Een en ander over Arsenia en Florimonde.
Het was ongeveer tijd voor het theater en mijne meesteres vroeg mij
haar te volgen met Laura. Wij traden hare loge binnen waar zij haar
kleed verwisselde voor een veel schitterender kostuum, waarmede zij
op het tooneel zou verschijnen. Toen de voorstelling begon, nam Laura
mij mede en wij gingen samen ergens zitten vanwaar wij alles goed
konden hooren en zien.
Laura noemde mij de namen der verschillende tooneelspelers en
-speelsters telkens als zij op het tooneel kwamen. Zij stelde zich
niet tevreden met alleen hun namen te noemen maar de kwaadspreekster
beschreef hen ook nog bovendien! "Deze heeft leege hersens en die
daar is een onbeschofte vlegel. Dat mooie meisje daar en die eerder
vrij dan sierlijk is in haar bewegingen heet Rosarda Let. Zij is een
slechte aanwinst voor den troep. Men moest haar een plaatsje geven
bij den nieuwen troep, dien men formeert op bevel van den vice-koning
van Nieuw Spanje en die binnenkort scheep gaat naar Amerika. Kijk eens
goed naar die schitterende ster, die daar naar voren komt, die mooie
ondergaande zon, dat is Casilda. Als zij van iederen minnaar dien
zij reeds gehad heeft, een bouwsteen had gekregen, zou zij evenals
een vroegere Egyptische prinses een pyramide kunnen bouwen die tot
aan den derden hemel rijkt." De ondeugende Laura wist van allen wat
te zeggen en spaarde zelfs haar meesteres niet, zoo'n boosaardige tong!
Toch moet ik mijn zwakheid erkennen; ik was verliefd op mijne
schoone soubrette hoewel haar aard niet erg deugdzaam was. Zij sprak
echter zoo aardig en geestig kwaad van anderen, dat ik zelfs haar
kwaadsprekendheid begon lief te krijgen. In de pauzen stond zij op om
te gaan zien of Arsenia hare hulp ook soms noodig had; maar in plaats
van terstond naar hare plaats terug te keeren vermaakte zij zich een
tijd achter de coulissen met heeren die haar lieve woordjes toevoegden
en haar vleiden. Ik volgde haar eens om eens te zien wat zij deed en
bemerkte toen dat zij heel wat kennissen had. Tot driemaal toe werd zij
teruggehouden door een tooneelspeler, die haar iets te zeggen had en
alle drie schenen erg vertrouwelijk met haar om te gaan. Dat beviel
mij niet, en voor het eerst van mijn leven voelde ik wat jaloezie
was. Ik keerde zoo nadenkend en peinzend naar mijn plaats terug
dat Laura het terstond opmerkte toen zij weer bij mij kwam. "Wat
scheelt er aan Gil Blas," vroeg zij mij zeer verbaasd. "Wat zijt
gij somber gestemd sedert ik even weggeweest ben." "Mijn prinses,"
antwoordde ik, "het is werkelijk niet zonder reden; uw manier van
doen is wel wat al te luchthartig. Ik heb je zoo juist met eenige
tooneelspelers gezien." "Och, arme jongen, ben je daar zoo bedroefd
om. O, maar dan zult ge nog wel meer ondervinden want er gebeuren
nog heel andere dingen tusschen ons tooneelspelers. Gij moet je een
beetje gewennen aan onze ongedwongen verhoudingen tegenover elkaar
en niet zoo gauw jaloersch zijn, mijn jongen. Als men aan het tooneel
jaloersch is, stelt men zich belachelijk aan. Maar er zijn niet veel
van die menschen."
Na mij aldus aangespoord te hebben niemand te verdenken en rustig toe
te kijken, verklaarde zij mij, dat ik de gelukkige sterveling was,
die tot haar hart had weten door te dringen en dat zij mij alleen zou
liefhebben voor altijd. Op deze verzekering, waaraan ik zonder groote
achterdocht wel een beetje kon twijfelen, verklaarde ik, dat ik mij
niet meer ongerust zou maken en hield ook woord. Ik zag haar sedert
dien bewusten avond zich in het bijzonder onderhouden met heeren en
met hen schertsen. Toen de voorstelling was afgeloopen, gingen wij met
onze meesteres naar huis, waar Florimonde weldra aankwam met drie oude
heeren en een tooneelspeler, die bij haar kwamen soupeeren. Behalve
Laura en ik, waren er nog als bedienden in huis een keukenmeid,
een koetsier en een kleine lakei. Wij kwamen met ons vijven bijeen
om het avondeten klaar te maken.
De keukenmeid, die niet minder bekwaam was dan Juffrouw Jacinta,
maakte het vleesch klaar met den kok. De kamerjuffrouw en de kleine
lakei dekten de tafel en ik maakte het buffet klaar, waarop het
prachtigste goud en zilver prijkte, alles geschenken, die de godin
van den tempel had ontvangen. Ik zette er flesschen met verschillende
wijnsoorten op en fungeerde voor schenker om mijn meesteres te toonen,
dat ik van alles verstand had. Ik bewonderde de ingetogenheid van
de tooneelspeelsters gedurende het maal. Zij deden zeer gewichtig en
verbeeldden zich dames uit den hoogsten stand te zijn. Verre van de
heeren met excellentie aan te spreken, spraken zij hen zelfs niet toe
met seigneur, maar noemden hen gewoon bij hunne namen. Het is waar,
dat juist de heeren haar verwenden en haar zoo trotsch maakten
door zich een weinig te familiaar met haar bezig te houden. De
tooneelspeler, als een echt acteur die de heldenrol speelt, ging
heel gemoedelijk met haar om, dronk op hare gezondheid en voerde den
boventoon. "Verduiveld," zei ik bij mij zelf, "toen Laura mij vertelde,
dat een tooneelspeler en een markies overdag elkaars gelijken zijn,
had zij er ook aan toe kunnen voegen, dat zij het 's nachts nog meer
zijn, daar zij met elkaar den nacht doorbrengen en samen drinken."
Arsenia en Florimonde waren natuurlijk zeer opgewekt. Zij voerden
allerlei gewaagde gesprekken, afgewisseld door kleine liefkoozinigen
en aanhaligheden, die natuurlijk in hun volle waarde genoten werden
door die oude zondaars. Terwijl mijne meesteres er een vermaakte
met een onschuldig praatje, speelde haar vriendin in dien tijd niet
de kuische Suzanna met de twee anderen. Terwijl ik stond te kijken
naar dit tooneel, wat slechts al te veel bekoring had voor een ouden
jonggezel, bracht men het dessert. Toen zette ik flesschen likeur op
tafel en glaasjes en verwijderde mij om te gaan soupeeren met Laura,
die mij al wachtte. "Wel, Gil Blas," vroeg zij mij, "wat denkt gij van
de heeren, die gij zooeven gezien hebt?" "Het zijn zeker aanbidders
van Arsenia en Florimonde," antwoordde ik. "Neen," hernam zij, "het
zijn oude lichtmissen, die deze meisjes opzoeken zonder zich bepaald
aan haar te hechten. Zij verlangen slechts dat zij een beetje lief
voor hen zijn en zij zijn dwaas genoeg om dat weinigje wat zij hun
toestaan, goed te betalen. Gelukkig zijn Florimonde en mijne meesteres
op het oogenblik zonder amant, ik bedoel van die amants, die zich
doen gelden als echtgenooten en die alle genoegens willen genieten
van een huis, omdat zij alle kosten betalen. Ik voor mij ben er blij
om en ik houd vol, dat een verstandige cocotte zulke verbintenissen
moet vermijden. Waarom zich een meester aan te schaffen? Het is veel
beter stukje voor stukje een equipage te krijgen dan hem tot dien
prijs in eens te hebben."
Als Laura eenmaal aan het praten was, en zij praatte bijna altijd,
dan behoefde zij niet naar hare woorden te zoeken. Wat had zij dan een
vreeselijk radde tong! Zij vertelde mij duizend en meer avonturen,
die de actrices van den tooneeltroep hadden gehad, en ik maakte uit
al deze gesprekken op, dat ik geen betere betrekking kon getroffen
hebben om alle mogelijke ondeugden te leeren kennen. Ongelukkigerwijze
was ik op een leeftijd, waarop deze juist geen afschuw verwekken en
ik moet er nog bijvoegen, dat de soubrette deze uitbundigheden zoo
smakelijk voorstelde, dat ik er slechts het pleizier van zag. Zij kon
mij nog niet het tiende gedeelte van alle avonturen der tooneelspelers
vertellen, want zij praatte slechts drie uren met mij. De oude heeren
en de tooneelspelers vertrokken toen met Florimonde, die zij naar
huis brachten.
Toen zij weg waren, gaf mijne meesteres mij geld en zei: "Ziehier
tien pistolen, Gil Blas, om morgen inkoopen te doen. Vijf of zes
van onze heeren en dames komen morgen hier; zorg dus dat ge ons goed
onthaalt."--"Mevrouw" antwoordde ik, "met die som zou ik den geheelen
troep kunnen onthalen."--"Mijn vriend," hernam Arsenia, "je moet je
een beetje beschaafder uitdrukken en niet spreken van den "troep",
maar van een gezelschap. Men spreekt wel van een troep bandieten, een
troep bedelaars of een troep schrijvers, maar men spreekt steeds van
een gezelschap tooneelspelers. De acteurs van Madrid vooral verdienen,
dat men hun gezamenlijk aantal gezelschap noemt." Ik vroeg vergiffenis
aan mijne meesteres voor mijne weinig eerbiedige uitdrukking, verzocht
haar mijne onwetendheid te verontschuldigen en beloofde haar voortaan
altijd van "het gezelschap" te zullen spreken.