aarzelde, keek

schichtig terzij, of ze met den laatst heengaande nog weer mee

terugkeeren wou.... Toen die de deur achter zich gesloten had, kwam

zij, ontdaan, op het bed van haar moeder af.

"Dag Merie," zei Sien ongedwongen en vriendelijk.

"Dag....," zei Sprotje schuw. Dan groette zij de zieke, gaf haar een

hand en zette zich schutterig neer op den rand van het bed. Schril en

beschaamd gingen haar blikken naar het zwaar uitpuilende figuur der

jonge vrouw; zij dorst er niet naar te kijken en zij kon er de oogen

niet afhouden. Zij kreeg een hooge kleur en voelde een verlegenheid

of zij zou gaan huilen.

Sien lachte niet; Sien werd niet boos; met een groote rustigheid

zei ze:

"Je hoeft niet zoo bleu voor je zuster te zijn.... we kenne mekaar

toch langer dan vandaag......"

"Ben je goed gezond tegenwoordig?" vroeg ze achteraan.

Sprotje had verrast opgekeken. Zij knikte van ja.

"'k Ben van 't jaar nog geen dag thuis gebleven en m'n werk ken 'k af."

"Da's mooi," zei Sien; en tegen de moeder:

"Goed er uit zien is nog wat anders.... maar as ze zelf voelt, dat

ze sterker wordt...."

Sprotje nam haar zuster wat vrijmoediger op. Wat was Sien deftig

geworden, dacht ze, net een echte juffrouw, en zoo stil in 'r

mond--.. Maar wat zag 'r gezicht er akelig uit, en wat puilde dat

lijf.... zou dat pijn doen?.... Sprotje voelde een aantrekking en

een afschrik tegelijk, een angst voor iets onafwendbaars, alsof het

haarzelve gold.

Met een plots zeer klaren blik had de zieke vrouw naar Sprotje gekeken,

zooals die daar zat in haar kalen regenmantel en met haar doffe,

bruingrauwe hoedje op. 't Was haar, of zij nog nooit zoo goed het

gezicht en heel het wezen van haar jongste kind had aangeschouwd,

de smalle, vage wangen, zooals die spits toeliepen naar de kleine,

zwakke kin, en de zachte, grijze oogen onder de bleeke brauwen;

zij zag het plukkige, vaal-blonde haar, dat geen levenskracht scheen

te hebben, en de onzeker verloopende lijn van strakke voorhoofd en

kinderlijke neusje; sloom was de moeizame ronding van haar hals en van

haar ingebogen schouders, maar de mond, flauw-roze en met drie fijne

dwarskerfjes in de bovenlip, sloot vast opeen met een uitdrukking

van smartelijke volharding; en in haar schoot lagen, groot en grof

donkerrood, als dingen die niet pasten bij haar tengerte, de barstige,

zwart-gekerfde en als gezwollen werkhanden aan de nog rauwer-roode,

dunne, knokelige polsen.

Een groot medelijden, zooals zij nog nooit voor dit kind had gevoeld,

kwam er in het hart der zieke vrouw.

Zij herinnerde zich de dunne priegelvingertjes van voorheen, zooals die

de ringen naaiden aan de gordijnen van den behanger, en haar dunne,

bloedlooze lippen, die zoo vaak zich sperden in een raar gelach. Zij

voelde, dat dit kind van haar zeer misdeeld was en niet opgekweekt als

het had behoefd; en zij voelde ook, dat niemand daar schuld aan had;

doch het verband van die gedachten kon zij met haar zwakke hoofd niet

rijmen, en afgetobd sloot zij de oogen.

"Een kinderwagen? leg je 'm daar 's nachts ook in?" vroeg Sprotje.

"Wel nee, meid," zei Sien, "d'er is een ijzeren wieg met zeegroene

gordijnen en een kanten kleed erover; een burgemeesterskind zou er

in kunnen slapen."

"Zoo'n hooge, as t'er wel voor de winkelramen staan?.... zou 'k die

graag 's zien!.... En hei je mooie, zachte lakentjes?.... en krijgt

ie een kanten mutsie op?"

"Da's geen mode meer," zei Sien.

Toen, met een afschijn van groote vrede en gelukkigheid over haar

gelaat, zag de zieke weer op. Hoor! nu praatten zij eensgezind over het

nieuwe leven, dat op geboren worden stond! nu waren zij niet vijandig

meer! Zij was zeker lang met haar gedachten afwezig geweest. En er

was een verwondering in de vrouw, omdat plotseling het sterven haar

niet droef of vreemd meer leek.

Ook zag zij, in een nieuwe verklaring, hoe het gezicht van het

meisje, diep-in, geleek op het gezicht van Sien, zooals die daar nu,

vermoeid en tijdelijk afgetakeld door haren staat, naast het bed te

vertellen zat.

"Je mot zeker gauw weer weg?" vroeg ze dan, maar zonder treurigheid,

alsof er een groote bevrediging was over haar gekomen.

"'k Zou maar één trein overblijven.... omdat ik anders de familie

niet kan passeeren...."

Sien zei het benepen-verontschuldigend, trachtend te verzachten,

en zij had gekleurd; maar de zieke vrouw knikte, dat het goed was.

"As 't afloopt mot je niet weer overkomme.... voor 't kind niet, en

voor jou niet.... maar as je man me wil helpen begraven.... 'k ken

hem eigenlijk wel niet, maar 't is toch me schoonzoon.... en je mot

'm wel de komplementen doen."

Even werd het Sien te raar om het hart en zij beet op haar lippen om

niet te huilen.

Toen begon ze druk te vertellen van hoe het bij haar thuis was:

zóó de voorkamer, zóó de achterkamer....

De zieke luisterde vaag maar welgevallig.

"En hoe zal 't kind heeten?" vroeg ze nog, bij een gaping in 't

verhaal. Doch dadelijk knikte zij van nee en maakte een gebaar van

maar niet te antwoorden: zij wist wel, dat zij daarin niet meegeteld

zou worden en dat alles voor de familie van den man zou zijn. Even

schoof er nog een verdrietige schaduw door haar oogen, en Sien,

haastig, vertelde weer door: een keuken met een dubbel raam, en een

gasstel met een oventje erin had ze.... in een ommezien was daar je

eten op gaar. Boven sliepen ze, maar in de achterkamer was nou ook

al een bed gezet, voor as ze most gaan liggen....

Telkens drukte ze, met een pijnlijken trek om den mond, de

rechterhandpalm in de zijde en hield even den adem in.

De klok aan den voorgevel sloeg vijf slagen, en dadelijk daarna

kwam de zuster:--alleen het bezoek van buiten mocht nog blijven;

het gewone uur was verstreken, zei ze zachtzinnig.

Sprotje stond dadelijk gewillig op, tot vertrekken gereed. Maar ook

Sien was uit haar stoel overeind gekomen.--Vijf uur?.... dan most ze

weg.... om half zes ging haar trein.... Ze liep zoo vlug niet meer....

Zij aarzelde. Het was zoo vreemd. Zij kon geen afscheid nemen. Zij

staarde naar de vrouw in bed. Dat was nu haar moeder.... daar lag

ze.... en zij zou ze nooit weerzien. Zij werd heel wit. Zij zag,

hoe haar moeders gezicht was weggeslonken, alsof zij zoo sterven kon.

Maar vast en klaar zei de zieke nog:

"Een gelukkige verlossing, kind, en een gelukkig leven verder."

Een snikken brak in Sien los. Zij bukte zich, gaf een kus op de vale

wangen, een kus op de hand, en gehaast, voorzichtig met haar zware

lichaam, naast Sprotje, die 'r stappen inhield, ging zij de zaal af,

keek nog om bij de deur; zij lachte schril door haar schreien heen,

zij knikte, had een stijven handwuif,--dan waren zij weg.

Toen de begrafenis was afgeloopen, en de eenige oom, die in het Kerspel

woonde, en de schoonbroer uit Amersfoort weer waren vertrokken, zaten

's avonds, als versuft van al de trieste beslommering, Sprotje en

Ant samen bij de kleine lamp aan hun keukentafel.

Zij waren beiden dien dag niet naar haar werk geweest, hadden 's

morgens in het ontvangzaaltje van het ziekenhuis gewacht tot de paar

begrafenisgasten kwamen, hadden 's middags koffie geschonken voor de

menschen, die in hun voorkamer zaten.

Moeders broer was al tegen drieën weggegaan en de zwager een half

uur later; maar een paar buurvrouwen waren nog tot den donker

gebleven, vullend het ontredderde vertrek met een dompig-verwarde

luidruchtigheid.

Nu, vreemd, in de avondstilte, waren zij met hun tweeën alleen.

Sprotje zag ontdaan; een doode en een begrafenis, die had zij, met

weet, nog nooit bijgewoond; haar gedachten waren vol afschrik en

veege ontzetting en een werkelijk verdriet drong niet tot haar door.

Ant was zeer moe; zij hield het breede postuur ineengedrongen,

de armen over de borst gekruist, of zij kleumde; soms knikte met

hortende stootjes haar hoofd voorover en was zij een oogenblik ingedut.

Maar gauw en heesch begon Sprotje dan iets te zeggen; zij wou niet,

dat de andere sliep, wou aldoor blijven praten, om aan de dwangbeelden

te ontkomen, die haar staken in het hoofd.

En Ant schrok op, keek dwaas even rond, huiverde en overpraatte met

haar luide stem de stilte, die ook haar benarde.

Zoolang vrouw Plas in het Ziekenhuis lag, hadden zij al de avonden zoo

bij elkaar gezeten, slaperig beiden en moe, Sprotje van het sjouwen

in haar dienst, Ant door het dubbele werken op haar weverij en bij

hen thuis,--wekenlang had dat geduurd, en nu was er plotseling een

verwezenheid en een nieuwe leegte gekomen, die alleen hun eigen bange

gedachten daar brachten, en die benauwend was te ondergaan.

Beiden, bij poozen, herinnerden zich ook, wat de man van Sien

bij het heengaan nog zeide, dien middag:--zij hadden veel met

hun moeder overbracht, en 't zou zeker onkosten gegeven hebben

bovendien.... 't beetje, dat er was, konden zij houden.... Sien maakte

geen aanspraak....

Uit den toon van zijn stem was wel de geringschatting te hooren geweest

voor het erfenisje van een paar meubelstukken en wat waardeloos geraad;

maar zij vonden het toch vriendelijk, dat hij hun liet, wat zij altijd

gehad hadden,--en alsof er nu eensklaps iets vreemds was gekomen aan

elk ding, en zij daarmede iets anders zouden kunnen doen, dan zij

altijd gedaan hadden, zoo verbaasd en onderzoekend keken zij soms rond.

Maar dan spraken zij ras daarover heen, om de wreede en slechte

gedachte te verbannen.

"Ja...." zei Ant eindelijk met een moedelooze afgetrokkenheid: "'t

had zoo ook niet langer gekend, hé?.... werken en koken en dan nog m'n

tien uren op 't fabriek.... jij ken nou eenmaal niet meer bijbrengen,

om te helpen.... maar 't liep mijn over de kop.... net as je oom zei,

we motten een kosthuis zoeken...."

Sprotje schokte even in de schouders weg.

Ant was al vaker tot dat besluit gekomen, vorige avonden van

neerslachtigheid en tobberij; en Sprotje, in een ijlen schrik, had

daar dan dadelijk overheen gepraat.... Een kosthuis zoeken, wonen bij

andere, arme menschen als zijzelf, bij vreemden, dat leek haar zoo

zwart en zoo troosteloos, dat al het grauwe van haar eigen thuis er

plotseling bij wegviel; en zij had zich met vage mogelijkheden gepaaid,

die zij maar vaag hield, om er het onmogelijke niet van in te zien....

Nu, in de beklemmende leegheid van dezen avond, voelde zij het

onherroepelijke: zij moesten hier weg.... zij moesten onder de

menschen.

Zij keek Ant aan met het zachte van een weerloos dier in haar kleine,

grijze oogen en ze zei gelaten:

"Ja.... een kosthuis...."

"Ze is van middag pas begraven", kwam Ant verdrietig, "we moste daar

eigenlijk nog niet over praten."

Maar even later, in de zeurige dofheid van haar afgetobd, heet hoofd,

ging zij toch op dezelfde gedachte door:

--De moeder van Eiltje, die nam kommesalen, maar 't was er zoo'n

herrie, negen kinders over de vloer.... en de menschen van Mastenbroek,

maar daar leien ook kerels van 't spoor in de kost.... misschien was

't bij Westerweel nog het beste....

"En de meubels, die motte we wel verkoope," zei ze dan mistroostig.

"Verkoope....?" duizelde Sprotje.

Bij verbijsterende vlagen kwam al de naakte naarheid door haar

denken gejaagd.

"Maar de latafel toch niet....!" schrok ze opnieuw.

"En een kosthuis, hoe mot ik dat betalen...." klaagde ze nog flauwtjes

op de eerste overdenking door: "ze vragen wel een daalder in de

week...."

"Jij zou de latafel kenne houen, as je daar zoo op gesteld ben," zei

Ant goedig; "veel dienstmeissies brengen een kassie mee, hè?.... as

jij later 'ns voor dag en nacht gaat.... En ik neem dan weer wat

anders...."

"Ik zou de potkachel kenne nemen," zei ze even later, alsof het een

plotselinge vondst van haar was.

"Waarom de potkachel?" vroeg Sprotje verbaasd.

Maar onderdoor die verbazing was er eensklaps een schrille vreugde in

haar hart geschoten. De latafel! .... of zij dan nog ooit 'ns, als een

deftige dienstmeid, met 'n kassie bij 'r menschen zou komme....! Of

dat nog 'ns mogelijk zou zijn!

Met een matter belangstelling vroeg ze nog eens: "Wat zou jij met de

potkachel doen?"

Doch Ant zweeg, gaf geen naderen uitleg over die keuze.

Zij zaten stil; zij keken verward, als betrapt voor zich neer....

Zij waren plots weer bij de niet te gelooven werkelijkheid terug:

hun moeder was dood, was begraven vandaag.... Ant streek verscheidene

malen met de hand over de oogen.

Na een poos zag Sprotje haar zitten, met het zorgelijk getrokken

voorhoofd en den ouwelijken rimpelmond, zooals zij wel vaker te

kniezen zat, den laatsten tijd.

Ant dacht aan Busselaar, aan haar beurtschipper. De vorige maand had

hij een bezoek overgeslagen; gister was het zijn dag geweest en hij

had zich niet vertoond.... maar soms kwam hij er twee, drie later

dan zijn tijd was.... Wat die man toch in zijn schild voerde!.... Zij

brak zich daar vaak het hoofd mee.

"'t Zal om de begrafenis zijn, dat ie niet gekommen is", zei Sprotje,

radend in een goeiïgheid van willen troosten.

De andere knikte.

Wat later, hulpeloos, spraken zij af, dat Ant den volgenden morgen,--'t

was dan juist Zaterdag--de huur van hun huisje zou opzeggen; en Zondag

zou ze werk maken van een kosthuis; ze moest ook bij de uitdragers

langs voor den verkoop van hun boeltje......

Dan zwegen zij weer beiden, vervaard voor zooveel moeilijkheden.

Door de stilte van den avond streek, als een eindelooze zucht uit de

wijde eenzaamheid der weilanden, het geruisch van een trein op den

verren spoordijk; uit de Hanekamp tikkelde telkens, zenuwachtig, het

knikkergeluid der biljardballen; en daar doorheen botste soms een doffe

plomp-klots in de zakken, of flitste het helle ketsen van een queue.

Ant, met een ruk, stond op van haar stoel, draaide de lamp hooger,

die gezakt was, ging dralende weer zitten.

"De arme stakkerd", zei ze.

"Ja", kwam Sprotje zacht; zij werd op eenmaal heel lauw en dacht aan

haar moeder; haar wrange keel wrong omhoog en tranen drongen in haar

oogen; even huilde zij en trachtte te bidden, maar haar leege bidden

werd verschroeid door haar warrig heete gedachten.

"Kom meid", hoorde ze Ant zeggen, die de hand op 'r schouder lei. De

oogen vol tranen, haar denken dood-gebrand, staarde Sprotje wezenloos

voor zich uit, liet zich door die warmte opbeuren.

Zij zag vlekkerig rood, en rechtte haar pijnlijken rug.

Ant, de ellebogen op tafel, de kin in de handpalmen, staarde blind

in de lampevlam.

Zoo zaten zij een langen tijd.

Zij verlangden beiden naar bed; zij gingen niet; er was iets stuk

diep in hun hoofden, er stak iets, er schrijnde iets en zij talmden

bij elkaar in den schijn van het lamplicht, dat nog troostte.

Dan begonnen zij, dof en nuchter van afgematheid, nog eenmaal over

ieders aandeel in de meubelstukken.--De latafel en het potkacheltje,

dat ging niet gelijk-op, vond Sprotje, die slapjes weer kwam

bijgeleefd.--Maar ze nam haar eigen bed ook mee, zei Ant;.... als

Merie dat van Sien wou?

--.... Nee.... zei Sprotje, rillerig.... in een betrekking kon je

daar toch niet mee ankomme.

Maar dan herinnerde zij zich plotseling de vriesnachten, op haar

veldbedje onder het dak, bij juffrouw Jonkers.

--Eén wollen deken kon je misschien in je kastje wel meebrengen,

aarzelde ze.... voor as je eens kouwelijker was, dan de menschen

dachten....

Plots schrokken zij beiden; een felle fluitstoot, als een schrei,

kwam over het land gekreschen. Ant zag, hoe Sprotje schril wegtrok

om den neus.

"'t Is de trein van tienen", zei ze, "we motte naar bed".

Maar geen van beiden roerde zich om op te staan. Uit den Hanekamp klonk

nog een laatste getikkel der biljardballen; gelach en stemmen-lawaai

van menschen die uiteengaan, galmde over en zweeg. Een nieuwe stilte

viel er over 't land.

"We motte Sien een gedachtenis geven", zei Sprotje opeens met een

vreemd wakker hoofd.

En zij keek onbestemd rond naar wat daartoe dienst kon doen.

Doch Ant zei bitter:

"As ze niet zoo'n verdriet van Sien had gehad, zou ze der zoo gauw

niet uit zijn geweest.... ze het na de bruiloft geen gezond oogenblik

meer gehad.... En nou weer zóó bij moeder te komme.... daar zal de

ziel ook nog wel...."

Sprotje dacht aan het afscheid, dien middag in het ziekenhuis; ze

zag weer het uitgeleefde, trouwe gezicht; ze hoorde die zwakke stem

vol sterke liefde: "een gelukkige verlossing, kind, en een gelukkig

leven verder...."

"Moeder was toch...." wou ze beverig gaan zeggen, maar door het

geluid van haar eigen woorden brak ze plotseling in een zenuwachtig

snikken uit.

Om half elf zaten ze nog op. Ant stelde voor, samen in de bedstee

te slapen, die nu al twee maanden ongebruikt was geweest, doch dat

deden zij niet.

't Was over elven, eer zij dicht achter elkaar aan, met het olielampje,

de ladder opklommen naar hun slaapplaatsen op zolder.

De eerste dagen der volgende week raakte Ant met een kosthuis klaar. 't

Was bij Diepelink dat ze kwamen. Zijzelf moest twee-vijftig kostgeld

geven en tien stuivers kamerhuur, en omdat zij een stel eigen bedgoed

meebrachten, kon Marie voor niets de kamer deelen. Marie had alleen

middageten noodig, kreeg boterhammen in 'r dienst, Marie namen ze

voor vierentwintig stuivers in de week erbij.... 't Was een prikje,

dat moest Ant toegeven.... Maar met een bekommerd hart kwam zij dien

avond Sprotje den uitslag vertellen.

Sprotje, die in 't vage al zooveel getobd had, schrok toch nog heftig

voor de daadwerkelijkheid van het bedrag. Zij verdiende tachtig centen

in de week. Acht stuivers te kort. En 'r kleeren! En de ziekenbus,

waarvoor zij zelf nu zorgen moest!

"'k Zal je wel helpen, as 't mot," zei Ant aarzelend. Sprotje knikte

flauw door haar tranen heen. Ant was op den penning geworden sinds

haar verkeering met Busselaar, dat wist ze wel; en voor háár zou

't leven ook duurder zijn dan hier aan het Dijkje.

"En de erfenis," troostte Ant weer.

Sprotje's verder leven · 第 3 / 7 题