Gil Blas gaat op avontuur uit. Hij maakt kennis met een lieve dame.
Na eenige uren geslapen te hebben, stond ik in de beste stemming
op, en in afwachting dat mijn meester zou ontwaken, ging ik mijn
opwachting maken bij onzen intendant, wiens ijdelheid niet weinig
gestreeld was door mijn betooningen van eerbied. Hij ontving mij zeer
vriendelijk en voorkomend en vroeg mij of ik mij goed thuis gevoelde
in dit soort leven van de jonge heeren. Ik antwoordde hem dat ik wel
dacht er spoedig aan te zullen gewennen.
Ik gewende er mij dan ook werkelijk aan en zelfs eerder dan ik
dacht. Ik werd geheel anders van doen en laten. Zoo levendig en
luchthartig werd ik nu, dat de bediende van don Antonio mij een
compliment maakte voor mijn gedaanteverwisseling en zeide dat,
om een beroemd persoon te worden, het mij slechts aan het noodige
geld ontbrak. Hij hield mij voor oogen, dat dit een besliste
noodzakelijkheid was om een net jongmensch te vormen; dat al onze
makkers bemind werden door een of andere schoone en dat hij voor zijn
persoon de gunst bezat van twee adellijke dames. Ik was van meening
dat de vent loog. "Mijnheer Mogicon," zei ik, "gij zijt zonder twijfel
een goed gebouwd en zeer geestig man, gij bezit werkelijk groote gaven;
maar ik begrijp toch niet hoe twee aanzienlijke dames, bij wie ge niet
eens inwoont, verliefd kunnen worden op iemand van onzen stand."--"O,
maar zij weten niet wie ik ben. Ik heb die veroveringen gemaakt in de
kleeren van mijn meester en onder zijn naam. Ziehier hoe dat gaat. Ik
kleed mij als saletjonker en neem zijn manieren aan, ga vervolgens
naar de pantoffelparade, knipoog tegen alle dames die ik zie, totdat
ik er eene ontmoet die op mijn wenken antwoordt. Deze volg ik dan en
ik zie haar te spreken te krijgen. Ik stel mij voor als don Antonio
Centellès en vraag een rendez-vous met haar. Natuurlijk begint zij
met bezwaren te opperen, maar ik weet haar dan toch te bepraten,
enz. enz. Zoo leg ik het aan, mijn waarde, om aan geld te komen en
ik raad je hetzelfde te doen."
Ik wilde te gaarne beroemd worden om niet naar dezen raad te
luisteren; bovendien was ik in 't geheel niet afkeerig van een
liefdesavontuurtje. Ik vatte dus het plan op, mij als saletjonker
te verkleeden om op galante avonturen uit te gaan. Ik durfde mij
niet in ons huis te verkleeden uit vrees opgemerkt te worden. Ik
nam daarom een mooi pak uit de garderobe van mijn meester, maakte
er een pakje van en ging er mee naar een barbiertje, dien ik kende
en waar ik mij op mijn gemak zou kunnen verkleeden. Daar tuigde ik
mij zoo mooi mogelijk op, terwijl de barbier mij ook met zijn kunde
behulpzaam was. Toen wij meenden, dat mijn toilet geheel voltooid was,
ging ik naar het Saint-Jerôme plein, waar ik overtuigd was wel een
buitenkansje te zullen vinden. Doch ik behoefde niet eens zoo ver te
loopen om mijn geluk te ontmoeten.
Toen ik een afgelegen straat overstak, zag ik uit een klein huis
eene rijk gekleede dame komen, zeer schoon van gestalte, die in een
huurkoets stapte. Ik bleef plotseling staan om haar te bekijken en ik
groette haar zwierig, om haar te toonen, dat zij mij wel beviel. Zij
van haren kant lichtte een oogenblik hare voile op om mij te laten
zien, dat zij mijne aandacht nog meer waard was dan ik meende, want ik
zag een zeer lief gelaat. Het rijtuig reed echter weg en ik bleef in
de straat staan, een weinig verblind door de schoone gelaatstrekken,
die ik gezien had. "Wat een prachtig gezicht," zei ik bij mijzelf,
"dat is het eenige wat mij nog ontbreekt om mij te voltooien. Als de
beide dames die Mogicon liefhebben, zoo mooi zijn als deze, dan is hij
een heel gelukkige snuiter. Ik zou al tevreden zijn als ik één zoo'n
maitresse had." Terwijl ik hier zoo over nadacht, keek ik toevallig
naar het huis, waaruit ik de schoone jonge dame had zien verschijnen,
en ik zag aan een der vensters een oude vrouw, die mij wenkte naar
binnen te komen.
Ik rende het huis in en vond deze eerbiedwaardige bescheiden oude vrouw
in een tamelijk zindelijke kamer. Zij hield mij zeer zeker minstens
voor een markies en groette mij dan ook zeer onderdanig, terwijl
zij mij als volgt aansprak: "Ik ben er haast zeker van, edele heer,
dat gij slecht zult denken van een vrouw, die, zonder u te kennen,
u bij zich binnen roept, maar gij zult zeer zeker gunstiger over
mij oordeelen, zoodra ge weet, dat ik zoo niet tegenover alle heeren
doe. Ge schijnt mij toe tot het hof te behooren." "Gij vergist u niet,"
viel ik haar in de rede, terwijl ik mijn rechterbeen vooruitstrekte en
mijn lichaam op mijn linkerheup liet steunen; "zonder ijdelheid kan
ik zeggen tot een van de eerste huizen van Spanje te behooren." "U
ziet er ook geheel naar uit," antwoordde zij, "en ik wil u gaarne
bekennen, dat ik een zwak heb om adellijke heeren een genoegen te
doen. Ik zag u door het venster en gij besteedde alle aandacht aan
eene dame die mij daar juist verliet. Gevoelt gij eenige neiging tot
haar, zeg het mij dan maar in vertrouwen,"--"Wel ja, op mijn woord,
zij heeft mij getroffen," antwoordde ik, "nooit zag ik zoo'n piquante
verschijning. Als ge ons bij elkaar weet te brengen, kunt ge op mijn
erkentelijkheid rekenen. Als men ons deze diensten goed bewijst,
dan weten wij ze ook zeer goed en mild te beloonen."
"Ik heb het u al gezegd," antwoordde de oude vrouw, "ik voel mij
zeer genegen tot adellijke personen en vind er een genoegen in
hun van dienst te zijn. Ik ontvang hier bijvoorbeeld dames, die om
fatsoensbegrippen hun minnaars niet bij zich kunnen ontvangen en
ik leen hun mijn huis om hun vurigen liefdesdrang te vereenigen met
het fatsoen." "Heel goed," antwoordde ik, "en gij hebt dat genoegen
zeker verschaft aan de bewuste dame?"--"Neen" zei zij, "dit is een
adellijke weduwe, die een minnaar zoekt, maar zij is in dit opzicht
zoo lastig uitgevallen, dat ik niet weet of gij haar zult voldoen, hoe
verdienstelijk gij ook zijt. Ik heb reeds drie goed gebouwde adellijke
heeren aan haar voorgesteld, maar ze heeft ze geweigerd."--"O, mijn
waarde," riep ik geestdriftig uit, "gij behoeft mij slechts achter
haar aan te sturen en voor 't overige kunt ge op mij vertrouwen. Ik
verlang er zeer naar een tête a tête te hebben met zoo'n kieskeurige
schoone, ik heb nog nooit met die karakters kennis gemaakt." "Welnu,"
zei de oude vrouw, "ge behoeft slechts morgen op ditzelfde uur terug
te komen en gij zult dan uwe nieuwsgierigheid kunnen bevredigen."--"Ik
zal op mijn tijd hier zijn," antwoordde ik haar, "en dan zullen wij
eens zien of een adellijk heer als ik een blauwtje kan loopen."
Ik ging daarna terug naar den kleinen barbier zonder op verdere
avonturen uit te gaan en niet weinig verlangend naar den afloop van
dit laatste. Den volgenden dag ging ik een uur vóór den bepaalden tijd
naar de oude vrouw, na mij eerst deftig gekleed te hebben. "Mijnheer,"
zei ze mij, "gij zijt een man van de klok en ik ben er u dankbaar
voor. Trouwens, de zaak is wel de moeite waard. Ik heb de jonge
weduwe opgezocht en wij hebben veel over u gepraat. Men heeft mij
gelast te zwijgen, maar ik voel mij zoozeer tot u aangetrokken,
dat ik dat niet kan. Gij zijt in den smaak gevallen en gij zult een
zeer gelukkig mensch worden. Onder ons gezegd en gezwegen, deze
dame is zeer bekoorlijk en beminnenswaardig; haar man heeft niet
lang met haar geleefd; hij is als een schim in haar leven geweest,
zij heeft werkelijk al het bekoorlijke van een meisje." Het goede
oudje wilde natuurlijk zeggen van die meisjes met geest, die zonder
zich te vervelen in het celibaat leven.
De heldin van het rendez-vous kwam spoedig met een huurkoets,
evenals den vorigen dag, en was gekleed in kostbare gewaden. Zoodra
zij de kamer binnen trad, begon ik met vijf of zes buigingen van
een saletjonker, begeleid door de bevalligste bewegingen. Daarop
ging ik vertrouwelijk naar haar toe en zei: "Mijn prinses, gij ziet
hier een man voor u, die Amor's pijl getroffen heeft. Uwe beeltenis
staat mij sinds gisteren voortdurend voor den geest en gij hebt een
hertogin uit mijn hart weten te verdrijven, die er al vasten voet
begon te krijgen."--"Die overwinning is werkelijk te groot voor mij,"
antwoordde zij, haar voile afleggend, "maar zij maakt mij volkomen
gelukkig. Een jonge man houdt van verandering en zijn hart, zegt men,
is even moeilijk te bewaren als een stuk geld!"--"O, mijn koningin,"
hernam ik, "laten wij de toekomst er buiten en denken wij slechts
aan het heden. Gij zijt schoon en ik ben verliefd. Als mijn liefde
u aangenaam is, laten wij dan van elkander genieten zonder verdere
bedenkingen. Laat ons scheep gaan zooals de matrozen, niet lettende
op de gevaren van den tocht, maar slechts met het genoegen voor oogen."
Toen ik deze laatste woorden had gesproken, wierp ik mij op mijn knieën
voor de schoone fee en om nog beter de saletjonker na te doen, drong
ik er met kracht op aan, dat zij mij gelukkig zou maken. Zij scheen
een weinig van haar stuk door mijn heftig aandringen, maar meende zich
toch nog niet gewonnen te moeten geven. Zij stiet mij zacht van zich af
en zei: "Kalm een beetje, gij zijt al te vurig en lijkt wel wat op een
lichtmis. Ik ben een beetje bang, dat ge een boemelaar zijt.--"Welaan,
mevrouw," zei ik, "kunt gij iets haten waar de vrouwen bovenmate veel
van houden? Er zijn nog slechts enkele burgervrouwen, die het uitgaan
van een jongen man afkeuren."--"Dat is mij te machtig," antwoordde zij,
"en door zoo'n argument moet ik mij gewonnen geven. Ik zie wel, dat
men tegenover een man als gij niet veinzen kan, en een vrouw moet wel
toegeven. Welnu ik ben door u overwonnen," zei zij, met een schijn van
verlegenheid alsof haar zedigheid door deze bekentenis was gekwetst,
"Gij hebt mij gevoelens ingeboezemd, die ik nog nooit voor iemand heb
gekoesterd en ik wilde alleen nog maar weten wie gij zijt om u tot mijn
minnaar te kiezen. Ik geloof, dat gij een jong edelman zijt en zelfs
een fatsoenlijk man, doch ik ben er nog niet van overtuigd. Hoeveel
inlichtingen ik dus ook over u heb, wil ik toch mijn liefde niet aan
een onbekende geven."
Ik herinnerde mij toen hoe in een dergelijk geval de lakei van don
Antonio er zich uit redde en wilde dus ook nu op zijn voorbeeld
voor mijn meester spelen. "Mevrouw," zei ik tot de weduwe, "ik zal u
geenszins mij naam verbergen, hij is trouwens mooi genoeg om gehoord
te mogen worden. Heeft u nooit hooren spreken van don Mathias de
Silva? "Zeer zeker," antwoordde zij, "en ik kan u er nog bijvoegen
dat ik hem wel eens ontmoet heb bij een van mijn kennissen." Hoewel
ik al tamelijk brutaal was geworden, was ik toch een beetje van mijn
stuk gebracht door dit antwoord. Ik herstelde mij in een oogenblik en
al mijn scherpzinnigheid bijeen verzamelend om mij uit mijn netelige
positie te redden, zei ik: "Welnu, mijn schoone engel, dan kent gij
een heer, dien ik ook ken. Ik behoor namelijk tot zijn familie, daar
ge er zoo op staat alles te weten. Zijn overgrootvader huwde met de
schoonzuster van een oom van mijn vader. Zooals gij dus ziet, zijn
wij nauw verwant. Ik heet don Cesar. Ik ben de eenige zoon van den
beroemden don Fernando de Ribera die voor vijftien jaar gedood werd
in een slag op de grenzen van Portugal. Ik zou u wel een uitvoerig
verslag van het gevecht kunnen geven, maar dit zou tijdverlies zijn,
terwijl de liefde eischt, dat wij de uren aangenamer doorbrengen."
Na dit gesprek drong ik nog heviger en hartstochtelijker aan,
wat mij echter niet verder bracht. De gunstbetooningen die mijne
godin mij gaf, maakten mij slechts verlangender naar die welke zij
mij weigerde. Het hartelooze wezen ging naar haar rijtuig, dat haar
bij de deur wachtte. Toch was ik tevreden over dit avontuur hoewel
ik niet volkomen gelukkig was. "Dat ik tot nu toe slechts weinig
tegemoetkomingen ondervonden heb," zei ik tot mijzelf, "komt omdat
mijn aangebedene een adellijke dame is, die meent niet terstond te
moeten zwichten voor mijn liefdesbetuigingen. De fierheid van hare
geboorte heeft mijn geluk een weinig vertraagd, maar dit is slechts
een uitstel van eenige dagen." Ik hield mijzelf ook wel voor, dat het
een zeer sluwe geslepen vrouw kon zijn, maar toch wilde ik de zaak
liever van een gunstige dan van een ongunstige zijde bezien en ik bleef
dus een goede gedachte van mijn weduwe houden. Bij het afscheidnemen
waren wij overeen gekomen elkaar na twee dagen weer te ontmoeten en
de hoop dan tot het toppunt van mijn wenschen te zullen geraken, gaf
mij reeds een voorsmaak van de genoegens waarmede ik mij zelf vleide.
Den geest vol van de lachendste beelden, ging ik dan ook naar den
barbier. Ik verwisselde mijn kleeren en zocht mijn meester op in een
speelhuis waar ik zeker was hem te zullen vinden. Ik vond hem bezig
met spelen en ik bemerkte dat hij won; want hij was niet een van die
flegmatieke spelers die zich rijk spelen of zich ruineeren, zonder een
spier op hun gezicht te vertrekken. Hij was opgewekt en pocherig bij
zijn geluk en korzelig bij zijn ongeluk. Hij verliet het speelhuis
zeer opgewekt en ging in de richting van het Prinsentheater. Ik
volgde hem tot aan de deur van den schouwburg en hij gaf mij daar een
dukaat zeggende: "Hier Gil Blas, daar ik vandaag gewonnen heb, moet
jij daarvan ook genieten; ga je maar wat verstrooien met je makkers
en kom mij tegen middernacht bij Arsenia halen, waar ik soupeer met
Don Alexo Segiar". Dit zeggende ging hij naar binnen en ik bleef
erover nadenken met wien ik wel dien dukaat zou kunnen verteren
overeenkomstig den wensch van den gever. Ik behoefde echter niet lang
na te denken want plotseling stond Clarino, de lakei van don Alexo,
voor mij. Ik nam hem mede naar de eerste de beste herberg en wij
vermaakten er ons tot middernacht. Tegen dien tijd gingen wij naar
het huis van Arsenia waarheen ook Clarino zich volgens bevel van
zijn meester moest begeven. Een kleine portier opende ons de deur
en liet ons in een lage kamer waar de kamermeisjes van Arsenia en
van Florimonde zich onder uitbundig gelach met elkaar onderhielden,
terwijl hare meesteressen boven waren met onze heeren.
De komst van twee heeren, die juist goed gesoupeerd hadden, kon niet
anders dan aangenaam zijn voor de beide soubrettes, maar stel u mijn
verbazing voor toen ik in een van die beide dienstmeisjes mijne weduwe
ontdekte, mijne aanbiddelijke weduwe, die ik voor een gravin of een
markiezin hield. Zij was niet minder verbaasd haar don Cesar de Ribera
veranderd te zien in den lakei van een saletjonker. Wij keken elkaar
echter aan zonder een van beiden verlegen te worden, integendeel
barstten wij beiden in lachen uit. Toen wij eindelijk uitgelachen
waren, nam Laura--zoo heette zij--mij ter zijde terwijl Clarino met
zijn schoone sprak en zei op gedempten toon, terwijl zij mij de hand
gaf: "Ziehier mijn hand, Signor don Cesar; laten wij inplaats van
elkaar wederzijds verwijten te doen elkaar ons compliment maken,
mijn vriend! Gij hebt je rol meesterlijk gespeeld en ik heb mij van
de mijne ook niet slecht gekweten. Gij zult tenminste moeten bekennen
dat gij mij gehouden hebt voor een van die lieve adellijke dames,
die er een genoegen in hebben een gewaagd stukje uit te halen."--"Dat
is zeer zeker waar," antwoordde ik, "maar wie ge ook zijn moogt,
mijn koningin, ik ben niet van gevoelens veranderd al ziet gij
mij onder andere gedaante voor je. Ik smeek je mijn diensten te
aanvaarden en laat de kamerbediende van don Mathias voltooien wat
don Cesar zoo gelukkig is begonnen."--"Wel," antwoordde zij, "ik mag
je nog liever in je ware gedaante als anders. Gij zijt een man wat
ik als vrouw ben, dat is de grootste lof dien ik je kan geven. Ik
neem je dan ook op onder het getal mijner aanbidders en wij hebben
dan de tusschenkomst van die oude vrouw niet meer noodig; gij kunt
mij hier vrij komen bezoeken. Wij dames van het theater leven zonder
dwang en midden tusschen de heeren." Daarbij bleef het, daar wij niet
alleen waren. Het gesprek werd algemeen, levendig en opgewekt en vol
duidelijke dubbelzinnigheden. Vooral het kamermeisje van Arsenia,
mijn beminnelijke Laura, blonk uit en deed veel meer geest dan deugd
blijken. Van hun kant hoorden wij onze heeren zeer dikwijls luid
lachen met de tooneelspeelsters, wat deed veronderstellen dat ook
zij zich nogal vermaakten. Als men al het moois had opgeschreven,
dat dien nacht bij Arsenia werd gesproken, zou men, geloof ik, een
zeer leerzaam boek voor de jeugd hebben.