HOOFDSTUK XII

Gil Blas krijgt zin in het tooneel, hij geeft zich over aan het

tooneelleven en heeft er na korten tijd genoeg van.

De gasten bleven aan tafel tot het tijd was naar het theater te

gaan. Ik volgde hen en zag dien dag nogmaals hun spel. Ik had zoo'n

schik gekregen in de tooneelvoorstellingen, dat ik besloot er elken

dag heen te gaan. Ik was niet alleen tevreden de mooiste trekjes van

dramatische kunst in mijn geheugen te prenten, maar ik trachtte ook

mijn smaak te verfijnen. Om dat doel te zekerder te bereiken, gaf ik

nauwkeurig acht op alles wat de tooneelspelers zeiden. Men vertelde

mij echter, dat het regel onder hen was, de stukken zeer slecht te

beoordeelen en bovendien haalde men het reusachtig succes aan van

stukken, die hun uitspraken hadden gelogenstraft.

Voortaan beschouwde ik dus de tooneelspelers niet meer als zulke

voortreffelijke rechters en begon hun verdiensten op de juiste

waarde te schatten. Zij waren geheel de belachelijke personen

waarvoor de wereld ze hield. Ik zag acteurs en actrices, die door de

toejuichingen verwend, zich beschouwden als voorwerpen van bewondering

en meenden dat zij het publiek een zeer grooten dienst deden door te

spelen. Ik stond verbaasd over hun gebreken, maar ongelukkigerwijze

gevoelde ik mij erg tot hun levenswijze aangetrokken en nam deel aan

hun zwelgpartijen. Trouwens hoe zou ik er aan ontsnapt zijn? Alle

gesprekken, die ik in hun gezelschap hoorde, waren verderfelijk voor

de jeugd en alles wat ik zag diende om mij slecht te maken. Al had

ik niet geweten wat er gebeurde bij Casilda, Constance en de andere

tooneelspeelsters, dan zou het huis van Arsenia mij al geheel bedorven

hebben. Behalve de oude heeren, waarvan ik heb gesproken, kwamen

er ook saletjonkers en zonen van goede families, die door het geld

van woekeraars in de gelegenheid gesteld werden groote uitgaven te

doen. Soms ook ontving men er pachters der belastingen, die inplaats

er geld te ontvangen, zelf betaalden om er te mogen komen.

Florimonde, die in een naburig huis woonde, at en soupeerde elken dag

met Arsenia. Zij schenen door zulk een groote vriendschap verbonden

te zijn, dat het ieder verbaasde. Men verwonderde zich, dat twee

tooneelspeelsters zoo goed met elkaar waren en men dacht, dat zij

vroeg of laat wel eens twist zouden krijgen over een bewonderaar, maar

dan beoordeelde men deze vriendinnen al heel slecht, want inplaats

van jaloersch te zijn, zooals fatsoenlijke vrouwen, leefden zij in

liefdezaken in gemeenschap van goederen. Zij vonden het veel beter

den buit samen te deelen dan er om te gaan vechten.

Laura genoot ook haar jeugd en schoonheid, aangespoord door het

voorbeeld van hare meesteres. Zij had mij gezegd, dat ik nog mooie

dingen zou zien gebeuren. Ik was echter niet jaloersch en besloot

in dit opzicht mij te houden zooals de overige leden van het

gezelschap. Ik deed eenige dagen, of ik niets bemerkte en stelde

mij tevreden de namen te vragen van de heeren, waarmee ik haar in

vertrouwelijk gezelschap zag en dan antwoordde zij mij altijd, dat

het een oom of een neef van haar was. Wat had zij een uitgebreide

familie! Ik geloof waarlijk dat hare familie talrijker was, dan die

van koning Priamus. De soubrette was echter niet tevreden met haar

familie alleen, maar zij lokte ook dikwijls vreemdelingen of speelde

de adellijke weduwe, zooals zij bij de oude vrouw had gedaan. Maar

om den lezer een getrouw beeld van Laura te geven, moet ik zeggen,

dat zij even lief koket was als hare meesteres, die niets anders op

haar voor had dan dat zij het publiek ook in het openbaar vermaakte.

Gedurende drie weken liet ik mij door den stroom medesleepen en gaf

mij over aan allerlei buitensporigheden. Maar ik moet erbij zeggen,

dat ik al dien tijd zoo nu en dan gewetenswroeging voelde als gevolg

van mijn vroegere opvoeding en deze was het, die het pleizier wel

een weinig verminderde. De gewetenswroeging bleef de baas over

mijn uitspattingen en werd steeds grooter naarmate ik mij meer aan

braspartijen overgaf en het eind ervan was, dat ik afschuw kreeg van

het losbandige tooneelleven. "Bah, ellendeling," zei ik tot mij zelf,

"beantwoordt gij zoo de verwachtingen van uwe familie? Is het niet

genoeg hen reeds teleurgesteld te hebben door niet het ambt van

onderwijzer te aanvaarden? Moet uwe ondergeschikte betrekking een

beletsel voor u zijn als oppassend man te leven? Hebt gij er genoegen

in met zulke slechte menschen te verkeeren? De afgunst, de haat en de

hebzucht spelen bij sommigen van hen een hoofdrol, terwijl bij anderen

alle schaamte en kuischheid verdwenen zijn. Eenige geven zich over

aan bandeloosheid en luiheid, terwijl bij anderen de opgeblazenheid

gestegen is tot onbeschaamdheid. Neen hoor, het moet nu maar uit zijn,

ik wil niet langer leven met de zeven hoofdzonden van den mensch."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 49 / 67 题