HOOFDSTUK IX

Door welke gebeurtenis Gil Blas bij de markiezin de Chaves wegging

en wat er van hem werd.

Ik was zes maanden bij de markiezin de Chaves en mijn betrekking beviel

mij zeer goed. Maar het lot wilde niet, dat ik een langer verblijf

zou hebben ten huize van die dame en zelfs niet te Madrid. Ziehier

het avontuur, dat mij noodzaakte weg te gaan.

Onder de vrouwelijke bedienden van de markiezin was er een, die Porcia

heette. Behalve, dat ze schoon was, had ze zulk een goed karakter,

dat ik mij aan haar hechtte zonder te weten, dat ik een medeminnaar

had. De secretaris van de markiezin, een trotsche en jaloersche

man, had eveneens een goed oog op haar geslagen. Hij besloot mij

uit te dagen en gaf mij op een ochtend rendez-vous. Daar hij een

kleine man was, die mij nauwelijks tot aan de schouders reikte,

zag ik in hem geen zeer gevaarlijken tegenstander. Met vertrouwen

begaf ik mij naar de plaats, waar hij mij geroepen had. Ik rekende

op een gemakkelijke overwinning en meende, dat Porcia mij dat als

een verdienste zou aanrekenen, maar de uitkomst beantwoordde niet

aan mijne verwachtingen. De kleine secretaris, die twee of drie jaar

schermles had gehad, ontwapende mij als een kind en terwijl hij mij

de punt van zijn degen voorhield, zei hij: "Bereid u er op voor, om

een doodelijken steek te ontvangen, of geef mij uw woord van eer,

dat ge heden van de markiezin de Chaves zult vertrekken en dat ge

niet meer aan Porcia zult denken."

Gaarne gaf ik hem die belofte en ik hield haar zonder tegenzin,

want ik zag er tegenop, om, na overwonnen te zijn, weer onder het

personeel te verschijnen en voor al om de schoone Helena te ontmoeten,

die het voorwerp was van dezen strijd. Ik keerde alleen naar huis

terug, om mijn geld en goed mede te nemen en ging denzelfden dag

met een welvoorziene beurs op weg naar Toledo. Hoewel ik mij niet

had verbonden om Madrid te verlaten, oordeelde ik het beter om

tenminste voor eenige jaren te verdwijnen. Ik vormde het besluit, om

Spanje door te trekken van de eene stad naar de andere. "Het geld,

dat ik heb," zei ik bij mijzelf, "zal mij ver brengen; ik zal het

niet noodeloos uitgeven en wanneer het op zal zijn, ga ik weer een

betrekking zoeken. Een jonge man als ik, zal wel een plaats vinden,

wanneer hij er lust in heeft die te zoeken."

Vooral verlangde ik om Toledo te zien. Na drie dagen kwam ik er

aan. Ik ging in een goed hotel, waar ik doorging voor een voornaam

heer door mijn nette kleeren en manieren. Het hing slechts van mij

af, om kennis te maken met mooie vrouwen, die in de buurt woonden;

maar dat gaat gewoonlijk met groote uitgaven gepaard en dit temperde

mijn verlangen. Na al het bezienswaardige van Toledo bezocht te hebben,

vertrok ik 's morgens vroeg. Ik nam den weg naar Cuença om vandaar naar

Aragon te gaan. Den tweeden dag van mijn reis ging ik een hotel binnen,

dat zich aan den weg bevond. Ik was er nauwelijks, of er kwam een troep

dienaren van den heiligen Hermandad. Die heeren vroegen wijn, begonnen

te drinken en beschreven het signalement van een jongen man, tegen

wien ze een bevelschrift tot gevangenneming hadden. Een van hen zei,

dat hij niet ouder was dan drie en twintig jaar met een adelaarsneus,

lang, zwart haar, een flink figuur en op een bruin paard reed.

Ik luisterde, zonder veel aandacht aan hunne woorden te schenken,

want deze boezemden mij weinig belang in. Na een oogenblik verliet

ik het hotel en vervolgde mijn weg. Nog geen kwart mijl had ik

afgelegd, toen ik een jongen man ontmoette, zeer flink gebouwd

en die op een kastanjebruin paard reed. "Dat is bepaald de man,

dien de politieagenten zoeken," zei ik bij mezelf, "ik zal hem

helpen." "Mijnheer," zei ik, "sta mij toe u te vragen, of ge niet

betrokken zijt in een zaak van eer." Zonder mij te antwoorden keek de

jonge man mij aan, hij scheen verbaasd over mijn vraag. Ik verzekerde

hem, dat het niet uit nieuwsgierigheid was, dat ik die woorden tot

hem had gericht. Hij werd daarvan overtuigd, toen ik hem meedeelde

wat ik in het hotel had gehoord. "Edelmoedige onbekende," zei hij,

"ik kan niet ontkennen, dat ik reden heb om te vermoeden, dat men mij

zoekt, dus zal ik een anderen weg inslaan, om hun te ontkomen." "Mijn

meening is," zei ik, "dat we een plaats moeten zoeken, waar ge veilig

zijt en waar we ook het onweer kunnen afwachten, dat dreigende is." We

zagen een laan, die ons naar den voet van een berg voerde, waar we het

verblijf van een kluizenaar ontdekten. Het was een groote en diepe

grot, die de tijd in den berg gemaakt had. Menschenhanden hadden er

een af dak aan gebouwd van stukken rots en schelpen, het geheel met

gras begroeid. De omgeving was bezaaid met welriekende bloemen en vlak

bij de grot ontsprong een beekje. Voor de opening stond een oude man,

met een witten baard, geleund op een stok; in zijn andere hand hield

hij een rozenkrans van minstens 20 tientallen kralen. "Vader," zei

ik tot hem, "wij vragen u een schuilplaats voor het onweer, dat ons

dreigt." "Komt mijne kinderen," zei hij, na mij opmerkzaam te hebben

aangezien; "deze kluizenaarswoning staat voor u open en ge kunt er

blijven zoolang ge wilt. Ook voor uw paard is er plaats." Wij volgden

den grijsaard.

Nauwelijks waren wij binnen, of de regen viel bij stroomen en

er klonken verschrikkelijke donderslagen. De kluizenaar viel op de

knieën voor een heiligenbeeld en wij volgden zijn voorbeeld. Het onweer

bedaarde intusschen en wij stonden op, maar daar het nog regende en het

al laat was, zei de oude man: "Kinderen, ik raad u aan, om niet meer

op weg te gaan, tenzij het dringend noodig mocht zijn." Wij zeiden hem,

dat dit niet het geval was en dat we gaarne bij hem zouden overnachten,

indien we hem daarmee geen last aandeden. "Mij doet ge geen last aan,"

antwoordde hij; "ge moet alleen u zelf beklagen, omdat ik u geen

betere slaapplaats en niet dan een zeer sober avondmaal kan aanbieden."

De heilige man liet ons daarna aan een tafel plaats nemen en bood ons

eenige knollen aan, met een stuk brood en een kruik water. "Dit is

mijn gewone maaltijd," zei hij, "terwille van u zal ik er heden iets

ongewoons aan toevoegen;" hij haalde een stuk kaas en legde een paar

handen noten op de tafel. De jonge man, die geen eetlust scheen te

hebben, deed het eten weinig eer aan. "Ik merk," zei de kluizenaar,

"dat gij gewoon zijt aan betere tafels aan te zitten dan de mijne,

of liever, dat uw natuurlijke smaak bedorven is. Ik heb, als gij, in

de wereld geleefd. De fijnste gerechten waren mij niet goed genoeg;

maar sinds ik in de eenzaamheid leef, heeft mijn smaak alle zuiverheid

teruggekregen. Ik lust nu alleen wortelen, vruchten, melk; in één

woord wat het voedsel uitmaakte van onze eerste vaderen."

Terwijl hij zoo sprak, verviel de jonge man in een diep gepeins. De

kluizenaar merkte het. "Mijn zoon," zei hij, "uw geest is gedrukt,

open uw hart voor mij. Het is niet uit nieuwsgierigheid, dat ik

dit vraag, het is alleen medelijden, dat mij beweegt. Ik ben op

een leeftijd om raad te geven en gij verkeert in een toestand,

dat ge daaraan behoefte hebt." "Ja vader," antwoordde hij zuchtend,

"gij hebt gelijk en ik geloof, dat ik geen gevaar loop, wanneer ik

u mijn vertrouwen schenk." De jonge man begon te vertellen.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 59 / 67 题