HOOFDSTUK VIII

Hoe het karakter van markiezin de Chaves was en welke menschen,

gewoonlijk bij haar kwamen.

De markiezin de Chaves was een weduwe van vijfendertig jaar, schoon,

groot en welgemaakt. Ze had een inkomen van tienduizend dukaten en

geen kinderen. Nooit heb ik een ernstiger vrouw gezien en nooit een,

die minder sprak. Dat nam echter niet weg, dat ze voor de geestigste

dame van Madrid doorging. Misschien had het groote aantal gewichtige

personen en vooral letterkundigen, dat haar bezocht er toe bij

gedragen, om haar die reputatie te verschaffen, meer dan haar eigen

verdienste, maar dat kan ik niet uitmaken. Ik zal er mij toe bepalen te

zeggen, dat zij den naam had van bijzonder begaafd te zijn en dat haar

huis in de stad bij voorkeur genoemd werd: Bureau voor Geestelijk Werk.

Dagelijks werden er dramatische gedichten gelezen; het komische genre

was uitgesloten. Een comedie en een roman waren er niet in tel, maar

een ode en een sonnet gingen er door voor de hoogste uiting van den

menschelijken geest. Het kwam echter wel eens voor, dat het groote

publiek de stukken uitfloot, die men hier had toegejuicht.

Ik was zaalchef in dit huis, d. w. z. dat mijn betrekking hierin

bestond, om alles voor de ontvangst van gezelschappen in gereedheid

te brengen. Als ik de zetels had gerangschikt, ging ik in de deur

van de zaal staan, om de bezoekers aan te kondigen. Den eersten dag

beschreef de chef van de pages, die toevallig met mij in de zijkamer

was, mij de gasten op aangename wijze. Het ontbrak dien man, die André

Molina heette, niet aan geest. Het eerst kwam er een bisschop. Toen

hij binnen was, zei Molina: "Die prelaat is een vermakelijk man, hij

heeft wel eenigen invloed aan het hof, maar wil iedereen overtuigen dat

die zeer groot is. Hij biedt iedereen zijn diensten aan, maar helpt

niemand." Een oogenblik later verscheen de zoon van een grande. "Die

mijnheer," zei Molina, "is ook een origineel; dikwijls komt hij in een

huis, om over een zaak van gewicht te spreken en hij verlaat het weer,

zonder eraan te hebben gedacht. Maar," ging hij voort, toen hij twee

dames zag naderen, "hier zijn dona Angela Penafiel en dona Margarita

de Montalvan. Die twee dames lijken niets op elkaar. Dona Margarita

wil voor een wijsgeer doorgaan, dona Angela speelt de geleerde niet,

hoewel zij zeer ontwikkeld is. Haar uitdrukkingen zijn altijd nobel en

natuurlijk." "Dat is zeer beminnelijk," zei ik, "maar het andere past

eigenlijk niet bij het schoone geslacht." "Niet geheel," antwoordde

hij glimlachend, "maar mevrouw de markiezin, onze meesteres, heeft

ook soms wijsgeerige grillen. Wat zal er vandaag weer een discussie

zijn! 't Is maar te hopen, dat de godsdienst er niet wordt bijgehaald!"

Toen hij dit gezegd had, zagen wij een man binnenkomen met een zeer

ernstig uiterlijk. Molina spaarde hem niet, bij de beschrijving, die

hij van hem gaf. "Dit," zei hij, "is een van die ernstige geesten,

die voor een groot genie willen doorgaan, door steeds te zwijgen

of door een paar zinnetjes van Seneca op te zeggen en die eigenlijk

groote stommelingen zijn als men ze goed beschouwt." Vervolgens kwam

er een heer, goed gebouwd en met een Grieksch profiel. Ik vroeg wie

het was. "Dat is een dramatisch dichter," zei Molina, "hij heeft

honderd duizend verzen in zijn leven gemaakt, die hem nog geen vijf

stuivers hebben opgebracht; maar daarentegen heeft hij met zes regels

proza gemaakt, dat hij behoorlijk kan wonen."

Ik wilde mij juist eens laten meedeelen hoe het mogelijk is om met

zoo weinig inspanning een fortuin te krijgen, toen ik een groot

lawaai op de trap hoorde. "Daar heb je professor Campanoria"

[2] riep Molina. "Hij kondigt altijd zichzelf aan, doordat hij

aan de deur al hard begint te praten en dat doet hij nog, als hij

het huis weer uitgaat." Inderdaad weerklonk alles van de harde

stem van den professor, die eindelijk de antichambre binnenkwam

met een zijner vrienden, die gedurende het heele bezoek geen mond

opendeed. "Mijnheer Campanoria," zei ik tegen Molina, "is blijkbaar

een groote geest." "Ja," antwoordde mijn chef, "het is een man, die

gevat kan antwoorden en zijn zinnen mooi vormen. Hij is vermakelijk,

maar behalve, dat hij een onbarmhartige kletskous is, zegt hij

voortdurend hetzelfde en ik geloof, dat meer zijn komieke manieren

dan de innerlijke waarde van zijn gezegden de verdienste ervan zijn."

Er kwamen nog andere personen, die mij werden beschreven. Ook

onze meesteres vergat hij niet. De beschrijving van haar beviel

mij nogal. "Ze heeft geen lastig humeur, ondanks de philosophie,

en men heeft, als men bij haar in betrekking is, niet veel grillen

te verdragen. Zij is een verstandige, redelijke vrouw en heeft geen

hartstochten. Ze heeft geen lust in spelen, ook niet in galante

avonturen; ze houdt alleen van conversatie. Voor de meeste dames zou

een leven als het hare te vervelend zijn." Eenige dagen later echter

begon ik te vermoeden, dat de markiezin de liefde niet zoo vijandig

gezind was als Molina had gezegd en ik zal meedeelen welken grond

ik had voor mijn vermoeden. Op een ochtend, terwijl zij bezig was

met haar toilet, meldde zich een klein gebocheld mannetje aan van

ongeveer veertig jaar met een onaangenaam uiterlijk. Hij zei me,

dat hij mevrouw de markiezin wilde spreken. Ik vroeg hem namens wien

hij kwam. "Namens mij zelf," antwoordde hij trotsch. "Zeg, dat ik

de heer ben, over wien ze gisteren met dona Anna de Velasco heeft

gesproken." Ik liet hem binnen en ging mijn meesteres zeggen, dat hij

er was. De markiezin deed een uitroep van vreugde en zei, dat ze hem

zou ontvangen. Zij bepaalde zich er niet toe, om hem vriendelijk te

ontvangen, de meisjes moesten de kamer verlaten en ze bleef alleen

met den kleinen bochel. Wij lachten om dat mooie tête-à-tête, dat

ongeveer een uur duurde, waarna mijn meesteres afscheid van hem nam

en daarbij in alles toonde, dat zij zeer tevreden over hem was.

Werkelijk scheen ze genoegen te hebben gevonden in het onderhoud met

hem, want ze zei me 's avonds: "Gil Blas, als hij terugkomt, laat

hem dan in mijn kamer, zoo mogelijk zonder dat iemand het merkt." Ik

moet bekennen, dat dit bevel vreemde vermoedens bij mij opwekte,

maar ik volgde het op en toen de kleine man terugkwam (het was twee

dagen later), bracht ik hem langs een geheime trap in de kamer van

de dame. Dat deed ik twee of drie malen en ik besloot daaruit, dat

de markiezin grillige neigingen had, of dat de bochel misschien een

tusschenpersoon was.

"Neen," zei ik bij mijzelf, "als mijn meesteres een welgebouwd man

liefheeft, dan had ik het haar vergeven, maar als ze het met dien

aap eens is, dan heeft ze in het geheel geen smaak!" Wat oordeelde ik

verkeerd over de patrones! De kleine bochel hield zich met magische

kunsten bezig, men had hem bij de markiezin geprezen en daar ze

belang stelde in dergelijke kwakzalverij, had ze eenige malen een

particuliere séance met hem. 't Was een schelm, die leefde ten koste

van de lichtgeloovige personen en men zei, dat hij verschillende

adellijke dames onder zijn clientèle had.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 58 / 67 题