HOOFDSTUK VII

Gil Blas verandert van betrekking en gaat in dienst van don Gonzale

Pacheco.

Drie maanden na dit huwelijk wilde mijn meesteres mijn diensten

beloonen. Ze schonk mij honderd pistolen en zei: "Gil Blas, mijn

vriend, ik jaag je niet weg, je kunt hier blijven zoolang als je

wilt, maar een oom van mijn man, don Gonzale Pacheco, wil je als

kamerdienaar hebben. Ik heb zoo gunstig over je gesproken, dat hij

mij gezegd heeft, dat ik hem genoegen zou doen je aan hem over te

doen. Het is een edelman van den ouden stempel, een man met een zeer

nobel karakter; ge zult het goed bij hem hebben."

Ik bedankte Aurora voor haar goedheid en, daar ze mij niet meer noodig

had, nam ik de betrekking, welke mij werd aangeboden, te liever aan,

omdat ik in de familie bleef. Op een goeden ochtend ging ik dus van de

jonggehuwden naar don Gonzale. Hij was nog te bed, hoewel het bij den

middag was. Toen ik zijn kamer binnenkwam, dronk hij een kop bouillon,

dien een page hem bracht. De grijsaard had papillotten in zijn snor,

bijna levenlooze oogen en een bleek, mager gelaat. Hij was een van die

oude-jongeheeren, die in hun jeugd zwaar geleefd hebben en op een meer

gevorderden leeftijd nog weinig wijzer zijn geworden. De ontvangst

was aangenaam en hij zei me, dat, wanneer ik hem met evenveel ijver

wilde dienen, als ik het zijn nicht gedaan had, ik het goed bij hem

zou hebben. Na deze verzekering beloofde ik, dat ik hem dezelfde

trouw zou bewijzen als aan zijn nicht en van dat oogenblik af aan

nam hij mij in dienst.

Zoo had ik dus een nieuwen meester en God weet, wat voor man

het was! Toen hij opstond, meende ik de opstanding van Lazarus te

zien. Stel u een lichaam voor, zoo mager, dat men het naakt ziende,

er best de theorie van het geraamte op had kunnen leeren. Hij had

zulke dunne beenen, dat ze nog zeer mager schenen, nadat hij over

elkaar drie of vier paar kousen had aangetrokken. Bovendien was die

levende mummie asthmatisch en hoestte hij bij ieder woord, dat hem uit

den mond kwam. Hij liet eerst chocolade komen, vroeg vervolgens papier

en inkt, schreef een briefje, dat hij verzegelde en liet bezorgen door

denzelfden page, die zijn bouillon had gebracht. Daarop zei hij tot me:

"Mijn vriend, in 't vervolg zal ik jou met mijn boodschappen belasten

en bepaaldelijk die, welke dona Eufrasia betreffen. Die dame is een

jeugdige persoon, die ik liefheb en die mij teeder bemint."

Almachtig! zei ik bij mezelf; hoe kan men jonge menschen beletten

zich te verbeelden, dat men hen liefheeft als die oude losbol denkt,

dat men hem aanbidt? "Gil Blas," vervolgde hij, "ik zal je heden al

bij haar brengen; ik soupeer bijna iederen avond bij haar. Ge zult een

zeer beminnelijke vrouw zien en bekoord worden door haar wijsheid en

ingetogenheid. Zij lijkt volstrekt niet op die jonge onbezonnen wezens,

die op het uiterlijk afgaan, maar heeft een rijpen geest; ze wil een

man met gevoel en geeft boven de meest schitterende verschijningen,

de voorkeur aan een man, die weet te beminnen." Don Gonzale raakte

niet uitgepraat over de voortreffelijkheden van zijn maîtresse,

maar hij had een toehoorder, die moeilijk te overtuigen was. Na

alles wat ik er al van gezien had bij tooneelspeelsters, geloofde

ik niet van het geluk in de liefde van oude heeren. Ik deed echter

maar, of ik alles voor goede munt aannam en prees zelfs den smaak

van Eufrasia en zei, dat ze geen beminnelijker galant kon hebben. De

goede man begreep niet, dat ik hem voor den gek hield, integendeel,

zijn ijdelheid werd gestreeld door mijn woorden; ook nu bleek het

weer, dat een vleier alles bij groote heeren kan wagen; ze slikken

zelfs de meest overdreven complimentjes.

Nadat de oude heer geschreven had, trok hij met een tangetje een paar

haren uit zijn baard, waschte zijn oogen, ooren en tanden en daarna

verfde hij zijn snor, zijn wenkbrauwen en zijn haar. Hij had langer

werk aan zijn toilet dan een oude dame, die het voortgaan van de

jaren wil verbergen. Hij was juist klaar toen er een andere oude heer,

een vriend van hem, binnenkwam, die graaf d'Asumar heette. Welk een

verschil tusschen hen! Deze liet zijn grijze haren zien, leunde op een

stok en scheen trotsch te zijn op zijn ouderdom, inplaats van jong te

willen schijnen. "Mijnheer Pacheco," zei hij bij het binnenkomen, "ik

kom vragen of ik bij u kan dineeren." "Wees welkom, graaf," antwoordde

mijn meester. Ze drukten elkaar de hand en begonnen in afwachting

van het diner een gesprek. Het liep eerst over een stierengevecht,

dat voor weinige dagen had plaats gehad. Evenals aan Nestor bood het

aan de oude graafheden gelegenheid om het verleden te prijzen, zuchtend

zei hij: "Helaas! de menschen van tegenwoordig zijn niet meer met die

van vroeger te vergelijken; de pracht van de tournooien in mijn jeugd

ziet men niet meer." Ik lachte om de vooroordeelen van den ouden heer

d'Asumar, die zich in dit opzicht niet tot de tournooien bepaalde;

want toen hij aan tafel zat en men de mooiste perziken presenteerde,

zei hij: "In mijn tijd waren de perziken grooter dan ze nu zijn; de

natuur wordt van dag tot dag zwakker." Lachend zei ik in me zelf,

dat, ten tijde van Adam, de perziken dan wel buitengewoon groote

afmetingen moesten hebben gehad.

De graaf d'Asumar bleef bijna tot den avond en zoodra hij weg was,

zei mijn meester me hem te volgen. Wij gingen naar Eufrasia, die

op honderd pas afstand van ons huis woonde. We vonden haar in een

nette kamer, goed gekleed en hoewel ze minstens dertig jaar oud was,

zag ze er als een minderjarige uit. Ze kon voor mooi doorgaan en ik

bewonderde haar verstand. Ze was niet een van die kokette vrouwen,

die door haar geest willen schitteren en vrij zijn in haar manieren,

ze scheen zeer bescheiden. Ik was daar verbaasd over, omdat ik er

niet bij bedacht, dat zulke schepsels zich weten te vormen naar het

karakter van de rijke lieden en van de heeren, die in haar handen

vallen. Willen die heeren opgewektheid, dan zijn ze levendig, houden

ze van het ingetogene, dan zijn ze verstandig en deugdzaam. Ze zijn

ware kameleons, die van kleur veranderen naar het humeur en den zin

van de mannen, die haar naderen.

Don Gonzale had niet den smaak van de heeren, die een brutale

schoonheid vragen; hij kon die niet uitstaan. Om hem aan te trekken

moest een vrouw het uiterlijk van een Vestaalsche maagd hebben

en Eufrasia regelde zich daarnaar; ze liet zien, dat men de beste

comedianten niet altijd in de comedie vindt. Ik liet mijn meester

bij zijn nimf en ging naar beneden, waar ik een oude huishoudster

vond, in wie ik een soubrette, die kamenier was geweest van een

tooneelspeelster, herkende; ook zij herkende mij. "Wel, mijnheer

Gil Blas! U is dus bij Arsenia weg, zooals ik bij Constance?" "O

zeker," antwoordde ik, "al lang. Ik ben daarna in dienst geweest

bij een jonkvrouw. Het leven van die menschen van den schouwburg is

niet naar mijn smaak. Ik heb mijn ontslag genomen zonder de minste

opheldering aan Arsenia te geven." "Daar hebt ge goed aan gedaan,"

zei de soubrette, die Béatrix heette. "Ik heb bijna op dezelfde wijze

met Constance gedaan. Op een goeden ochtend zei ik, dat ik weg wilde,

ze zei niets en we zijn gescheiden."

"Het doet mij veel genoegen," zei ik tegen haar, "dat wij elkaar in

zulk een hoogst fatsoenlijk huis terugzien. Dona Eufrasia schijnt mij

een uitstekende vrouw en ik geloof, dat zij een zeer goed karakter

heeft." "Daar bedriegt ge u niet in," antwoordde zij mij, "ze is van

goeden huize, wat men voldoende aan haar manieren kan zien en wat

haar humeur betreft, kan ik u verzekeren, dat er niemand zachter en

meer gelijkmoedig is. Ze is niet een van die lastige dames, die op

alles aanmerkingen maken, die zonder ophouden schreeuwen, die haar

personeel plagen en bij wie het dienen een hel is. Ik heb haar nog

nooit hooren brommen; wanneer ik eens iets niet naar haar zin doe,

zegt zij het me zonder kwaad te worden en nooit ontvalt haar een van

die scherpe uitdrukkingen, waarmee sommige dames zoo vrijgevig zijn."

"Mijn meester," zei ik, "is ook zeer vriendelijk, hij behandelt mij

familiaar, meer als zijnsgelijke dan als een lakei; in één woord, hij

is de beste van alle menschen en wij zijn, in dit opzicht, u, zoowel

als ik, heel wat beter geplaatst dan bij die comedianten." "Duizend

maal beter," hernam Béatrix; "ik had een leven vol tumult en nu heb

ik het stil. Er komt hier niemand anders dan don Gonzale. In mijn

eenzaamheid zal ik niemand zien dan u en dat doet me genoegen. Ik heb

al sinds lang zekere neiging voor u en ik heb dikwijls Laura benijd;

maar eindelijk hoop ik niet minder gelukkig te zijn dan zij. Al bezit

ik haar jeugd en schoonheid niet, ik ben daarentegen ook niet koket

en wat niet genoeg te waardeeren is, ik ben trouw als een tortelduif."

Daar de goede Béatrix een van die personen was, die verplicht

zijn hare gunsten aan te bieden, omdat men haar die niet vraagt,

was ik volstrekt niet van plan daarvan te profiteeren. Ik wilde

dat echter niet laten blijken en was zelfs zoo beleefd met haar te

spreken op een wijze, dat zij niet alle hoop verloor, dat ik haar

eens zou liefhebben. Ik verbeeldde mij dus, dat ik een verovering

had gemaakt, maar werd daarin bedrogen. De soubrette wilde mij niet

alleen hebben om mijn mooie oogen, ze wilde mij gebruiken in het

belang van haar meesteres, voor wie ze zulk een groote toewijding

had, dat ze voor haar wel ik weet niet wien zou hebben omhelsd. Ik

zag dat den volgenden morgen in, toen ik een briefje van mijn meester

aan Eufrasia bracht. Deze dame ontving mij zoo vriendelijk mogelijk;

ze zei me allerlei lievigheden en de oude huishoudster deed daaraan

mee. De eene bewonderde mijn gezicht; de andere vond mij wijs en

voorzichtig. Volgens haar bezat don Gonzale in mij een schat. In één

woord, ze prezen me zóó, dat ik wantrouwend werd. Ik aanvaardde al

die loftuitingen met de onnoozelheid van een dwaas, maar trachtte de

beweegredenen te leeren kennen en door list tegenover list te stellen,

slaagde ik erin het masker te doen oplichten.

"Hoor eens, Gil Blas," zei Eufrasia, "het zal alleen van je zelf

afhangen om je fortuin te maken. Sluit u bij ons aan, mijn vriend,

Don Gonzale is oud en zijn gezondheid is zoo delicaat, dat de minste

koorts met de hulp van een goeden dokter hem kan wegnemen. Laten

wij de oogenblikken, die hem nog overblijven, goed gebruiken en

trachten te bewerken, dat hij mij het beste van wat hij bezit,

nalaat. Ik zal je er een goed aandeel van geven, dat beloof ik je en

ge kunt op deze belofte evengoed vertrouwen alsof ik haar had gedaan

voor alle notarissen in Madrid." "Mevrouw," antwoordde ik haar,

"beschik over uw dienaar. U hebt mij maar te zeggen wat ik te doen

heb en u zult tevreden zijn." "Welnu!" antwoordde zij, "ge moet uw

meester goed opnemen en mij op de hoogte houden van alles. Wanneer

ge met u beiden zijt, verzuim dan niet om het gesprek op de vrouwen

te brengen en maak dan van die gelegenheid een verstandig gebruik

door hem veel goeds van mij te zeggen; houd hem zooveel met Eufrasia

bezig als maar eenigszins mogelijk is. Dit is niet alles wat ik van

u verlang. Ik draag u ook op, goed te letten op wat er in de familie

Pacheco gebeurt. Als een van zijn verwanten veel werk maakt van don

Gonzale en het op de erfenis gemunt heeft, waarschuw me dan; ik ken

hen allen en heb al genoeg gedaan om hem een minder gunstig denkbeeld

te geven van zijn neven en nichten."

Ik vernam verder nog, dat zij hem kort geleden had bewogen om een

landgoed te verkoopen, waarvan zij het geld had gekregen. Behalve

dat zij iederen dag veel moois van hem kreeg, hoopte zij nu ook

nog, dat hij haar in zijn testament niet zou vergeten. Ik deed

alsof ik mij gaarne beschikbaar stelde voor hetgeen zij van mij

verwachtte. Onderweg naar huis overwoog ik of ik er aan zou meedoen

om mijn meester te bedriegen, of dat ik zou trachten hem los te

maken van zijn maitresse. Dat laatste scheen mij beter dan het

eerste en ik gevoelde meer lust om mijn plicht te doen, dan om hem

te verraden. Bovendien had Eufrasia mij niets positiefs beloofd en

dat was misschien de reden waarom ik trouw bleef. Ik besloot dus don

Gonzale met ijver te dienen en was ervan overtuigd, dat het beter

voor mij zou zijn, wanneer ik hem zijn ideaal kon ontnemen.

Om tot mijn doel te geraken, hield ik mij of ik Eufrasia diende. Ik

maakte haar wijs, dat ik onophoudelijk tegen mijn meester over haar

sprak en verzon daarover allerlei fabeltjes, die zij voor goede munt

opnam. Zij geloofde mij onvoorwaardelijk. Om nog zekerder te zijn

van mijn zaak, deed ik of ik verliefd was op Béatrix, die op haar

leeftijd verrukt scheen, dat een jonge man haar het hof maakte en er

blijkbaar niet om gaf of ik haar bedroog, mits ik het goed deed.

Wanneer wij bij onze prinsessen waren, mijn meester en ik, waren het

twee schilderijen, verschillend, maar het onderwerp was gelijk.

Don Gonzale, droog en bleek, zooals ik hem heb geschilderd, had het

uiterlijk van een zieltogende als hij zacht en teeder wilde kijken;

en mijn dame nam, al naarmate ik verliefder werd, meer kinderlijke

manieren aan. In alles was ze een kokette, die al minstens veertig

jaren dienst had. Ze had haar opleiding gehad, in den dienst van die

heldinnen der liefde, die, wanneer ze sterven, getracht hebben twee

of drie opeenvolgende geslachten te bekoren.

Ik stelde mij er niet mee tevreden, om alle avonden met mijn

meester naar Eufrasia te gaan, soms ging ik er op den dag alleen

heen. Altijd verwachtte ik, dat ik, op een goeden dag, ergens in dat

huis een jongen galant zou verborgen vinden; maar op welk uur ik ook

kwam, ontmoeten deed ik niemand, noch man, noch vrouw van verdacht

uiterlijk. Geen enkel spoor van ontrouw kon ik ontdekken, wat mij

niet weinig verwonderde, want, hoewel Béatrix mij had verzekerd, dat

hare meesteres geen enkel mannelijk bezoek ontving, kon ik mij toch

niet voorstellen, dat een zoo knappe dame geheel trouw was aan don

Gonzale. Het bleek me spoedig, dat ik niet verkeerd had geoordeeld;

de schoone Eufrasia had zich, zoals gij weldra hooren zult, voorzien

van een minnaar, die beter bij haar paste dan mijn meester, op wiens

erfenis zij dusdoende geduldig kon wachten.

Op een ochtend bracht ik, als naar gewoonte, een briefje aan de

prinses. Terwijl ik in haar kamer was, zag ik de voeten van een man,

die achter een gordijn was verborgen. Ik wachtte mij er wel voor om

te laten merken wat ik had gezien. Ik was verontwaardigd op Eufrasia,

hoewel deze ontdekking mij niet verraste en mij persoonlijk niet

aanging. Dat was de kroon op het werk van haar verraad! Liever

had ik moeten lachen om dit avontuur en dat moeten beschouwen als

een schadeloosstelling voor al de verveling in gezelschap van mijn

meester. Maar ik meende met warmte te moeten opkomen in het belang van

don Gonzale en ik deed hem getrouw verslag van hetgeen ik had gezien;

en voegde er zelfs bij, dat Eufrasia getracht had mij om te koopen. Van

alles, wat ze mij gezegd had, hield ik niets verborgen. Hij deed

mij nog eenige vragen en de antwoorden moesten zijn twijfel geheel

wegnemen. Niettegenstaande de kalmte, welke hij altijd bewaarde,

was hij getroffen en een toornige trek op zijn gelaat scheen aan te

kondigen, dat die vrouw hem niet ongestraft ontrouw was geworden.

"'t Is genoeg, Gil Blas," zei hij, "ik ben zeer gevoelig voor de

genegenheid, die ik zie, dat ge voor mij hebt en uw trouw bevalt mij

zeer. Dadelijk ga ik naar Eufrasia. Ik zal haar verwijten, wat gebeurd

is en met de ondankbare breken." Bij die woorden ging hij werkelijk weg

om haar op te zoeken en het bleef mij bespaard om met hem mee te gaan.

Zeer ongeduldig wachtte ik op de terugkomst van mijn meester. Ik

twijfelde er niet aan, of hij zou bij zijn terugkomst voorgoed van haar

gescheiden zijn. Bij die gedachte juichte ik over hetgeen ik gedaan

had. Ik stelde mij het genoegen voor, dat de erfgenamen van don Gonzale

zouden hebben, wanneer ze vernamen dat hun bloedverwant niet langer

de speelbal was van een hartstocht, zoo strijdig met hun belangen. Ik

vleide mij er mee, dat men mij zou houden voor den beste van alle

kamerdienaars, die er anders meer op uit zijn om hun meesters in slecht

gezelschap te brengen, dan ze er uit te halen. Maar deze prettige

gedachten maakten voor anderen plaats. Mijn patroon kwam terug,

"Mijn vriend," zei hij mij, "ik heb zooeven een levendig onderhoud

gehad met Eufrasia. Ik heb haar beschuldigd van ondankbaarheid en

trouweloosheid, ik heb haar met verwijten overladen. Maar weet ge,

wat ze mij geantwoord heeft? Dat ik verkeerd deed door naar knechts

te luisteren. Zij houdt vol, dat ge een onwaarheid hebt meegedeeld;

als men haar gelooven moet, zijt ge een bedrieger, een werktuig van

mijn neven, terwille van wie gij niets onbeproefd laat om mij van haar

te scheiden. Ik heb tranen in haar oogen gezien, echte tranen. Bij

alles wat heilig is, heeft ze mij bezworen, dat ze je geen enkel

voorstel heeft gedaan, dat ze niemand ontvangt. Béatrix, die mij een

goede vrouw schijnt, niet in staat om te liegen, heeft mij dezelfde

verzekering gegeven, zoodat, ondanks mijzelf, mijn toorn bedaard is."

"Wat mijnheer!" viel ik hem in de rede, "twijfelt u aan mijn

oprechtheid? Hebt u wantrouwen jegens mij?' "Neen, mijn jongen,"

antwoordde hij, "ik geloof niet, dat ge een werktuig zijt van mijn

neven. Ik ben ervan overtuigd, dat ge alleen in mijn belang hebt

meenen te handelen, maar schijn bedriegt. Misschien heb je niet

werkelijk gezien wat ge gemeend hebt op te merken en in dat geval is

je beschuldiging zeer onaangenaam voor Eufrasia! Hoe het zij, het is

een vrouw, die ik niet laten kan te beminnen; dat is mijn lot. Zelfs

moet ik haar het offer brengen, dat ze van mijn liefde eischt en dat

offer is je ontslag te geven. Het spijt mij wel, mijn arme Gil Blas,

dat verzeker ik je, maar ik kan niet anders. Wat je troosten zal,

is, dat ik je niet zonder belooning zal wegsturen. Overigens zal ik

je een plaats bezorgen bij een dame, met wie ik bevriend ben en waar

ge het zeer goed zult hebben."

Zoo zag ik dus mijn ijver zich tegen mijzelf keeren. Ik verwenschte

Eufrasia en betreurde de zwakheid van don Gonzale. Om de pil voor

mij te vergulden, gaf de goede oude man mij vijftig dukaten en den

volgenden dag bracht hij mij bij de markiezin de Chaves, tegen wie

hij, in mijn tegenwoordigheid, zeide, dat ik een jonge man was met

niet anders dan goede hoedanigheden, dat hij van me hield en dat

familieomstandigheden hem noopten mij weg te zenden; daarna verzocht

hij haar mij in dienst te nemen. Zij nam mij onder haar bedienden op

en zoo bevond ik mij plotseling in een nieuw huis.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 57 / 67 题