Hoe de tooneelspelers onder elkaar leefden en hoe zij de schrijvers
behandelden.
Het was den volgenden dag een vastendag; ik kocht goede vette kippen,
konijnen, patrijzen en ander wild; daar de tooneelspelers niet bijster
tevreden zijn over de houding van de kerk te hunnen opzichte, komen
zij ook weinig hare geboden na. Ik bracht meer vleesch thuis dan
een dozijn menschen de drie dagen van het carnaval noodig hebben. De
keukenmeid had er een werkje aan! Terwijl deze het diner gereed maakte,
stond Arsenia op en bleef tot den middag met haar toilet bezig. Daarop
kwamen de heeren Rosimiro en Ricardo, beiden tooneelspelers. Vervolgens
kwamen twee actrices, Constance en Célinaura, en een oogenblik later
verscheen Florimonde vergezeld van een man, die er als een ridder
uitzag. Hoewel hij goed gekleed was, vond ik toch dadelijk wat vreemds
aan hem. "Dat moet een origineel zijn," dacht ik bij mijzelf. Ik
vergiste mij niet, het was een zonderling. Zoodra hij binnenkwam,
liep hij met open armen op de acteurs en actrices toe en omhelsde hen
beurtelings, nog overdrevener dan een saletjonker. Ik vroeg Laura
wie dat was. "Ik vergeef je nieuwsgierigheid," zeide zij. "Hij is
eerstens tooneelspeler geweest. Hebt gij zijn zwarte haren gezien? Zij
zijn geverfd evenals zijn wenkbrauwen en zijn snor. Hij is ouder dan
Latwinus; daar zijn ouders bij zijn geboorte echter vergeten hebben hem
te doen inschrijven, kan hij zich voor minstens twintig jaar jonger
uitgeven. Bovendien is hij het verwaandste personage van Spanje. In
den grond is hij een stommeling; maar om een geleerde te worden,
heeft hij een meester genomen die hem grieksch en latijn heeft leeren
spellen. Bovendien kent hij een onnoemelijk getal goede verhalen uit
zijn hoofd, die hij zoo dikwijls heeft laten doorgaan voor zijn eigen
schepping, dat hij zich is gaan verbeelden, dat zij werkelijk van
hem zijn. Hij vlecht ze in het gesprek en men kan zeggen dat zijn
geest schittert op kosten van zijn geheugen. Overigens zegt men,
dat hij een groot acteur is. Ik wil het gaarne gelooven en moet je
overigens bekennen dat hij mij niet bevalt."
Hij was een goed prater en daar de acteurs en actrices niet gekomen
waren om te zwijgen, bleven zij ook niet stom. "Hebt ge al gehoord,
waarde dames, van den nieuwen streek van Cesario, onzen waarden
ambtgenoot?" vroeg Rosimiro. "Hij heeft vanmorgen zijden kousen, linten
en kant gekocht, die hij zich bij de repetitie heeft laten brengen
door een kleine page, als komende van een gravin." "Welk een schelm,"
zeide de heer de La Ventoleria, fattig lachende. "In mijn tijd was
men beter te vertrouwen; wij dachten er niet aan zulke fabeltjes te
verzinnen. Het is waar, dat de vrouwen uit den hoogen stand ons de
moeite bespaarden ze uit te moeten denken. Zij van haar kant zorgden
daar wel voor." "Parbleu!" zeide Ricardo op den zelfden toon, "zij
zijn nog zoo, en als ik daar meer van mocht vertellen.... Maar men
moet over zulke avonturen zwijgen, vooral als er personen van zekeren
rang in gemengd zijn."
"Mijne heeren," zei Florimonde, "laat in hemelsnaam uw fortuintjes
rusten; de geheele wereld weet daarvan. Laat ons liever over Isménie
spreken. Men zegt, dat dat heerschap, die zooveel kosten voor haar
gemaakt heeft, haar ontsnapt is."--"Ja waarlijk," riep Constance uit,
"en ik kan u ook nog zeggen, dat zij bovendien een koopman verloren
heeft, dien zij ongetwijfeld had kunnen ruineeren. Ik weet hoe het
in elkaar zit. Haar factotum heeft aan den heer een briefje gebracht,
dat voor den koopman was bestemd en aan den koopman het briefje van een
edelman."--"Dat zijn groote verliezen, lieve," zei Florimonde. "Och,
wat die edelman betreft, beteekent het niet veel," hernam Constance,
"hij had bijna al zijn goed al verbrast; maar de koopman begon
pas. Hij is nog in handen van geen enkele cocotte geweest en dat is
een betreurenswaard verlies."
Zoo praatten zij voort tot het diner en aan tafel ging het gesprek
over dezelfde onderwerpen. Maar laat ik u nog vertellen hoe een arme
duivel van een schrijver, die tegen het einde van den maaltijd kwam,
door Arsenia werd ontvangen.
De kleine lakei kwam luide aan zijn meesteres zeggen: "Mevrouw, een
man met een vuilen boord" tot zijn hals met modder bespat en die er
als een dichter uitziet, wil u spreken." "Laat hem binnenkomen,"
antwoordde Arsenia. "Mijne heeren, laat ons kalm zijn; het is een
schrijver." Werkelijk was het er een, van wien een stuk was aangenomen
en die Arsenia haar rol kwam brengen. Hij heette Pédro de Marga. Bij
het binnenkomen maakte hij vijf of zes diepe buigingen voor het
gezelschap, dat hem niet eens terug groette. Verlegen bevend kwam
hij nader. Hij liet zijn handschoenen en zijn hoed vallen, raapte ze
op en ging naar mijn meesteres, en terwijl hij haar met den meesten
eerbied een papier aanbood, zeide hij: "Mevrouw, ik smeek u, u te
verwaardigen de rol te aanvaarden, die ik de vrijheid neem u aan te
bieden." Koud en verachtend nam zij hem aan en gaf hem zelfs niet
eens een antwoord op zijn compliment.
Dat ontmoedigde onzen schrijver echter niet, die gebruik maakte van
de gelegenheid om ook Rosimiro en Florimonde te complimenteeren,
die er wat meer acht op sloegen. Hij ging daarop heen zonder iets te
zeggen, maar naar het mij scheen diep getroffen door deze ontvangst. Ik
geloof, dat hij in zijn verbittering niet naliet de tooneelspelers te
vervloeken, zooals zij verdienden en de tooneelspelers van hun kant,
begonnen met weinig eerbied over de schrijvers te spreken.