Gil Blas verwondert zich in Madrid kapitein Rolando te ontmoeten en
over de wonderlijke dingen, die deze dief hem vertelde.
Nadat don Bernard de Castil Blazo den corregidor tot op straat
uitgeleide had gedaan, kwam hij vlug terug om zijn brandkast te sluiten
en alle deuren, die er toegang toe gaven; vervolgens gingen wij beiden
zeer tevredengesteld uit, hij omdat hij zulk een machtigen vriend had
verworven en ik in de zekerheid van mijn zes realen daags. De lust
om dit avontuur aan Melendez te vertellen, deed mij den weg naar
zijn huis inslaan, maar toen ik er bijna was, bemerkte ik kapitein
Rolando. Ik was buitengewoon verbaasd hem daar te zien en ik kon niet
nalaten te sidderen. Hij herkende mij ook, wendde zich ernstig tot
mij en geheel zijn air van meerderheid bewarende, beval hij mij hem
te volgen. Bevend gehoorzaamde ik en dacht bij mij zelven: "Helaas,
hij zal mij doen betalen voor wat ik hem geleverd heb. Misschien heeft
hij hier in de stad wel een hol. Maar als ik zooiets ontdek, zal ik
toonen, dat mijn beenen niet lam zijn." Ik liep dus achter hem aan,
nauwkeurig oplettend, waar hij heenging en besloten zoo hard als ik
kon weg te loopen, als het mij verdacht ging lijken.
Rolando deed spoedig mijn vrees verdwijnen. Hij trad een bekende
herberg binnen en ik volgde hem. Hij vroeg den besten wijn en zeide
voor ons beiden een diner klaar te maken. Wij gingen intusschen een
kamer binnen, waar wij alleen waren en waar hij mij aldus aansprak:
"Gil Blas, gij zult wel verwonderd zijn hier uw ouden commandant te
zien en nog meer wanneer ik je alles verteld zal hebben. Op den dag
dat ik met de anderen naar Mansilla ging om de paarden en ezels te
verkoopen, ontmoetten wij den zoon van den corregidor van Leon met
vier welgewapende en bereden mannen achter zijn karos. Wij deden twee
van zijn lieden in het zand bijten, de twee anderen vluchtten. De
koetsier, die voor zijn meester vreesde, riep ons toen smeekend toe:
"Och lieve heeren, dood toch in hemelsnaam niet den eenigen zoon van
den corregidor van Leon." Deze woorden verzachtten mijne kameraden
niet, zij wakkerden integendeel hunne woede aan. "Mijne heeren,"
zei een van hen, "laten wij den zoon van onzen grootsten vijand niet
doen ontsnappen. Hoeveel mannen van ons beroep heeft zijn vader niet
doen sterven. Laten wij hen wreken." Ik hield hen echter tegen. "Houd
op!" zeide ik, "waarom zullen wij noodeloos bloed vergieten? Laten wij
ons tevreden stellen met zijn beurs. Daar hij geen weerstand biedt,
zou het barbaarsch zijn hem te vermoorden. Bovendien is hij niet
verantwoordelijk voor zijn vader, en zijn vader doet alleen zijn
plicht als hij ons ter dood veroordeelt, evenals wij den onze doen
door den reizigers hun goed af te nemen."
Mijn tusschenkomst was niet zonder nut. Wij namen alleen zijn beurs
en verkochten de paarden van de twee gedoode heeren met de andere. Den
volgenden morgen waren wij niet weinig verrast den val leeg te vinden
en nog meer toen wij Leonarda gebonden in de keuken vonden. Wij
bewonderden je, zoo goed als je ons met je koliek bedot had en we
vergaven het je om den goeden streek, dien je ons geleverd had.
Toen wij vijf dagen later het bosch ingingen, werden wij
overvallen door drie afdeelingen boogschutters, die ons schenen
op te wachten. Onze luitenant en twee anderen werden gedood en ik
en twee van onze mannen zoo nauw omsingeld, dat we gevangen werden
genomen. Terwijl wij naar Leon gebracht werden, ging men tevens onze
schuilplaats vernielen, die op de volgende wijze ontdekt was. Op den
morgen van je vlucht bemerkte een boer uit Luceno bij toeval het luik,
dat je niet neergeslagen hadt. Hij vermoedde, dat dat onze schuilplaats
was en ging naar Leon om zijne ontdekking aan den corregidor mee te
deelen, wien dit des te meer genoegen deed nu zijn zoon door ons was
bestolen. Deze rechter zond drie brigades uit om ons te vatten en de
boer was hun gids.
Mijn aankomst in Léon was een groot schouwspel voor de inwoners. Als
ik een gevangen generaal was geweest, dan had men niet harder kunnen
loopen om mij te zien. "Daar is die beruchte kapitein," riep men,
"de schrik van onze buurt! Hij verdient gevierendeeld te worden
evenals zijne kameraden." Men bracht ons voor den corregidor, die
begon met ons te beleedigen. "Wel, schurk," zeide hij, "de hemel,
die uwe misdaden moede is, levert u aan mijne rechtvaardigheid
over." "Mijnheer," antwoordde ik, "al heb ik tal van misdaden begaan,
dan heb ik toch niet den dood van uw eenigen zoon op mijn geweten;
daarvoor behoort ge mij erkentelijk te zijn." "Ellendeling," riep hij
uit, "met lieden van uw slag moet men oppassen edelmoedig te zijn! En
al wilde ik u redden, dan zou mijn plicht het nog verbieden." Daarop
liet hij ons opsluiten in een hok, waar hij mijne kameraden niet
lang liet smachten. Drie dagen later werden zij er uitgehaald om
een tragische rol te spelen op het marktplein. Ik bleef drie volle
weken in de gevangenis. Ik dacht, dat men mijn terechtstelling
slechts uitstelde om ze des te verschrikkelijker te doen zijn en ik
bereidde mij voor op een geheel nieuwe wijze te worden gedood, toen
de corregidor mij bij zich liet brengen. "Hoor uw vonnis," zeide hij,
"gij zijt vrij. Zonder u zou mijn eenige zoon vermoord zijn. Als vader
heb ik dien dienst willen erkennen en daar ik als rechter u niet kon
vrijspreken, heb ik te uwen gunste naar het hof geschreven; ik heb
genade voor u gevraagd en verkregen. Ga dus. Maar," voegde hij erbij,
"maak gebruik van deze gelukkige gebeurtenis. Keer in tot u zelven
en verlaat voor altijd het rooversberoep."
Deze woorden troffen mij en ik ging naar Madrid in het besluit daar
kalm te gaan leven. Ik vond mijn ouders gestorven en mijn erfenis
in handen van een ouden bloedverwant, die mij er rekenschap van
heeft gegeven, gelijk alle voogden doen. Ik heb niet meer dan drie
duizend dukaten uit zijn handen kunnen krijgen, wat niet het vierde
deel is van mijn goed. Maar wat kon ik er aan doen? Ik zou er niets
mede winnen herrie te maken. Om de ledigheid te vermijden, heb ik
een plaats van alguazil gekocht, welk beroep ik uitoefen alsof ik
mijn geheele leven niets anders had gedaan. Maar het bevalt mij niet
bijster; men moet al te voorzichtig en geheimzinnig te werk gaan;
men kan er alleen stilletjes en schrander in bedriegen. Ik betreur
mijn oude beroep. Ik beken dat hier meer zekerheid is, maar er is meer
genoegen in het oude en ik houd van de vrijheid. Ik heb wel lust om
me van mijn betrekking te ontdoen en op een mooien dag naar de bergen
aan den oever van den Taag te gaan. Ik weet dat daar een schuilplaats
is door een troep Cataloniërs bewoond. Als gij mee wilt gaan, zullen
wij hun aantal vermeerderen. Wel, hebt gij lust mij te volgen?"
"Iedereen heeft zijn neigingen," zeide ik tegen Rolando; "gij zijt
geboren voor gewaagde ondernemingen en ik voor een kalm en rustig
leven." "Ik begrijp je," viel hij mij in de rede, "de dame die gij
hebt ontvoerd, heeft uw hart nog in bezit en ongetwijfeld leidt ge met
haar dat kalme en rustige leven, waarvan gij zoo houdt. Beken maar,
mijnheer Gil Blas, dat gij haar in haar meubelen hebt gezet en dat
ge samen leeft van de pistolen, die gij van ons hebt meegenomen."
Ik zeide hem dat hij het mis had en dat ik hem onder het eten de
geschiedenis van de dame zou vertellen, wat ik dan ook deed. Na het
maal kwam hij nog eens op de Cataloniërs terug. Maar toen hij zag, dat
hij mij niet kon overhalen, veranderde hij eensklaps en op trotschen
toon voegde hij mij toe: "Daar gij zoo laag zijt om de voorkeur te
geven aan uw dienstbaren staat boven de eer deel uit te maken van
een troep dappere mannen, zoo laat ik u over aan uwe neigingen. Maar
onthoud wat ik u zeggen zal: Vergeet dat ge mij vandaag ontmoet hebt
en spreek nooit over mij, want als ik hoor, dat gij mij in uw gesprek
mengt.... gij kent mij en ik zeg niets meer." Hierop riep hij den
waard, betaalde en wij gingen heen.