Gil Blas verandert van betrekking en gaat in dienst van don Gonzale
Pacheco.
Drie maanden na dit huwelijk wilde mijn meesteres mijn diensten
beloonen. Ze schonk mij honderd pistolen en zei: "Gil Blas, mijn
vriend, ik jaag je niet weg, je kunt hier blijven zoolang als je
wilt, maar een oom van mijn man, don Gonzale Pacheco, wil je als
kamerdienaar hebben. Ik heb zoo gunstig over je gesproken, dat hij
mij gezegd heeft, dat ik hem genoegen zou doen je aan hem over te
doen. Het is een edelman van den ouden stempel, een man met een zeer
nobel karakter; ge zult het goed bij hem hebben."
Ik bedankte Aurora voor haar goedheid en, daar ze mij niet meer noodig
had, nam ik de betrekking, welke mij werd aangeboden, te liever aan,
omdat ik in de familie bleef. Op een goeden ochtend ging ik dus van de
jonggehuwden naar don Gonzale. Hij was nog te bed, hoewel het bij den
middag was. Toen ik zijn kamer binnenkwam, dronk hij een kop bouillon,
dien een page hem bracht. De grijsaard had papillotten in zijn snor,
bijna levenlooze oogen en een bleek, mager gelaat. Hij was een van die
oude-jongeheeren, die in hun jeugd zwaar geleefd hebben en op een meer
gevorderden leeftijd nog weinig wijzer zijn geworden. De ontvangst
was aangenaam en hij zei me, dat, wanneer ik hem met evenveel ijver
wilde dienen, als ik het zijn nicht gedaan had, ik het goed bij hem
zou hebben. Na deze verzekering beloofde ik, dat ik hem dezelfde
trouw zou bewijzen als aan zijn nicht en van dat oogenblik af aan
nam hij mij in dienst.
Zoo had ik dus een nieuwen meester en God weet, wat voor man
het was! Toen hij opstond, meende ik de opstanding van Lazarus te
zien. Stel u een lichaam voor, zoo mager, dat men het naakt ziende,
er best de theorie van het geraamte op had kunnen leeren. Hij had
zulke dunne beenen, dat ze nog zeer mager schenen, nadat hij over
elkaar drie of vier paar kousen had aangetrokken. Bovendien was die
levende mummie asthmatisch en hoestte hij bij ieder woord, dat hem uit
den mond kwam. Hij liet eerst chocolade komen, vroeg vervolgens papier
en inkt, schreef een briefje, dat hij verzegelde en liet bezorgen door
denzelfden page, die zijn bouillon had gebracht. Daarop zei hij tot me:
"Mijn vriend, in 't vervolg zal ik jou met mijn boodschappen belasten
en bepaaldelijk die, welke dona Eufrasia betreffen. Die dame is een
jeugdige persoon, die ik liefheb en die mij teeder bemint."
Almachtig! zei ik bij mezelf; hoe kan men jonge menschen beletten
zich te verbeelden, dat men hen liefheeft als die oude losbol denkt,
dat men hem aanbidt? "Gil Blas," vervolgde hij, "ik zal je heden al
bij haar brengen; ik soupeer bijna iederen avond bij haar. Ge zult een
zeer beminnelijke vrouw zien en bekoord worden door haar wijsheid en
ingetogenheid. Zij lijkt volstrekt niet op die jonge onbezonnen wezens,
die op het uiterlijk afgaan, maar heeft een rijpen geest; ze wil een
man met gevoel en geeft boven de meest schitterende verschijningen,
de voorkeur aan een man, die weet te beminnen." Don Gonzale raakte
niet uitgepraat over de voortreffelijkheden van zijn maîtresse,
maar hij had een toehoorder, die moeilijk te overtuigen was. Na
alles wat ik er al van gezien had bij tooneelspeelsters, geloofde
ik niet van het geluk in de liefde van oude heeren. Ik deed echter
maar, of ik alles voor goede munt aannam en prees zelfs den smaak
van Eufrasia en zei, dat ze geen beminnelijker galant kon hebben. De
goede man begreep niet, dat ik hem voor den gek hield, integendeel,
zijn ijdelheid werd gestreeld door mijn woorden; ook nu bleek het
weer, dat een vleier alles bij groote heeren kan wagen; ze slikken
zelfs de meest overdreven complimentjes.
Nadat de oude heer geschreven had, trok hij met een tangetje een paar
haren uit zijn baard, waschte zijn oogen, ooren en tanden en daarna
verfde hij zijn snor, zijn wenkbrauwen en zijn haar. Hij had langer
werk aan zijn toilet dan een oude dame, die het voortgaan van de
jaren wil verbergen. Hij was juist klaar toen er een andere oude heer,
een vriend van hem, binnenkwam, die graaf d'Asumar heette. Welk een
verschil tusschen hen! Deze liet zijn grijze haren zien, leunde op een
stok en scheen trotsch te zijn op zijn ouderdom, inplaats van jong te
willen schijnen. "Mijnheer Pacheco," zei hij bij het binnenkomen, "ik
kom vragen of ik bij u kan dineeren." "Wees welkom, graaf," antwoordde
mijn meester. Ze drukten elkaar de hand en begonnen in afwachting
van het diner een gesprek. Het liep eerst over een stierengevecht,
dat voor weinige dagen had plaats gehad. Evenals aan Nestor bood het
aan de oude graafheden gelegenheid om het verleden te prijzen, zuchtend
zei hij: "Helaas! de menschen van tegenwoordig zijn niet meer met die
van vroeger te vergelijken; de pracht van de tournooien in mijn jeugd
ziet men niet meer." Ik lachte om de vooroordeelen van den ouden heer
d'Asumar, die zich in dit opzicht niet tot de tournooien bepaalde;
want toen hij aan tafel zat en men de mooiste perziken presenteerde,
zei hij: "In mijn tijd waren de perziken grooter dan ze nu zijn; de
natuur wordt van dag tot dag zwakker." Lachend zei ik in me zelf,
dat, ten tijde van Adam, de perziken dan wel buitengewoon groote
afmetingen moesten hebben gehad.
De graaf d'Asumar bleef bijna tot den avond en zoodra hij weg was,
zei mijn meester me hem te volgen. Wij gingen naar Eufrasia, die
op honderd pas afstand van ons huis woonde. We vonden haar in een
nette kamer, goed gekleed en hoewel ze minstens dertig jaar oud was,
zag ze er als een minderjarige uit. Ze kon voor mooi doorgaan en ik
bewonderde haar verstand. Ze was niet een van die kokette vrouwen,
die door haar geest willen schitteren en vrij zijn in haar manieren,
ze scheen zeer bescheiden. Ik was daar verbaasd over, omdat ik er
niet bij bedacht, dat zulke schepsels zich weten te vormen naar het
karakter van de rijke lieden en van de heeren, die in haar handen
vallen. Willen die heeren opgewektheid, dan zijn ze levendig, houden
ze van het ingetogene, dan zijn ze verstandig en deugdzaam. Ze zijn
ware kameleons, die van kleur veranderen naar het humeur en den zin
van de mannen, die haar naderen.
Don Gonzale had niet den smaak van de heeren, die een brutale
schoonheid vragen; hij kon die niet uitstaan. Om hem aan te trekken
moest een vrouw het uiterlijk van een Vestaalsche maagd hebben
en Eufrasia regelde zich daarnaar; ze liet zien, dat men de beste
comedianten niet altijd in de comedie vindt. Ik liet mijn meester
bij zijn nimf en ging naar beneden, waar ik een oude huishoudster
vond, in wie ik een soubrette, die kamenier was geweest van een
tooneelspeelster, herkende; ook zij herkende mij. "Wel, mijnheer
Gil Blas! U is dus bij Arsenia weg, zooals ik bij Constance?" "O
zeker," antwoordde ik, "al lang. Ik ben daarna in dienst geweest
bij een jonkvrouw. Het leven van die menschen van den schouwburg is
niet naar mijn smaak. Ik heb mijn ontslag genomen zonder de minste
opheldering aan Arsenia te geven." "Daar hebt ge goed aan gedaan,"
zei de soubrette, die Béatrix heette. "Ik heb bijna op dezelfde wijze
met Constance gedaan. Op een goeden ochtend zei ik, dat ik weg wilde,
ze zei niets en we zijn gescheiden."
"Het doet mij veel genoegen," zei ik tegen haar, "dat wij elkaar in
zulk een hoogst fatsoenlijk huis terugzien. Dona Eufrasia schijnt mij
een uitstekende vrouw en ik geloof, dat zij een zeer goed karakter
heeft." "Daar bedriegt ge u niet in," antwoordde zij mij, "ze is van
goeden huize, wat men voldoende aan haar manieren kan zien en wat
haar humeur betreft, kan ik u verzekeren, dat er niemand zachter en
meer gelijkmoedig is. Ze is niet een van die lastige dames, die op
alles aanmerkingen maken, die zonder ophouden schreeuwen, die haar
personeel plagen en bij wie het dienen een hel is. Ik heb haar nog
nooit hooren brommen; wanneer ik eens iets niet naar haar zin doe,
zegt zij het me zonder kwaad te worden en nooit ontvalt haar een van
die scherpe uitdrukkingen, waarmee sommige dames zoo vrijgevig zijn."
"Mijn meester," zei ik, "is ook zeer vriendelijk, hij behandelt mij
familiaar, meer als zijnsgelijke dan als een lakei; in één woord, hij
is de beste van alle menschen en wij zijn, in dit opzicht, u, zoowel
als ik, heel wat beter geplaatst dan bij die comedianten." "Duizend
maal beter," hernam Béatrix; "ik had een leven vol tumult en nu heb
ik het stil. Er komt hier niemand anders dan don Gonzale. In mijn
eenzaamheid zal ik niemand zien dan u en dat doet me genoegen. Ik heb
al sinds lang zekere neiging voor u en ik heb dikwijls Laura benijd;
maar eindelijk hoop ik niet minder gelukkig te zijn dan zij. Al bezit
ik haar jeugd en schoonheid niet, ik ben daarentegen ook niet koket
en wat niet genoeg te waardeeren is, ik ben trouw als een tortelduif."
Daar de goede Béatrix een van die personen was, die verplicht
zijn hare gunsten aan te bieden, omdat men haar die niet vraagt,
was ik volstrekt niet van plan daarvan te profiteeren. Ik wilde
dat echter niet laten blijken en was zelfs zoo beleefd met haar te
spreken op een wijze, dat zij niet alle hoop verloor, dat ik haar
eens zou liefhebben. Ik verbeeldde mij dus, dat ik een verovering
had gemaakt, maar werd daarin bedrogen. De soubrette wilde mij niet
alleen hebben om mijn mooie oogen, ze wilde mij gebruiken in het
belang van haar meesteres, voor wie ze zulk een groote toewijding
had, dat ze voor haar wel ik weet niet wien zou hebben omhelsd. Ik
zag dat den volgenden morgen in, toen ik een briefje van mijn meester
aan Eufrasia bracht. Deze dame ontving mij zoo vriendelijk mogelijk;
ze zei me allerlei lievigheden en de oude huishoudster deed daaraan
mee. De eene bewonderde mijn gezicht; de andere vond mij wijs en
voorzichtig. Volgens haar bezat don Gonzale in mij een schat. In één
woord, ze prezen me zóó, dat ik wantrouwend werd. Ik aanvaardde al
die loftuitingen met de onnoozelheid van een dwaas, maar trachtte de
beweegredenen te leeren kennen en door list tegenover list te stellen,
slaagde ik erin het masker te doen oplichten.
"Hoor eens, Gil Blas," zei Eufrasia, "het zal alleen van je zelf
afhangen om je fortuin te maken. Sluit u bij ons aan, mijn vriend,
Don Gonzale is oud en zijn gezondheid is zoo delicaat, dat de minste
koorts met de hulp van een goeden dokter hem kan wegnemen. Laten
wij de oogenblikken, die hem nog overblijven, goed gebruiken en
trachten te bewerken, dat hij mij het beste van wat hij bezit,
nalaat. Ik zal je er een goed aandeel van geven, dat beloof ik je en
ge kunt op deze belofte evengoed vertrouwen alsof ik haar had gedaan
voor alle notarissen in Madrid." "Mevrouw," antwoordde ik haar,
"beschik over uw dienaar. U hebt mij maar te zeggen wat ik te doen
heb en u zult tevreden zijn." "Welnu!" antwoordde zij, "ge moet uw
meester goed opnemen en mij op de hoogte houden van alles. Wanneer
ge met u beiden zijt, verzuim dan niet om het gesprek op de vrouwen
te brengen en maak dan van die gelegenheid een verstandig gebruik
door hem veel goeds van mij te zeggen; houd hem zooveel met Eufrasia
bezig als maar eenigszins mogelijk is. Dit is niet alles wat ik van
u verlang. Ik draag u ook op, goed te letten op wat er in de familie
Pacheco gebeurt. Als een van zijn verwanten veel werk maakt van don
Gonzale en het op de erfenis gemunt heeft, waarschuw me dan; ik ken
hen allen en heb al genoeg gedaan om hem een minder gunstig denkbeeld
te geven van zijn neven en nichten."
Ik vernam verder nog, dat zij hem kort geleden had bewogen om een
landgoed te verkoopen, waarvan zij het geld had gekregen. Behalve
dat zij iederen dag veel moois van hem kreeg, hoopte zij nu ook
nog, dat hij haar in zijn testament niet zou vergeten. Ik deed
alsof ik mij gaarne beschikbaar stelde voor hetgeen zij van mij
verwachtte. Onderweg naar huis overwoog ik of ik er aan zou meedoen
om mijn meester te bedriegen, of dat ik zou trachten hem los te
maken van zijn maitresse. Dat laatste scheen mij beter dan het
eerste en ik gevoelde meer lust om mijn plicht te doen, dan om hem
te verraden. Bovendien had Eufrasia mij niets positiefs beloofd en
dat was misschien de reden waarom ik trouw bleef. Ik besloot dus don
Gonzale met ijver te dienen en was ervan overtuigd, dat het beter
voor mij zou zijn, wanneer ik hem zijn ideaal kon ontnemen.
Om tot mijn doel te geraken, hield ik mij of ik Eufrasia diende. Ik
maakte haar wijs, dat ik onophoudelijk tegen mijn meester over haar
sprak en verzon daarover allerlei fabeltjes, die zij voor goede munt
opnam. Zij geloofde mij onvoorwaardelijk. Om nog zekerder te zijn
van mijn zaak, deed ik of ik verliefd was op Béatrix, die op haar
leeftijd verrukt scheen, dat een jonge man haar het hof maakte en er
blijkbaar niet om gaf of ik haar bedroog, mits ik het goed deed.
Wanneer wij bij onze prinsessen waren, mijn meester en ik, waren het
twee schilderijen, verschillend, maar het onderwerp was gelijk.
Don Gonzale, droog en bleek, zooals ik hem heb geschilderd, had het
uiterlijk van een zieltogende als hij zacht en teeder wilde kijken;
en mijn dame nam, al naarmate ik verliefder werd, meer kinderlijke
manieren aan. In alles was ze een kokette, die al minstens veertig
jaren dienst had. Ze had haar opleiding gehad, in den dienst van die
heldinnen der liefde, die, wanneer ze sterven, getracht hebben twee
of drie opeenvolgende geslachten te bekoren.
Ik stelde mij er niet mee tevreden, om alle avonden met mijn
meester naar Eufrasia te gaan, soms ging ik er op den dag alleen
heen. Altijd verwachtte ik, dat ik, op een goeden dag, ergens in dat
huis een jongen galant zou verborgen vinden; maar op welk uur ik ook
kwam, ontmoeten deed ik niemand, noch man, noch vrouw van verdacht
uiterlijk. Geen enkel spoor van ontrouw kon ik ontdekken, wat mij
niet weinig verwonderde, want, hoewel Béatrix mij had verzekerd, dat
hare meesteres geen enkel mannelijk bezoek ontving, kon ik mij toch
niet voorstellen, dat een zoo knappe dame geheel trouw was aan don
Gonzale. Het bleek me spoedig, dat ik niet verkeerd had geoordeeld;
de schoone Eufrasia had zich, zoals gij weldra hooren zult, voorzien
van een minnaar, die beter bij haar paste dan mijn meester, op wiens
erfenis zij dusdoende geduldig kon wachten.
Op een ochtend bracht ik, als naar gewoonte, een briefje aan de
prinses. Terwijl ik in haar kamer was, zag ik de voeten van een man,
die achter een gordijn was verborgen. Ik wachtte mij er wel voor om
te laten merken wat ik had gezien. Ik was verontwaardigd op Eufrasia,
hoewel deze ontdekking mij niet verraste en mij persoonlijk niet
aanging. Dat was de kroon op het werk van haar verraad! Liever
had ik moeten lachen om dit avontuur en dat moeten beschouwen als
een schadeloosstelling voor al de verveling in gezelschap van mijn
meester. Maar ik meende met warmte te moeten opkomen in het belang van
don Gonzale en ik deed hem getrouw verslag van hetgeen ik had gezien;
en voegde er zelfs bij, dat Eufrasia getracht had mij om te koopen. Van
alles, wat ze mij gezegd had, hield ik niets verborgen. Hij deed
mij nog eenige vragen en de antwoorden moesten zijn twijfel geheel
wegnemen. Niettegenstaande de kalmte, welke hij altijd bewaarde,
was hij getroffen en een toornige trek op zijn gelaat scheen aan te
kondigen, dat die vrouw hem niet ongestraft ontrouw was geworden.
"'t Is genoeg, Gil Blas," zei hij, "ik ben zeer gevoelig voor de
genegenheid, die ik zie, dat ge voor mij hebt en uw trouw bevalt mij
zeer. Dadelijk ga ik naar Eufrasia. Ik zal haar verwijten, wat gebeurd
is en met de ondankbare breken." Bij die woorden ging hij werkelijk weg
om haar op te zoeken en het bleef mij bespaard om met hem mee te gaan.
Zeer ongeduldig wachtte ik op de terugkomst van mijn meester. Ik
twijfelde er niet aan, of hij zou bij zijn terugkomst voorgoed van haar
gescheiden zijn. Bij die gedachte juichte ik over hetgeen ik gedaan
had. Ik stelde mij het genoegen voor, dat de erfgenamen van don Gonzale
zouden hebben, wanneer ze vernamen dat hun bloedverwant niet langer
de speelbal was van een hartstocht, zoo strijdig met hun belangen. Ik
vleide mij er mee, dat men mij zou houden voor den beste van alle
kamerdienaars, die er anders meer op uit zijn om hun meesters in slecht
gezelschap te brengen, dan ze er uit te halen. Maar deze prettige
gedachten maakten voor anderen plaats. Mijn patroon kwam terug,
"Mijn vriend," zei hij mij, "ik heb zooeven een levendig onderhoud
gehad met Eufrasia. Ik heb haar beschuldigd van ondankbaarheid en
trouweloosheid, ik heb haar met verwijten overladen. Maar weet ge,
wat ze mij geantwoord heeft? Dat ik verkeerd deed door naar knechts
te luisteren. Zij houdt vol, dat ge een onwaarheid hebt meegedeeld;
als men haar gelooven moet, zijt ge een bedrieger, een werktuig van
mijn neven, terwille van wie gij niets onbeproefd laat om mij van haar
te scheiden. Ik heb tranen in haar oogen gezien, echte tranen. Bij
alles wat heilig is, heeft ze mij bezworen, dat ze je geen enkel
voorstel heeft gedaan, dat ze niemand ontvangt. Béatrix, die mij een
goede vrouw schijnt, niet in staat om te liegen, heeft mij dezelfde
verzekering gegeven, zoodat, ondanks mijzelf, mijn toorn bedaard is."
"Wat mijnheer!" viel ik hem in de rede, "twijfelt u aan mijn
oprechtheid? Hebt u wantrouwen jegens mij?' "Neen, mijn jongen,"
antwoordde hij, "ik geloof niet, dat ge een werktuig zijt van mijn
neven. Ik ben ervan overtuigd, dat ge alleen in mijn belang hebt
meenen te handelen, maar schijn bedriegt. Misschien heb je niet
werkelijk gezien wat ge gemeend hebt op te merken en in dat geval is
je beschuldiging zeer onaangenaam voor Eufrasia! Hoe het zij, het is
een vrouw, die ik niet laten kan te beminnen; dat is mijn lot. Zelfs
moet ik haar het offer brengen, dat ze van mijn liefde eischt en dat
offer is je ontslag te geven. Het spijt mij wel, mijn arme Gil Blas,
dat verzeker ik je, maar ik kan niet anders. Wat je troosten zal,
is, dat ik je niet zonder belooning zal wegsturen. Overigens zal ik
je een plaats bezorgen bij een dame, met wie ik bevriend ben en waar
ge het zeer goed zult hebben."
Zoo zag ik dus mijn ijver zich tegen mijzelf keeren. Ik verwenschte
Eufrasia en betreurde de zwakheid van don Gonzale. Om de pil voor
mij te vergulden, gaf de goede oude man mij vijftig dukaten en den
volgenden dag bracht hij mij bij de markiezin de Chaves, tegen wie
hij, in mijn tegenwoordigheid, zeide, dat ik een jonge man was met
niet anders dan goede hoedanigheden, dat hij van me hield en dat
familieomstandigheden hem noopten mij weg te zenden; daarna verzocht
hij haar mij in dienst te nemen. Zij nam mij onder haar bedienden op
en zoo bevond ik mij plotseling in een nieuw huis.