Door welke gebeurtenis Gil Blas bij de markiezin de Chaves wegging
en wat er van hem werd.
Ik was zes maanden bij de markiezin de Chaves en mijn betrekking beviel
mij zeer goed. Maar het lot wilde niet, dat ik een langer verblijf
zou hebben ten huize van die dame en zelfs niet te Madrid. Ziehier
het avontuur, dat mij noodzaakte weg te gaan.
Onder de vrouwelijke bedienden van de markiezin was er een, die Porcia
heette. Behalve, dat ze schoon was, had ze zulk een goed karakter,
dat ik mij aan haar hechtte zonder te weten, dat ik een medeminnaar
had. De secretaris van de markiezin, een trotsche en jaloersche
man, had eveneens een goed oog op haar geslagen. Hij besloot mij
uit te dagen en gaf mij op een ochtend rendez-vous. Daar hij een
kleine man was, die mij nauwelijks tot aan de schouders reikte,
zag ik in hem geen zeer gevaarlijken tegenstander. Met vertrouwen
begaf ik mij naar de plaats, waar hij mij geroepen had. Ik rekende
op een gemakkelijke overwinning en meende, dat Porcia mij dat als
een verdienste zou aanrekenen, maar de uitkomst beantwoordde niet
aan mijne verwachtingen. De kleine secretaris, die twee of drie jaar
schermles had gehad, ontwapende mij als een kind en terwijl hij mij
de punt van zijn degen voorhield, zei hij: "Bereid u er op voor, om
een doodelijken steek te ontvangen, of geef mij uw woord van eer,
dat ge heden van de markiezin de Chaves zult vertrekken en dat ge
niet meer aan Porcia zult denken."
Gaarne gaf ik hem die belofte en ik hield haar zonder tegenzin,
want ik zag er tegenop, om, na overwonnen te zijn, weer onder het
personeel te verschijnen en voor al om de schoone Helena te ontmoeten,
die het voorwerp was van dezen strijd. Ik keerde alleen naar huis
terug, om mijn geld en goed mede te nemen en ging denzelfden dag
met een welvoorziene beurs op weg naar Toledo. Hoewel ik mij niet
had verbonden om Madrid te verlaten, oordeelde ik het beter om
tenminste voor eenige jaren te verdwijnen. Ik vormde het besluit, om
Spanje door te trekken van de eene stad naar de andere. "Het geld,
dat ik heb," zei ik bij mijzelf, "zal mij ver brengen; ik zal het
niet noodeloos uitgeven en wanneer het op zal zijn, ga ik weer een
betrekking zoeken. Een jonge man als ik, zal wel een plaats vinden,
wanneer hij er lust in heeft die te zoeken."
Vooral verlangde ik om Toledo te zien. Na drie dagen kwam ik er
aan. Ik ging in een goed hotel, waar ik doorging voor een voornaam
heer door mijn nette kleeren en manieren. Het hing slechts van mij
af, om kennis te maken met mooie vrouwen, die in de buurt woonden;
maar dat gaat gewoonlijk met groote uitgaven gepaard en dit temperde
mijn verlangen. Na al het bezienswaardige van Toledo bezocht te hebben,
vertrok ik 's morgens vroeg. Ik nam den weg naar Cuença om vandaar naar
Aragon te gaan. Den tweeden dag van mijn reis ging ik een hotel binnen,
dat zich aan den weg bevond. Ik was er nauwelijks, of er kwam een troep
dienaren van den heiligen Hermandad. Die heeren vroegen wijn, begonnen
te drinken en beschreven het signalement van een jongen man, tegen
wien ze een bevelschrift tot gevangenneming hadden. Een van hen zei,
dat hij niet ouder was dan drie en twintig jaar met een adelaarsneus,
lang, zwart haar, een flink figuur en op een bruin paard reed.
Ik luisterde, zonder veel aandacht aan hunne woorden te schenken,
want deze boezemden mij weinig belang in. Na een oogenblik verliet
ik het hotel en vervolgde mijn weg. Nog geen kwart mijl had ik
afgelegd, toen ik een jongen man ontmoette, zeer flink gebouwd
en die op een kastanjebruin paard reed. "Dat is bepaald de man,
dien de politieagenten zoeken," zei ik bij mezelf, "ik zal hem
helpen." "Mijnheer," zei ik, "sta mij toe u te vragen, of ge niet
betrokken zijt in een zaak van eer." Zonder mij te antwoorden keek de
jonge man mij aan, hij scheen verbaasd over mijn vraag. Ik verzekerde
hem, dat het niet uit nieuwsgierigheid was, dat ik die woorden tot
hem had gericht. Hij werd daarvan overtuigd, toen ik hem meedeelde
wat ik in het hotel had gehoord. "Edelmoedige onbekende," zei hij,
"ik kan niet ontkennen, dat ik reden heb om te vermoeden, dat men mij
zoekt, dus zal ik een anderen weg inslaan, om hun te ontkomen." "Mijn
meening is," zei ik, "dat we een plaats moeten zoeken, waar ge veilig
zijt en waar we ook het onweer kunnen afwachten, dat dreigende is." We
zagen een laan, die ons naar den voet van een berg voerde, waar we het
verblijf van een kluizenaar ontdekten. Het was een groote en diepe
grot, die de tijd in den berg gemaakt had. Menschenhanden hadden er
een af dak aan gebouwd van stukken rots en schelpen, het geheel met
gras begroeid. De omgeving was bezaaid met welriekende bloemen en vlak
bij de grot ontsprong een beekje. Voor de opening stond een oude man,
met een witten baard, geleund op een stok; in zijn andere hand hield
hij een rozenkrans van minstens 20 tientallen kralen. "Vader," zei
ik tot hem, "wij vragen u een schuilplaats voor het onweer, dat ons
dreigt." "Komt mijne kinderen," zei hij, na mij opmerkzaam te hebben
aangezien; "deze kluizenaarswoning staat voor u open en ge kunt er
blijven zoolang ge wilt. Ook voor uw paard is er plaats." Wij volgden
den grijsaard.
Nauwelijks waren wij binnen, of de regen viel bij stroomen en
er klonken verschrikkelijke donderslagen. De kluizenaar viel op de
knieën voor een heiligenbeeld en wij volgden zijn voorbeeld. Het onweer
bedaarde intusschen en wij stonden op, maar daar het nog regende en het
al laat was, zei de oude man: "Kinderen, ik raad u aan, om niet meer
op weg te gaan, tenzij het dringend noodig mocht zijn." Wij zeiden hem,
dat dit niet het geval was en dat we gaarne bij hem zouden overnachten,
indien we hem daarmee geen last aandeden. "Mij doet ge geen last aan,"
antwoordde hij; "ge moet alleen u zelf beklagen, omdat ik u geen
betere slaapplaats en niet dan een zeer sober avondmaal kan aanbieden."
De heilige man liet ons daarna aan een tafel plaats nemen en bood ons
eenige knollen aan, met een stuk brood en een kruik water. "Dit is
mijn gewone maaltijd," zei hij, "terwille van u zal ik er heden iets
ongewoons aan toevoegen;" hij haalde een stuk kaas en legde een paar
handen noten op de tafel. De jonge man, die geen eetlust scheen te
hebben, deed het eten weinig eer aan. "Ik merk," zei de kluizenaar,
"dat gij gewoon zijt aan betere tafels aan te zitten dan de mijne,
of liever, dat uw natuurlijke smaak bedorven is. Ik heb, als gij, in
de wereld geleefd. De fijnste gerechten waren mij niet goed genoeg;
maar sinds ik in de eenzaamheid leef, heeft mijn smaak alle zuiverheid
teruggekregen. Ik lust nu alleen wortelen, vruchten, melk; in één
woord wat het voedsel uitmaakte van onze eerste vaderen."
Terwijl hij zoo sprak, verviel de jonge man in een diep gepeins. De
kluizenaar merkte het. "Mijn zoon," zei hij, "uw geest is gedrukt,
open uw hart voor mij. Het is niet uit nieuwsgierigheid, dat ik
dit vraag, het is alleen medelijden, dat mij beweegt. Ik ben op
een leeftijd om raad te geven en gij verkeert in een toestand,
dat ge daaraan behoefte hebt." "Ja vader," antwoordde hij zuchtend,
"gij hebt gelijk en ik geloof, dat ik geen gevaar loop, wanneer ik
u mijn vertrouwen schenk." De jonge man begon te vertellen.