HOOFDSTUK V

Wat Aurora de Guzmann deed toen zij te Salamanca was.

Ortiz, hare metgezellen en ik verlieten de zaal na dit verhaal te

hebben aangehoord en lieten Aurora met Elvira alleen. Zij bleven

het overige gedeelte van den dag bij elkaar, verveelden zich niet

en toen wij den volgenden dag vertrokken, kostte het scheiden haar

evenveel, of zij oude vriendinnen waren. Eindelijk kwamen wij zonder

ongeval te Salamanca aan. Wij huurden er een geheel gemeubeld huis en

juffrouw Ortiz nam zooals was overeengekomen den naam aan van Kimena

de Guzmann. Zij was te lang dienstbaar geweest om geen goede actrice

te zijn. Op zekeren morgen ging zij met Aurora, eene kamenier en een

knecht naar het pension, waar Pocheco gewoonlijk logeerde. Zij vroeg

kamers te huur, betaalde vooruit en zei, dat deze bestemd waren voor

een harer neven, die van Tolledo kwam om te studeeren.

Toen zij terug waren, liet de schoone Aurora geen tijd verloren gaan

om zich als heer te verkleeden. Zij bedekte haar zwarte haar met een

blonde pruik, verfde zich de wenkbrauwen in dezelfde kleur en werkte

zoo handig, dat zij zeer wel voor een jongen man kon doorgaan. Zij

bewoog zich gemakkelijk en vrij en met uitzondering van haar gelaat,

dat iets te mooi was voor een man, verraadde niets haar vermomming. De

kamenier, die als page dienst moest doen, verkleedde zich ook en

wij waren ook over haar tevreden; want behalve dat zij niet een van

de mooisten was had zij iets brutaals in haar uiterlijk, wat zeer

goed in haar rol paste. 's Middags waren de beide actrices gereed om

ten tooneele te verschijnen en wij reden naar het pension met alle

benoodigde kleedingstukken.

De waardin Bernarda Ramirez geheeten, ontving ons voorkomend en wij

werden het spoedig met haar eens over den prijs en vroegen haar of zij

reeds meer pensiongasten had. "Op 't oogenblik niet," antwoordde zij,

"ik zou er genoeg hebben, als ik iedereen in mijn huis wilde nemen,

ik wil echter alleen jongelieden. Ik verwacht er van avond een, die uit

Madrid komt om zijn studiën te voltooien. Het is don Louis de Pacheco,

hoogstens twintig jaar oud. Indien gij hem niet persoonlijk kent, hebt

gij misschien van hem hooren spreken." "Neen," zei Aurora, "ik weet,

dat hij van goede familie is maar verder niets en waar ik hier met hem

moet wonen, zou ik gaarne iets meer over hem vernemen." "Seigneur,"

antwoordde de waardin, "het is een schitterend figuur. Hij is bijna

zoo jong als u. Samen zult gij een goed paar vormen. Bij den heiligen

Jacobus, ik zal mij kunnen beroemen ten mijnen huize de twee knapste

jonge edellieden uit Spanje te hebben." "Heeft deze don Louis,"

vroeg mijne meesteres, "hier dan geen veroveringen gemaakt?" "O,

zeker, zooveel als hij maar wil. Hij heeft o.a. tusschen ons gezegd,

een dame bekoord, die jong en schoon is; zij heet Isabella. Het is

de dochter van een ouden doctor in de rechten. Zij is zoo verliefd,

dat zij er het verstand nog eens door zal verliezen." "En zeg mij,"

vroeg Aurora haastig, "is hij ook op haar verliefd?" "Hij hield van

haar," antwoordde Bernarda Ramirez, "voor zijn vertrek naar Madrid,

maar ik weet niet of hij haar nog bemint want hij loopt van vrouw

tot vrouw, zooals alle jonge edellieden dat gewoon zijn." De goede

weduwe had ternauwernood uitgesproken of wij hoorden geraas voor de

deur. Wij keken door het raam en zagen twee mannen van hunne paarden

afstijgen. Het was don Louis Pacheco, die met een kamerdienaar van

Madrid kwam. De oude vrouw verliet ons om hem te ontvangen en mijne

meesteres maakte zich gereed de rol van don Felix te gaan spelen. Don

Louis kwam gelaarsd en gespoord in ons vertrek. "Ik verneem," zeide

hij, terwijl hij Aurora groette, "dat een jonge edelman uit Toledo

ook in dit hotel is afgestapt, mag ik hem daarover mijn vreugde

betuigen?" Terwijl mijne meesteres hem op haar beurt een compliment

maakte kon Pacheco niet nalaten te zeggen, dat hij nog nooit een

edelman had gezien, die zoo mooi en goedgevormd was. Na allerlei

beleefdheden, ging don Louis naar zijn eigen appartementen.

Terwijl hij zijn sporen liet afdoen en van kleeding verwisselde,

ontmoette een soort van page, welke hem zocht om hem een briefje te

geven, bij toeval Aurora op de trap. Hij hield haar voor don Louis

en gaf haar het briefje. "Hier, seigneur," zei hij, "ofschoon

ik seigneur Pacheco niet ken, behoef ik niet te twijfelen,

dat gij het zijt." "Neen, vriend," antwoordde mijne meesteres

met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, "gij doet uw

boodschappen goed. Gij hebt goed geraden dat ik don Louis Pacheco

ben." De page verdween en Aurora zich met ons verwijderend, las:

"Ik verneem dat gij te Salamanca zijt. Met welk een vreugde heb

ik deze tijding ontvangen, ik dacht er gek van te worden. Maar

bemint gij Isabella nog? Haast u haar te verzekeren dat gij niet

veranderd zijt. Ik denk dat zij van pleizier zal sterven als zij u

trouw terugvindt."

"Dat briefje is hartstochtelijk; daar speekt een innige liefde

uit. Deze dame is een mededingster, waarvoor ik op mijn hoede moet

zijn. Ik moet don Louis van haar losmaken en zorgen, dat hij haar

niet terug ziet. Het is niet gemakkelijk, maar ik wanhoop niet dit

resultaat te bereiken." Mijn meesteres ging zitten peinzen en zei een

oogenblik daarna: "Ik beloof je, dat ze in minder dan vier en twintig

uur gebrouilleerd zijn." Nadat Pacheco een weinig uitgerust was, kwam

hij ons opzoeken en begon met Aurora te praten. "Seigneur" zei hij

schertsend, "ik geloof, dat de echtgenooten en minnaars zich over uw

komst te Salamanca niet behoeven te verheugen: gij zult ze in onrust

brengen. Ik voor mij beef nu reeds voor mijne veroveringen." "Luister,"

zei mijne meesteres, "uwe vrees is niet misplaatst. Don Felix de

Mendoza is niet weinig te duchten, dat verzeker ik u en ik weet nu al,

dat de vrouwen hier niet ongevoelig zijn." "Hebt gij daarvoor reeds

een bewijs?" "Een duidelijk bewijs," antwoordde de dochter van don

Vincent, "ik ben hier voor een maand ook geweest n.l. acht dagen en,

in vertrouwen gezegd, heb ik de dochter van een ouden dokter in de

rechten het hoofd op hol gemaakt."

Ik bemerkte dat don Louis bij deze woorden schrok. "Mag ik zonder

onbescheiden te zijn, vragen hoe deze dame heet?" "Hoe, onbescheiden,

waarom zou ik er een geheim van maken?" riep de valsche don Felix

uit. "Denkt ge, dat ik kiescher ben dan andere edellieden van mijn

leeftijd? Beoordeel mij niet zoo onrechtvaardig. Tusschen ons gezegd

verdient zij zooveel kieschheid niet. Het is een burgerdame. Gij weet

wel, dat een man van stand zich niet ernstig met zulk een vlinder

ophoudt en dat hij gelooft, dat hij haar een eer bewijst door haar

te onteeren. De naam van de dame in quaestie is Isabella." "En

heet misschien de dokter," vroeg Pacheco ongeduldig, "Murcia de la

Lhana?" "Juist," antwoordde mijne meesteres. "Ziehier een brief welke

ik juist heb ontvangen en waaruit gij zult zien, dat zij het goed

met mij meent." Don Louis keek naar het schrift en dat herkennend,

keek hij strak voor zich. "Wat zie ik," vervolgde Aurora verwonderd,

"gij verandert van kleur. Ik geloof heusch, dat gij belang in dit

persoontje stelt. Ach waarom heb ik zoo openhartig tot u gesproken?"

"Ik ben er u dankbaar voor," antwoordde don Louis met een gevoel van

spijt vermengd met toorn. "De ontrouwe, wispelturige! Don Felix, wat

ben ik u niet verschuldigd? Gij bevrijdt mij van een dwaling waarin ik

anders misschien nog lang had verkeerd. Ik dacht bemind te worden, wat

zeg ik, bemind? ik dacht aangebeden te worden door Isabella. Ik droeg

het schepsel eenige achting toe en nu zie ik, dat het slechts eene

coquette is, alleen mijn verachting waardig." "Ik begrijp uw woede,"

zei Aurora, eveneens verontwaardigd. "De dochter van een dokter

in de rechten moest tevreden zijn wanneer zij een zoo beminnelijk

heer als gij tot minnaar had. Ik kan haar onstandvastigheid niet

verontschuldigen en wel verre van prijs te stellen op de voorkeur

die zij mij schenkt, wil ik voortaan niets meer van haar goedheid

weten." "Ik voor mij," zei Pacheco, "wil haar nooit meer zien;

dat is de eenige wraak die ik kan nemen." "Gij hebt gelijk," riep

de valsche Mendoza uit; "om haar te doen weten, hoezeer wij haar

verachten moeten wij haar beiden een beleedigenden brief schrijven,

in antwoord op haar schrijven. Maar alvorens tot dit uiterste over

te gaan, moet gij uw hart raadplegen, opdat gij nooit berouw krijgt

met haar gebroken te hebben." "Neen maar," antwoordde don Louis,

"deze zwakheid zal ik niet hebben en om de ondankbare te straffen,

zullen wij doen wat gij voorstelt."

Dadelijk ging ik papier en inkt halen, en zij begonnen beiden zeer

vriendelijke briefjes voor de dochter Murcia de la Lhana samen te

stellen. Pacheco vooral kon geen woorden naar zijn zin vinden om

zijn gevoelens uit te drukken en hij verscheurde vijf of zes brieven

omdat zij hem niet kras genoeg voorkwamen. Eindelijk had hij er een

waarover hij met recht tevreden was. Deze luidde aldus: "Leer uzelf

kennen, mijne koningin, en wees niet zoo ijdel te gelooven, dat ik

u bemin. Er is een andere verdienste noodig dan de uwe om mij te

binden. Gij zijt alleen geschikt om tot amusement te dienen voor de

jongste studenten van de universiteit". Het briefje van Aurora was

niet minder beleedigend en toen zij gereed was, deed zij beide in

enveloppen en zei: "Hier Gil Blas, zorg dat Isabella dat nog heden

ontvangt. Heb je me begrepen?" vroeg ze knipoogend. Ik begreep haar

en zei: "Ja, seigneur, ik zal doen zooals u verlangt".

Ik ging dadelijk weg en dacht bij mijzelf: "Komaan mijnheer Gil Blas,

gij wordt op de proef gesteld. Laat nu eens zien, mijn vriend, dat

gij genoeg geest hebt, om een rol te spelen, die dat eischt. Seigneur

Felix heeft u een teeken gegeven. Hij wil dat ik alleen het briefje

van don Louis weg breng, dat beteekent dit knipoogje, niets is

duidelijker." Overtuigd, dat ik mij niet vergiste, maakte ik het pakket

los en haalde den brief van Pacheco er uit, die ik vervolgens naar

Murcia bracht. Aan de deur vond ik den kleinen knaap, die naar het

hotel was gekomen met het schrijven van Isabella en ik vroeg hem:

"Broeder, zijt gij niet de bediende van de dochter van mijnheer

den dokter Murcia?" Hij antwoordde, dat het zoo was met een gezicht,

waarop te lezen stond, dat hij gewend was galante briefjes te bezorgen

en ze te ontvangen. "Gij ziet er zoo betrouwbaar uit, dat ik u durf

vragen dit briefje aan uw meesteres te brengen."

De knaap vroeg mij van wien ik kwam en ik had den naam van don

Louis Pacheco niet genoemd, of hij zei: "Wil mij volgen, ik moet

u bij Isabella brengen, die u wil spreken." Ik werd in een vertrek

gelaten en kort daarop verscheen de senora. Ik werd getroffen door

de schoonheid van haar gelaat; nooit zag ik fijnere trekken. Zij had

een kinderlijk uiterlijk, maar dat belette niet, dat zij reeds bijna

dertig jaar zonder leiband had geloopen. "Vriend," zei ze lachend,

"zijt gij bij don Louis in dienst?" Ik antwoordde dat ik sedert drie

weken zijn kamerdienaar was. Vervolgens gaf ik haar het briefje. Zij

las het twee of drie maal alsof zij haar oogen niet vertrouwde. Zij

had dan ook alles behalve zulk een antwoord verwacht. Zij richtte

haar blik omhoog beet op haar lippen en eenige oogenblikken was haar

hartepijn op haar gelaat te lezen. Plotseling vroeg zij mij: "Zeg

eens vriend, is don Louis gek geworden na onze scheiding? Ik begrijp

er anders niets van. Vertel mij waarom hij zoo beleefd schrijft. Is

hij door den duivel bezeten? Als hij met mij wilde breken, behoefde

hij't toch niet aldus te doen?"

"Madame," antwoordde ik, een oprecht gezicht zettend, "mijn

meester heeft bepaald ongelijk, maar in zeker opzicht werd hij

hiertoe gedwongen. Indien u mij belooft de zaak geheim te houden,

zal ik u de zaak uitleggen." "Ik beloof het u," viel zij mij in de

rede. "Vrees niet, dat ik u in moeilijkheden zal brengen. Spreek

maar vrij uit." "Even vóór de bezorging van uw briefje is er eene

dame gekomen, welke naar Senor Pacheco vroeg en eenigen tijd later

hoorde ik haar zeggen: "gij belooft mij haar niet weder te zien en

om mij tevreden te stellen zult gij haar een brief schrijven, welke

ik u zal dicteeren." Don Louis heeft gedaan, wat zij verlangde en zoo

ziet gij, madame, dat de brief het werk is van een mededingster en dat

denhalve mijn meester zoo schuldig niet is."--"O hemel," riep zij uit,

"hij is 't nog meer dan ik eerst dacht. Zijn ontrouw doet mij meer

pijn dan de beleedigende woorden, welke hij heeft geschreven. Maar

laat hij zich gerust aan zijn nieuwe liefde wijden, zeg hem,

dat hij mij niet behoefde te beleedigen om mij te verplichten het

veld te ruimen voor eene mededingster en dat ik te zeer een ontrouw

minnaar veracht om nog lust te hebben hem terug te roepen." Hierna

verliet ik het huis van de Murcia de la Lhana, zeer tevreden over

mij zelf. In mijn hotel aangekomen, vond ik de heeren Mendoza en

Pacheco, samen aan het souper en pratend alsof zij elkander jaren

gekend hadden. Aurora bemerkte aan mijn tevreden gezicht, dat ik mij

niet slecht gekweten had van mijn opdracht. "Wel Gil Blas," zei ze,

"vertel ons eens hoe gij gevaren zijt." Ik vertelde, dat Isabella na de

beide brieven gelezen te hebben in lachen was uitgebarsten, zeggende:

"Op mijn woord, de brieven hebben een fraaien stijl, ik moet bekennen,

dat anderen minder geestig schrijven." "Zij redt zich er goed uit,"

riep mijn meesteres uit, "het is bepaald een coquette van het ergste

slag."--"Wat mij betreft," zei don Louis, "herken ik Isabella niet

en moet zij tijdens mijne afwezigheid wel zeer veranderd zijn."--"Ik

had haar ook anders beoordeeld," antwoordde Aurora. "Maar er zijn

vrouwen, die kunnen doen zooals zij willen. Ik heb er een bemind

en ik ben er lang de dupe van geweest. Gil Blas zal het u zeggen,

dat zij ieder met een trouw gezicht wist te bedotten."--"Het is

waar," zei ik, mij in het gesprek mengend, "zij was een gewikste;

ik zou er zelf zijn ingeloopen." Mendoza en Pacheco lachten, dat zij

schaterden toen zij mij aldus hoorden spreken en inplaats van geraakt

te zijn, dat ik mij in het gesprek mengde, richtten zij dikwijls

het woord tot mij om zich over mijn antwoorden te vermaken. Wij

spraken over veinzende vrouwen en het resultaat was, dat Isabella

eene echte coquette was en bleef. Don Louis zwoer, haar niet weer te

willen zien; don Felix zwoer op zijn beurt, dat hij haar steeds zou

verachten. Daarna sloten zij vriendschap en spraken af nooit iets voor

elkaar verborgen te houden. Eindelijk scheidden zij en ieder begaf

zich naar zijn appartementen, waar ik Aurora een juist verslag gaf

van het onderhoud met de dochter des dokters, ik vergat geen enkele

bijzonderheid, ja ik dikte ze nog ietwat aan, zoodat mijne meesteres

in de wolken was. "Waarde Gil Blas," zei ze, "ik ben verrukt over uw

slimheid. Wanneer men het ongeluk heeft een hartstocht te koesteren,

welke ons verplicht listen te baat te nemen, is het een voordeel iemand

in dienst te hebben, die zoo gevat is als gij. Moed, mijn vriend, wij

hebben nu een mededingster uit den weg geruimd, die ons kon schaden;

dat is geen slecht begin. Maar waar gelieven somtijds plotseling op

een besluit terugkomen, ben ik van plan het avontuur te verhaasten

en morgen reeds Aurora de Guzmann ten tooneele te voeren." Ik juichte

dit denkbeeld toe en seigneur don Felix met zijn page alleen latend,

ging ik naar het vertrek waar mijn bed stond.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 55 / 67 题