Hoe Gil Blas kennis maakte met de lakeien der saletjonkers; welk geheim
zij hem leerden om ten koste van weinig moeite den naam te hebben
van een geestig man en welken zonderlingen eed zij hem lieten doen.
De heertjes gingen zoo voort met praten, terwijl ik don Mathias hielp
bij het kleeden. Toen hij gekleed was, gebood hij mij hem te volgen
en al de saletjonkers gingen gezamenlijk naar de herberg, waarheen
Ferdinand de Gamboa hen zou brengen. Ik liep achter hen aan met nog
drie bedienden, want ieder van die heertjes hield er een lijfbediende
op na. Tot mijn verbazing bemerkte ik, dat deze drie bedienden hun
meesters nadeden en zich hetzelfde air gaven. Ik groette hen als hun
nieuwe makker en zij groetten mij terug. Een van hen keek mij een
poosje aan en zei toen: "Mijn vriend, ik zie aan uwen gang, dat gij
nog nooit bij een jongen saletjonker hebt gediend."--"Helaas neen,"
antwoordde ik, "en ik ben pas heel kort hier in Madrid."--"Dat merk
ik," antwoordde hij, "want gij ziet er nog echt als een boertje uit,
schuchter en verlegen; er is iets houterigs in je bewegingen, maar dat
is niet zoo heel erg, we zullen je gauw genoeg wat ontbolsterd hebben,
daar ben ik niet bang voor."--"Gij vleit mij zeker," antwoordde
ik.--"Neen," hernam hij, "er is geen stommeling zoo groot, of wij
kunnen er nog wat van maken, reken daar maar gerust op."
Hij behoefde mij verder niets te zeggen om mij te doen begrijpen,
dat ik een stel aardige snuiters tot makkers had en dat ik aan geen
betere handen kon zijn toevertrouwd om een nette jongen te worden. Toen
wij in de herberg aankwamen, vonden wij een gereedstaanden maaltijd,
dank zij de voorzorg van don Ferdinand, die hem reeds 's morgens
besteld had. Onze meesters zetten zich aan tafel en wij maakten ons
gereed hen te gaan bedienen. Wat onderhielden zij zich vroolijk met
elkaar! Ik had er een waar genoegen in ze zoo te hooren. Hun karakter,
hun gedachtenwisseling en hun uitdrukkingen vermaakten mij zeer. Wat
een geestdrift! Wat een spitsvondigheden! Die heeren maakten op mij
den indruk van een heel nieuw soort menschen. Toen zij aan het dessert
gekomen waren, brachten wij hun een groote menigte flesschen van den
besten Spaanschen wijn en lieten hen vervolgens alleen om ons naar
een kleine eetzaal te begeven, waar men voor ons een maaltijd gereed
had gezet.
Al heel spoedig ontdekte ik, dat mijn metgezellen nog veel
verdienstelijker waren dan ik eerst had gedacht. Zij waren niet alleen
niet tevreden hun meesters in manieren na te doen, maar bootsten
zelfs hun spraak na en die oolijke snaken deden het zoo meesterlijk,
dat het bijna hetzelfde was. Ik bewonderde hun vrije en ongedwongen
manieren en ik werd nog meer getroffen door hun geestigheid, zoodat
ik begon te wanhopen of ik ooit zoo'n beminnelijk persoon zou kunnen
worden. De bediende van Don Fernando nam de honneurs aan den maaltijd
waar, aangezien het ook zijn heer was, die de onze trakteerde en
daar hij wilde, dat er niets aan ontbrak, riep hij den waard en zei:
"Mijnheer de waard breng ons tien flesschen van je besten wijn en tel
ze maar op bij die van onze heeren, zooals ge dat altijd doet." "Met
zeer veel genoegen," antwoordde de waard, "maar denk er aan, mijnheer
Gaspard, dat don Fernando mij al heel wat maaltjes schuldig is. Als
ge eens een goed woordje voor mij kon doen om wat geld van hem los te
krijgen...." "O!" viel hem de bediende in de rede, "maak je maar niet
ongerust over wat hij u nog schuldig is, ik sta er je borg voor; de
schulden van mijn meester zijn even goed als staven gouds. Het is maar
jammer, dat eenige onbeschofte schuldeischers beslag hebben gelegd op
onze inkomsten, maar morgen wordt dat beslag opgeheven en wij zullen je
dan betalen zonder zelfs de rekening te zien, die gij ons overlegt." De
waard bracht ons, niettegenstaande het beslag, toch den wijn en wij
dronken dien op in afwachting van de opheffing van het beslag. Gij
hadt moeten zien hoe wij telkens weer op, elkaars gezondheid dronken,
terwijl wij elkaar bij den naam van onze meesters noemden. De bediende
van don Antonio noemde dien van Ferdinand Gamboa en de bediende van
don Fernando noemde dien van don Antonio Centellès. Zij noemden mij
Silva en wij werden zoo zoetjes aan bij het geven van die bijnamen
dronken, juist als de heeren, die deze namen in werkelijkheid droegen.
Hoewel ik mij natuurlijk niet zoo verdienstelijk maakte als mijn
medegasten, zeiden zij mij herhaaldelijk, dat zij zeer tevreden over
mij waren.
"Silva," zei een van de geslepenste onder hen, "wij zullen wat van
je maken, mijn waarde, want ik zie, dat ge een genie in je verbergt,
maar ge weet er geen partij van te trekken. De vrees je slecht uit te
drukken is oorzaak dat ge niets op goed geluk durft zeggen en toch is
het durven spreken de reden, dat op 't oogenblik zeer velen zich tot
groote geesten weten te verheffen. Wilt gij uitblinken, dan hebt ge
je slechts te laten gaan en slechts alles te zeggen wat je maar in den
mond komt; je onbesuisdheid zal doorgaan voor edele stoutmoedigheid. Al
zou je ook honderd domheden debiteeren, als je maar een enkele
geestigheid zegt, zal men je domheden vergeten. Men zal je gevatheid
onthouden en men zal hoog opgeven van je verdienstelijkheid. Dat is
het nu juist wat onze meesters ook doen en zoo moet ieder handelen, die
de reputatie wil hebben van een buitengewoon schrandere kop te zijn."
Natuurlijk verlangde ik ten zeerste voor een genie door te gaan en
het geheim, dat men mij openbaarde, leek mij zoo gemakkelijk, dat
ik meende het in toepassing te moeten brengen. Ik nam er terstond de
proef van en de wijn, dien ik gedronken had, deed die proef gelukkig
slagen, d. w. z. dat ik er maar op los begon te praten en dat ik
onder zeer veel dwaze dingen een paar geestigheden debiteerde, die
zij zeer toejuichten. Dit eerste welslagen van mijn pogingen gaf mij
vertrouwen, ik werd nog luidruchtiger om nog maar meer geestigheden
te zeggen en het toeval hielp mij ook ditmaal.
"Welnu," zei mij daarop een van mijn makkers, die mij op straat had
toegesproken, "begint ge nu al niet te ontbolsteren? Je bent nog geen
twee uur in ons gezelschap en je bent al een heel ander mensch en ge
zult zoo elken dag zienderoogen veranderen. Zoo ziet ge nu wat het
zeggen wil bij deftige meesters in dienst te zijn, dat ontwikkelt
den geest; als men bij burgerlui in dienst is, bereikt men dit
niet."--"Neen, dat is vast en zeker," antwoordde ik, "en ik zal mij
in het vervolg dan ook alleen in dienst stellen van den adel." "Dat
is flink gesproken," riep de bediende van don Fernando tusschen twee
slokken wijn uit: "het komt de bourgeois niet toe genieën in dienst
te hebben zooals wij zijn. Welaan mijne heeren, laten wij hier zweren
dat wij nooit die schooiers zullen dienen; laten wij dit zweren bij
den Styx!" Wij juichten hem luidkeels toe en met het glas in de hand,
zwoeren wij dezen koddigen eed. Wij bleven zoolang aan tafel totdat
het onze meesters behaagde heen te gaan. Het was middernacht, wat
mijn kameraden als een buitengewone matigheid voorkwam. De heeren
verlieten echter slechts de herberg om zich te begeven naar eene
bekende cocotte, die in de wijk van het hofpersoneel woonde en wier
woning dag en nacht open was voor de lieden die van vroolijkheid
hielden. Het was een vrouw van vijf en dertig tot veertig jaar,
nog schoon en onderhoudend en zoo geheel thuis in de kunst om te
behagen, dat men zeide dat zij de laatste overblijfselen van haar
schoonheid duurder verkocht dan hare eerste schoonheid. Er waren bij
haar in huis altijd twee of drie andere eerste klas cocottes, die
niet weinig bijdroegen tot den grooten toeloop van heeren, die men
er zag. Na het eten speelden zij, daarna soupeerden zij en brachten
den nacht door met drinken en zich vermaken. Onze meesters bleven
er tot den volgenden morgen en wij eveneens zonder ons te vervelen;
want terwijl zij met de maitressen waren, vermaakten wij ons met
de dienstmeisjes. Eindelijk namen wij afscheid van elkaar bij het
aanbreken van den dag en wij gingen rust nemen.
Toen mijn meester als gewoonlijk om twaalf uur opstond, kleedde hij
zich aan en ging uit. Ik volgde hem natuurlijk en wij begaven ons naar
don Antonio Centellès, bij wien wij een zekeren don Alvaro d'Ancuna
aantroffen. Nadat de drie jonkers elkaar hadden begroet, zei Centellès
tot mijn meester: "Verduiveld, don Mathias, je komt of je geroepen
bent! Don Alvaro komt mij halen om naar een bourgeois te gaan, die
een diner geeft aan markies de Zenette en aan don Juan de Moncado;
gij moet van de partij zijn."--"En hoe heet die bourgeois?" vroeg don
Mathias.--"Hij heet Gregorio de Noriega," antwoordde don Alvaro. "'t
Is een eerste dwaas, die er pleizier in heeft al zijn bezittingen op
te eten, die doet als een saletjonker en die voor een man van geest
wil doorgaan tegen zijn stomme natuur in. Hij heeft mij gevraagd
hem te leiden. Ik regeer hem, mijne heeren, en ik kan u verzekeren,
dat ik hem een goed eindje op weg help. Zijn goederen zijn al danig
aan het slinken."--"Dat geloof ik best," riep Centellès uit, "ik zie
onzen bourgeois nog in het armenhuis belanden. Kom, don Mathias,"
ging hij voort, "laten wij eens nader kennis met dien man maken en
er het onze toe bijdragen om hem van zijn geld af te helpen."
Centellès en mijn meester begaven zich met don Alvaro naar Gregorio
de Noriega, Wij gingen er ook heen, zijn bediende Magicon en ik,
blij, dat wij een vrijen maaltijd hadden en dat wij het onze konden
bijdragen om den bourgeois te doen verarmen. De heer des huizes
leek mij een groote ezel. Hij trachtte tevergeefs de manieren van de
saletjonkers na te doen, maar 't was een zeer slechte copie van een
bijzonder goed origineel of, om mij beter uit te drukken: een domkop,
die zich als een verstandig mensch wilde voordoen. Stel je zoo iemand
voor te midden van vijf spotvogels, die zich ten doel hadden gesteld
een loopje met hem te nemen en hem aan te zetten tot groote uitgaven.
"Mijne heeren," zei don Alvaro na de eerste begroetingen, "ik stel u
hier don Gregorio de Noriega als een der volmaaktste ridders voor. Hij
bezit duizenden voortreffelijke eigenschappen. Gij moet weten dat hij
een zeer schrander hoofd heeft. Gij kunt over alles met hem praten
van de fijnste scherpzinnigste logica af tot op de spelling toe;
hij is letterlijk van alles op de hoogte."--"O, dat is al te vleiend
gesproken," viel de bourgeois hem in de rede, terwijl hij zeer
ongracieus lachte. "Ik zou u deze beweringen kunnen retourneeren,
Signor Alvaro. Gij zijt in waarheid wat men noemt een bron van alle
mogelijke ontwikkeling en kennis."--"Ik had niet de bedoeling mij
zulk een geestigen lof te laten toezwaaien," antwoordde don Alvaro;
"maar geloof mij, heeren, Signor Gregorio zal vast en zeker naam
maken in deze wereld."
Deze ironische gesprekken volgden elkaar voortdurend op en de arme
Gregorio werd van alle kanten aangevallen, want de saletjonkers
maakten telkens grappen op hem, waarin de domkop de aanval op zich
niet eens merkte; integendeel nam hij in vollen ernst op alles wat
men van hem zeide en hij scheen zeer tevreden over zijn gasten;
het leek zelfs, dat zij hem nog genoegen deden hem voor den gek te
houden. Ook gedurende den maaltijd vermaakten zij zich met hem en
vervolgens bleven zij er den geheelen nacht. Wij matigden ons in het
drinken juist zooals onze meesters en wij waren zoo frisch als een
hoentje toen wij den bourgeois verlieten.