Wie de oude kluizenaar was en hoe Gil Blas bemerkte, dat hij onder
kennissen was.
Toen don Alphonse het treurig verhaal van zijn ongelukken verhaald had,
zei de oude kluizenaar tot hem: "Mijn zoon, ge zijt wel onvoorzichtig
geweest door zoo lang in Toledo te blijven. Ik beschouw met een ander
oog dan gij al wat ge mij verteld hebt en uw liefde voor Séraphine
schijnt mij een groote dwaasheid. Geloof mij, ge moet de jonge dame
vergeten, die u nooit zal toebehooren. Wijk voor de hinderpalen, die
u in den weg staan en laat u leiden door uw gesternte, dat u nog wel
andere avonturen belooft. Zonder twijfel zult ge nog wel eens weer
een jonge vrouw vinden, die een zelfden indruk op u maakt en wier
broeder ge niet gedood hebt."
Hij wilde verder spreken, toen wij een anderen kluizenaar zagen
binnen komen, belast met een vollen zak. Hij had inkoopen gedaan in
de stad Cuença, scheen jonger dan de eerste en had een dikken, rooden
baard. "Wees welkom, broeder Antoni," zei de oude, "welk nieuws brengt
ge uit de stad?" "Nogal slecht nieuws," zei de roode, en hij gaf hem
een stuk papier; "deze brief zal u voldoende inlichten." De grijsaard
las met aandacht. "Goddank!" riep hij, "nu het geheim ontdekt is,
moeten wij aan het werk. Laten wij nu maar van stijl veranderen,
don Alphonse, ge ziet een man voor u, die eveneens heeft te strijden
met de grillen van de fortuin. Men bericht mij uit Cuença, dat in een
stad op een mijl afstand van hier, men mij zwart heeft gemaakt bij de
justitie en dat men morgen alles in het werk zal stellen, om zich van
mijn persoon te verzekeren. Maar ze zullen niets vinden! 't Is niet
de eerste maal, dat ik mij in dergelijke moeilijkheden bevind. Bijna
altijd ben ik er goed afgekomen. Maar ik zal me nu in een andere
gedaante vertoonen, waarin ik even weinig van een kluizenaar, als
van een grijsaard zal hebben."
Zoo sprekende trok hij zijn pij uit, zette een pruik af maakte
zijn langen baard los en zoo kreeg hij het uiterlijk van een
man van 28 of 30 jaar. Broeder Antonio volgde zijn voorbeeld en
wierp eveneens zijn vermomming weg. Stel u echter mijn verbazing
voor, toen ik beter toeziende, in den ouden kluizenaar don Raphaël
herkende en in broeder Antonio niemand anders dan zijn trouwe knecht,
Ambrosius de Lamela. "Mijn hemel!" riep ik uit, "ben ik hier onder
kennissen!" "Zooals ge ziet, mijnheer Gil Blas, ge vindt hier twee
vrienden, die ge wel allerminst verwacht hadt te ontmoeten. Ik
geef toe, dat ge wel eenige reden hebt om u over ons te beklagen,
maar laten wij het verleden vergeten en dankbaar zijn, dat we weer
bijeengekomen zijn, Ambrosio en ik bieden u onze diensten aan, die
ge niet moet versmaden. Wij zijn niet kwaad, wij vallen niemand aan,
wij vermoorden niemand; we beproeven alleen maar te leven ten koste
van anderen en wanneer stelen een onrechtvaardige daad is, dan neemt
de noodzakelijkheid ervan de onrechtvaardigheid weg. Voeg u bij ons en
we zullen een zwervend leven leiden. Dat is een zeer aangenaam leven,
wanneer men het voorzichtig doet. Men beleeft wel eens kwade avonturen,
maar vindt dan later weer betere."
Zich tot Alphonse wendende, zei hij: "We doen u hetzelfde voorstel en
ik geloof niet, dat ge het verwerpen zult in den toestand, waarin ge u
nu bevindt; want zonder nog te spreken van de zaak, welke u verplicht
u te verbergen, hebt ge zonder twijfel niet veel geld?" "Neen,
waarlijk niet," bekende don Alphonse, "en dat maakt mijn zorg nog
grooter." "Welnu," hernam don Raphaël, "verlaat ons niet. Ge kunt
niets beters doen dan u bij ons aan te sluiten, het zal u aan niets
ontbreken en wij zullen alle navorschingen van uw vijanden nutteloos
maken. Wij kennen geheel Spanje, alle bosschen, alle bergen en weten,
waar wij ons voor de brutaliteit van de justitie kunnen verbergen." Don
Alphonse dankte hen en daar hij werkelijk zonder geld en zonder eenige
hulpbronnen was, besloot hij hen te vergezellen; ik deed dat ook,
omdat ik dien jongen man, tot wien ik mij zeer voelde aangetrokken,
niet wilde verlaten.
Toen wij overeengekomen waren niet van elkaar te scheiden, maakte het
een punt van overweging uit, of wij dadelijk zouden vertrekken, of dat
wij eerst eenige aandacht zouden schenken aan een uitmuntend wijntje,
dat broeder Antonio den vorigen dag uit Cuença had meegebracht. Raphaël
echter, die de meeste ervaring had, oordeelde het gewenscht om in
de eerste plaats aan onze veiligheid te denken. Hij raadde aan, den
geheelen nacht door te marcheeren, om een dicht bosch te bereiken,
dat tusschen Villardesa en Almodavar lag, daar zouden wij halt
houden en konden we gedurende den dag rusten. De twee ex-kluizenaars
pakten hun kleeren en proviand samen en belastten daarmee het paard
van Alphonse. Dat gebeurde met groote snelheid en wij verlieten het
verblijf, de twee oude pijen, de witte en de roode baard, 2 krukjes,
1 tafel, een kapotte koffer, 2 oude rieten stoelen en het plaatje
van den H. Pacome als een prooi voor de justitie achterlatende.
Wij liepen den geheelen nacht door en begonnen zeer moe te worden toen
wij nog vóór zonsopgang ons doel bereikten. Op een grasveld, onder
hooge en dichte boomen gingen wij zitten, het paard werd afgeladen om
te kunnen grazen en uit broeder Antonio's zak kwamen brood en eenige
stukken gebraden vleesch en de wijnkruik ging rond.
Aan het einde van den maaltijd, zei don Raphaël tot don Alphonse:
"Mijnheer, na het vertrouwen, dat ge mij hebt geschonken, is het niet
meer dan billijk, dat ik u ook de geschiedenis van mijn leven vertel
en met dezelfde oprechtheid als gij het gedaan hebt." "Ge zult mij
daarmee een genoegen doen." "En mij niet minder!" riep ik uit. "Ik ben
zeer nieuwsgierig om uw avonturen te vernemen en twijfel er niet aan,
of ze zijn waard, dat men er naar luistert." "Daar sta ik u voor in,"
antwoordde Raphaël; "ik denk er aan ze op een goeden dag nog eens
neer te schrijven. Dat zal een amusement voor me zijn als ik oud ben,
want ik wil er een groot boekdeel van maken. Maar we zijn vermoeid,
laten we dus eerst eenige uren rust nemen; terwijl wij slapen,
kan Ambrosius waken, die kan dan na ons gaan slapen. Wel geloof ik,
dat we hier veilig zijn, maar 't is toch beter, dat er iemand wacht
houdt." Hij strekte zich op het gras uit. Don Alphonse deed hetzelfde
en ik volgde hun voorbeeld, terwijl Lamela op schildwacht ging staan.
Don Alphonse hield zich, inplaats van te slapen, met zijn ongeluk
bezig en ik kon geen oog sluiten. Don Raphaël sliep spoedig in,
maar na een uur was hij weer wakker. Daar hij ons gereed vond om
te luisteren, zei hij: "Vriend Ambrosius, ga nu van de zoete rust
genieten." "Neen, neen," antwoordde Lamela, "ik heb geen lust om te
gaan slapen. Hoewel ik al de voorvallen uit uw leven ken, zijn ze
leerzaam genoeg voor personen van ons vak, om ze nog eens te hooren
vertellen." Don Raphaël begon daarop de geschiedenis van zijn leven.