Geschiedenis van don Alphonse en van de schoone Seraphine.
Ik zal u niets verbergen, vader, noch mijn metgezel, die mij zoo
edelmoedig heeft geholpen. Ziehier mijn afkomst. Ik kom van Madrid. Een
officier van de Duitsche garde, genaamd baron von Steinbach, merkte,
toen hij op een avond thuiskwam, aan den voet van de trap een pak
wit linnen. Hij nam het op en bracht het in de kamer van zijn vrouw,
waar hij zag, dat het een pasgeboren kind was, zeer zindelijk gekleed,
met een briefje, waarin men verzekerde, dat het aan voorname lieden
behoorde, die zich eens kenbaar zouden maken en men voegde er aan toe,
dat het kind gedoopt was en Alphonse heette. Ik ben dat ongelukkige
kind en dat is alles wat ik weet. Mijn moeder ken ik niet, ik weet
niet of zij mij te vondeling heeft gelegd om een ongeoorloofde
liefdesbetrekking te verbergen, of, dat ze verleid is en genoodzaakt
werd mij te verloochenen.
Hoe het zij, de baron en zijn vrouw waren getroffen door mijn lot en
daar ze geen kinderen hadden, besloten ze mij op te voeden onder den
naam van Alphonse. Naarmate ik ouder werd, voelden zij zich meer tot
mij aangetrokken. Ze besteedden al hun zorg aan mijn opvoeding en,
inplaats van ongeduldig te verlangen naar den tijd, dat mijn ouders
zich bekend zouden maken, scheen het wel of ze wenschten, dat het
geheim van mijn geboorte nooit zou worden opgehelderd. Zoodra ik in
staat was de wapenen te dragen, liet de baron mij in dienst gaan en
om mij aan te sporen gelegenheden te zoeken om roem te behalen, zeide
hij, dat deze loopbaan openstond voor iedereen en dat mijn naam des
te roemrijker zou worden, daar ik het alleen aan mijzelf te danken
zou hebben. Ik ging te Madrid voor zijn zoon door en had zelf ook
geloofd dat te zijn, tot hij mij van mijn geboorte had gesproken. Deze
ontdekking deed mij veel pijn en ik beken, dat ik er nog niet zonder
schaamte aan kan denken.
Ik ging dienen in Nederland, maar de vrede werd korten tijd later
gesloten en daar Spanje op dat oogenblik geen vijanden maar wel
benijders had, ging ik terug naar Madrid, waar ik opnieuw door den
baron en zijn vrouw met bewijzen van teederheid werd overladen. Ik
was twee maanden terug, toen er op een morgen een kleine page in
mijn kamer kwam, die mij een briefje gaf, dat ongeveer zóó luidde:
"Ik ben niet leelijk en ook niet mismaakt en toch ziet ge mij vaak
aan het venster, zonder dat ge tracht mij te naderen. Dat is weinig in
overeenstemming met uw galant uiterlijk en ik ben er zoo door gebelgd,
dat ik wel, om mij te wreken, u mijn liefde zou willen schenken".
Na dit briefje te hebben gelezen, twijfelde ik er niet aan of het was
van een weduwe, die Léonore heette, over ons huis woonde en als zeer
koket bekend was. Ik ondervroeg den kleinen page, die eerst zijn geheim
bewaren wilde, maar voor een dukaat spoedig mijn nieuwsgierigheid
bevredigde. Hij belastte zich zelfs met een antwoord, waarin ik haar
bekende, dat het misdadig van mij was en dat zij al half gewroken was.
Ik was niet ongevoelig voor de verovering, die ik op zulke wijze
had gemaakt. Het overige gedeelte van dien dag ging ik niet uit en
ik zorgde er voor aan mijn raam te staan om naar de dame te kijken,
die niet verzuimde om aan het hare te komen, Den volgenden morgen
liet ze mij door haar kleinen page vragen, of ik 's nachts tusschen
elf en twaalf uur in de straat wilde zijn; ik kon dan een onderhoud
met haar hebben voor het venster van een benedenzaal. Hoewel ik niet
zeer verliefd was op die al te toeschietelijke weduwe, liet ik haar
weten, dat ik komen zou. Ik ging in het Prado wandelen tot het uur
van onze samenkomst. Ik was nog niet op de plaats, toen een ruiter,
die op een mooi paard reed, plotseling op den grond sprong, op mij
toeliep en op korten toon zeide: "Mijnheer, zijt gij niet de zoon
van baron von Steinbach?" "Ja," antwoordde ik. "Dus zijt gij het, die
vannacht een onderhoud met Léonore moet hebben aan haar venster? Ik
heb haar brieven gezien en uw antwoorden; haar page heeft ze mij
getoond en ik heb u van uw huis af tot hier gevolgd, om u te zeggen,
dat ge een medeminnaar hebt. Ik geloof niet, dat het noodig is,
om u meer te zeggen. Wij zijn hier op een geschikt terrein, laat
ons vechten of beloof me, dat ge van Léonore zult afzien. Zeg mij,
dat ge uw wenschen zult opofferen, of ik zal u dooden!" "U hadt,"
zei ik, "moeten verzoeken inplaats van dreigen. Misschien had ik aan
uw verzoek gevolg gegeven, maar uw dreigement vrees ik niet."
"Welnu," zei hij, na zijn paard te hebben vastgemaakt aan een boom,
"laat ons dan vechten. Het voegt een persoon als ik ben niet om een
man als u iets te vragen. De meesten van mijns gelijken zouden zich
op een minder eervolle wijze hebben gewroken." Ik voelde mij door die
laatste woorden beleedigd en ziende, dat hij het reeds had gedaan,
trok ook ik mijn degen. Wij vochten zoo geducht, dat de strijd
spoedig geëindigd was. Hetzij, dat hij al te verwoed was, hetzij,
dat ik behendiger was dan hij, ik bracht hem weldra een stoot toe, die
doodelijk was. Ik zag hem wankelen en vallen. Aan niets anders denkende
dan aan vluchten, besteeg ik zijn eigen paard en sloeg den weg in naar
Toledo. Ik durfde niet bij baron von Steinbach terugkeeren, daar mijn
avontuur ongetwijfeld hem verdriet zou doen en denkende aan het gevaar,
waarin ik verkeerde, kon ik niet gauw genoeg Madrid verlaten.
Tot den volgenden morgen reed ik door, maar tegen den middag moest
ik ophouden om mijn paard te laten rusten en de ondragelijke warmte
te ontgaan. In een dorpsherberg rustte ik om daarna mijn weg weder
voort te zetten. Reeds was ik in Illescas, op twee mijlen afstand van
Toledo, toen ik, tegen middernacht, werd overvallen door een onweer,
ongeveer gelijk aan dat van heden. Ik naderde de muren van een tuin,
die niet ver van mij af lag. Een deur ging open, toen ik er tegen
duwde en ik zag een huis met een balcon, waar ik onder ging staan
om mij te beschutten. Terwijl ik daar zoo stond, nam ik de omgeving
op en werd mijn oog getroffen door een groot licht in het huis. Ik
besloot binnen te gaan en om nachtverblijf te vragen. De deur was
open en daar ik niemand zag, liep ik de gangen door, die een marmeren
vloer hadden en een fraaie lambriseering. waaruit ik opmaakte, dat
ik bij een grooten mijnheer was. Doorloopende kwam ik in een salon,
waarvan de deur eveneens openstond. Hier bleef ik staan en nog altijd
zag noch hoorde ik iemand. Door een zijdeur had ik het gezicht in
eenige ineenloopende kamers, waarvan alleen de laatste verlicht was,
"Wat moet ik doen?" zei ik toen bij me zelf. "Teruggaan, of zal ik
brutaal genoeg zijn, om door te gaan tot in die kamer?" Na eenige
aarzeling besloot ik tot het laatste. De kamer, waarin het licht
brandde, was keurig gemeubileerd. Er stond een ledikant, waarvan de
gordijnen half geopend waren. Er lag iemand in en naderkomende zag ik,
dat het een jonge dame was, die, niettegenstaande het onweer, rustig
sliep. Haar trekken en teint waren buitengewoon schoon. Terwijl ik
mij het genoegen gunde haar in stilte te aanschouwen, werd zij wakker.
Stel u haar schrik voor, toen zij in haar kamer, midden in den nacht
een man zag dien ze niet kende. Ze rilde en uitte een kreet van
angst. Ik deed al mijn best om haar gerust te stellen, viel op mijn
knie en zei: "Mevrouw, vrees niets; ik kom hier niet om eenig kwaad te
doen." Ze was zoo verschrikt, dat ze niet wilde luisteren naar mijne
verdere woorden. Ze riep haar dienstboden en haar jongere zuster,
die zij onder haar hoede had, maar daar niemand haar antwoord gaf,
nam ze een japon, die aan het eind van het bed lag, schoot die haastig
aan en liep al roepende de kamers door. Niet anders verwachtte ik,
dan dat het geheele personeel zou komen aansnellen en dat het voor mij
wel eens kwaad zou kunnen afloopen, maar gelukkig voor mij, liet men
haar roepen, Ten laatste kwam er een oude bediende aansnellen, maar
wanneer die haar eenige hulp was, dan had ik weinig te vreezen. Door
zijn tegenwoordigheid echter eenigszins gerustgesteld, vroeg ze
mij op trotschen toon wie ik was en waarom ik de vrijmoedigheid had
gehad in haar huis door te dringen. Ik begon mij te rechtvaardigen
en ik vertelde haar, dat de deur had opengestaan. Daarop riep ze:
"Hemel! Welk een verdenking komt er bij me op!"
Terwijl ze dit zei, nam ze een kandelaar van de tafel en begon weer
al de kamers door te loopen, roepende, dat haar zuster en al hare
dienstboden met al hun goed vertrokken waren. Daarop kwam zij bij mij
terug en zei: "Waarom huichelt ge nu ook nog na het verraad? 't Is niet
bij toeval, dat ge hier zijt binnengekomen, ge behoort tot het gevolg
van Ferdinand de Leijva en hebt deel aan zijn misdaad. Maar hoop niet
om te ontsnappen; er blijft mij nog hulp genoeg over om u gevangen te
houden," "Mevrouw," zei ik, "verwar mij niet met uw vijanden. Ik ken
don Fernand de Leijva niet; ik weet zelfs niet wie gij zijt. Ik ben een
ongelukkige, die door een eerezaak verplicht is Madrid te verlaten en
ik zweer u bij alles wat heilig is, dat ik hier niet zou zijn gekomen,
wanneer het onweer mij niet had overvallen. Oordeel dus gunstiger
over mij; inplaats van medeplichtig te zijn aan een misdaad jegens
u, ben ik eerder bereid u te wreken." Die laatste woorden schenen
haar gerust te stellen, zij keek mij niet meer zoo vijandig aan en
begon te schreien. Die tranen wekten mijn medelijden voor haar op en
mijn woede tegen hen, die haar kwaad hadden aangedaan. Ik riep uit:
"Zeg mij wat ik doen moet! Moet ik don Fernand zoeken en hem het hart
doorboren? Beveel mij slechts."
Mijn geestdrift scheen haar aangenaam te verrassen en droogde haar
tranen. "Mijnheer," zei ze, "vergeef mij de verdenking, waartoe ik werd
gebracht door den toestand, waarin ik mij bevind. Edele onbekende,
vergeef Séraphine hare dwaling! Ik weiger uw hulp niet, al vraag ik
u niet om den dood van don Fernand. De zaak is deze: don Fernand is
verliefd op mijn zuster Julia, die hij bij toeval in Toledo heeft
gezien, waar wij gewoonlijk wonen. Het is drie maanden geleden, dat
hij haar hand heeft gevraagd aan mijn vader, graaf de Polan. Maar
deze weigerde, omdat er een oude veete tusschen onze geslachten
bestaat. Mijn zuster is nog geen vijftien jaar, zij zal zwak genoeg
zijn geweest om den raad te volgen van mijn dienstboden, die zeker
door don Fernand zijn omgekocht en deze, wetende dat wij alleen waren
in dit landhuis, heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om Julia op
te lichten. Ik zou zoo graag willen weten, waarheen ze gegaan zijn,
dan kunnen mijn vader en mijn broeder, die de twee laatste maanden
in Madrid zijn, hunne maatregelen nemen. Indien u de moeite zoudt
willen doen in de omgeving van Toledo een onderzoek in te stellen,
dan zoudt u mijn familie zeer verplichten." Ze scheen er niet aan te
denken, dat de taak, welke zij mij opdroeg, slechts paste voor iemand,
die trachten moest om Castilië zoo spoedig mogelijk te verlaten. Hoe
zou zij er ook aan gedacht hebben? Ik vergat het zelf ook, gelukkig
als ik was, dat ik de beminnelijkste vrouw, die ik ooit had gezien,
van dienst kon zijn. Met vreugde nam ik dus haar opdracht aan en
beloofde alles in het werk te stellen om mij daarvan behoorlijk te
kwijten. Ik wachtte den dag niet af om met mijn onderzoekingen te
beginnen, verzocht Séraphine nogmaals vergiffenis voor den schrik,
welken ik haar had berokkend en verzekerde haar, dat ze zoo spoedig
mogelijk bericht van mij zou ontvangen. Onderweg dacht ik na over
de gevoelens, welke Séraphine bij mij had opgewekt, ik meende, dat
zij mijn ontluikende liefde moest hebben bespeurd en dat ze die
misschien niet zonder genoegen had gadegeslagen. Wanneer ik haar
berichten omtrent haar zuster kon brengen en de zaak liep voor haar
naar wensch af, dan stelde ik mij voor, dat ik daar alle eer van zou
hebben." Hier brak Don Alphonse zijn verhaal af en zei tegen den ouden
kluizenaar: "Ik vraag u vergiffenis, mijn vader, dat ik zoo uitwijd
over omstandigheden, die u ongetwijfeld vervelen zullen." "Neen,
mijn zoon," antwoordde de hermiet, "het verveelt mij niet. Ik ben
verheugd te weten hoeveel gij van de jonge dame houdt, waarvan gij
spreekt. Daarnaar zal ik mijn raadgevingen regelen."
"Gedurende twee dagen zocht ik, zonder mij eenige rust te gunnen,
maar welke moeite ik mij ook gaf, mijn pogingen hadden geen resultaat;
het was mij niet mogelijk een spoor te ontdekken. Zeer teleurgesteld
keerde ik naar Séraphine terug, die, naar ik meende, in groote onrust
zou verkeeren. Maar ik vond haar veel kalmer dan ik mij voorgesteld
had. Zij deelde mij mee, dat ze gelukkiger geweest was dan ik, dat
ze wist wat er met haar zuster was gebeurd. Ze had een brief van don
Fernand ontvangen, waarin hij haar meedeelde, dat hij Julia in het
geheim gehuwd en naar een klooster in Toledo gebracht had. Séraphine
zei me, dat ze hoopte, dat de zaak in der minne zou worden geschikt
en dat een huwelijk, in het openbaar gevierd, spoedig een eind zou
maken aan de veete tusschen de twee huizen. Den brief van don Fernand
had ze opgezonden naar haar vader.
Nadat ze mij op de hoogte had gebracht van het lot van haar zuster,
sprak ze over de vermoeienissen, die ze mij bezorgd had en van het
gevaar, waaraan ze mij onnadenkend had blootgesteld, door mij te
verzoeken iemand te gaan vervolgen, terwijl ik zelf de vlucht moest
nemen. Met de meest vriendelijke woorden verontschuldigde zij zich
daarover. Daar ik behoefte aan rust had, bracht zij mij naar den salon,
waar wij beiden gingen zitten. Zij had een japon van wit linnen met
zwarte strepen en een hoedje van dezelfde stof met zwarte veeren,
wat mij deed denken, dat zij misschien weduwe was. Maar zij zag er
zoo jong uit, dat ik niet wist wat ik er van moest denken.
Was ik nieuwsgierig om iets naders omtrent haar te weten, ze scheen
ook in mij belang te stellen. Ze verzocht mij mijn naam te noemen
en zei, dat naar mijn uiterlijk en naar de ridderlijke wijze,
waarop ik haar geholpen had, te oordeelen, ik iemand zijn moest
van aanzienlijken huize. Haar vraag maakte mij verlegen, ik moet
bekennen, dat ik mij minder schaamde om te liegen dan om de waarheid
te zeggen, dus antwoordde ik haar dat ik een zoon was van baron
von Steinbach. Daarop moest ik haar nog eens uitvoerig vertellen,
waarom ik Madrid had verlaten. Ze beloofde mij, dat haar vader en
haar broeder, don Gaspard, mij ongetwijfeld zouden helpen. "Dat is
al het minste bewijs van dankbaarheid, dat ik een edelman kan geven,
die voor mij zijn leven in de waagschaal heeft gesteld." Ik maakte
geen bezwaar om haar alle omstandigheden van mijn duel te vertellen,
zij gaf den edelman, dien ik gedood had, ongelijk en beloofde, dat
haar heele familie mij bij zou staan.
Daarna bevredigde zij ook mijn nieuwsgierigheid. "Het is drie jaar
geleden," zei ze, "dat mijn vader mij deed huwen met don Diego de
Lara en ik ben sinds vijftien maanden weduwe." "Mevrouw," vroeg ik,
"welk ongeluk heeft uw echtgenoot zoo spoedig van u weggenomen?" "Ik
zal het u zeggen," zei ze, "dank zij het vertrouwen, dat ge ook mij
hebt geschonken.
Don Diego de Lara was een knappe man, maar hoewel hij mij zeer
liefhad, alles deed om mij het leven aangenaam te maken en vele
goede hoedanigheden bezat, kon hij er niet in slagen mijn hart te
winnen. Liefde is niet altijd een gevolg van groote dankbaarheid. Soms
bekoort ons iemand op het eerste gezicht. Al zijn betuigingen van
teederheid waren mij onverschillig, ik beschuldigde mijzelf van
ondankbaarheid en vond dat ik zeer te beklagen was.
Ongelukkig voor hem en voor mij, scheen het wel, dat hij mij in de
ziel kon lezen. Hij gevoelde zich ongelukkig door mijn koelheid. Hij
wist wel, dat hij geen medeminnaar had, want toen hij mij huwde, was
ik eerst zestien jaar en door mijn dienstboden vernam hij, dat nog
nooit een man mijn bijzondere aandacht had getrokken. Het vermoeide
mij om hem steeds over zijn liefde te hooren spreken en ik zei hem,
dat het voor zijn rust en de mijne beter zou zijn om alles maar aan
den tijd over te laten. Een jaar verliep er, zonder dat hij zag,
dat ik vorderde. Toen verloor hij zijn geduld. Voorgevende dat hij
een gewichtige zending voor het hof moest vervullen, ging hij naar
Nederland, nam daar vrijwillig dienst en vond weldra in de gevaren
van den oorlog wat hij zocht, d. w. z. het einde van zijn leven."
Nadat de dame mij dit verhaal had gedaan, spraken wij nog eenigen tijd
over het vreemde karakter van haar man. Wij werden gestoord door de
komst van een bediende, die een brief bracht van den graaf de Polan. Ze
vroeg mij verlof dien te openen en ik merkte, dat zij onder het lezen
bleek werd en begon te beven. Na hem geheel te hebben gelezen, zuchtte
ze diep en begon te weenen. Het was, of ik een voorgevoel had van den
slag, die mij dreigde; ik was zeer ontsteld. "Mevrouw," zei ik, "mag
ik vragen, welke ongelukkige tijding die brief bevat?" Ze reikte mij
hem over en zei op treurigen toon: "Lees zelf, mijnheer, wat mijn vader
mij schrijft; gij zijt er helaas maar al te zeer zelf bij betrokken."
Bij die woorden, welke mij deden huiveren, nam ik den brief en las:
"Don Gaspard, uw broer, heeft gisteren in het Padro gevochten. Hij
ontving een degenstoot, waaraan hij heden gestorven is en stervende
heeft hij meegedeeld, dat hij gedood is door den zoon van baron
von Steinbach. Ongelukkigerwijze is de dader ontsnapt. Hij heeft de
vlucht genomen, maar op welke plaats hij zich ook moge verbergen,
ik zal niets onbeproefd laten om hem te ontdekken. Ik zal schrijven
aan eenige gouverneurs, die hem zullen aanhouden, wanneer hij zich
in steden van hun district vertoont en ik zal door andere brieven den
weg voor hem trachten af te sluiten, indien hij soms verder wil gaan."
Stel u voor welk een ontsteltenis dat schrijven bij mij
teweegbracht. Ik bleef eenige oogenblikken onbewegelijk en zonder
kracht te hebben tot spreken. Wanhopig wierp ik mij aan de voeten van
Séraphine, ik bood haar mijn degen aan en zei: "Mevrouw, bespaar het
den graaf de Polan om mij te zoeken. Wreek zelf uw broeder en doodt
mij met uw eigen hand. Steek toe."
Zij werd bewogen en zei: "Heer, ik beminde Don Gaspard. Hoewel gij hem
in een eerlijk gevecht gedood hebt en hij zijn ongeluk aan zichzelf
te wijten had, zult gij wel begrijpen, dat ik de gevoelens van mijn
vader deel. Ja, don Alphonse, van nu af ben ik uw vijandin, maar ik
wil geen misbruik maken van een ongelukkig toeval, dat u bij mij heeft
gebracht. Vordert de eer van mij, dat ik mij tegen u zal wapenen,
ze verbiedt mij ook, mij op laffe wijze te wreken, De rechten van
de gastvrijheid moeten ongeschonden blijven en ik wil den dienst,
welken ge mij bewezen hebt, niet betalen met een moord. Vlucht,
ontkom, als ge kunt, aan onze vervolging en aan de gestrengheid van
de wetten. Redt u uit het gevaar, dat u dreigt,"
"Hoe mevrouw," zei ik, "ge kunt u wreken en ge laat het over aan de
wet, die misschien te kort zal schieten? Steek mij liever dood, ik
verdien het niet, dat ge mij spaart. Wees niet zoo edelmoedig tegenover
mij. Weet ge wie ik ben? Geheel Madrid houdt mij voor den zoon van
baron von Steinbach en ik ben slechts een ongelukkige, dien hij, uit
medelijden, heeft opgenomen. Ik weet zelfs niet, wie mijn ouders zijn."
"Dat doet niets ter zake," zei Séraphine, die bij mijn laatste woorden
opnieuw smartelijk werd aangedaan; "al waart ge ook de minste van
alle menschen, dan nog zou ik doen, wat de eer mij gebiedt." "Welnu,
mevrouw," zei ik, "indien de dood van uw broeder niet genoeg is, om
u mijn bloed te doen verlangen, dan zal ik uw haat opwekken door een
nieuwe misdaad, waarvoor ge geen verontschuldiging zult hebben. Ik
aanbid u, ik ben verblind door mijn liefde en niettegenstaande mijn
ongelukkig lot, had ik de hoop gehad u eens toe te behooren. Ik was
verliefd, of liever gezegd ijdel genoeg, om te durven hopen, dat de
hemel mij nog eenmaal het geheim van mijn geboorte zou ontsluieren
en dat ik u zonder te blozen mijn waren naam zou kunnen noemen. Na
wat ik u nu gezegd heb, zult ge toch zeker wel niet meer aarzelen om
mij te straffen."
"Uw vermetele wensch," antwoordde zij, "zou mij op een anderen
tijd zeker beleedigd hebben, maar nu vergeef ik u, terwille van uw
verdriet. Bovendien kan ik in den toestand, waarin ik verkeer, weinig
aandacht aan uw woorden schenken. Nog eens, don Alphonse, verwijder
u uit dit huis, dat gij met smart hebt overladen, ieder oogenblik,
dat gij blijft, doet mijn verdriet toenemen." Ik stond op en zei: "Ik
zal gaan, maar denk niet, dat ik trachten zal een veilige schuilplaats
te zoeken en een leven te redden, dat gij haat. Ik ga naar Toledo en
zal mij aan mijn vervolgers overleveren."
Met die woorden ging ik heen, steeg te paard en reed naar Toledo,
waar ik acht dagen bleef en waar ik zoo weinig zorg nam om mij te
verbergen, dat ik nog niet begrijpen kan, dat men mij niet gevangen
genomen heeft. Want ik kan niet gelooven, dat de graaf de Polan,
indien hij zijn maatregelen goed heeft genomen, zou kunnen vergeten,
dat ik Toledo passeeren kon. Gisteren ging ik de stad uit, alsof
de vrijheid mij verveelde en zonder een weg te kiezen, die meer
veiligheid aanbood, ben ik hier gekomen in dit kluizenaarsverblijf,
als een man, die niets heeft te vreezen. Nu weet ge mijn geschiedenis,
vader, help mij met uw raad."