HOOFDSTUK III

Gil Blas verlaat don Bernard de Castil Blazo en komt bij een

saletjonker.

Toen wij de kroeg uitgingen en afscheid van elkander namen, ging mijn

meester voorbij. Hij zag mij en ik bemerkte, dat hij meer dan eens

den kapitein aankeek. Ik meende dat het hem verbaasde mij met zoo

iemand te ontmoeten. Zeker is het dat het voorkomen van Rolando niet

in zijn gunst was. Hij was een zeer grooten man met een lang gezicht

en een neus als een papegaai en hoewel hij er niet kwaad uitzag,

maakte hij toch den indruk een schelm te zijn.

Ik had mij in mijne vermoedens niet vergist. Des avonds sprak don

Bernard telkens over den man dien hij bij mij gezien had en hij zou

graag alles beloofd hebben wat ik van hem had kunnen zeggen als ik had

durven praten, "Gil Blas," vroeg hij, "wie is die groote grijpvogel,

met wien ik je gezien heb?" Ik antwoordde dat het een alguazil was

en ik verbeeldde mij, dat hij daarmee tevreden was en het er bij zou

laten, maar hij deed nog vele andere vragen en daar ik er door in

de war geraakte daar ik mij de bedreigingen van Rolando herinnerde,

brak hij eensklaps het gesprek af en ging naar bed. Toen ik den

volgenden morgen mijn gewonen dienst had gedaan, gaf hij mij zes

dukaten inplaats van zes realen en zeide: "Dit mijn vriend, geef ik

je voor diensten, die je me tot heden bewezen hebt. Ga een andere

betrekking zoeken, ik kan geen knecht gebruiken, die zulke mooie

kennissen heeft." Het viel mij in hem te zeggen dat ik dien alguazil

kende uit den tijd dat ik dokter in Valladolid was en dat ik hem wel

eens geneesmiddelen had voorgeschreven. "Zeer goed," zei mijn meester,

"dat is prachtig bedacht, maar dat had je mij gisteren moeten zeggen

inplaats van in de war te raken." "Mijnheer," antwoordde ik, "ik

dorst u dat niet te zeggen uit zuivere discretie!" "Mijn jongen, ik

dacht niet dat je zoo geslepen was, ga nu heen, ik geef je je congé,

een jongmensch dat met alguazils omgaat, is niet in mijn smaak."

Ik ging dadelijk aan Melendez deze slechte tijding meedeelen, die om

mij te troosten, beloofde mij in een beter huis te doen treden. Een

paar dagen later zeide hij mij werkelijk:

"Gil Blas, mijn waarde vriend, ge hebt zeker niet gedroomd van het

geluk dat ik je ga aankondigen. Gij zult het aangenaamste baantje van

de wereld krijgen. Ik zal je brengen bij don Mathias de Silva. Deze

Mathias de Silva is wat men noemt een saletjonker. De intendant

van don Mathias, ging hij voort, is een intieme vriend van mij. Wij

zullen hem een bezoek gaan brengen. Hij zal je zelf aan zijn heer

voorstellen en gij kunt er op rekenen, dat hij je om mij pleizier

te doen met veel égards zal behandelen." Onderweg vertelde hij mij

dat de intendant een man van niets was, die rijk was geworden van

het geld van twee geruïneerde families, waarbij hij intendant was

geweest. "Ik waarschuw je, dat hij verschrikkelijk ijdel is: hij ziet

graag de andere bedienden voor hem buigen als knipmessen. Regel je

dus daarnaar, Gil Blas, maak eerst het hof aan mijnheer Rodriguez,

den intendant, en doe alles om hem te behagen. Zijn vriendschap zal

je van veel nut zijn en als ge slim genoeg zijt om zijn vertrouwen

te winnen, dan zou hij je nog wel eens een aardig beentje te kluiven

kunnen geven. Hij heeft er zooveel! Don Mathias is een jongmensch,

die alleen aan plezier denkt en die niet het minste weten wil van

zijn eigen zaken. Welk een prachtig huis voor een intendant!"

Toen wij ten huize van den intendant gekomen waren, vroegen wij

signor Gregoris Rodriguez te spreken en men verwees ons naar zijn

vertrekken, waar wij hem zouden kunnen vinden. Hij was er ook

werkelijk in gezelschap van een soort boer, die een blauw linnen

zak vol geld in de hand hield. De intendant, die er uitzag bleeker

en geler dan een meisje dat het oude vrijstersleven moe is, kwam met

uitgespreide armen op Melendez toe; de koopman spreidde ook zijn armen

uit en zij omhelsden elkaar met meer aanstellerij dan natuurlijke

vriendschap. Daarna kwam het gesprek op mij. Rodriguez nam mij van

het hoofd tot de voeten nauwkeurig op en zei daarna, dat ik juist de

persoon was dien don Mathias noodig had en dat hij zich gaarne ermede

belastte mij aan dezen heer voor te stellen. Daarna deed Melendez

uitkomen hoeveel belang hij in mij stelde en hij vroeg den intendant

mij zijne protectie te geven. Vervolgens liet hij mij bij hem achter

en nam na zeer veel complimenten afscheid. Toen hij vertrokken was zei

Rodriguez tot mij: "Ik zal je naar mijn meester brengen als ik eerst

dezen braven boer geholpen heb." Hij wendde zich vervolgens tot den

boer, nam hem zijn zak af en zei "Welnu Talego, we zullen eens zien

of de vijfhonderd pistolen er zijn". Hij telde zelve de geldstukken,

vond ze accoord, gaf een kwitantie van het geld aan den boer en liet

hem gaan. Daarna deed hij het geld weer in de zak en wendde zich

tot mij met de woorden: "Nu kunnen wij naar mijn meester gaan; hij

staat gewoonlijk tegen twaalf uur op en het is nu ongeveer één uur,

zoodat hij wel bij de hand zal zijn."

En werkelijk was don Mathias juist op. Hij was nog in zijn kamerjas

en lag achterover in een langen stoel met een van zijn beenen over

de leuning terwijl hij zich heen en weer wiegde bezig tabak fijn te

maken. Hij sprak met een lakei die de rol van kamerbediende vervulde,

gereed hem op zijn wenken te bedienen.

"Mijnheer," zei de intendant, "hier stel ik u een jongmensch voor

die de betrekking zou kunnen vervullen van hem, die u gisteren hebt

weggejaagd. Melendez, een zaakwaarnemer, staat voor hem in; hij

verzekert mij, dat het een verdienstelijke jongen is en ik geloof ook

dat u wel tevreden over hem zult zijn."--"Het is goed," antwoordde de

jonge edelman, "en daar gij hem bij mij brengt, neem ik hem zonder

bedenken in mijn dienst. Ik benoem hem tot mijn kamerdienaar en

daarmee heeft deze zaak afgedaan. En laat ons nu eens over andere

dingen spreken, Rodriguez. Gij komt juist op tijd, want ik wilde je

al laten roepen. Ik heb je een slechte tijding mede te deelen, mijn

waarde Rodriguez. Ik heb vannacht zeer ongelukkig gespeeld; behalve

de honderd pistolen, die ik bij mij had heb ik er nog tweehonderd

bovendien verspeeld. Gij weet dat menschen zooals wij zulke schulden

zonder uitstel moeten voldoen; wij zijn dat aan onze eer verplicht,

terwijl wij het met de andere schulden niet zoo nauw nemen. Gij moet

dus ergens tweehonderd pistolen zien te krijgen en ze aan de gravin

de Pedrosa zenden". "Mijnheer," antwoordde de intendant, "dat is

gemakkelijker gezegd dan gedaan. Met uw welnemen, waar moet ik die som

zoo ineens vandaan halen? Ik kan geen cent loskrijgen van uw pachters,

hoe ik ze ook dreig. Toch moet ik uw knechts goed onderhouden en moet

ik alles uitzuinigen om uwe uitgaven te bestrijden. Gelukkig ben ik er

tot nog toe in geslaagd mij er door te slaan, maar ik weet niet meer

tot welken heilige ik mij nog kan wenden, daar ik tot het uiterste

gekomen ben".--"Al dat gepraat helpt niet," viel don Mathias hem in de

rede, "en die verhalen vervelen mij maar. Zoudt gij misschien willen

Rodriguez, dat ik mijn gedrag ging veranderen en dat ik zou gaan zorgen

voor mijn bezittingen? Een mooie bezigheid voor een man als ik, die

slechts voor zijn pleizier leeft!" "Geduld," antwoordde de intendant,

"en gij zult zien, dat zooals de zaken nu gaan gij spoedig hiervoor

niet meer zult behoeven te zorgen."--"Gij vermoeit mij," hernam de

jonge edelman knorrig, "gij martelt mij. Laat mij mijzelf ruineeren

zonder dat ik het bemerk. Ik moet twee honderd pistolen hebben, hoor

je, ik moet ze hebben".--"Dan zal ik mijn toevlucht moeten nemen tot

dien kleinen grijsaard die u al meer geld geleend heeft tegen hooge

woekerrente".--"Neem voor mijn part je toevlucht tot den duivel,"

antwoordde Don Mathias; "als ik maar tweehonderd pistolen krijg kan

mij de rest niet schelen."

Toen hij dit op norschen, ontevreden toon gezegd had, ging de intendant

heen en een voornaam jongeling, Antonio de Centellès, trad binnen. "Wat

scheelt eraan mijn waarde," zei hij tot mijn meester. "Gij ziet er zoo

bedrukt uit, er ligt een waas van toorn over uw gelaat, Wie heeft je

in zoo'n slechten luim gebracht? Ik zou haast durven wedden dat het die

vlegel is, die daar juist weggaat." "Ja," antwoordde don Mathias, "het

is mijn intendant. Elken keer als hij bij mij komt zegt hij mij dat ik

van mijn kapitaal inteer ..." "Mijn waarde," antwoordde don Antonio,

"ik verkeer in hetzelfde geval. Ik heb een zaakwaarnemer die al even

slecht te spreken is als jou intendant. Als de schurk mij eindelijk

na herhaaldelijk bevel geld brengt, zou men haast zeggen dat hij het

van zichzelf geeft." Zij bleven zoo een tijdje in levendig gesprek

toen zij gestoord werden door Gregorio Rodriguez, vergezeld van een

kleinen grijsaard die bijna geen haar op zijn hoofd had. Don Antonio

wilde vertrekken en zei: "Bonjour don Mathias, wij zien elkaar spoedig

terug. Ik zal je maar alleen laten met deze heeren daar ge zeker

een ernstige zaak met hen te behandelen hebt."--"Welneen," zei mijn

meester, "blijf maar, jij bent niet te veel. Deze bescheiden grijsaard

dien ge hier ziet, is een eerlijk man die mij geld leent tegen twintig

procent."--"Wat?" riep Centellès uit, "tegen twintig procent. Nu maar

dan wensch ik je geluk dat ge in zoo goede handen zijt geraakt. Ik word

niet zoo liefelijk behandeld. Ik koop geld tegen goud, want ik moet

in den regel vijf en dertig procent betalen."--"Wat een woekerrente,"

riep toen de oude woekeraar vertoornd uit; "bedenken de schurken dan

niet dat er nog een leven hiernamaals is? Nu verbaast het mij niet

meer dat men zoo waarschuwt tegen geldschieters. Die woekerrente, die

enkelen onder hen van hun geld nemen, kost ons onzen goeden naam. Als

mijn collega's zoo deden als ik, dan zou men ons niet uitjouwen want ik

leen slechts om mijn evenmensch te helpen. O, als de tijden maar zoo

waren als ik ze vroeger heb gekend, dan zou ik je mijn beurs leenen

zonder rente te vragen en nu nog, hoe ellendig het er ook uitziet,

ik heb haast nog gewetensbezwaar twintig procent te vragen. Maar men

zou haast zeggen, dat het geld in de aarde verzwolgen is; men vindt

haast geen geld meer en deze schaarschte noodzaakt mij wel mijn moraal

wat te wijzigen."

"Hoeveel hebt ge noodig?" ging hij voort zich tot mijn meester

wendende.--"Ik moet tweehonderd pistolen hebben," antwoordde don

Mathias.--"Ik heb er hier vierhonderd in een zak," hernam de woekeraar;

"ik zal er u dus de helft van geven." Dit zeggende haalde hij een blauw

linnen zak van onder zijn mantel die mij dezelfde scheen als welke

de boer Talego met vijfhonderd pistolen bij Rodriguez had gelaten. De

grijsaard ledigde den zak, legde de geldstukken bij hoopjes op tafel

en begon ze te tellen. Dit gezicht prikkelde het verlangen van mijn

meester. "Mijn waarde Descomulgado," zei hij tot den woekeraar,

"ik bedenk daar iets, namelijk dat ik een groote dwaas ben. Ik leen

slechts zooveel als noodig is om mijn schuld af te doen, zonder

eraan te denken dat ik dan geen cent overhoud en ik zal je dus morgen

weer een bezoek moeten brengen. Ik ben nu van plan alle vierhonderd

pistolen van je te nemen om je de moeite te besparen morgen terug te

komen."--"Mijnheer", antwoordde de grijsaard, "ik had een gedeelte van

dit geld bestemd voor een goedhartigen bon-vivant die groote erfenissen

heeft te wachten, welke hij zeer menschlievend gebruikt om kleine

meisjes uit de wereld af te zonderen en hun woningen te meubileeren,

maar daar u de geheele som noodig hebt, is zij ter uwer beschikking,

als u mij slechts waarborgen kunt geven."--"O, wat dat betreft," viel

Rodriguez in de rede, terwijl hij een papier uit zijn zak haalde,

"gij zult de beste hebben. Dit papier heeft don Mathias slechts

te teekenen en gij hebt het recht vijfhonderd pistolen te nemen

van een van zijn pachters, zekeren Talego, een rijken landbouwer te

Mondejar." "Dat is voldoende," antwoordde de woekeraar, "ge ziet wel

dat ik niet lastig ben; als men mij slechts billijke voorstellen doet,

neem ik ze zonder verdere tegenwerpingen aan." Toen gaf de intendant

een pen aan mijn meester, die zonder het biljet eerst te lezen onder

het fluiten van een deuntje zijn naam er onder zette.

Toen dit afgeloopen was, zeide de grijsaard mijn meester vaarwel die

hem hartelijk de hand drukte zeggende: "Tot weerziens mijn waarde, ik

ben geheel tot uw dienst. Ik begrijp toch maar niet waarom men u voor

een schurk aanziet, integendeel, lieden van uw soort zijn noodzakelijk

voor den staat, gij zijt de troosters van duizenden kinderen van nette

familie en de toevlucht van alle groote heeren wier uitgaven grooter

zijn dan hun inkomsten."--"Gij hebt gelijk," riep Centellès uit;

"de woekeraars zijn brave lieden die men niet voldoende kan achten

en ik wil daarom ook dezen hartelijk vaarwel zeggen, vooral omdat hij

tegen slechts twintig procent leent." Dit zeggende ging hij naar den

grijsaard toe om hem te omarmen en deze twee deftige heertjes duwden

den woekeraar naar elkaar toe en vermaakte zich met hem, evenals twee

kaatsers, die een bal slaan. En toen ze hem zoo een paar malen heen

en weer hadden laten gaan, lieten zij hem uit met den intendant,

die eerder die hartelijke omhelzingen had verdiend en nog wel wat

bovendien.

Toen Rodriguez en zijn booze geest vertrokken waren, zond don Mathias

door den lakei, die met mij in de kamer was, de helft van de pistolen

aan gravin de Pedrosa en deed de overige in een lange beurs geborduurd

met zijde en gouddraad en stak deze toen in zijn zak. Ten zeerste

voldaan, dat hij nu weer geld had, zei hij op vroolijken toon tot

don Antonio: "Wat zullen wij vandaag doen, laten we daar nu eens

over spreken."--"Ziezoo, nu spreek je nog eens als een verstandig

mensch," antwoordde Centellès, "welja laten we het daar eens over

hebben." Terwijl zij hierover aan het praten en overleggen waren kwamen

twee andere heeren binnen. Het waren don Alexo Segior en don Ferdinand

de Gamboa, beiden ongeveer van denzelfden leeftijd als mijn meester,

namelijk zoowat acht en twintig jaar. Zij begonnen nu met hun vieren

zeer levendig te spreken met veel gebaren alsof zij elkaar in geen tien

jaar hadden gezien. Daarna zei Ferdinand die een echte lolmaker was tot

don Mathias en don Antonio: "Mijne heeren, waar eet gij vandaag? Als

ge nog geen plannen hebt zal ik jelui naar een herberg brengen waar

men echten godenwijn drinkt. Ik heb er gedineerd en ik ben er dezen

morgen tegen zes uur van thuis gekomen".--"Had ik den nacht maar

zoo verstandig doorgebracht, dan had ik mijn geld niet verloren",

zei don Mathias.

"Wat mij betreft," zei Centellès, "ik heb mijzelf gisterenavond een

nieuw genoegen verschaft, want ik houd veel van afwisseling. En

men moet zijn genoegens wel eens varieeren wil men het leven

aangenaam maken. Een van mijn vrienden nam mij mede naar een inner

der belastingen, die voor den staat de zaken behartigt. Ik zag

er veel weelde, goeden smaak en het maal leek mij bijzonder goed

toebereid. Maar ik vond den heer des huizes van een belachelijkheid,

die mij waarlijk vermaakte. De ontvanger, hoewel een echt

burgermannetje, deed erg groot en zijn vrouw, hoewel vreeselijk

leelijk, deed erg koket en vertelde allerlei gekruide moppen, terwijl

er vier of vijf kinderen aan tafel zaten met hun gouverneur en ge

kunt je een voorstelling maken hoe ik mij aan dat maal heb vermaakt!"

--"En ik, mijne heeren," zei don Alexo Segiar, "ik heb gesoupeerd bij

een komediespeelster en wel bij Arsenia. Wij waren met ons zessen:

Arsenia, Florimonde, met een van haar kokette vriendinnen, de markies

de Zenette, don Juan van Moncade en mijn persoontje. Wij hebben den

nacht doorgebracht met drinken en lol maken. Wat een heerlijke nacht

was dat! Weliswaar zijn Arsenia en Florimonde geen groote genieën,

maar zij hebben slag van brassen en fuiven wat veel goed maakt. Het

zijn vroolijke, levenslustige schepseltjes en dat is per saldo meer

waard dan zulke deftige eerbare vrouwen!"

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 40 / 67 题