HOOFDSTUK VI

Het onderhoud van eenige heeren over de komedianten van het

tooneelgezelschap van den prins.

Dien dag kreeg mijn meester bij zijn ontwaken een briefje van don Alexo

Segiar waarin deze hem vroeg bij hem te komen. Wij begaven ons naar hem

toe en troffen hem in gezelschap van den markies de Zenette en nog een

anderen jongen edelman, die er netjes uitzag en dien ik nog nooit had

gezien. Hij werd aan mijn meester voorgesteld door don Segiar als don

Pompeio de Castro, een bloedverwant van don Segar. "Hij is bijna van

zijn prilste jeugd af aan het hof van Polen. Gisterenavond kwam hij te

Madrid en hij gaat morgen weer naar Warschau terug. Hij blijft slechts

één dag bij mij en ik wil van dien kostbaren tijd van zijn verblijf

profiteeren. Om hem dat verblijf ten mijnent zoo aangenaam mogelijk

te maken, heb ik gemeend u en de markies de Zenette hier te moeten

laten komen." Vervolgens omhelsden mijn meester en de bloedverwant

van don Alexo elkaar en maakten elkaar een menigte complimenten. Ik

was zeer tevreden over hetgeen don Pompeio zeide; hij scheen mij zeer

verstandig en schrander.

Wij bleven eten bij don Segiar en de heeren bleven na den maaltijd

spelen totdat het theater zou beginnen. Daarna gingen zij gezamenlijk

naar het Prinsentheater om de opvoering bij te wonen van een nieuw

treurspel, getiteld: "De koningin van Carthiago". Toen het stuk

afgeloopen was, kwamen zij soupeeren ter zelfder plaatse waar zij

gedineerd hadden en natuurlijk liep het gesprek in het eerst over het

stuk dat zij gezien hadden en daarna over de spelers. "Wat het stuk

betreft," zei don Mathias, "vind ik dat het niet veel bijzonders is:

ik vind er de figuur van Alexo nog treuriger dan in de Alcade. Maar

wat de uitvoering betreft, deze was meesterlijk. Wat denkt gij er

van don Pompeio? Gij schijnt het niet met mij eens te zijn." "Mijne

heeren," antwoordde de edelman, "ik heb u daareven zoo geestdriftig

gezien over de acteurs en vooral over de actrices, dat ik u bijna

niet durf bekennen dat ik eene geheele andere meening ben toegedaan

dan gij." "Dat is dan maar goed ook," zei don Alexo schertsenderwijs,

"want uw beoordeeling zou hier al zeer slecht worden ontvangen. Gij

moet onze actrices wel respecteeren in aanmerking genomen haar

grooten roep van bekwaamheid. Dagelijks drinken wij met hen en wij

staan er voor in, dat zij volmaakt zijn; als men het van ons zou

verlangen zouden wij volgaarne certificaten van haar geven." "Ik

twijfel hieraan geen oogenblik", antwoordde zijn bloedverwant, "gij

zoudt zelfs certificaten geven van haren levenswandel en hare zeden,

zoozeer schijnt gij goede vrienden van haar te zijn."

--Uwe Poolsche actrices zijn zeker veel beter," zeide lachende de

markies de Zenette.

"Ja zeker," antwoordde don Pompeio, "zij zijn veel beter. Er zijn er

ten minst bij die geen enkel gebrek hebben." "En kunnen die dan op uwe

getuigschriften rekenen?" "Ik heb in 't geheel geen verbintenissen

met haar," antwoordde don Pompeio. "Ik neem geen deel aan haar

zwelgpartijen en ik kan dus een onpartijdig oordeel vellen. Maar

gelooft gij werkelijk een uitmuntenden tooneelspelerstroep te

bezitten?" ging hij voort.

"Neen," zei de markies, "dat geloof ik niet en ik wil dan ook slechts

een klein getal van hen in bescherming nemen, de overigen zijn mij

onverschillig. Zijt ge het er bijvoorbeeld niet mede eens, dat de

actrice die voor Dido speelde bewonderenswaardig is? Heeft zij deze

koningin niet voorgesteld met allen adeldom en bevalligheid die wij

in haar veronderstellen? En hebt gij het niet bewonderd hoe zij den

toeschouwer door haar kunst weet te boeien en hem alle hartstochten

doet medegevoelen die zij vertolkt? Men kan gerust zeggen dat zij

volmaakt is in alle moeilijkheden van de voordracht."--"Ik ben

het met u eens, dat zij iemand weet te treffen en te ontroeren:

nooit had eenig tooneelspeelster meer gevoel en het is tevens een

mooie verschijning maar toch heeft zij hare gebreken. Twee of drie

dingen hebben mij in haar spel gehinderd. Als zij verbazing wil doen

blijken dan rolt zij met hare oogen op een overdreven wijze wat zeker

niet past voor een prinses. Voeg hierbij nog dat als zij hare van

nature zachte stem uitzet, deze hare zachtheid verliest en snijdend

wordt. Bovendien leek het mij dat zij in verschillende passages niet

goed begreep wat zij zeide. Ik wil liever aannemen dat zij verstrooid

was, dan te willen beweren dat zij niet genoeg talent heeft."

"Zooals ik wel zie," zei toen don Mathias, "zoudt gij geen al te

grooten lof van onze tooneelspeelsters verspreiden." "Ik bied u

wel mijn verontschuldiging," antwoordde don Pompeio. "Ik ontdek

zeer veel talent bij hun vele fouten. Ik voeg hierbij zelfs dat

ik genoten heb van de actrice, die voor volgelinge speelde in de

tusschenbedrijven. Welk een natuurlijk spel! Met welk een gratie

beweegt zij zich. Als zij een aardig gezegde debiteert, doet zij het

met een schalkschen glimlach en zoo aanvallig dat men haar daarom

ook zou prijzen. Men zou in haar kunnen afkeuren, dat zij soms te

veel in vuur geraakt en dat zij de perken der vrijmoedigheid soms te

buiten gaat, maar men mag niet alles verlangen. Wat ik echter graag

zou zien is dat zij een slechte gewoonte aflegde. Dikwijls midden in

een tragische of ernstige scène breekt zij de handeling af door een

uitbundig gelach. Gij zult mij zeggen, dat de parterre haar ook in

zulke oogenblikken applaudiseert en dat is gelukkig voor haar."

"En wat denkt gij wel van de acteurs," viel de markies hem in de rede,

"die zullen het zeker wel heel hard te ontgelden hebben, daar gij de

vrouwen niet eens spaart".

"Neen," antwoordde Pompeio, "ik heb eenige jonge acteurs gezien,

die wel wat belooven en ik ben vooral zeer tevreden over dien

dikken tooneelspeler, die de rol van Dido's eersten minister heeft

gespeeld. Hij draagt heel natuurlijk voor en zoo doet men het nu juist

in Polen." "Als ge tevreden zijt over hem," zei Segiar, "dan moet ge

toch zeker enthousiast geweest zijn over de personen van Aneas. Schijnt

hij u geen groot tooneelspeler, is het geen origineel acteur?" "Zeer

origineel," antwoordde de ander, "hij geeft geluiden die zeer origineel

zijn en zeer scherp tevens. Bijna altijd tegen de regels der kunst in

brabbelt hij de zinnen waar het op aankomt en legt den klemtoon op de

andere. Hij heeft mij werkelijk vermaakt en vooral in de passage waar

hij aan zijn vertrouweling de woede mededeelt waarmede hij de prinses

verliet; men zou smart niet komischer kunnen voorstellen." "Neen maar

nu nog mooier, mijn waarde heer," antwoordde don Alexo, "gij zoudt ons

haast doen gelooven dat men in Polen niet veel smaak heeft. Weet gij

wel dat die acteur waarvan gij spreekt een zeldzaam genie is? Hebt

gij dan het applaus niet gehoord? Dat bewijst toch, dunkt mij zoo,

dat hij nog zoo heel slecht niet is."

"Dat bewijst niets," antwoordde don Pompeio. "Mijne heeren, laten

wij nu eens geen rekening houden met het applaus van de parterre;

daar worden dikwijls zeer ten onrechte acteurs geapplaudiseerd. De

parterre applaudiseert veel zeldzamer een waar kunstenaar dan

een schijnkunstenaar, zooals Phedra het ons in een geestige fabel

leert. Veroorloof mij dat ik u dit even vertel.

Alle inwoners van een stad waren vergaderd op een groot plein om

pantomimes te zien spelen; onder de spelers was er een, dien men

telkens applaudiseerde. Deze komiek wilde aan het eind van het stuk

met een geheel nieuw tooneel sluiten. Hij verscheen geheel alleen

op het tooneel boog, bedekte zijn hoofd met zijn mantel en begon

zoo het geschreeuw van een speenvarken na te bootsen. Hij deed dit

zoo meesterlijk dat men meende, dat hij er in werkelijkheid een onder

zijn kleeren verborgen hield. Men zei hem zijn mantel uit te schudden,

wat hij dan ook deed en toen er niets te voorschijn kwam, verdubbelden

de toejuichingen van de menigte. Een boer, die onder de toeschouwers

stond, ergerde zich aan deze uitingen van bewondering. "Mijne heeren,"

riep hij uit, "gij hebt ongelijk met zoo in je schik te zijn over

dezen grappenmaker; hij is in 't geheel niet zoo'n goed acteur als

gij wel gelooft. Ik kan veel beter een speenvarken nabootsen dan hij

en als ge het niet gelooven wilt, kom dan morgen op hetzelfde uur

hier terug." Het volk kwam den volgenden dag in nog grooter getale

en maakte zich natuurlijk gereed den boer uit te fluiten. De beide

tegenstanders verschenen op het tooneel. De clown van den vorigen

dag begon het eerst en werd nog uitbundiger toegejuicht dan de

eerste maal. Toen was het de beurt van den boer, die zich daarop in

zijn mantel wikkelde en een werkelijk speenvarken dat hij onder den

arm hield aan de ooren begon te trekken, waarom het dier natuurlijk

vreeselijk schreeuwde. Toch kenden de toeschouwers den prijs toe aan

den acteur en overlaadden den boer met hun gefluit. Plotseling echter

vertoonde deze aan de toeschouwers het levende speenvarken en zei:

"Mijne heeren, gij fluit niet mij uit, maar het speenvarken zelf. Wat

zijt gij kranige rechters!"

--"Mijn waarde vriend," zei don Alexo, "je fabel is wel een beetje

al te kras. Niettegenstaande uw speenvarken geven wij ons echter

nog niet gewonnen. Laten wij maar over wat anders praten, want dit

begint mij te vervelen. Gij vertrekt dus morgen, hoe graag ik u ook

nog langer bij mij zou houden?"--"Ik zou graag nog langer blijven,

maar dat kan niet; ik ben naar het Spaansche hof gekomen voor een

staatszaak. Ik heb gisteren bij mijn aankomst den eersten minister

gesproken; morgenochtend moet ik hem nogmaals bezoeken en even daarna

moet ik naar Warschau terugkeeren."

"Gij zijt dus Pool geworden," hernam Segiar, "en volgens alle

waarschijnlijkheid zult gij niet meer in Madrid komen wonen?" "Dat

geloof ik ook niet," hernam don Pompeio; "ik heb het geluk, dat de

koning van Polen aan mij gehecht is en ik heb veel genoegen aan zijn

hof; kunt gij echter gelooven dat hoe goed hij ook voor mij is, ik op

het punt heb gestaan voor altijd zijn land te verlaten?" "Zoo en hoe

kwam dat?" vroeg de markies. "Vertel ons dat eens." "Zeer gaarne,"

antwoordde don Pompeio, "het is tevens mijn eigen geschiedenis,

die ik u ga vertellen."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 43 / 67 题