HOOFDSTUK IV

Hoe Gil Blas kennis maakte met de lakeien der saletjonkers; welk geheim

zij hem leerden om ten koste van weinig moeite den naam te hebben

van een geestig man en welken zonderlingen eed zij hem lieten doen.

De heertjes gingen zoo voort met praten, terwijl ik don Mathias hielp

bij het kleeden. Toen hij gekleed was, gebood hij mij hem te volgen

en al de saletjonkers gingen gezamenlijk naar de herberg, waarheen

Ferdinand de Gamboa hen zou brengen. Ik liep achter hen aan met nog

drie bedienden, want ieder van die heertjes hield er een lijfbediende

op na. Tot mijn verbazing bemerkte ik, dat deze drie bedienden hun

meesters nadeden en zich hetzelfde air gaven. Ik groette hen als hun

nieuwe makker en zij groetten mij terug. Een van hen keek mij een

poosje aan en zei toen: "Mijn vriend, ik zie aan uwen gang, dat gij

nog nooit bij een jongen saletjonker hebt gediend."--"Helaas neen,"

antwoordde ik, "en ik ben pas heel kort hier in Madrid."--"Dat merk

ik," antwoordde hij, "want gij ziet er nog echt als een boertje uit,

schuchter en verlegen; er is iets houterigs in je bewegingen, maar dat

is niet zoo heel erg, we zullen je gauw genoeg wat ontbolsterd hebben,

daar ben ik niet bang voor."--"Gij vleit mij zeker," antwoordde

ik.--"Neen," hernam hij, "er is geen stommeling zoo groot, of wij

kunnen er nog wat van maken, reken daar maar gerust op."

Hij behoefde mij verder niets te zeggen om mij te doen begrijpen,

dat ik een stel aardige snuiters tot makkers had en dat ik aan geen

betere handen kon zijn toevertrouwd om een nette jongen te worden. Toen

wij in de herberg aankwamen, vonden wij een gereedstaanden maaltijd,

dank zij de voorzorg van don Ferdinand, die hem reeds 's morgens

besteld had. Onze meesters zetten zich aan tafel en wij maakten ons

gereed hen te gaan bedienen. Wat onderhielden zij zich vroolijk met

elkaar! Ik had er een waar genoegen in ze zoo te hooren. Hun karakter,

hun gedachtenwisseling en hun uitdrukkingen vermaakten mij zeer. Wat

een geestdrift! Wat een spitsvondigheden! Die heeren maakten op mij

den indruk van een heel nieuw soort menschen. Toen zij aan het dessert

gekomen waren, brachten wij hun een groote menigte flesschen van den

besten Spaanschen wijn en lieten hen vervolgens alleen om ons naar

een kleine eetzaal te begeven, waar men voor ons een maaltijd gereed

had gezet.

Al heel spoedig ontdekte ik, dat mijn metgezellen nog veel

verdienstelijker waren dan ik eerst had gedacht. Zij waren niet alleen

niet tevreden hun meesters in manieren na te doen, maar bootsten

zelfs hun spraak na en die oolijke snaken deden het zoo meesterlijk,

dat het bijna hetzelfde was. Ik bewonderde hun vrije en ongedwongen

manieren en ik werd nog meer getroffen door hun geestigheid, zoodat

ik begon te wanhopen of ik ooit zoo'n beminnelijk persoon zou kunnen

worden. De bediende van Don Fernando nam de honneurs aan den maaltijd

waar, aangezien het ook zijn heer was, die de onze trakteerde en

daar hij wilde, dat er niets aan ontbrak, riep hij den waard en zei:

"Mijnheer de waard breng ons tien flesschen van je besten wijn en tel

ze maar op bij die van onze heeren, zooals ge dat altijd doet." "Met

zeer veel genoegen," antwoordde de waard, "maar denk er aan, mijnheer

Gaspard, dat don Fernando mij al heel wat maaltjes schuldig is. Als

ge eens een goed woordje voor mij kon doen om wat geld van hem los te

krijgen...." "O!" viel hem de bediende in de rede, "maak je maar niet

ongerust over wat hij u nog schuldig is, ik sta er je borg voor; de

schulden van mijn meester zijn even goed als staven gouds. Het is maar

jammer, dat eenige onbeschofte schuldeischers beslag hebben gelegd op

onze inkomsten, maar morgen wordt dat beslag opgeheven en wij zullen je

dan betalen zonder zelfs de rekening te zien, die gij ons overlegt." De

waard bracht ons, niettegenstaande het beslag, toch den wijn en wij

dronken dien op in afwachting van de opheffing van het beslag. Gij

hadt moeten zien hoe wij telkens weer op, elkaars gezondheid dronken,

terwijl wij elkaar bij den naam van onze meesters noemden. De bediende

van don Antonio noemde dien van Ferdinand Gamboa en de bediende van

don Fernando noemde dien van don Antonio Centellès. Zij noemden mij

Silva en wij werden zoo zoetjes aan bij het geven van die bijnamen

dronken, juist als de heeren, die deze namen in werkelijkheid droegen.

Hoewel ik mij natuurlijk niet zoo verdienstelijk maakte als mijn

medegasten, zeiden zij mij herhaaldelijk, dat zij zeer tevreden over

mij waren.

"Silva," zei een van de geslepenste onder hen, "wij zullen wat van

je maken, mijn waarde, want ik zie, dat ge een genie in je verbergt,

maar ge weet er geen partij van te trekken. De vrees je slecht uit te

drukken is oorzaak dat ge niets op goed geluk durft zeggen en toch is

het durven spreken de reden, dat op 't oogenblik zeer velen zich tot

groote geesten weten te verheffen. Wilt gij uitblinken, dan hebt ge

je slechts te laten gaan en slechts alles te zeggen wat je maar in den

mond komt; je onbesuisdheid zal doorgaan voor edele stoutmoedigheid. Al

zou je ook honderd domheden debiteeren, als je maar een enkele

geestigheid zegt, zal men je domheden vergeten. Men zal je gevatheid

onthouden en men zal hoog opgeven van je verdienstelijkheid. Dat is

het nu juist wat onze meesters ook doen en zoo moet ieder handelen, die

de reputatie wil hebben van een buitengewoon schrandere kop te zijn."

Natuurlijk verlangde ik ten zeerste voor een genie door te gaan en

het geheim, dat men mij openbaarde, leek mij zoo gemakkelijk, dat

ik meende het in toepassing te moeten brengen. Ik nam er terstond de

proef van en de wijn, dien ik gedronken had, deed die proef gelukkig

slagen, d. w. z. dat ik er maar op los begon te praten en dat ik

onder zeer veel dwaze dingen een paar geestigheden debiteerde, die

zij zeer toejuichten. Dit eerste welslagen van mijn pogingen gaf mij

vertrouwen, ik werd nog luidruchtiger om nog maar meer geestigheden

te zeggen en het toeval hielp mij ook ditmaal.

"Welnu," zei mij daarop een van mijn makkers, die mij op straat had

toegesproken, "begint ge nu al niet te ontbolsteren? Je bent nog geen

twee uur in ons gezelschap en je bent al een heel ander mensch en ge

zult zoo elken dag zienderoogen veranderen. Zoo ziet ge nu wat het

zeggen wil bij deftige meesters in dienst te zijn, dat ontwikkelt

den geest; als men bij burgerlui in dienst is, bereikt men dit

niet."--"Neen, dat is vast en zeker," antwoordde ik, "en ik zal mij

in het vervolg dan ook alleen in dienst stellen van den adel." "Dat

is flink gesproken," riep de bediende van don Fernando tusschen twee

slokken wijn uit: "het komt de bourgeois niet toe genieën in dienst

te hebben zooals wij zijn. Welaan mijne heeren, laten wij hier zweren

dat wij nooit die schooiers zullen dienen; laten wij dit zweren bij

den Styx!" Wij juichten hem luidkeels toe en met het glas in de hand,

zwoeren wij dezen koddigen eed. Wij bleven zoolang aan tafel totdat

het onze meesters behaagde heen te gaan. Het was middernacht, wat

mijn kameraden als een buitengewone matigheid voorkwam. De heeren

verlieten echter slechts de herberg om zich te begeven naar eene

bekende cocotte, die in de wijk van het hofpersoneel woonde en wier

woning dag en nacht open was voor de lieden die van vroolijkheid

hielden. Het was een vrouw van vijf en dertig tot veertig jaar,

nog schoon en onderhoudend en zoo geheel thuis in de kunst om te

behagen, dat men zeide dat zij de laatste overblijfselen van haar

schoonheid duurder verkocht dan hare eerste schoonheid. Er waren bij

haar in huis altijd twee of drie andere eerste klas cocottes, die

niet weinig bijdroegen tot den grooten toeloop van heeren, die men

er zag. Na het eten speelden zij, daarna soupeerden zij en brachten

den nacht door met drinken en zich vermaken. Onze meesters bleven

er tot den volgenden morgen en wij eveneens zonder ons te vervelen;

want terwijl zij met de maitressen waren, vermaakten wij ons met

de dienstmeisjes. Eindelijk namen wij afscheid van elkaar bij het

aanbreken van den dag en wij gingen rust nemen.

Toen mijn meester als gewoonlijk om twaalf uur opstond, kleedde hij

zich aan en ging uit. Ik volgde hem natuurlijk en wij begaven ons naar

don Antonio Centellès, bij wien wij een zekeren don Alvaro d'Ancuna

aantroffen. Nadat de drie jonkers elkaar hadden begroet, zei Centellès

tot mijn meester: "Verduiveld, don Mathias, je komt of je geroepen

bent! Don Alvaro komt mij halen om naar een bourgeois te gaan, die

een diner geeft aan markies de Zenette en aan don Juan de Moncado;

gij moet van de partij zijn."--"En hoe heet die bourgeois?" vroeg don

Mathias.--"Hij heet Gregorio de Noriega," antwoordde don Alvaro. "'t

Is een eerste dwaas, die er pleizier in heeft al zijn bezittingen op

te eten, die doet als een saletjonker en die voor een man van geest

wil doorgaan tegen zijn stomme natuur in. Hij heeft mij gevraagd

hem te leiden. Ik regeer hem, mijne heeren, en ik kan u verzekeren,

dat ik hem een goed eindje op weg help. Zijn goederen zijn al danig

aan het slinken."--"Dat geloof ik best," riep Centellès uit, "ik zie

onzen bourgeois nog in het armenhuis belanden. Kom, don Mathias,"

ging hij voort, "laten wij eens nader kennis met dien man maken en

er het onze toe bijdragen om hem van zijn geld af te helpen."

Centellès en mijn meester begaven zich met don Alvaro naar Gregorio

de Noriega, Wij gingen er ook heen, zijn bediende Magicon en ik,

blij, dat wij een vrijen maaltijd hadden en dat wij het onze konden

bijdragen om den bourgeois te doen verarmen. De heer des huizes

leek mij een groote ezel. Hij trachtte tevergeefs de manieren van de

saletjonkers na te doen, maar 't was een zeer slechte copie van een

bijzonder goed origineel of, om mij beter uit te drukken: een domkop,

die zich als een verstandig mensch wilde voordoen. Stel je zoo iemand

voor te midden van vijf spotvogels, die zich ten doel hadden gesteld

een loopje met hem te nemen en hem aan te zetten tot groote uitgaven.

"Mijne heeren," zei don Alvaro na de eerste begroetingen, "ik stel u

hier don Gregorio de Noriega als een der volmaaktste ridders voor. Hij

bezit duizenden voortreffelijke eigenschappen. Gij moet weten dat hij

een zeer schrander hoofd heeft. Gij kunt over alles met hem praten

van de fijnste scherpzinnigste logica af tot op de spelling toe;

hij is letterlijk van alles op de hoogte."--"O, dat is al te vleiend

gesproken," viel de bourgeois hem in de rede, terwijl hij zeer

ongracieus lachte. "Ik zou u deze beweringen kunnen retourneeren,

Signor Alvaro. Gij zijt in waarheid wat men noemt een bron van alle

mogelijke ontwikkeling en kennis."--"Ik had niet de bedoeling mij

zulk een geestigen lof te laten toezwaaien," antwoordde don Alvaro;

"maar geloof mij, heeren, Signor Gregorio zal vast en zeker naam

maken in deze wereld."

Deze ironische gesprekken volgden elkaar voortdurend op en de arme

Gregorio werd van alle kanten aangevallen, want de saletjonkers

maakten telkens grappen op hem, waarin de domkop de aanval op zich

niet eens merkte; integendeel nam hij in vollen ernst op alles wat

men van hem zeide en hij scheen zeer tevreden over zijn gasten;

het leek zelfs, dat zij hem nog genoegen deden hem voor den gek te

houden. Ook gedurende den maaltijd vermaakten zij zich met hem en

vervolgens bleven zij er den geheelen nacht. Wij matigden ons in het

drinken juist zooals onze meesters en wij waren zoo frisch als een

hoentje toen wij den bourgeois verlieten.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 41 / 67 题