HOOFDSTUK II

Gil Blas verwondert zich in Madrid kapitein Rolando te ontmoeten en

over de wonderlijke dingen, die deze dief hem vertelde.

Nadat don Bernard de Castil Blazo den corregidor tot op straat

uitgeleide had gedaan, kwam hij vlug terug om zijn brandkast te sluiten

en alle deuren, die er toegang toe gaven; vervolgens gingen wij beiden

zeer tevredengesteld uit, hij omdat hij zulk een machtigen vriend had

verworven en ik in de zekerheid van mijn zes realen daags. De lust

om dit avontuur aan Melendez te vertellen, deed mij den weg naar

zijn huis inslaan, maar toen ik er bijna was, bemerkte ik kapitein

Rolando. Ik was buitengewoon verbaasd hem daar te zien en ik kon niet

nalaten te sidderen. Hij herkende mij ook, wendde zich ernstig tot

mij en geheel zijn air van meerderheid bewarende, beval hij mij hem

te volgen. Bevend gehoorzaamde ik en dacht bij mij zelven: "Helaas,

hij zal mij doen betalen voor wat ik hem geleverd heb. Misschien heeft

hij hier in de stad wel een hol. Maar als ik zooiets ontdek, zal ik

toonen, dat mijn beenen niet lam zijn." Ik liep dus achter hem aan,

nauwkeurig oplettend, waar hij heenging en besloten zoo hard als ik

kon weg te loopen, als het mij verdacht ging lijken.

Rolando deed spoedig mijn vrees verdwijnen. Hij trad een bekende

herberg binnen en ik volgde hem. Hij vroeg den besten wijn en zeide

voor ons beiden een diner klaar te maken. Wij gingen intusschen een

kamer binnen, waar wij alleen waren en waar hij mij aldus aansprak:

"Gil Blas, gij zult wel verwonderd zijn hier uw ouden commandant te

zien en nog meer wanneer ik je alles verteld zal hebben. Op den dag

dat ik met de anderen naar Mansilla ging om de paarden en ezels te

verkoopen, ontmoetten wij den zoon van den corregidor van Leon met

vier welgewapende en bereden mannen achter zijn karos. Wij deden twee

van zijn lieden in het zand bijten, de twee anderen vluchtten. De

koetsier, die voor zijn meester vreesde, riep ons toen smeekend toe:

"Och lieve heeren, dood toch in hemelsnaam niet den eenigen zoon van

den corregidor van Leon." Deze woorden verzachtten mijne kameraden

niet, zij wakkerden integendeel hunne woede aan. "Mijne heeren,"

zei een van hen, "laten wij den zoon van onzen grootsten vijand niet

doen ontsnappen. Hoeveel mannen van ons beroep heeft zijn vader niet

doen sterven. Laten wij hen wreken." Ik hield hen echter tegen. "Houd

op!" zeide ik, "waarom zullen wij noodeloos bloed vergieten? Laten wij

ons tevreden stellen met zijn beurs. Daar hij geen weerstand biedt,

zou het barbaarsch zijn hem te vermoorden. Bovendien is hij niet

verantwoordelijk voor zijn vader, en zijn vader doet alleen zijn

plicht als hij ons ter dood veroordeelt, evenals wij den onze doen

door den reizigers hun goed af te nemen."

Mijn tusschenkomst was niet zonder nut. Wij namen alleen zijn beurs

en verkochten de paarden van de twee gedoode heeren met de andere. Den

volgenden morgen waren wij niet weinig verrast den val leeg te vinden

en nog meer toen wij Leonarda gebonden in de keuken vonden. Wij

bewonderden je, zoo goed als je ons met je koliek bedot had en we

vergaven het je om den goeden streek, dien je ons geleverd had.

Toen wij vijf dagen later het bosch ingingen, werden wij

overvallen door drie afdeelingen boogschutters, die ons schenen

op te wachten. Onze luitenant en twee anderen werden gedood en ik

en twee van onze mannen zoo nauw omsingeld, dat we gevangen werden

genomen. Terwijl wij naar Leon gebracht werden, ging men tevens onze

schuilplaats vernielen, die op de volgende wijze ontdekt was. Op den

morgen van je vlucht bemerkte een boer uit Luceno bij toeval het luik,

dat je niet neergeslagen hadt. Hij vermoedde, dat dat onze schuilplaats

was en ging naar Leon om zijne ontdekking aan den corregidor mee te

deelen, wien dit des te meer genoegen deed nu zijn zoon door ons was

bestolen. Deze rechter zond drie brigades uit om ons te vatten en de

boer was hun gids.

Mijn aankomst in Léon was een groot schouwspel voor de inwoners. Als

ik een gevangen generaal was geweest, dan had men niet harder kunnen

loopen om mij te zien. "Daar is die beruchte kapitein," riep men,

"de schrik van onze buurt! Hij verdient gevierendeeld te worden

evenals zijne kameraden." Men bracht ons voor den corregidor, die

begon met ons te beleedigen. "Wel, schurk," zeide hij, "de hemel,

die uwe misdaden moede is, levert u aan mijne rechtvaardigheid

over." "Mijnheer," antwoordde ik, "al heb ik tal van misdaden begaan,

dan heb ik toch niet den dood van uw eenigen zoon op mijn geweten;

daarvoor behoort ge mij erkentelijk te zijn." "Ellendeling," riep hij

uit, "met lieden van uw slag moet men oppassen edelmoedig te zijn! En

al wilde ik u redden, dan zou mijn plicht het nog verbieden." Daarop

liet hij ons opsluiten in een hok, waar hij mijne kameraden niet

lang liet smachten. Drie dagen later werden zij er uitgehaald om

een tragische rol te spelen op het marktplein. Ik bleef drie volle

weken in de gevangenis. Ik dacht, dat men mijn terechtstelling

slechts uitstelde om ze des te verschrikkelijker te doen zijn en ik

bereidde mij voor op een geheel nieuwe wijze te worden gedood, toen

de corregidor mij bij zich liet brengen. "Hoor uw vonnis," zeide hij,

"gij zijt vrij. Zonder u zou mijn eenige zoon vermoord zijn. Als vader

heb ik dien dienst willen erkennen en daar ik als rechter u niet kon

vrijspreken, heb ik te uwen gunste naar het hof geschreven; ik heb

genade voor u gevraagd en verkregen. Ga dus. Maar," voegde hij erbij,

"maak gebruik van deze gelukkige gebeurtenis. Keer in tot u zelven

en verlaat voor altijd het rooversberoep."

Deze woorden troffen mij en ik ging naar Madrid in het besluit daar

kalm te gaan leven. Ik vond mijn ouders gestorven en mijn erfenis

in handen van een ouden bloedverwant, die mij er rekenschap van

heeft gegeven, gelijk alle voogden doen. Ik heb niet meer dan drie

duizend dukaten uit zijn handen kunnen krijgen, wat niet het vierde

deel is van mijn goed. Maar wat kon ik er aan doen? Ik zou er niets

mede winnen herrie te maken. Om de ledigheid te vermijden, heb ik

een plaats van alguazil gekocht, welk beroep ik uitoefen alsof ik

mijn geheele leven niets anders had gedaan. Maar het bevalt mij niet

bijster; men moet al te voorzichtig en geheimzinnig te werk gaan;

men kan er alleen stilletjes en schrander in bedriegen. Ik betreur

mijn oude beroep. Ik beken dat hier meer zekerheid is, maar er is meer

genoegen in het oude en ik houd van de vrijheid. Ik heb wel lust om

me van mijn betrekking te ontdoen en op een mooien dag naar de bergen

aan den oever van den Taag te gaan. Ik weet dat daar een schuilplaats

is door een troep Cataloniërs bewoond. Als gij mee wilt gaan, zullen

wij hun aantal vermeerderen. Wel, hebt gij lust mij te volgen?"

"Iedereen heeft zijn neigingen," zeide ik tegen Rolando; "gij zijt

geboren voor gewaagde ondernemingen en ik voor een kalm en rustig

leven." "Ik begrijp je," viel hij mij in de rede, "de dame die gij

hebt ontvoerd, heeft uw hart nog in bezit en ongetwijfeld leidt ge met

haar dat kalme en rustige leven, waarvan gij zoo houdt. Beken maar,

mijnheer Gil Blas, dat gij haar in haar meubelen hebt gezet en dat

ge samen leeft van de pistolen, die gij van ons hebt meegenomen."

Ik zeide hem dat hij het mis had en dat ik hem onder het eten de

geschiedenis van de dame zou vertellen, wat ik dan ook deed. Na het

maal kwam hij nog eens op de Cataloniërs terug. Maar toen hij zag, dat

hij mij niet kon overhalen, veranderde hij eensklaps en op trotschen

toon voegde hij mij toe: "Daar gij zoo laag zijt om de voorkeur te

geven aan uw dienstbaren staat boven de eer deel uit te maken van

een troep dappere mannen, zoo laat ik u over aan uwe neigingen. Maar

onthoud wat ik u zeggen zal: Vergeet dat ge mij vandaag ontmoet hebt

en spreek nooit over mij, want als ik hoor, dat gij mij in uw gesprek

mengt.... gij kent mij en ik zeg niets meer." Hierop riep hij den

waard, betaalde en wij gingen heen.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 39 / 67 题