Welke listen Aurora zooal aanwendde om zich door don Louis Pacheco
te doen beminnen.
De twee nieuwe vrienden kwamen den volgenden morgen bij elkaar en
begonnen met omhelzingen, waaraan Aurora zich moest onderwerpen
om haar rol van Don Felix goed te spelen. Daarna gingen zij samen
in de stad wandelen en ik vergezelde hen niet Chilindron, den
knecht van don Louis. Bij de universiteit bleven wij staan kijken
naar eenige kennisgevingen omtrent boeken, die aan de deur waren
aangeplakt. Verscheidene personen vermaakten zich met ze te lezen en
ik bemerkte onder hen een klein mannetje, dat over deze werken zijn
oordeel uitsprak. Ik bemerkte, dat men met alle aandacht naar hem
luisterde, en te zelfder tijd zag ik, dat hij meende waard te zijn, dat
men naar hem luisterde. Hij scheen ijdel en was beslist in zijn spreken
als alle kleine mannetjes. "Deze _nieuwe vertaling van Horatius_,"
zei hij, "welke gij met zoo groote letters vindt aangekondigd, is een
werk in proza, saamgesteld door een oud schrijver van het college. Het
is een boek, dat door de scholieren zeer wordt geroemd, zij alleen
hebben vier edities verslonden. Maar geen eerlijk man heeft er een
exemplaar van gekocht." Zijn oordeel over de andere boeken was niet
veel gunstiger: zonder genade keurde hij ze allen af. Oogenschijnlijk
was hij zelf schrijver. Ik had hem gaarne tot het einde aangehoord,
maar ik moest don Louis en don Felix volgen, daar deze even weinig
belang stelden in zijn rede als in de boeken zelf en hem en de
universiteit den rug toedraaiden. Wij kwamen tegen het uur van het
diner aan ons hotel. Aan tafel bracht mijne meesteres behendig het
gesprek op hare familie. "Mijn vader," zei ze, "was de jongste zoon
uit het huis van Mendoza en vestigde zich te Toledo; mijne moeder
is eene eigen zuster van dona Kimena de Guzmann, die eenige dagen
geleden te Salamanca is gekomen voor zaken met haar nicht, Aurora,
eenige dochter van don Vincent de Guzmann, dien gij misschien hebt
gekend."--"Neen," antwoordde don Louis, "maar ik heb dikwijls over
hem en zijne dochter Aurora hooren spreken. Moet ik gelooven hetgeen
men van deze jonge dame vertelt? Men verzekert dat niets haar verstand
en schoonheid evenaart."--"Wat haar verstand betreft," antwoordde don
Felix, "daar ontbreekt het haar niet aan, maar zoo bijzonder mooi is
zij niet, men vindt dat wij veel op elkander gelijken."--"Als dat zoo
is," riep Pacheco uit, "dan draagt zij haar reputatie met eere. Uw
trekken zijn regelmatig, uw gelaat is mooi, werkelijk ik zou haar wel
eens willen zien."--"Ik wil uwe nieuwsgierigheid wel bevredigen,"
antwoordde de valsche Mendoza, "en nog wel dezen dag. Na het diner
zullen wij naar mijne tante gaan." Daarna sprak mijne meesteres
plotseling over iets anders. 'sMiddags nam ik mijne maatregelen
en waarschuwde de duenna met het oog op de komende dingen. IJlings
keerde ik terug om don Felix te vergezellen, die seigneur don Louis
aan zijne tante zou voorstellen. Nauwelijks waren wij daar gekomen,
of de tante kwam ons tegemoet met een: "Stil, stil, gij zult mijne
nicht wakker maken, zij heeft sedert gisteren een verschrikkelijke
migraine, die juist een beetje over is, en nu slaapt het arme kind
gelukkig sedert een kwartier." "Dat spijt mij zeer," zei Mendoza,
"ik had gehoopt mijne nicht te zien, ik had mijn vriend Pacheco
gaarne met haar in kennis willen brengen."--"O, dat heeft zulk een
haast niet," zei Ortiz glimlachend, "stel 't maar tot morgen uit." De
heeren vertrokken daarop spoedig.
Don Louis bracht ons bij een zijner vrienden, die don Gabriel de
Pedros heette. Wij bleven er den geheelen avond, soupeerden er en
gingen eerst om twee uur 's nachts naar huis. Toen wij halverwege waren
gekomen, vonden wij twee mannen op straat liggen. Wij dachten, dat het
ongelukkigen waren, die men vermoord had, en wij bleven staan om zoo
mogelijk nog hulp te verleenen. Terwijl wij een onderzoek instelden,
kwam de patrouille en de aanvoerder, denkend dat wij de moordenaars
waren, liet ons door zijn lieden omsingelen. Gelukkig kreeg hij van
ons een beteren indruk toen hij ons had hooren spreken en, voor zoover
de nachtelijke duisternis het toeliet, ons gelaat had gezien. Zijn
boogschutters bemoeiden zich nu met de door ons doodgewaande mannen
en het bleek, dat het een groot losbol was met zijn knecht, beiden
dronken als een kanon. "Mijne heeren," riep een der mannen, "ik herken
hem. Het is seigneur Guyomar, rector van onze universiteit, ondanks
den toestand, waarin gij hem nu ziet, is hij een groot personage,
een buitengewoon genie. Er is geen wijsgeer, dien hij niet afmaakt bij
een strijdvraag, hij is welsprekend zonder weerga. Maar het is jammer,
dat hij te veel van wijn, processen en meisjes houdt. Hij heeft bij
zijn Isabella gesoupeerd, waar ongelukkigerwijs zijn begeleider even
dronken geworden is als hij. Vóór de goede professor rector werd,
gebeurde dit nogal eens vaak. Zoo ziet gij, dat eerbewijzen niet
altijd de zeden veranderen." Wij lieten de dronkaards in handen van
de patrouille en gingen zoo spoedig mogelijk slapen.
Don Felix en don Louis stonden tegen den middag op en het eerste
waarover zij het hadden, was Aurora. "Gil Blas," zei mijn meester,
"ga naar mijne tante dona Kimena en vraag haar of wij, seigneur
Pacheco en ik, heden mijne nicht niet kunnen spreken." Ik ging naar de
duenna om met haar te overleggen en ik keerde naar de valsche Mendoza
terug. "Seigneur," zei ik, "uwe nicht is welvarend, zij verzocht mij
te zeggen, dat uw bezoek haar zeer aangenaam zal zijn en dona Kimena
vroeg mij seigneur Pacheco te verzekeren, dat hij steeds welkom zal
zijn." Ik bemerkte, dat deze laatste woorden don Louis veel genoegen
deden. Mijn meesteres zag het ook en zag er een gelukkig voorteeken
in. Tegen het diner kwam de kamerdienaar van dona Kimena en zei tot
don Felix: "Seigneur, bij mevrouw uwe tante is een man uit Toledo
geweest en heeft voor u dit briefje achtergelaten: "Indien gij nieuws
wenscht te vernemen omtrent uw vader en andere belangrijke zaken, zult
ge goed doen onmiddellijk, na ontvangst van dit schrijven, naar het
Zwarte Paard te gaan, bij de universiteit." "Ik ben te nieuwsgierig,"
zei hij, "om niet aan de uitnoodiging gevolg te geven."
"Pacheco," zei hij, "wanneer ik binnen twee uur niet terug ben, kunt
gij alleen naar mijn tante gaan, dan kom ik u daar na den middag wel
opzoeken. Gij weet, wat Gil Blas u uit naam van dona Kimena gezegd
heeft en ge kunt gerust er alleen heengaan."
Inplaats van naar het Zwarte Paard te gaan, haastten wij ons naar
juffrouw Ortiz. Aurora begon dadelijk met haar blonde pruik af te
nemen, waschte en poetste aan haar wenkbrauwen, trok een japon aan
en werd nu een echte brunette, zooals zij werkelijk was.
Haar vermomming was zoo goed gekozen, dat Aurora en don Felix werkelijk
twee verschillende personen leken; het scheen zelfs, alsof zij veel
grooter als vrouw dan als man was; het is waar, dat hare muiltjes
met hunne hooge hakken daartoe niet weinig bijdroegen. Nadat zij aan
haar bekoorlijkheid alle hulpmiddelen had toegevoegd, die de kunst
daaraan kon verschaffen, wachtte zij don Louis met groote spanning,
vermengd met vrees en hoop. Nu eens was zij vol vertrouwen in haar
geestigheid en schoonheid, dan weer vreesde zij er een slecht gebruik
van te zullen maken. Ortiz bereidde zich van haar kant ook zoo goed
mogelijk voor om mijn meesteres te helpen. Daar Pacheco mij niet
in dit huis moest zien, zou ik eerst tegen het einde van het bezoek
verschijnen. Toen alles gereed was, verscheen don Louis. Hij werd zeer
vriendelijk ontvangen en sprak twee of drie uur met Aurora, waarna
ik binnenkwam en mij tot don Louis wendend, zei ik: "Seigneur, don
Felix kan heden niet komen, hij verzoekt u hem te verontschuldigen,
maar hij is in gezelschap van drie heeren uit Toledo en kon hen niet
verlaten." "O, die kleine losbol," riep dona Kimena uit; "ongetwijfeld
is hij aan de rol."--"Neen mevrouw," hernam ik, "hij onderhoudt zich
met hen over ernstige zaken. Het speet hem zeer." "O," hernam mijn
meesteres schertsend, "hij weet, dat ik ongesteld ben geweest en had
een weinig meer haast kunnen betoonen om iemand te bezoeken, waarmede
hij is geparenteerd; om hem te straffen wil ik hem in geen veertien
dagen zien."--"Ach, mevrouw," zei don Louis, "wees niet zoo wreed,
don Felix is genoeg te beklagen, dat hij u niet gezien heeft."
Zij schertsten daarover eenigen tijd en vervolgens nam Pacheco
afscheid. De schoone Aurora veranderde terstond van gedaante en werd
weer edelman. Zij keerde zoo spoedig mogelijk naar het hotel terug. "Ik
moet mij verontschuldigen, waarde vriend," zei zij tegen don Louis,
"dat ik niet bij mijne tante ben geweest, maar ik kon niet wegkomen
van de personen, welke bij mij waren. Een troost is het echter voor
mij, dat gij uwe nieuwsgierigheid hebt kunnen bevredigen. Welnu,
wat denkt gij van mijne nicht, zeg het mij ronduit."--"Ik ben verrukt
over haar," antwoordde Pacheco. "Gij hebt gelijk met te zeggen, dat
gij op haar gelijkt. Ik heb nog nooit zulk eene treffende gelijkenis
gezien, dezelfde gelaatsvorm, dezelfde oogen, dezelfde mond, dezelfde
stem. Er is niettemin eenig onderscheid: Aurora is grooter dan gij,
zij is bruin en gij zijt blond, gij zijt luchthartig, zij is ernstig,
maar dat is alles waarin gij van elkander verschilt. Wat verstand
betreft, geloof ik niet, dat een hemelsch wezen beter daarmee kan
zijn toegerust. In één woord: zij is iemand van oneindige verdienste."
Seigneur Pacheco sprak deze laatste woorden met zooveel vuur, dat
Felix lachend antwoordde: "Vriend, het spijt mij u met dona Kimena
in kennis te hebben gebracht en ge zult goed doen er niet meer heen
te gaan, dat raad ik u aan voor uwe rust, Aurora de Guzmann zou u
wel eens liefde kunnen gaan inboezemen...."
"Ik behoef haar niet meer te zien," viel don Louis in, "om verliefd te
worden, dat ben ik reeds."--"Dat spijt mij voor u," antwoordde Mendoza,
"want gij zijt geen man om u aan een enkele vrouw te hechten en mijne
nicht is geen Isabella, dat verzeker ik u. Zij zal geen minnaar willen
hebben, die geen eerlijke trouwplannen koestert."--"Trouwplannen! kan
het anders met een meisje van haar stand? Gij beleedigt me door te
denken dat ik een onedelen blik op haar zou kunnen werpen, gij moogt
beter van mij denken, waarde Mendoza: helaas, ik zou de gelukkigste
van alle mannen zijn wanneer zij mijn aanzoek aannam en haar lot aan
het mijne wilde verbinden."
"Als dat uwe bedoelingen zijn," hernam don Felix, "wil ik u gaarne
van dienst zijn. Ik zal morgen reeds trachten mijne tante voor uwe
zaak te winnen daar zij veel invloed bij mijne nicht heeft." Pacheco
was hem buitengewoon dankbaar en wij bemerkten met vreugde, dat onze
list zoo goed gelukte. Den volgenden dag wakkerden wij de liefde van
don Louis nog door eene nieuwe vinding aan. Mijne meesteres kwam bij
hem en vertelde, dat hij dona Kimena over hem had gesproken. "Ik had
zeer veel moeite om haar gunstig voor u te stemmen. Zij was verbolgen
op u. Ik weet niet wie u bij haar als een losbol heeft voorgesteld,
maar vast staat, dat iemand u bij haar heeft zwart gemaakt; gelukkig
heb ik u kunnen verdedigen en zoo den slechten indruk kunnen wegnemen,
dien men haar van uw leven had gegeven."
"Maar dat is nog niet alles," vervolgde Aurora, "gij moet met mijne
tante in mijn tegenwoordigheid een onderhoud hebben, dan zullen we
ons verder van haar steun verzekeren." Pacheco verlangde vol ongeduld
naar dit gesprek met dona Kimena en den volgenden ochtend werd hij
tevreden gesteld. De zoogenaamde Mendoza bracht hem bij juffrouw
Ortiz en zij hadden een onderhoud, waarin don Louis blijk gaf in
zeer korten tijd bijzonder verliefd te zijn geworden. De behendige
Kimena veinsde zeer getroffen te zijn door zijn teederheid en beloofde
alles in het werk te zullen stellen om haar nicht te bewegen hem te
huwen. Pacheco wierp zich aan de voeten van zulk een goede tante om
haar te bedanken voor haar vriendelijkheid. Don Felix vroeg daarop
of zijn nicht reeds bij de hand was. "Neen," antwoordde de duenna,
"zij rust nog en gij kunt haar thans niet spreken, maar komt vanmiddag
terug." Dit antwoord was koren op den molen van don Louis, die den
morgen verder zeer lang vond. Hij kwam thuis met Mendoza, die niet
weinig genoot van de duidelijke verschijnselen eener echte liefde,
die hij in den ander opmerkte.
Hij sprak slechts over Aurora en toen zij gegeten hadden, zei
don Felix: "Ik krijg een idee. Ik zal even voor u bij mijne tante
aanloopen en met mijn nicht persoonlijk spreken om zoo mogelijk te
ontdekken hoe zij over u denkt." Don Louis vond dit uitstekend; hij
liet zijn vriend gaan en vertrok zelf een uur later. Mijne meesteres
had zich dien tijd ten nutte gemaakt en was weder als vrouw gekleed,
toen haar aanbidder verscheen. "Ik dacht," zei deze, "hier don
Felix te vinden."--"Hij komt dadelijk," antwoordde dona Kimena,
"hij zit in mijn vertrek te schrijven." Pacheco nam deze uitvlucht
voor goede munt op, doch ondanks de aanwezigheid van zijne aangebedene
bemerkte hij, dat de uren voorbijgingen zonder dat Mendoza verscheen
en daar hij niet kon nalaten daarover eenige verwondering te laten
blijken, begon Aurora plotseling te lachen en zei tegen don Louis:
"Is het mogelijk dat gij niet het minste vermoeden hebt van het
bedrog waarvan gij de dupe zijt? Een valsche blonde pruik en geverfde
wenkbrauwen veranderen mij toch niet zoo, dat men zich daarin nog
kan vergissen. Weet Pacheco, dat don Felix de Mendoza en Aurora de
Guzmann slechts een en dezelfde zijn!"
Ze bepaalde zich er niet toe hem uit die dwaling te helpen; zij bekende
hem het zwak, dat ze op hem had en alle stappen, welke zij gedaan
had, om hem op het punt te brengen, waar ze hem hebben wilde. Don
Louis was niet minder bekoord dan verrast door hetgeen hij zooeven
gehoord had; hij wierp zich aan de voeten van mijn meesteres en zei
haar met geestdrift: "Ah! schoone Aurora, kan ik werkelijk gelooven,
dat ik de gelukkige sterveling ben, voor wien ge zooveel goedheid hebt
gehad? Wat kan ik doen om u mijn erkentelijkheid te betuigen? Een
liefde tot in eeuwigheid zou niet groot genoeg zijn om u dat te
vergelden." Die woorden werden gevolgd door duizenden andere teedere
en hartstochtelijke uitdrukkingen, waarna de geliefden spraken over de
maatregelen, welke ze hadden te nemen om tot de vervulling van hunne
wenschen te geraken. Er werd besloten, dat wij allen dadelijk naar
Madrid zouden vertrekken, waar wij onze comedie met een huwelijk zouden
besluiten. Dat plan werd bijna met even groote snelheid uitgevoerd
als het werd bedacht. Don Louis huwde veertien dagen later met mijne
meesteres en hun bruiloft werd met vele luisterrijke feesten gevierd.