Gil Blas krijgt zin in het tooneel, hij geeft zich over aan het
tooneelleven en heeft er na korten tijd genoeg van.
De gasten bleven aan tafel tot het tijd was naar het theater te
gaan. Ik volgde hen en zag dien dag nogmaals hun spel. Ik had zoo'n
schik gekregen in de tooneelvoorstellingen, dat ik besloot er elken
dag heen te gaan. Ik was niet alleen tevreden de mooiste trekjes van
dramatische kunst in mijn geheugen te prenten, maar ik trachtte ook
mijn smaak te verfijnen. Om dat doel te zekerder te bereiken, gaf ik
nauwkeurig acht op alles wat de tooneelspelers zeiden. Men vertelde
mij echter, dat het regel onder hen was, de stukken zeer slecht te
beoordeelen en bovendien haalde men het reusachtig succes aan van
stukken, die hun uitspraken hadden gelogenstraft.
Voortaan beschouwde ik dus de tooneelspelers niet meer als zulke
voortreffelijke rechters en begon hun verdiensten op de juiste
waarde te schatten. Zij waren geheel de belachelijke personen
waarvoor de wereld ze hield. Ik zag acteurs en actrices, die door de
toejuichingen verwend, zich beschouwden als voorwerpen van bewondering
en meenden dat zij het publiek een zeer grooten dienst deden door te
spelen. Ik stond verbaasd over hun gebreken, maar ongelukkigerwijze
gevoelde ik mij erg tot hun levenswijze aangetrokken en nam deel aan
hun zwelgpartijen. Trouwens hoe zou ik er aan ontsnapt zijn? Alle
gesprekken, die ik in hun gezelschap hoorde, waren verderfelijk voor
de jeugd en alles wat ik zag diende om mij slecht te maken. Al had
ik niet geweten wat er gebeurde bij Casilda, Constance en de andere
tooneelspeelsters, dan zou het huis van Arsenia mij al geheel bedorven
hebben. Behalve de oude heeren, waarvan ik heb gesproken, kwamen
er ook saletjonkers en zonen van goede families, die door het geld
van woekeraars in de gelegenheid gesteld werden groote uitgaven te
doen. Soms ook ontving men er pachters der belastingen, die inplaats
er geld te ontvangen, zelf betaalden om er te mogen komen.
Florimonde, die in een naburig huis woonde, at en soupeerde elken dag
met Arsenia. Zij schenen door zulk een groote vriendschap verbonden
te zijn, dat het ieder verbaasde. Men verwonderde zich, dat twee
tooneelspeelsters zoo goed met elkaar waren en men dacht, dat zij
vroeg of laat wel eens twist zouden krijgen over een bewonderaar, maar
dan beoordeelde men deze vriendinnen al heel slecht, want inplaats
van jaloersch te zijn, zooals fatsoenlijke vrouwen, leefden zij in
liefdezaken in gemeenschap van goederen. Zij vonden het veel beter
den buit samen te deelen dan er om te gaan vechten.
Laura genoot ook haar jeugd en schoonheid, aangespoord door het
voorbeeld van hare meesteres. Zij had mij gezegd, dat ik nog mooie
dingen zou zien gebeuren. Ik was echter niet jaloersch en besloot
in dit opzicht mij te houden zooals de overige leden van het
gezelschap. Ik deed eenige dagen, of ik niets bemerkte en stelde
mij tevreden de namen te vragen van de heeren, waarmee ik haar in
vertrouwelijk gezelschap zag en dan antwoordde zij mij altijd, dat
het een oom of een neef van haar was. Wat had zij een uitgebreide
familie! Ik geloof waarlijk dat hare familie talrijker was, dan die
van koning Priamus. De soubrette was echter niet tevreden met haar
familie alleen, maar zij lokte ook dikwijls vreemdelingen of speelde
de adellijke weduwe, zooals zij bij de oude vrouw had gedaan. Maar
om den lezer een getrouw beeld van Laura te geven, moet ik zeggen,
dat zij even lief koket was als hare meesteres, die niets anders op
haar voor had dan dat zij het publiek ook in het openbaar vermaakte.
Gedurende drie weken liet ik mij door den stroom medesleepen en gaf
mij over aan allerlei buitensporigheden. Maar ik moet erbij zeggen,
dat ik al dien tijd zoo nu en dan gewetenswroeging voelde als gevolg
van mijn vroegere opvoeding en deze was het, die het pleizier wel
een weinig verminderde. De gewetenswroeging bleef de baas over
mijn uitspattingen en werd steeds grooter naarmate ik mij meer aan
braspartijen overgaf en het eind ervan was, dat ik afschuw kreeg van
het losbandige tooneelleven. "Bah, ellendeling," zei ik tot mij zelf,
"beantwoordt gij zoo de verwachtingen van uwe familie? Is het niet
genoeg hen reeds teleurgesteld te hebben door niet het ambt van
onderwijzer te aanvaarden? Moet uwe ondergeschikte betrekking een
beletsel voor u zijn als oppassend man te leven? Hebt gij er genoegen
in met zulke slechte menschen te verkeeren? De afgunst, de haat en de
hebzucht spelen bij sommigen van hen een hoofdrol, terwijl bij anderen
alle schaamte en kuischheid verdwenen zijn. Eenige geven zich over
aan bandeloosheid en luiheid, terwijl bij anderen de opgeblazenheid
gestegen is tot onbeschaamdheid. Neen hoor, het moet nu maar uit zijn,
ik wil niet langer leven met de zeven hoofdzonden van den mensch."