Bij wie Gil Blas in dienst trad na den dood van don Mathias de Silva.
Eenige dagen na de begrafenis van don Mathias werden al zijn bedienden
uitbetaald en weggestuurd. Ik nam mijn intrek bij den kleinen barbier,
met wien ik langzamerhand een duurzame vriendschap was gaan sluiten. Ik
stelde mij bij hem meer genoegen voor dan bij Melendez. Daar ik geen
gebrek had aan geld, maakte ik geen groote haast met het zoeken naar
een andere betrekking. Ik wilde slechts dienen bij deftige menschen
en ik was besloten eerst goed uit te kijken, welke betrekking men
mij aanbood. Ik vond de beste betrekking niet goed genoeg voor mij,
zoozeer scheen het baantje van lakei bij een adellijk heer verkieselijk
boven dat van andere bedienden.
In afwachting dat de fortuin mij zulk een postje zou bezorgen,
dacht ik niet beter te kunnen doen dan mijn ledigen tijd te wijden
aan mijn schoone Laura, die ik al dien tijd niet meer gezien had na
onze wederzijdsche ontmaskering. Ik durfde mij niet te kleeden als don
Cesar de Ribera, daar ik het slechts kon doen om mij te vermommen en
dus voor een zonderling zou doorgaan. Mijne kleeren waren echter nog
niet te vuil, ik had bovendien goede schoenen en was netjes gekapt. Ik
tooide mij dus met behulp van den barbier als een tusschenpersoon
tusschen don Cesar en Gil Blas. Zoo uitgedost ging ik naar de woning
van Arsenia. Ik vond Laura alleen in dezelfde kamer, waar ik reeds
met haar had gesproken. "O, zijt gij daar," riep zij uit zoodra zij
mij zag, "ik begon te denken dat je dood was. Voor acht dagen heb ik
je gezegd dat je mij mocht komen bezoeken, maar gij maakt werkelijk
geen misbruik van de vrijheden, die de dames u toestaan."
Ik verontschuldigde mij met den dood van mijn meester, de verschillende
bezigheden, die ik gehad had en ik voegde er zeer hoffelijk bij, dat
zelfs in mijn grootste beslommeringen het beeld van mijn lieve Laura
mij steeds voor den geest had gestaan. "Als dat zoo is," zei zij,
"dan zal ik je geen verdere verwijten doen en wil ik je ook ronduit
bekennen, dat ook ik veel aan je heb gedacht. Zoodra ik den dood
van je meester vernomen had, vormde ik een plan, dat je misschien
wel zal aanstaan. Sinds eenigen tijd spreekt mijne meesteres er
voortdurend van, dat zij een man bij zich in huis wil hebben, een
soort zaakwaarnemer, iemand die zeer zuinig is en die nauwkeurige
rekening houden moet van de gelden, die men hem zal geven voor de
uitgaven van de huishouding. Ik heb toen aan jou gedacht en ik geloof
ook dat jij dat baantje niet slecht zoudt waarnemen."--"Ik gevoel
dat ik mij er uitstekend van zal kwijten," antwoordde ik haar. "Ik
heb de "Spaarzaamheid" van Aristoteles gelezen en het is juist mijn
grootste fort boek te houden.... Maar er is één bezwaar dat mij belet
bij Arsenia in dienst te treden."--"En welk bezwaar is dat?" vroeg
Laura.--"Ik heb gezworen nooit meer in dienst te gaan bij bourgeois
en dien eed heb ik gezworen bij den Styx! Als nu zelfs Jupiter dezen
eed niet mocht breken, dan zult ge het er wel over eens zijn, dat
een lakei hem zeker moet houden!"--"Wie noemt gij alzoo bourgeois,"
vroeg de soubrette op fieren toon; "voor wat voor menschen houdt gij
de tooneelspeelsters? Scheert gij ze over één kam met advokaten en
procureurs? Weet dan bij dezen dat de tooneelspeelsters zeer edele
vrouwen zijn door de verbintenissen die zij aangaan met de adellijke
heeren."
"Als het er zoo mee staat, mijn lief kind," antwoordde ik haar,
"dan kan ik de betrekking aanvaarden, die gij mij aanbiedt en zal
ik haar niet afslaan."--"Neen," antwoordde zij, "dat zou ik ook
denken en uit den dienst van een adellijk heer overgaan in dien van
een tooneelspeelster, is zeker in hetzelfde milieu blijven. Wij zijn
net zoo deftig als adellijke lieden. Wij houden equipage net als zij,
wij leven er lekkertjes van en in het dagelijksche leven scheert men
ons over één kam met den adel. En werkelijk," voegde zij er verder
bij, "het is bijna hetzelfde of men een markies of een tooneelspeler
gedurende een dag beschouwt. Al is een markies drie vierde van den
dag door zijn rang verheven boven een tooneelspeler, dan is het
vierde gedeelte van den dag de tooneelspeler oneindig ver verheven
boven den markies door zijn rol van keizer of koning. En als dat
zoo is, weegt dit wel op tegen adel en grootheid en maakt het ons
gelijk aan de personen van het hof."--"O, zeker," antwoordde ik,
"gij staat op een lijn met elkaar. Ik zie nu ook zeer goed in, dat
tooneelspelers niet zulke schooiers zijn als ik dacht en ik gevoel
veel lust om bij hen in dienst te treden."--"Welnu," zei zij, "kom
dan binnen een paar dagen terug, want ik heb een paar dagen noodig om
mijne meesteres te doen besluiten, u aan te nemen en ik zal bij haar
te uwen gunste spreken. Ik heb wel eenigen invloed op haar geest en
ik ben ervan overtuigd dat gij hier zult mogen komen."
Ik bedankte Laura voor haar goede bedoeling. Ik betuigde haar mijn
groote dankbaarheid jegens haar en ik deed dat zoo hartstochtelijk,
dat zij er niet aan kon twijfelen. Wij zouden ongetwijfeld nog langen
tijd met elkaar hebben gepraat, als er geen kleine lakei was gekomen
om haar te zeggen, dat Arsenia haar noodig had. Wij gingen dus van
elkaar en ik verliet het huis van de tooneelspeelster in de zoete
hoop, dat ik weldra voor goed in haar gunst zou zijn en ik kwam dan
ook na twee dagen terug. "Ik wachtte je al," zei de kamerjuffrouw van
Arsenia, mijn schoone Laura, "om je te zeggen dat je als huisgenoot
hier zijt opgenomen. Kom met mij mede, dan zal ik je aan mijne
meesteres voorstellen." Dit zeggende, bracht zij mij naar een zaal,
samengesteld uit vijf of zes kleine kamertjes, alle om het deftigst
en rijkst gemeubileerd.
Wat een weelde, wat een pracht! Ik dacht dat ik bij een koningin was
of nog beter gezegd, ik dacht dat ik hier alle rijkdommen der wereld
op één plaats verzameld zag. Men vond er schatten uit alle streken der
wereld en men kon dit vertrek beschouwen als den tempel eener godin,
waar iedere reiziger als gave een of andere curiositeit van zijn
land bracht. Ik bemerkte de godin, gezeten op een geborduurd satijnen
kussen. Ik vond haar zeer mooi en als het ware vervuld van den rook
der offergaven. Zij was in een bevallig négligé gekleed en bezig met
hare sierlijke handen een nieuw kapsel in orde te brengen om dien dag
haar rol te spelen. "Mevrouw," zei de soubrette, "hier is de econoom
in kwestie, ik kan u verzekeren, dat u nooit een geschikter man zoudt
kunnen vinden." Arsenia nam mij zeer nauwkeurig op en sprak toen: "Wel,
wel, Laura, dat is een heel aardige jonge man en ik geloof wel dat ik
met hem tevreden zal zijn." Vervolgens richtte zij het woord tot mij:
"Mijn goede vriend, gij bevalt mij en ik heb u slechts één ding te
zeggen, gij zult over mij tevreden zijn als ik het over u ben." Ik
antwoordde haar, dat ik al mijn best zou doen om haar naar haar wensch
te bedienen. Toen ik zag dat wij het eens waren met elkaar, ging ik
terstond heen om mijn kleeren te halen en vestigde mij vervolgens in
haar huis.