HOOFDSTUK XI

Wie de oude kluizenaar was en hoe Gil Blas bemerkte, dat hij onder

kennissen was.

Toen don Alphonse het treurig verhaal van zijn ongelukken verhaald had,

zei de oude kluizenaar tot hem: "Mijn zoon, ge zijt wel onvoorzichtig

geweest door zoo lang in Toledo te blijven. Ik beschouw met een ander

oog dan gij al wat ge mij verteld hebt en uw liefde voor Séraphine

schijnt mij een groote dwaasheid. Geloof mij, ge moet de jonge dame

vergeten, die u nooit zal toebehooren. Wijk voor de hinderpalen, die

u in den weg staan en laat u leiden door uw gesternte, dat u nog wel

andere avonturen belooft. Zonder twijfel zult ge nog wel eens weer

een jonge vrouw vinden, die een zelfden indruk op u maakt en wier

broeder ge niet gedood hebt."

Hij wilde verder spreken, toen wij een anderen kluizenaar zagen

binnen komen, belast met een vollen zak. Hij had inkoopen gedaan in

de stad Cuença, scheen jonger dan de eerste en had een dikken, rooden

baard. "Wees welkom, broeder Antoni," zei de oude, "welk nieuws brengt

ge uit de stad?" "Nogal slecht nieuws," zei de roode, en hij gaf hem

een stuk papier; "deze brief zal u voldoende inlichten." De grijsaard

las met aandacht. "Goddank!" riep hij, "nu het geheim ontdekt is,

moeten wij aan het werk. Laten wij nu maar van stijl veranderen,

don Alphonse, ge ziet een man voor u, die eveneens heeft te strijden

met de grillen van de fortuin. Men bericht mij uit Cuença, dat in een

stad op een mijl afstand van hier, men mij zwart heeft gemaakt bij de

justitie en dat men morgen alles in het werk zal stellen, om zich van

mijn persoon te verzekeren. Maar ze zullen niets vinden! 't Is niet

de eerste maal, dat ik mij in dergelijke moeilijkheden bevind. Bijna

altijd ben ik er goed afgekomen. Maar ik zal me nu in een andere

gedaante vertoonen, waarin ik even weinig van een kluizenaar, als

van een grijsaard zal hebben."

Zoo sprekende trok hij zijn pij uit, zette een pruik af maakte

zijn langen baard los en zoo kreeg hij het uiterlijk van een

man van 28 of 30 jaar. Broeder Antonio volgde zijn voorbeeld en

wierp eveneens zijn vermomming weg. Stel u echter mijn verbazing

voor, toen ik beter toeziende, in den ouden kluizenaar don Raphaël

herkende en in broeder Antonio niemand anders dan zijn trouwe knecht,

Ambrosius de Lamela. "Mijn hemel!" riep ik uit, "ben ik hier onder

kennissen!" "Zooals ge ziet, mijnheer Gil Blas, ge vindt hier twee

vrienden, die ge wel allerminst verwacht hadt te ontmoeten. Ik

geef toe, dat ge wel eenige reden hebt om u over ons te beklagen,

maar laten wij het verleden vergeten en dankbaar zijn, dat we weer

bijeengekomen zijn, Ambrosio en ik bieden u onze diensten aan, die

ge niet moet versmaden. Wij zijn niet kwaad, wij vallen niemand aan,

wij vermoorden niemand; we beproeven alleen maar te leven ten koste

van anderen en wanneer stelen een onrechtvaardige daad is, dan neemt

de noodzakelijkheid ervan de onrechtvaardigheid weg. Voeg u bij ons en

we zullen een zwervend leven leiden. Dat is een zeer aangenaam leven,

wanneer men het voorzichtig doet. Men beleeft wel eens kwade avonturen,

maar vindt dan later weer betere."

Zich tot Alphonse wendende, zei hij: "We doen u hetzelfde voorstel en

ik geloof niet, dat ge het verwerpen zult in den toestand, waarin ge u

nu bevindt; want zonder nog te spreken van de zaak, welke u verplicht

u te verbergen, hebt ge zonder twijfel niet veel geld?" "Neen,

waarlijk niet," bekende don Alphonse, "en dat maakt mijn zorg nog

grooter." "Welnu," hernam don Raphaël, "verlaat ons niet. Ge kunt

niets beters doen dan u bij ons aan te sluiten, het zal u aan niets

ontbreken en wij zullen alle navorschingen van uw vijanden nutteloos

maken. Wij kennen geheel Spanje, alle bosschen, alle bergen en weten,

waar wij ons voor de brutaliteit van de justitie kunnen verbergen." Don

Alphonse dankte hen en daar hij werkelijk zonder geld en zonder eenige

hulpbronnen was, besloot hij hen te vergezellen; ik deed dat ook,

omdat ik dien jongen man, tot wien ik mij zeer voelde aangetrokken,

niet wilde verlaten.

Toen wij overeengekomen waren niet van elkaar te scheiden, maakte het

een punt van overweging uit, of wij dadelijk zouden vertrekken, of dat

wij eerst eenige aandacht zouden schenken aan een uitmuntend wijntje,

dat broeder Antonio den vorigen dag uit Cuença had meegebracht. Raphaël

echter, die de meeste ervaring had, oordeelde het gewenscht om in

de eerste plaats aan onze veiligheid te denken. Hij raadde aan, den

geheelen nacht door te marcheeren, om een dicht bosch te bereiken,

dat tusschen Villardesa en Almodavar lag, daar zouden wij halt

houden en konden we gedurende den dag rusten. De twee ex-kluizenaars

pakten hun kleeren en proviand samen en belastten daarmee het paard

van Alphonse. Dat gebeurde met groote snelheid en wij verlieten het

verblijf, de twee oude pijen, de witte en de roode baard, 2 krukjes,

1 tafel, een kapotte koffer, 2 oude rieten stoelen en het plaatje

van den H. Pacome als een prooi voor de justitie achterlatende.

Wij liepen den geheelen nacht door en begonnen zeer moe te worden toen

wij nog vóór zonsopgang ons doel bereikten. Op een grasveld, onder

hooge en dichte boomen gingen wij zitten, het paard werd afgeladen om

te kunnen grazen en uit broeder Antonio's zak kwamen brood en eenige

stukken gebraden vleesch en de wijnkruik ging rond.

Aan het einde van den maaltijd, zei don Raphaël tot don Alphonse:

"Mijnheer, na het vertrouwen, dat ge mij hebt geschonken, is het niet

meer dan billijk, dat ik u ook de geschiedenis van mijn leven vertel

en met dezelfde oprechtheid als gij het gedaan hebt." "Ge zult mij

daarmee een genoegen doen." "En mij niet minder!" riep ik uit. "Ik ben

zeer nieuwsgierig om uw avonturen te vernemen en twijfel er niet aan,

of ze zijn waard, dat men er naar luistert." "Daar sta ik u voor in,"

antwoordde Raphaël; "ik denk er aan ze op een goeden dag nog eens

neer te schrijven. Dat zal een amusement voor me zijn als ik oud ben,

want ik wil er een groot boekdeel van maken. Maar we zijn vermoeid,

laten we dus eerst eenige uren rust nemen; terwijl wij slapen,

kan Ambrosius waken, die kan dan na ons gaan slapen. Wel geloof ik,

dat we hier veilig zijn, maar 't is toch beter, dat er iemand wacht

houdt." Hij strekte zich op het gras uit. Don Alphonse deed hetzelfde

en ik volgde hun voorbeeld, terwijl Lamela op schildwacht ging staan.

Don Alphonse hield zich, inplaats van te slapen, met zijn ongeluk

bezig en ik kon geen oog sluiten. Don Raphaël sliep spoedig in,

maar na een uur was hij weer wakker. Daar hij ons gereed vond om

te luisteren, zei hij: "Vriend Ambrosius, ga nu van de zoete rust

genieten." "Neen, neen," antwoordde Lamela, "ik heb geen lust om te

gaan slapen. Hoewel ik al de voorvallen uit uw leven ken, zijn ze

leerzaam genoeg voor personen van ons vak, om ze nog eens te hooren

vertellen." Don Raphaël begon daarop de geschiedenis van zijn leven.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 61 / 67 题