HOOFDSTUK XI

Hoe de tooneelspelers onder elkaar leefden en hoe zij de schrijvers

behandelden.

Het was den volgenden dag een vastendag; ik kocht goede vette kippen,

konijnen, patrijzen en ander wild; daar de tooneelspelers niet bijster

tevreden zijn over de houding van de kerk te hunnen opzichte, komen

zij ook weinig hare geboden na. Ik bracht meer vleesch thuis dan

een dozijn menschen de drie dagen van het carnaval noodig hebben. De

keukenmeid had er een werkje aan! Terwijl deze het diner gereed maakte,

stond Arsenia op en bleef tot den middag met haar toilet bezig. Daarop

kwamen de heeren Rosimiro en Ricardo, beiden tooneelspelers. Vervolgens

kwamen twee actrices, Constance en Célinaura, en een oogenblik later

verscheen Florimonde vergezeld van een man, die er als een ridder

uitzag. Hoewel hij goed gekleed was, vond ik toch dadelijk wat vreemds

aan hem. "Dat moet een origineel zijn," dacht ik bij mijzelf. Ik

vergiste mij niet, het was een zonderling. Zoodra hij binnenkwam,

liep hij met open armen op de acteurs en actrices toe en omhelsde hen

beurtelings, nog overdrevener dan een saletjonker. Ik vroeg Laura

wie dat was. "Ik vergeef je nieuwsgierigheid," zeide zij. "Hij is

eerstens tooneelspeler geweest. Hebt gij zijn zwarte haren gezien? Zij

zijn geverfd evenals zijn wenkbrauwen en zijn snor. Hij is ouder dan

Latwinus; daar zijn ouders bij zijn geboorte echter vergeten hebben hem

te doen inschrijven, kan hij zich voor minstens twintig jaar jonger

uitgeven. Bovendien is hij het verwaandste personage van Spanje. In

den grond is hij een stommeling; maar om een geleerde te worden,

heeft hij een meester genomen die hem grieksch en latijn heeft leeren

spellen. Bovendien kent hij een onnoemelijk getal goede verhalen uit

zijn hoofd, die hij zoo dikwijls heeft laten doorgaan voor zijn eigen

schepping, dat hij zich is gaan verbeelden, dat zij werkelijk van

hem zijn. Hij vlecht ze in het gesprek en men kan zeggen dat zijn

geest schittert op kosten van zijn geheugen. Overigens zegt men,

dat hij een groot acteur is. Ik wil het gaarne gelooven en moet je

overigens bekennen dat hij mij niet bevalt."

Hij was een goed prater en daar de acteurs en actrices niet gekomen

waren om te zwijgen, bleven zij ook niet stom. "Hebt ge al gehoord,

waarde dames, van den nieuwen streek van Cesario, onzen waarden

ambtgenoot?" vroeg Rosimiro. "Hij heeft vanmorgen zijden kousen, linten

en kant gekocht, die hij zich bij de repetitie heeft laten brengen

door een kleine page, als komende van een gravin." "Welk een schelm,"

zeide de heer de La Ventoleria, fattig lachende. "In mijn tijd was

men beter te vertrouwen; wij dachten er niet aan zulke fabeltjes te

verzinnen. Het is waar, dat de vrouwen uit den hoogen stand ons de

moeite bespaarden ze uit te moeten denken. Zij van haar kant zorgden

daar wel voor." "Parbleu!" zeide Ricardo op den zelfden toon, "zij

zijn nog zoo, en als ik daar meer van mocht vertellen.... Maar men

moet over zulke avonturen zwijgen, vooral als er personen van zekeren

rang in gemengd zijn."

"Mijne heeren," zei Florimonde, "laat in hemelsnaam uw fortuintjes

rusten; de geheele wereld weet daarvan. Laat ons liever over Isménie

spreken. Men zegt, dat dat heerschap, die zooveel kosten voor haar

gemaakt heeft, haar ontsnapt is."--"Ja waarlijk," riep Constance uit,

"en ik kan u ook nog zeggen, dat zij bovendien een koopman verloren

heeft, dien zij ongetwijfeld had kunnen ruineeren. Ik weet hoe het

in elkaar zit. Haar factotum heeft aan den heer een briefje gebracht,

dat voor den koopman was bestemd en aan den koopman het briefje van een

edelman."--"Dat zijn groote verliezen, lieve," zei Florimonde. "Och,

wat die edelman betreft, beteekent het niet veel," hernam Constance,

"hij had bijna al zijn goed al verbrast; maar de koopman begon

pas. Hij is nog in handen van geen enkele cocotte geweest en dat is

een betreurenswaard verlies."

Zoo praatten zij voort tot het diner en aan tafel ging het gesprek

over dezelfde onderwerpen. Maar laat ik u nog vertellen hoe een arme

duivel van een schrijver, die tegen het einde van den maaltijd kwam,

door Arsenia werd ontvangen.

De kleine lakei kwam luide aan zijn meesteres zeggen: "Mevrouw, een

man met een vuilen boord" tot zijn hals met modder bespat en die er

als een dichter uitziet, wil u spreken." "Laat hem binnenkomen,"

antwoordde Arsenia. "Mijne heeren, laat ons kalm zijn; het is een

schrijver." Werkelijk was het er een, van wien een stuk was aangenomen

en die Arsenia haar rol kwam brengen. Hij heette Pédro de Marga. Bij

het binnenkomen maakte hij vijf of zes diepe buigingen voor het

gezelschap, dat hem niet eens terug groette. Verlegen bevend kwam

hij nader. Hij liet zijn handschoenen en zijn hoed vallen, raapte ze

op en ging naar mijn meesteres, en terwijl hij haar met den meesten

eerbied een papier aanbood, zeide hij: "Mevrouw, ik smeek u, u te

verwaardigen de rol te aanvaarden, die ik de vrijheid neem u aan te

bieden." Koud en verachtend nam zij hem aan en gaf hem zelfs niet

eens een antwoord op zijn compliment.

Dat ontmoedigde onzen schrijver echter niet, die gebruik maakte van

de gelegenheid om ook Rosimiro en Florimonde te complimenteeren,

die er wat meer acht op sloegen. Hij ging daarop heen zonder iets te

zeggen, maar naar het mij scheen diep getroffen door deze ontvangst. Ik

geloof, dat hij in zijn verbittering niet naliet de tooneelspelers te

vervloeken, zooals zij verdienden en de tooneelspelers van hun kant,

begonnen met weinig eerbied over de schrijvers te spreken.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 48 / 67 题