Waarom Gil Blas een nieuwe betrekking moest zoeken.
Het was de geschiedenis van don Pompeyo, die de lakei van don Alexio
en ik mede aanhoorden, hoewel men de voorzorg had genomen ons weg te
zenden voor hij begon. Inplaats van heen te gaan, waren wij aan de
deur blijven staan, die wij op een kier hadden gelaten en wij hadden
geen woord verloren. Markies de Zenette en mijn meester omhelsden
don Pompeyo, die vroeg ter ruste wilde gaan en lieten hem alleen met
zijn bloedverwant.
Bij het ontwaken belastte don Mathias mij met een nieuwe opdracht. "Gil
Blas," zei hij, "neem papier en inkt om drie brieven te schrijven, die
ik je zal dicteeren; ik maak je hierbij tot mijn secretaris."--"Mooi
zoo," zei ik tot mij zelf, "dat geeft al meer werk. Als lakei volg ik
mijn meester overal; als kamerdienaar moet ik hem kleeden en nu word
ik nog zijn secretaris. Ik zal voortaan als een drievoudige Hecata
drie personen tegelijk vertegenwoordigen."--"Gij weet nog niets," ging
hij voort, "van mijn plan. Ziehier wat het is, maar wees bescheiden,
want je leven hangt er van af. Daar ik soms menschen ontmoet, die
hoog opgeven van hun gelukkig gesternte, wil ik, om hen den loef af
te steken, valsche brieven van trouw in mijn zak hebben, die ik hun
dan voorlezen zal. Dit zal mij een weinig verstrooiing geven en ik
zal gelukkiger zijn dan zij, want zij zullen hun veroveringen overal
rondbazuinen, maar er ook veel moeite voor hebben moeten doen, terwijl
ik er niets voor gedaan zal hebben. Maar gij moet je handschrift
verdraaien, opdat al die brieven niet van één hand zullen lijken."
Ik nam dus papier, pen en inkt en zette mij neer om don Mathias te
gehoorzamen, die mij allereerst het volgende minnebriefje dicteerde:
"Gij zijt dezen nacht niet op de aangegeven plaats geweest. O, don
Mathias, wat zult gij ter uwer verontschuldiging kunnen zeggen? Wat
heb ik mij vergist en wat straft gij mij hevig voor mijn ijdelheid
een oogenblik geloofd te hebben dat alle bezigheden en vermaken van de
wereld moesten plaats maken voor het genot van dona Clara de Mendoce te
zien!" Na dit briefje liet hij mij een ander schrijven van een vrouw,
die een prins voor hem opofferde en ten slotte nog een derde, waarin
een dame hem hare liefdesblijken beloofde als zij er op vertrouwen
kon, dat hij bescheiden zou zijn. Hij was niet alleen tevreden met
mij de brieven te laten schrijven, maar hij liet ze zelfs met namen
onderteekenen van adellijke dames. Ik kon niet nalaten op te merken,
dat ik dit zeer gewaagd vond, maar hij verzocht mij mijne raadgevingen
te bewaren totdat hij er om zou vragen. Ik moest dus wel zwijgen en
zijn bevelen uitvoeren. Toen dit afgeloopen was, stond hij op en ik
hielp hem met het kleeden. Hij stak de brieven in zijn zak en ging
uit. Ik volgde hem en wij gingen dineeren bij don Juan de Moncado,
die dien dag vijf of zes van zijn vrienden onthaalde.
Men deed zich er flink te goed en de vreugde, die de beste gast is
voor den maaltijd, regeerde er. Alle gasten droegen er toe bij de
conversatie op te vroolijken, eenigen vertelde anecdoten, anderen
geschiedenissen, waarvan zij zelven natuurlijk de helden waren. Mijn
meester liet zoo'n mooie gelegenheid natuurlijk niet ongebruikt om met
de brieven te geuren, die ik geschreven had. Hij las ze hardop voor en
dat met zoo'n ernst, dat misschien alle gasten er de dupe van waren,
behalve de secretaris en hij zelf. Onder de gasten, wie hij ze voorlas,
was een zekere don Lopez de Valesco. Deze, een zeer ernstig man, lachte
niet om de beweerde gelukkige liefdesavonturen, doch vroeg hem kalm,
of de verovering van dona Clara hem veel moeite had gekost. "Bijna
niets," antwoordde don Mathias, "integendeel zij heeft alle mogelijke
toenadering zelf gedaan". Zij zag mij op de wandeling en ik behaagde
haar terstond. Zij liet mij nagaan en onderzoeken wie ik was. Zij
schreef mij toen en gaf mij rendez-vous bij zich aan huis op een uur
in den nacht toen allen in huis sliepen.... Ik ben al te discreet om
u de rest mede te deelen."
Op het hooren van deze lakonieke toelichting verschoot signor de
Valesco van kleur. Het was niet moeilijk te zien hoezeer hij belang
stelde in de dame waarvan sprake was. "Al die brieven," zei hij tot
mijn meester, hem woedend aanziende, "zijn valsch en zeker niet het
minst, die van dona Clara de Mendoce. In geheel Spanje is er geen
zediger meisje dan zij. Sinds twee jaar doet een edelman, zeker niet
uw mindere in geboorte en persoonlijke verdienste, alle moeite om zich
door haar te doen beminnen. Hij heeft nog nauwelijks de kleinste gunst
ontvangen, maar hij mag zich vleien dat als zij die gaf, ze slechts
voor hem zouden zijn."--"Welnu! wie zegt u het tegenovergestelde?" viel
don Mathias hem schertsenderwijze in de rede. "Ik ben het geheel
met u eens, dat zij een zeer deugdzaam meisje is. Ik van mijn kant
ben een zeer oppassend mensch. Gij kunt er dus van overtuigd zijn,
dat er niets oneerbaars tusschen ons beiden is gebeurd."--"Dat is
te erg," riep don Lopez uit, "spot er niet langer mee. Je bent een
gemeene lasteraar. Nooit heeft dona Clara je 's nachts een rendez-vous
gegeven. Ik mag niet dulden, dat gij haar goeden naam bekladt. Ik
ben van mijn kant te bescheiden u de rest te zeggen." Toen hij deze
woorden zeide, brak hij de vriendschap af ten aanzien van het geheele
gezelschap en trok zich terug op een wijze, die mij deed oordeelen,
dat dit muisje nog wel eens een staartje kon hebben. Mijn meester,
die dapper genoeg was voor een edelman van zijn karakter, minachtte
de bedreigingen van don Lopez. "Wat een fat," barstte hij in lachen
uit. "De dolende ridders verdedigen de schoonheid van hun maitresse,
maar hij wil de braafheid van zijn maitresse staande houden, wat mij
nog zonderlinger voorkomt."
De aftocht van Valesco, waartegen Moncado zich tevergeefs had trachten
te verzetten, verstoorde geenszins de feestvreugde. De edellieden
sloegen er niet veel acht op en gingen voort zich te vermaken en
scheidden eerst bij het aanbreken van den dag. Ik was doodop van
den slaap en ik dacht eens lekker te gaan slapen, maar ik rekende
buiten den waard, of beter gezegd buiten den portier, die mij een uur
later kwam wekken om te zeggen, dat er een jongen aan de deur op mij
wachtte om mij te spreken. "Vervloekte portier," riep ik geeuwende,
"denk je er dan niet aan, dat ik pas te bed lig? Zeg aan dien jongen,
dat ik slaap en dat hij maar later terug moet komen,"--"Hij wil u nu
op dit oogenblik spreken en zegt, dat de zaak dringend is."--Bij deze
woorden stond ik op, trok alleen mijn broek en wambuis aan en ging al
vloekende naar den jongen, die mij wachtte.--"Mijn vriend," zei ik,
"zeg mij nu maar drommels gauw welke dringende zaak mij het genoegen
verschaft van je bezoek zoo vroeg in den morgen."--"Ik heb een brief,
dien ik aan don Mathias persoonlijk moet overhandigen en dien hij
terstond moet lezen, daar hij voor hem van het hoogste gewicht is. Ik
verzoek u dus mij in zijn kamer toe te laten." Daar ik meende, dat
het een belangrijke zaak was, ging ik mijn meester roepen.--"Pardon,"
zei ik, "ik zou uw rust niet gestoord hebben, maar het betreft een
zaak van gewicht."--"Wat moet je van mij?" viel hij mij norsch in
de rede.--"Mijnheer," zei toen de jongen, die met mij was gekomen,
"ik heb u een brief, te overhandigen van don Lopez de Valesco." Don
Mathias nam het briefje, opende het en na het gelezen te hebben,
zei hij tot den bediende van don Lopez: "Mijn beste jongen, ik heb de
gewoonte nooit voor twaalf uur op te staan, al bood men mij ook het
grootste genoegen aan. Gij kunt dus begrijpen, dat ik niet veel lust
gevoel om om zes uur des morgens op te staan om te duelleeren! Neen
mijn waarde, ik heb mijn gezondheid te lief en houd te veel van mijn
slaap om zulk een dwaasheid te begaan. Zeg aan je meester, dat als
hij om half een nog op de aangewezen plaats kan komen, wij elkaar daar
zullen ontmoeten." Toen hij dit gezegd had, trok hij zijn dekens over
zich heen en ging weer kalm slapen.
Tegen half twaalf stond hij op en kleedde zich aan; vervolgens
ging hij uit en zeide dat ik hem niet behoefde te volgen. Ik was
echter te nieuwsgierig om te weten hoe het zou afloopen, zoodat ik
het toch deed. Ik volgde hem tot op het St. Jeromeplein, waar ik
don Lopez de Valesco reeds zag wachten. Ik verborg mij om beiden
te kunnen bespieden. Zij ontmoetten elkaar en weldra waren zij aan
het vechten. Het gevecht duurde zeer lang, zij vielen beurtelings
met veel kracht en behendigheid op elkaar aan. De overwinning bleef
echter aan de zijde van don Lopez, die op een gegeven oogenblik mijn
meester doorstak en zeer tevreden wegging nu hij zich zoo schitterend
had gewroken. Ik liep naar den ongelukkigen don Mathias en vond hem
buiten kennis en bijna levenloos ter aarde liggen. Dit schouwspel
ontroerde mij en ik kon niet nalaten te weenen over zoo'n tragischen
dood, waartoe ik zelf had medegewerkt. Niettegenstaande mijn smart,
dacht ik toch aan wat er gedaan moest worden en wel allereerst aan
mijzelf. Ik keerde terstond naar huis terug, maakte er een pakje
van mijn kleeren en nam bij vergissing wat kleeren mede van mijn
meester. Toen ik dat alles bij den barbier had gebracht, bij wien
ook mijn bedelaarsplunje nog was, verspreidde ik het bericht van
het treurig schouwspel, waarvan ik zoo juist getuige was geweest,
in de stad. Ik vertelde het aan allen die het maar wilden hooren en
allereerst aan don Gregorius Rodriguez. Hij was minder bedroefd dan
wel ontstemd, omdat hij in verband met dit treurig einde allerlei
maatregelen moest nemen, wat mij deed veronderstellen dat mijn meester
zeker reeds bijna geruineerd was. Hij verzamelde de bedienden en beval
hen hem te volgen naar het St. Jeromeplein. Wij namen don Mathias op,
die nog leefde, maar drie uur later den laatsten adem uitblies.
Dit was het einde van don Mathias de Silva, die het gewaagd had
valsche minnebriefjes te lezen op een ongeschikt oogenblik.