HOOFDSTUK VIII

De ontmoeting van Gil Blas en zijn metgezel met een man die stukjes

brood in een beek doopte en wat zij met hem bespraken.

Diego de la Fuente vertelde mij nog meer avonturen die hem sedert

overkomen waren, maar daar zij mij niet waard schijnen te vertellen,

ga ik ze stilzwijgend voorbij. Wij kwamen spoedig in het dorpje Porte

de Duero en bleven daar het overige van den dag. Wij lieten ons daar

in de herberg een lekkere koolsoep en gebraden haas klaar maken. Den

volgenden morgen vertrokken wij met den dageraad na eerst onze lederen

zak met tamelijk goeden wijn gevuld te hebben; bovendien namen wij wat

brood mede en den halven haas die den vorigen avond was overgebleven.

Toen wij ongeveer twee mijlen geloopen hadden, kregen wij honger, daar

wij op twee honderd pas van den grooten weg af verscheidene groote

boomen zagen die rijkelijk schaduw gaven, hielden wij daar stil. Wij

ontmoeten er een jongen man van ongeveer zeven en twintig jaar, die

bezig was korsten brood in een beek te weeken. Naast hem lag een lang

rapier en een knapzak, die hij van zijn schouders had geworpen. Hij zag

er armoedig gekleed uit doch overigens had hij een flinke gestalte, en

hij was tamelijk knap van uiterlijk. Wij naderden hem zeer beleefd en

hij groette ons evenzoo terug. Vervolgens bood hij ons van zijn korsten

aan en vroeg ons lachende of wij van de partij wilden zijn. Wij zeiden

ja, mits wij ter aanvulling, ons ontbijt mochten toevoegen. Hij stemde

hierin gaarne toe en wij haalden terstond onzen voorraad voor den dag,

wat den onbekende naar 't scheen nog al beviel. "Mijne heeren," riep

hij uit, "gij zijt goed van mondvoorraad voorzien. Zooals ik zie zijt

gij vooruitziende lieden; wat mij betreft, ik reis niet met zooveel

voorzorgen, maar laat heel veel aan het toeval over. En toch kan ik

zonder bluf zeggen, dat ik soms een zeer gewichtig persoontje ben,

al treft ge me hier onder slechte omstandigheden. Weet gij wel dat

ik meestal behandeld word als een prins en dat ik er een lijfwacht

op nahoudt?--"O, ik begrijp u al," zei Diego (dit is de naam van den

barbiersjongen) "gij wilt daarmee zeggen dat gij tooneelspeler zijt."

--"Gij hebt het geraden," antwoordde de ander, "ik speel al minstens

vijftien jaar komedie. Toen ik nog een kind was speelde ik al

lichte rolletjes."--"Om je de waarheid te zeggen," antwoordde de

barbiersjongen het hoofd schuddende, "ik heb moeite je te gelooven. Ik

ken de komedianten; die heertjes reizen niet te voet en voeden

zich niet zoo sober."--"Gij moogt van mij denken wat gij wilt,

antwoordde de acteur; ik aarzel niet de eerste rollen te spelen,

voornamelijk verliefde rollen." "Als dat zoo is," zei mijn kameraad,

"dan wensch ik er u geluk mede en ben blij, dat mijnheer Gil Blas en

ik het genoegen smaken met zulk een gewichtig persoon te ontbijten."

We begonnen nu onze korsten op te knabbelen met de kostbare

overblijfselen van den haas, terwijl wij onzen wijnzak zoodanig

aanspraken, dat hij spoedig leeg was. Wij waren alle drie zoo verdiept,

zoodanig, dat wij al dien tijd bijna geen woord spraken. Na den

maaltijd echter hervatten wij ons gesprek. "Ik ben verbaasd," zei de

barbier tot den tooneelspeler, "dat men u zoo weinig uw beroep aanziet,

want voor een tooneelheld ziet ge er erg sjovel uit. Ik hoop niet dat

gij mijn openhartigheid kwalijk zult nemen." "Openhartigheid," riep de

acteur uit, "neen, dan kent gij Melchior Zapata al zeer slecht. Goddank

ben ik niet gauw op mijn teentjes getrapt. Gij doet mij groot pleizier

zoo openhartig te spreken, want ook ik houd er van alles te zeggen,

wat mij op het hart ligt. Ik beken u dan ook ronduit, dat ik niet

rijk ben. Kijk," zei hij terwijl hij ons liet zien dat zijn jas van

binnen gevoerd was met aanplakbiljetten, "dat is mijn gewone voering

die ik altijd gebruik en als je mijn garderobe soms zien wil, dan zal

ik je nieuwsgierigheid tevreden stellen." Tegelijkertijd haalde hij

uit zijn knapzak een jas bedekt met oud passement van namaakzilver,

een oude helm met versleten veeren, zijden kousen vol gaten en

erg versleten rood marokijnen schoenen. "Zooals ge ziet," zei hij,

"heb ik veel overeenkomst met een bedelaar." "Dat verbaast mij,"

antwoordde Diego, "hebt ge dan geen vrouw of dochter?" "Ik heb een

mooie vrouw," antwoordde Zapata, "en ik ben er nog niet veel beter

op geworden. Denk eens aan wat een pechvogel ik ben! Ik trouw een

lieve actrice, hopende dat zij mij niet zal laten omkomen van honger,

maar zij is zoo deugdzaam, dat zij zich niet laat omkoopen. Wie ter

wereld zou niet evenzoo er in geloopen zijn als ik? Daar heb je nu

een heel enkele brave actrice onder de reizende comedianten en die

moet ik nu juist treffen." "Ja dat is zeker pech hebben," antwoordde

de barbier. "Maar waarom neem je dan geen actrice van den grooten

tooneelspelerstroep te Madrid, dan zou je zeker zijn geweest van je

zaak." "Dat ben ik geheel met je eens," antwoordde de komediant, "maar

't is voor den duivel niet gemakkelijk voor een reizend tooneelspeler

relaties aan te knoopen met zulke eerste sterren. Dat is iets voor

een tooneelspeler van den koninklijken troep en er zijn er onder hen

ook nog, die genoodzaakt zijn een keus te doen in de stad. Gelukkig

is deze nog al ruim voorzien van jonge schoonen en men ontmoet er

soms onder, die meer waard zijn dan die theaterprinsessen."

"En hebt ge er nooit over gedacht u bij dien troep in te werken?" vroeg

mijn metgezel. "Moet men zulke buitengewone verdiensten hebben?" "Neen

maar, nu nog mooier, gij neemt geloof ik een loopje met mij,"

antwoordde Melchior. "Meer dan de helft van die lieden verdienen

nog met een knapzak op hun rug te loopen, maar niettegenstaande dat,

is het uiterst moeilijk door hen opgenomen te worden. Men heeft òf

geld noodig, òf vermogende vrienden, die het tekort van je talent

aanvullen. En geloof mij gerust, want ik kan het zeker weten, daar ik

pas in Madrid gedebuteerd heb en waar ik uitgefloten ben van heb ik

jou daar. En aangezien ik door mijn spel niet kon voldoen en er geen

kans toe zag mij er bij die kliek in te werken, ten spijt van hen die

mij hebben uitgefloten, ga ik maar weer doodkalm terug naar Zanora,

Ik ga nu terug naar mijn vrouw en mijn kameraden, die er ook al geen

schitterende zaken doen. Wij zullen dus maar eens uitkijken en naar

een andere stad trekken, zooals dat al zoo vaak gebeurd is."

Bij deze woorden stond de dramaticus op, nam zijn knapzak en zijn

rapier en zei op ernstigen toon: "Tot weerziens, mijne heeren, mogen

de goden hun gunsten over u uitstorten." "En moogt gij," antwoordde

Diego op denzelfden ernstigen toon, "uw vrouw geheel veranderd te

Zanora terugvinden en moogt ge haar in weelderige omstandigheden

terugzien!" Zoodra Zapata zijn hielen gelicht had, begon hij te

gesticuleeren en te declameeren terwijl hij voortliep. Toen we dat

zagen, begonnen de barbier en ik te fluiten om hem zijn debuut in

herinnering te brengen. Ons gefluit trof zijn ooren en hij verbeeldde

zich het gefluit te Madrid weer te hooren. Hij keek om en ziende dat

wij ons te zijnen koste vermaakten, werd hij in het geheel niet boos,

maar nam het vroolijk op en liep lachende verder. Van onzen kant namen

we nog een stevig glas wijn en begaven ons vervolgens verder op weg.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 35 / 67 题