HOOFDSTUK I

De aankomst van Gil Blas te Madrid en het verhaal van zijn eersten

werkkring.

Ik bleef eenige dagen bij den jongen barbier. Vervolgens sloot ik mij

aan bij een koopman uit Ségovia, die met vier muilezels koopwaren naar

Valladolid had gebracht en nu na gedane zaken huiswaarts keerde. Wij

maakten onderweg kennis met elkaar en hij had zoo'n schik in mij, dat

hij mij met alle geweld bij zich te logeeren wilde houden toen wij te

Ségovia aankwamen. Ik bleef twee dagen zijn gast en toen ik mij gereed

maakte naar Madrid te vertrekken met een muilezeldrijver, belastte hij

mij met een brief, dien ik persoonlijk aan zijn adres moest bezorgen,

maar hij zeide niet dat het een aanbevelingsbrief was. Ik vergat niet

hem te brengen bij Signor Mathes Melendez, een lakenkoopman, die bij

de Zonnepoort woonde op den hoek van de Bahutierstraat. Nauwelijks

had hij kennis genomen van den inhoud of hij zeide zeer hoffelijk:

"Signor Gil Blas, mijn handelsvriend Pedro Palacio, schrijft mij

zooveel goeds van u en beveelt je zoo warm bij mij aan, dat ik niet

kan nalaten je een verblijf bij mij aan te bieden. Bovendien vraagt

hij mij om te zien naar een goede betrekking en gaarne voldoe ik aan

zijn verlangen. Ik geloof trouwens, dat het mij niet moeilijk zal

vallen je goed geplaatst te krijgen." Ik nam het aanbod van Melendez

met blijdschap aan, maar ik was hem niet lang tot overlast. Na een

week zei hij tot mij, dat hij over mij had gesproken met een van

zijn kennissen, die een kamerdienaar noodig had en dat die post

mij naar alle waarschijnlijkheid niet zou ontgaan. Juist kwam deze

binnen en Melendez zeide, mij aanwijzend: "Mijnheer, dit is de jonge

man waarvan ik u gesproken heb. Het is een eerlijke jongen van goede

zeden; ik sta voor hem in als voor mij zelven." De edelman keek mij

doordringend aan, zeide dat mijn gezicht hem beviel en dat hij mij in

zijn dienst nam. "Hij heeft mij slechts te volgen," voegde hij er bij,

"ik zal hem zeggen wat hij te doen heeft." Bij deze woorden zeide

hij den koopman goeden dag en nam mij mede naar de drukke straat,

vlak bij de kerk van St. Filippus. Wij traden een vrij mooi huis

binnen, waarvan hij een vleugel bewoonde; wij gingen een trap van

vijf of zes treden op en traden in een kamer met twee breede deuren,

die hij opendeed, en waarvan de eerste in het midden een getralied

venster had. Door deze kamer gingen wij in een andere, waar een bed

en andere meubelen stonden, alles eerder netjes dan rijk.

Had mijn nieuwe meester mij bij Melendez goed bekeken, zoo beschouwde

ik hem thans op mijn beurt met veel attentie. Hij was ruim vijftig

jaar, koel en ernstig; hij scheen mij zachtaardig van karakter en

mijn oordeel over hem was niet slecht. Hij deed mij verscheidene

vragen en tevreden over mijne antwoorden, zeide hij: "Gil Blas,

ik geloof dat ge een degelijke jongen zijt, het doet me genoegen

dat je in mijn dienst bent getreden. Van jouw kant zal je over je

betrekking tevreden zijn. Ik zal je zes realen daags geven, waarmee

je zelf voor je voedsel en onderhoud moet borgen, behalve de kleine

voordeelen, die gij bij mij zult hebben. Overigens ben ik niet lastig,

ik eet in de stad. Gij behoeft alleen 's morgens mijn kleeren af

te borstelen, de rest van den dag zijt ge vrij. Alleen sta ik er op

dat je 's avonds vroeg naar bed gaat en mij aan de deur opwacht; dat

is alles wat ik van je verlang." Daarop gaf hij mij zes realen. Wij

gingen vervolgens beiden weer uit en zelf sloot hij de deur en nam

de sleutels mee. "Volg mij niet, mijn vriend," zeide hij, "ga waar

je wilt, maar als ik vanavond thuis kom, dan moet ik je op de stoep

vinden." Bij deze woorden verliet hij mij en ik was mijn eigen meester.

"Waarachtig, Gil Blas," zei ik tot mijzelf, "je zoudt geen beteren

meester kunnen vinden! Je ontmoet een man, die je om 's morgens zijn

kleeren af te borstelen en zijn kamer te doen zes realen per dag geeft,

met vrijheid te gaan wandelen en je te vermaken als een schooljongen in

de vacantie. Prettiger betrekking is niet te bedenken." Ik verwonderde

mij niet meer, dat ik lust had gehad naar Madrid te gaan; ik had

zeker een voorgevoel van het geluk dat mij daar wachtte.

Ik vond dit nieuwe leven heel aangenaam. En nog vermakelijker was,

dat ik den naam van mijn meester niet eens wist. Melendez wist hem

niet eens. Hij kende hem als een heer, die af en toe in zijn winkel

kwam en wien hij dan wel eens laken verkocht. Onze buren konden

mijne nieuwsgierigheid ook al niet bevredigen. Zij zeiden mij, dat

hij bij niemand in de buurt aan huis kwam en eenigen, gewoon allerlei

gevolgtrekkingen te maken, besloten daaruit dat men niet gunstig over

hem kon oordeelen. Men ging zelfs verder; men verdacht hem een spion

te zijn van den koning van Portugal en men waarschuwde mij mijne

maatregelen daarvoor te nemen. Deze raad hinderde mij; ik bedacht,

dat ik dan wel kans had kennis te maken met de gevangenissen van

Madrid, die me niet geriefelijker voorkwamen dan de andere. Mijn

onschuld was geen reden tot gerustheid; wat mij al overkomen was,

had mij een heilige vrees ingeboezemd voor alles wat justitie was. Ik

had tweemaal ondervonden dat, al liet zij onschuldigen niet sterven,

zij door de zonderlinge wijze waarop zij de wetten der gastvrijheid

toepaste, het altijd treurig is met haar in aanraking te komen.

Ik raadpleegde Melendez, doch hij wist mij geen raad te geven. Ik

besloot dus mijn meester na te gaan en hem te verlaten als

hij werkelijk bleek een vijand van den staat te zijn; maar de

voorzichtigheid en het aangename van mijn betrekking eischten dat ik

zeer zeker van mijn zaak moest zijn. Ik begon dus zijn handelingen

na te gaan en om hem op de proef te stellen, zeide ik op een avond

onder het uitkleeden: "Mijnheer, ik weet niet hoe men zich tegen

kwaadsprekendheid kan hoeden. De wereld is zoo slecht! Zoo hebben wij

o. a. buren, die niet waard zijn dat de duivel ze haalt. Gij zult

nooit raden hoe zij over ons spreken." "En wat kunnen zij dan wel

te zeggen hebben, mijn vriend?" vroeg mijn meester. "Ach mijnheer,

de kwaadsprekendheid heeft waarlijk geen grens. Onze buren zeggen,

dat wij gevaarlijke lieden zijn en de oplettendheid van het hof

verdienen; in één woord: gij gaat door voor een spion van den koning

van Portugal." Bij deze woorden zag ik mijn meester scherp aan en

merkte op, dat hij rilde; dat paste bij de beweringen van de buurt,

daarna verviel hij in een droomerij, die ik niet gunstig uitlegde. Hij

herstelde zich echter spoedig en zeide mij tamelijk kalm: "Gil Blas,

laat onze buren maar praten en onze rust door gebabbel niet verstoren."

Daarop ging hij slapen en ik deed hetzelfde zonder te weten waaraan

ik mij moest houden. Toen wij ons den volgenden dag gereed maakten

uit te gaan, hoorden wij hard kloppen op de eerste deur van de

trap. Mijn meester opende de andere en keek door het kleine getraliede

venster. Hij zag een goed gekleeden man, die zeide: "Mijnheer, ik

ben alguazil en ik kom u zeggen dat mijnheer de corregidor u wenscht

te spreken." "Wat wil hij van mij?" vroeg mijn meester. "Dat weet

ik niet, mijnheer," hernam de alguazil, "maar gij hoeft slechts naar

hem toe te gaan om het direct te vernemen. "Mijn complimenten," zeide

mijn meester, "ik heb niets met hem uit te staan"; hierop sloot hij

het venster van de deur en na eenigen tijd in gedachten op en neer te

hebben geloopen, alsof dat hem veel te denken had gegeven, stopte hij

mij mijne zes realen in de hand en zeide: "Gil Blas, mijn jongen, je

kunt heengaan; ik ga niet zoo vroeg uit en heb je vanmorgen niet meer

noodig." Ik maakte hieruit op, dat hij bang was te worden gearresteerd

en dat hij daarom in huis wilde blijven en om te weten te komen, of ik

mij ook vergiste, verborg ik mij zoo, dat ik hem kon zien als hij zou

uitgaan. Maar een uur later zag ik hem op straat, zoo zeker in zijn

houding, dat ik er verbaasd van was. Ik liet mij echter niet van de

wijs brengen en verbeeldde mij, dat hij slechts thuis was gebleven

om alles wat hij aan goud en juweelen bezat, bij elkaar te nemen en

dat hij nu waarschijnlijk maatregelen ging nemen om snel te kunnen

vluchten. Ik had geen hoop hem weer te zien en ik twijfelde of ik

's avonds wel naar zijn huis zou gaan, zoo zeker was ik, dat hij de

stad zou verlaten om het hem dreigend gevaar te ontloopen. Nochtans

mankeerde ik 's avonds niet en tot mijn verrassing kwam mijn meester op

den gewonen tijd thuis. Ik ging naar bed zonder de minste ongerustheid

te doen blijken en stond den volgenden morgen kalm op.

Toen hij bezig was zich te kleeden, werd er eensklaps op de deur

geklopt. Mijn meester keek door het kleine venster, herkende den

alguazil van den vorigen dag en vroeg hem wat hij wilde. "Doe open,"

antwoordde de alguazil, "de corregidor wil u spreken." Bij dezen

verschrikkelijken naam verstijfde het bloed in mijn aderen. Sedert

ik in hun handen was geweest, had ik een duivelsche vrees voor die

heeren en ik had wel honderd mijlen van Madrid willen zijn. Mijn

meester was minder verschrikt dan ik; hij opende de deur en ontving

den rechter eerbiedig. "Gij ziet, dat ik niet met veel gevolg

kom," zeide de corregidor, "ik wil de zaak afdoen zonder opzien te

baren. Ondanks de slechte geruchten, die over u loopen, geloof ik

dat men u eenigszins behoort te ontzien. Zeg mij hoe gij heet en

wat gij in Madrid komt doen." "Mijnheer," antwoordde mijn meester,

"ik kom uit Nieuw-Castilië en heet don Bernard de Castil Blazo. Mijn

bezigheden zijn wandelen, den schouwburg bezoeken en ik verheug mij

dagelijks in een aangenamen handel met enkele lieden." "Gij hebt zeker

een groot inkomen?" vroeg de rechter. "Neen, mijnheer, ik heb renten,

noch landen, noch huizen." "En waarvan leeft gij dan wel?" hernam de

corregidor. "Dat zal ik u laten zien," antwoordde don Bernard. Tegelijk

trok hij een kleed weg, opende een deur, die ik nog niet bemerkt had,

vervolgens daarachter weer een en liet den rechter binnen in een

kabinet, waar een groote koffer stond geheel met goudstukken gevuld.

"Mijnheer," zeide hij vervolgens, "gij weet dat de Spanjaarden

vijanden zijn van werken; hoe groot de afschuw echter is, die zij van

vermoeienis hebben, de mijne, ik verzeker het u, overtreft die nog

ver; ik ben lui uit temperament en zoo lui, dat, als ik zou moeten

werken om te leven, ik van honger zou sterven. Om dus te kunnen

leven overeenkomstig mijn aard, om mijn goederen niet behoeven te

besturen en nog meer om het zonder een intendant te kunnen doen,

heb ik al mijn goed, dat uit verscheidene belangrijke erfenissen

bestond, in contanten omgezet. In dien koffer zijn vijftig duizend

dukaten. Dat is meer dan ik voor de rest van mijn dagen noodig heb,

als ik langer dan een eeuw zou leven, daar ik er jaarlijks geen duizend

uitgeef. Ik vrees dus de toekomst niet; ik houd weinig van pretmaken,

ik speel alleen voor genoegen en ik heb genoeg van de vrouwen."

"Wat zijt gij gelukkig!" zeide de corregidor toen. "Men verdenkt

u wel zeer verkeerd een spion te zijn; zoo iets komt weinig met uw

aard overeen. Ga voort te leven zooals gij doet, don Bernardo. Verre

van u te willen verontrusten, zal ik uw verdediger zijn; ik vraag uw

vriendschap en bied u mijn hand aan." Hierop verliet de rechter don

Bernard, die niet genoeg zijn erkentelijkheid kon toonen. Mijnerzijds

maakte ik duizend buigingen om mijn meester te helpen, hoewel ik

natuurlijk in het diepst mijner ziel alle verachting en afschuw voelde,

die elk eerlijk man voor een alguazil heeft.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 38 / 67 题